| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
Als er geen bewoning was, zullen rivieren, bossen en landstreken geen naam gehad hebben. Immers, bewoners gaven namen aan rivieren, bossen en landstreken. De schriftelijke overlevering van die namen, komt altijd pas (soms lang) daarná op gang. Aangezien de bewoning in laag Nederland pas na de 10e eeuw opkwam, stammen ook de namen van ná die tijd. Het is dan ook complete waanzin te veronderstellen dat onbewoonde streken in Nederland in de 8e eeuw namen gehad zullen hebben, die bovendien in Frankrijk bekend zouden zijn geweest en dáár en alleen daar overgeleverd zouden zijn. Nederland beschikt over geen enkele eigen of eigentijdse bron uit die tijd. Als er na ruim 13 eeuwen nog steeds geen overeenkomstige locaties van al die namen uit die klassieke bronnen gevonden zijn, dient men zich terdege af te vragen of men wel in de juiste streek aan het zoeken is. Dat geldt ook voor de namen van die 4 bossen uit de oorkonde uit het jaar 777. In standaardwerken zoals "Geschiedenis van de Nederlanden" en "Verleden van Nederland", waarin men Karolingisch Nederland na de Romeinse tijd weer laat beginnen in de 8e eeuw, ontbreekt de oorkonde uit het jaar 777. En juist met deze oorkonde wordt altijd geschermd ten gunste van Karolingisch Nijmegen, de St.Maartenskerk te Utrecht en de locatie van Dorestad te Wijk bij Duurstede. Juist aan deze oorkonde wordt de rest van de Nederlandse geschiedenis na de 8e eeuw opgehangen. En juist deze oorkonde wordt totaal niet als zodanig genoemd. Niets over Lisiduna, niets over Ubchirica, niets over de Lokkia, niets over Hengistscoto en de andere 3 bossen of de Eem. In Nijmegen laat men de Karolingische geschiedenis na de Romeinse tijd weer beginnen met de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777. Van de 14 namen uit deze oorkonde wordt de determinatie van 10 namen compleet verzwegen. Het Bronnenboek noemt 7 plaatsen niet eens. Met slechts 28% van de namen wil men bewijzen wat door de overige 72% weerlegd wordt. Is dat historische wetenschap? Hengistscoto en Hem worden vanouds geïdentificeerd met Henschoten en Eem slechts op grond van een fonetische overeenkomst. Er wordt totaal voorbij gegaan aan de betekenis van deze namen en de geografische omstandigheden waarin ze voorkomen. Aan deze identificaties mag zo ernstig getwijfeld worden, dat het onbegrijpelijk is dat de historici ze nog steeds hanteren. Was de rivier de HEM wel de Eem? Bestond de Eem wel in de 8e eeuw? Of heette die rivier die ontstond na de ontginningen vanouds de Amer (denk aan Amer-sfoort en H-amer-sveld)? Een oude naam voor de Eem was de Amersfoortse beec (Bron: Hilhorst). Ook andere schrijvers geven dezelfde bron. "Amersfoort ontstond op een gunstige plaats om het water over te steken. De doorwaardbare plaats -voorde- door de Amer, dat waarschijnlijk de oude naam voor het stroomgebied van de Eem was. De vroegste vermelding van Amersfoort stamt uit 1028".(Bron: De Koppelpoort) Met andere woorden: toen Amersfoort ontstond in 1028 heette de rivier nog Amer. Hier is dus geen sprake van Amer, maar ook niet van Hem of Hemus. Dit betekent dat de HEM uit de oorkonden van 777 geen betrekking op de Eem gehad kan hebben. De naam Eem ontstond dus pas na de 11e eeuw, precies in de tijd van de eerste ontginningen in dat gebied en ook in de tijd dat de eerste mythen in Nederland ontstonden! De Eem is ook pas ontstaan door en tijdens de ontginningen. Het is duidelijk een product van de grootschalige ontginningen in haar stroomgebied. Het is dus vrij aannemelijk dat de naam van de Eem juist ontstond na de toepassing van de oorkonde uit 777 op Nederland en de mythe van St.Willibrord in Utrecht al ruimschoots was ingevoerd. De logica. Het grootste bezwaar tegen de Nederlandse interpretatie van de oorkonde uit 777 is de logica. Het gaat hier dus over de situatie in de 8e eeuw. De kerk van St.Willibrord krijgt goederen geschonken voor "dagelijks" gebruik. Bossen om hout te sprokkelen, weiden om dieren te laten grazen. Wat heeft men dan aan goederen op vele tientallen kilometers afstand? In een onhergergzaam gebied? Stukken bos omgeven door moerassen? De onderlinge afstanden tussen Utrecht en deze 4 bossen spreken de traditionele opvattingen tegen. Ook de vraag of het wel bosgebied was, blijft nog onbeantwoord. Heischoten (zanderige bodem) en Weede (bij Hoogland: moerasgebied dat nog niet ontgonnen was) waren dat in elk geval niet. Ook Hees (bij Soest) heeft een dekzandbodem en was een moerasachtig veengebied dat vanaf 1000 begroeid raakte met heide. Was het daarvoor misschien bosgebied? Zou Karel de Gote enkele waardeloze ver van elkaar liggende stukken grond aan de kerk van Trajectum geschonken? Wat heeft het bisdom aan enkele bosgebieden (om hout te sprokkelen?) op vele tientallen kilometers afstand? Het gaat hier wel over de 8e eeuw. |
De visie van Albert Delahaye. De vier bossen genaamd Hengestscote, Fornhese, Mocoroht, Widoc(q), gelegen aan beide zijden van de Hem zijn: Niet vergeten mag worden dat we hier op de taalgrens zijn en het Picardisch, Frans en Nederlands in schrijfwijze en zeker in uitspraak nogal eens sterk met elkaar (kunnen) verschillen. En juist dat levert de nodige verwarring op als het over dezelfde plaats gaat. ![]() De locatie van de 4 bossen in Comté de Guines (13 e eeuw!) Klik op de afbeelding voor een vergroting! De vier bossen bevinden zich aan beide zijden van de Hem, precies zoals in de oorkonde staat. Tournehem ligt er precies middenin, dus als geschenk aan de kerk van Trajectum is dit een logisch en samenhangend verhaal. De locatie van de bossen in Frankrijk is een onweerlegbare bewijs voor de juistheid van de opvattingen van Albert Delahaye. In Frankrijk liggen de bossen allemaal binnen een straal van enkele kilometers rondom Licques en Tourehem-sur-la-Hem. Het is een logisch complex, met onderlinge afstanden van hoogstens 1,5 uur gaans. Het gaat hier wel over de 8e eeuw! In de latere geschiedenis van Tournehem is een gegeven bekend, dat de oorkonde van 777 op een merkwaardige manier bevestigt. De stad heeft van oudsher vier bossen in gemeenschappelijk bezit van de burgers gehad. Een keur van Tournehem uit de 15e eeuw spreekt van de vier bossen en van het aandeel dat de burgers erin hadden. De vier bossen zijn in 1827 bij het domein van de staat gevoegd. Ook de afbeelding van de 4 bossen (zie hierboven) van "Le Comté de Guines" uit de 13e eeuw bevestigen de visie van Albert Delahaye. De bossen bestaan overigens nog steeds, al is de naam veranderd. Het gaat om Bois d'Hondrecoutre, Bois du Tertre, Bois de Recques en Bois de Cocove. De Nederlandse opvattingen. De traditionele geschiedenis heeft lang geworsteld met de naam en de locaties van deze 4 bossen, die toch een duidelijke plaatsbepaling van de oorkonde uit 777 aangeven. Er zijn een aantal opvattingen geweest, die onaanvaardbaar (b)leken. De genoemde rivier de Hem werd doorgaans gezien als de Eem bij Amersfoort. Aan de hand van onderstaand citaat uit de Canon van Utrecht, kan de traditionele opvatting geschetst worden. De ontginning van Eemland. (Bron: Canon van Utrecht) "De geschiedenis van Oost-Utrecht begint met die van de abdij Oostbroek die in 1121 was gesticht op een eilandje ten oosten van de stad Utrecht. In 1131 schonk de bisschop land rond Hengistscoto (Henschoten) aan de nieuwe abdij, die aan St. Laurentius is gewijd. Dit paste in het patroon, veel gronden te schenken aan kerkelijke instellingen. Toen de bevolking groeide, wensten de monniken hun grondbezit tot landbouwgrond om te zetten. Niet overal ging dat zo gemakkelijk. De ontginning van Woudenberg bijvoorbeeld was niet direct een groot succes, omdat de afwatering te wensen overliet. Pas na het ontstaan van de Zuiderzee verbeterde het grondwaterpeil. Vanaf 1240 kwam de ontginning pas goed op gang. Door deze grootschalige ontginningen ontstond de Eem ook pas en heeft dus in de 8e eeuw niet bestaan. In 1352 liet bisschop Jan van Arkel een paal plaatsen in het moerassig gebied ten noorden van Eemnes, waar de grond nog stevig genoeg was om op te lopen. Deze 'Leeuwenpaal' gaf de grens aan tussen Eemnes en Gooiland, oftewel tussen het gebied van de Utrechtse bisschop en de Hollandse graaf. Dat had alles te maken met de ontginning van de woeste gronden in deze streken, die al een paar eeuwen bezig was en steeds voor problemen zorgde. Die ontginningen waren nodig om meer land geschikt te maken voor landbouw. Vooral kloosters en kerken hadden veel van deze woeste gronden in bezit. Rond 1100 werd vanuit Leusden (hiermee wordt Oud-Leusden bedoeld: het tegenwoordig Leusden bestond nog niet in 1100) met de ontginning van Hamersveld en Asschat begonnen en aansluitend ook Leusbroek (is Leusden-Zuid). Rond 1170 sloegen door fikse stormen vele zandbanken en veen weg en ontstond de Zuiderzee, waardoor de afwatering verbeterde en ontginning van grotere delen van het Eemmoeras mogelijk werd. Zo werd vanaf 1203 onder leiding van de Utrechtse bisschop de Uitwijk (Bunschoten-oostzijde) ontgonnen. Om het ontgonnen land te beschermen werden dijken aangelegd. In 1409 vormden de dijken langs de Zuiderzee een aaneengesloten geheel. De grootste sluis bevond zich in Spakenburg (Spui). Het moerasgebied werd omgevormd in akker- en later weiland. Eemland wordt volgens de traditionele opvattingen voor het eerst genoemd in een acte uit het jaar 777. In die acte schonk Karel de Grote (742-814) het domein Leusden (Villa Lisiduna) en vier grote wouden aan de St. Maartenskerk te Utrecht (bisdom Utrecht). De schenking betrof een belangrijk deel van Eemland: de gouw Flethite aan de Eem (Hemus genoemd), Leusden en vier foreesten (bosgebieden), waaronder Hengistscoto (Henschoten, deel van Westerwoud), Fornhese bij Amersfoort en Widoc bij Hoogland. Het Eemmoeras was niet geschikt voor bewoning, afgezien van de door het landijs gedurende de ijstijden opgestuwde Heuvelrug en enkele zandige ophogingen in de uitgestrekte vallei tussen Heuvelrug en Veluwe. Veel van de huidige plaatsen liggen tegen de stuwwal aan, zoals Baarn en Soest, of op verhogingen, zoals Amersfoort, Leusden en Bunschoten. Denk ook aan de naam Hoogland. Op de hogere delen kwam vanaf de 10de eeuw wat bewoning voor. Daar werden akkertjes ingericht en boerderijen gebouwd. Op de grens met het moeras begon men voorzichtig wat te ontginnen. Op Hoogland wijst aardewerk dat bij opgravingen is aangetroffen, op bewoning in de 9de en 10de eeuw. De kleine ontginningen die in Eemland plaatsvonden, blijken allemaal in bezit te zijn van het klooster Elten, dat in 968 was gesticht, waarschijnlijk door graaf Wichman van Hamaland. Hij begiftigde het klooster met veel land en zo kreeg Elten ook grote delen van 't Gooi en Eemland in bezit. We moeten daarbij denken aan hoger gelegen gronden als Coelhorst, Krachtwijk en Grimmestein. De boeren die op deze ontginningen woonden, gebruikten de omliggende woeste gronden om er varkens te weiden, plaggen te steken en brandhout te zoeken. Ook in Baarn en Soest bezat het klooster Elten een aantal boerderijen." (Bron: Canon van Utrecht) Het is dus een farce om te veronderstellen dat er in Eemland in de 8e eeuw al een omvangrijke bewoning bestond, zoals in de oorkonde uit 777 wordt omschreven. Het zou nog minstens 2 eeuwen duren voordat er de eerste bewoning op gang kwam, aanvankelijk aan de randgebieden. De stichting van de plaatsen in dit gebied te weten Amersfoort, Nijkerk, Hoogland, Bunschoten, Eemnes, Eembrugge en Baarn zijn allemaal op zijn vroegst in de 11e eeuw te plaatsen. Ten aanzien van Amersfoort dient opgemerkt te worden dat de oudste archeologische sporen zelfs pas uit eind 12e/begin 13e eeuw stammen. Met de vermelding van de niet bestaande plaats Amersfoort in de oorkonden van 1028 en 1050 wordt al aangegeven dat deze oorkonden vervalsingen z.g. falsums zijn. Ook andere plaatsen die in deze oorkonden genoemd worden bestonden in 1028 of 1050 nog niet. We laten enkele opvattingen de revue passeren. Noemt als een der eerste de locatie de vier foreesten uit de oorkonde van 777 en plaatst deze te Amerongen, Elst, Wageningen en Ede. Dit op grond van Romeinse vondsten!(Bron: Buchelius) Opmerking: Zo gemakkelijk ontstonden de mythen. Men vond iets Romeins en "plop" op de vindplaats werden Middeleeuwse teksten toegepast. In 1898 wordt de opvatting van Aernout van Buchel (Buchelius: 1565-1641) door A.J.C.Kremer voor onjuist gehouden, met als argumentaties dat "Wageningen en Ede niet in de gouw Flethetti gelegen hebben", wat overigens volkomen juist is. Echter de andere twee plaatsen lagen er evenmin, aangezien de gouw Flethite niet in Nederland lag, maar in Frankrijk bij het Flevum. "In de achtste eeuw op het jaar zevenhonderd zeven en zeventig, wanneer Albrik, vierde bisschop van Utrecht, alle landen by de Rivier de Eem gelegen, als vrijwillige gifte van Konink Karel de Groote, ontfong, wordt van Amersfoort noch geen gewaag gemaakt, alhoewel het naby gelegen Dorp Leusden in de brief van schenking al gemelt staat". (Bron: A.van Bemmel) Opmerking: In 1760 bestond de mythe (met een verwijzing naar Heda pag.41) rondom deze oorkonde al, maar de bossen worden verder niet genoemd. Opvallend is dat Albrik hier bisschop wordt genoemd, terwijl in de oorkonde staat dat hij "priester en electus rector" (=costus, bewaarder) is. Hengestscoto is Henschoten (in Woudenberg), Fornhese aan de Eem, Mocoroht aan de Eem, Widoc aan de Eem. (Bron: Sloet) Opmerking: In 1876 werd alleen Henschoten als "zekerheid" genoemd, de locaties van de andere 3 bossen was ergens "aan de Eem", dus onbekend. Het "aan de Eem" wordt in de Nederlandse traditie wel erg ruim genomen. Van 'Henschoten' kan men toch niet spreken dat het aan de Eem ligt. De afstand tot de Eem is ruim 10 kilometer.
|
|
Het is opvallend dat zowel Blok als Gysseling, die zichzelf graag de "grootste naamkundigen" van de 20e eeuw noemen - zij hadden er verstand van en Delahaye doet maar wat-, geen determinaties geven van alle bossen. Ze slaan liefst 75% van de bossen over! En dan stelde Gysseling: "alle determinaties van Delahaye zijn fout". Ja, als je er zelf geen geeft, kunnen die ook niet fout zijn. |
|
Is het nu Heischoten of Henschoten? In de hierboven genoemde voornamelijk geografische publicaties, komt de naam Henschoten nauwelijks voor. Vaker is sprake van Hei- of Heinschoten. Het opvallende verschil van die ene letter -i- of -n- is slechts verklaarbaar door de foutieve toepassing van de naam Hengistscoto op Heischoten, waarbij men op historische gronden gemakshalve de -i- vervangen heeft door een -n-. Met deze fonetische gelijkheid wil men klaarblijkelijk het historische gelijk onderbouwen als zou Henschoten overeen komen met Hengestscoto. Het is dezelfde fout die gemaakt wordt over de Romeinse tijd, waar men het op de Peutingerkaart vermelde Fletione als een verschrijving ziet voor Fectio en vervolgens de "aangepaste" schrijfwijze klakkeloos toepast in allerlei publicaties. Het blijft natuurlijk interessant en relevant om te weten wanneer en op grond waarvan de naam Hengistscoto voor het eerst op Heischoten is toegepast. Dat is in elk geval pas gedaan na 1641, aangezien Aernout van Buchel (Buchelius: 1565-1641) er 4 kompleet andere locaties op na houdt, t.w. Amerongen, Elst, Wageningen en Ede. In 1898 wordt deze opvatting door A.J.C.Kremer voor onjuist gehouden, met als argumentaties dat "Wageningen en Ede niet in de gouw Flethetti gelegen hebben". Sloet geeft in 1876 wel de determinatie van Hengistscoto voor Henschoten, maar de overige 3 bossen (wat dus 75 % onzekerheid is: hoe zeker is het dan?) worden slechts "aan de Eem" genoemd, locaties die heden nog gevolgd worden, echter vaak zonder nadere aanduiding. Het gebied rondom Amersfoort tussen Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe tot aan Veenendaal (de Gelderse Vallei) was één groot moerasgebied. Van foreesten (uitgestrekte bossen) is dan ook geen enkele sprake geweest. |
De vier bossen.Is Hengistscoto het landgoed Henschoten?De determinatie van Henschoten met Hengistscoto mag dan op fonetische gronden aannemelijk lijken, met de betekenis van de naam en de geografische omstandigheden is dit niet verklaarbaar. Hengistscoto of Hengestcoto of Hengistcote wordt in de oorkonde van 777 genoemd als een van de «forestes que sunt de ambas partes Hemi» = "die gelegen zijn aan beide zijden van de Hem(us)". (Ambas partes betekent feitelijk "rondom"). In de Nederlandse traditie wordt dit doorgaan 'vertaald' met "aan de Eem". Dit geeft dus duidelijk aan dat daarmee "vlakbij" en in feite "tegen de Eem aan" bedoeld is. En daarvan is met Henschoten dat zo'n 15 km van de Eem ligt (zo'n 4 uur gaans), in het geheel geen sprake. Bekijken we de betekenis van Hengistscoto en Henschoten, kan komt de volgende vraag op: "Sinds wanneer bestaat de naam Henschoten?" "Het is opvallend dat Woudenberg als een der weinige dorpen en gehuchten in het Utrechtse niet voorkomt in het "Oorkondenboek van het Sticht Utrecht", waarin alle bekende oorkonden betreffende het Nedersticht tot 1301 zijn opgenomen", meent C.Dekker. Maar zo opvallend is dat niet als men dit vergelijkt met de eerste relieken van St.Willibrord die men in Utrecht na een verzoek aan Echternach in exacte hetzelfde jaar 1301, vanuit Echternach ontvangt. Het is juist een volgend bewijs dat de traditie rond St.Willibrord aantoonbaar tussen 1289 en 1305 nieuw in Nederland ontstond. Het is tevens een aanwijzing te meer dat de naam Hengistscoto in de oorkonden van 1131, 1133 en 1200 latere toevoegingen zijn. Immers in 1301 was men nog niet op de hoogte van de schenkingen die Karel de Grote in het jaar 777 aan de St.Maartenskerk van Utrecht gedaan zou hebben. Voor het jaar 1200 bestond de traditie van St.Willibrord in Utrecht nog niet, dus ook niet die van een St.Maartenskerk in Utrecht. Het is echter zeer opvallend dat na 1200 niets meer vernomen wordt van "Hengestscoto" tot in de 19e eeuw (1862) de naam plotseling weer opduikt in de Codex Diplomaticus Neerlandicus. Het is een aanwijzing te meer dat het bij de oorkonden van 1131, 1133 en 1200 om geïnterpoleerde namen gaat. |