| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
Als er geen bewoning was, zullen rivieren, bossen en landstreken geen naam gehad hebben. Immers, bewoners gaven namen aan rivieren, bossen en landstreken. De schriftelijke overlevering van die namen, komt altijd pas (soms lang) daarná op gang. Aangezien de bewoning in laag Nederland pas na de 10e eeuw opkwam, stammen ook de namen van ná die tijd. Het is dan ook complete waanzin te veronderstellen dat onbewoonde streken in Nederland in de 8e eeuw namen gehad zullen hebben, die bovendien in Frankrijk bekend zouden zijn geweest en dáár en alleen daar overgeleverd zouden zijn. Nederland beschikt over geen enkele eigen of eigentijdse bron uit die tijd. Als er na ruim 13 eeuwen nog steeds geen overeenkomstige locaties van al die namen uit die klassieke bronnen gevonden zijn, dient men zich terdege af te vragen of men wel in de juiste streek aan het zoeken is. Dat geldt ook voor de namen van die 4 bossen uit de oorkonde uit het jaar 777. In standaardwerken zoals "Geschiedenis van de Nederlanden" en "Verleden van Nederland", waarin men Karolingisch Nederland na de Romeinse tijd weer laat beginnen in de 8e eeuw, ontbreekt de oorkonde uit het jaar 777. En juist met deze oorkonde wordt altijd geschermd ten gunste van Karolingisch Nijmegen, de St.Maartenskerk te Utrecht en de locatie van Dorestad te Wijk bij Duurstede. Juist aan deze oorkonde wordt de rest van de Nederlandse geschiedenis na de 8e eeuw opgehangen. En juist deze oorkonde wordt totaal niet als zodanig genoemd. Niets over Lisiduna, niets over Ubchirica, niets over de Lokkia, niets over Hengistscoto en de andere 3 bossen of de Eem. In Nijmegen laat men de Karolingische geschiedenis na de Romeinse tijd weer beginnen met de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777. Van de 14 namen uit deze oorkonde wordt de determinatie van 10 namen compleet verzwegen. Het Bronnenboek noemt 7 plaatsen niet eens. Met slechts 28% van de namen wil men bewijzen wat door de overige 72% weerlegd wordt. Is dat historische wetenschap? Hengistscoto en Hem worden vanouds geïdentificeerd met Henschoten en Eem slechts op grond van een fonetische overeenkomst. Er wordt totaal voorbij gegaan aan de betekenis van deze namen en de geografische omstandigheden waarin ze voorkomen. Aan deze identificaties mag zo ernstig getwijfeld worden, dat het onbegrijpelijk is dat de historici ze nog steeds hanteren. Was de rivier de HEM wel de Eem? Bestond de Eem wel in de 8e eeuw? Of heette die rivier die ontstond na de ontginningen vanouds de Amer (denk aan Amer-sfoort en H-amer-sveld)? Een oude naam voor de Eem was de Amersfoortse beec (Bron: Hilhorst). "Amersfoort ontstond op een gunstige plaats om het water over te steken. De doorwaardbare plaats -voorde- door de Amer, dat waarschijnlijk de oude naam voor het stroomgebied van de Eem was. De vroegste vermelding van Amersfoort stamt uit 1028".(Bron: De Koppelpoort) Met andere woorden: toen Amersfoort ontstond in 1028 heette de rivier nog Amer. Dit betekent dat de HEM uit de oorkonden van 777 geen betrekking op de Eem gehad kan hebben. De naam Eem ontstond dus pas na de 11e eeuw, precies in de tijd van de eerste ontginningen in dat gebied en ook in de tijd dat de eerste mythen in Nederland ontstonden! De Eem is ook pas ontstaan door en tijdens de ontginningen. Het is duidelijk een product van de grootschalige ontginningen in haar stroomgebied. Het is dus vrij aannemelijk dat de naam van de Eem juist ontstond na de toepassing van de oorkonde uit 777 op Nederland en de mythe van St.Willibrord in Utrecht al ruimschoots was ingevoerd. De logica. Het grootste bezwaar tegen de Nederlandse interpretatie van de oorkonde uit 777 is de logica. Het gaat hier dus over de situatie in de 8e eeuw. De kerk van St.Willibrord krijgt goederen geschonken voor "dagelijks" gebruik. Bossen om hout te sprokkelen, weiden om dieren te laten grazen. Wat heeft men dan aan goederen op vele tientallen kilometers afstand? In een onhergergzaam gebied? Stukken bos omgeven door moerassen? De onderlinge afstanden tussen Utrecht en deze 4 bossen spreken de traditionele opvattingen tegen. Ook de vraag of het wel bosgebied was, blijft nog onbeantwoord. Heischoten (zanderige bodem) en Weede (bij Hoogland: moerasgebied dat nog niet ontgonnen was) waren dat in elk geval niet. Ook Hees (bij Soest) heeft een dekzandbodem en was een moerasachtig veengebied dat vanaf 1000 begroeid raakte met heide. Was het daarvoor misschien bosgebied? Zou Karel de Gote enkele waardeloze ver van elkaar liggende stukken grond aan de kerk van Trajectum geschonken? Wat heeft het bisdom aan enkele bosgebieden (om hout te sprokkelen?) op vele tientallen kilometers afstand? Het gaat hier wel over de 8e eeuw. |
De visie van Albert Delahaye. De vier bossen genaamd Hengestscote, Fornhese, Mocoroht, Widoc(q), gelegen aan beide zijden van de Hem zijn: De locaties van de bossen in Frankrijk zijn tevens een aanwijzing voor de juistheid van de opvattingen van Albert Delahaye. In Frankrijk liggen de bossen allemaal binnen een straal van 5 km rondom Licques en op minder dan 7 km van Tourehem-sur-la-Hem. Het is een logisch complex, met onderlinge afstanden van hoogstens 1,5 uur gaans. Het gaat hier wel over de 8e eeuw! In de latere geschiedenis van Tournehem is een gegeven bekend, dat de oorkonde van 777 op een merkwaardige manier bevestigt. De stad heeft van oudsher vier bossen in gemeenschappelijk bezit van de burgers gehad. Een keur van Tournehem uit de 15e eeuw spreekt van de vier bossen en van het aandeel dat de burgers erin hadden. De vier bossen zijn in 1827 bij het domein van de staat gevoegd. De Nederlandse opvattingen. De traditionele geschiedenis heeft lang geworsteld met de naam en de locaties van deze 4 bossen, die toch een duidelijke plaatsbepaling van de oorkonde uit 777 aangeven. Er zijn een aantal opvattingen geweest, die onaanvaardbaar (b)leken. De genoemde rivier de Hem werd doorgaans gezien als de Eem bij Amersfoort. Aan de hand van onderstaand citaat uit de Canon van Utrecht, kan de traditionele opvatting geschetst worden. De ontginning van Eemland. (Bron: Canon van Utrecht) "De geschiedenis van Oost-Utrecht begint met die van de abdij Oostbroek die in 1121 was gesticht op een eilandje ten oosten van de stad Utrecht. In 1131 schonk de bisschop land rond Hengistscoto (Henschoten) aan de nieuwe abdij, die aan St. Laurentius is gewijd. Dit paste in het patroon, veel gronden te schenken aan kerkelijke instellingen. Toen de bevolking groeide, wensten de monniken hun grondbezit tot landbouwgrond om te zetten. Niet overal ging dat zo gemakkelijk. De ontginning van Woudenberg bijvoorbeeld was niet direct een groot succes, omdat de afwatering te wensen overliet. Pas na het ontstaan van de Zuiderzee verbeterde het grondwaterpeil. Vanaf 1240 kwam de ontginning pas goed op gang. Door deze grootschalige ontginningen ontstonde Eem ook pas en heeft dus in de 8e eeuw niet bestaan. In 1352 liet bisschop Jan van Arkel een paal plaatsen in het moerassig gebied ten noorden van Eemnes, waar de grond nog stevig genoeg was om op te lopen. Deze 'Leeuwenpaal' gaf de grens aan tussen Eemnes en Gooiland, oftewel tussen het gebied van de Utrechtse bisschop en de Hollandse graaf. Dat had alles te maken met de ontginning van de woeste gronden in deze streken, die al een paar eeuwen bezig was en steeds voor problemen zorgde. Die ontginningen waren nodig om meer land geschikt te maken voor landbouw. Vooral kloosters en kerken hadden veel van deze woeste gronden in bezit. Rond 1100 werd vanuit Leusden (hiermee wordt Oud-Leusden bedoeld: het tegenwoordig Leusden bestond nog niet in 1100) met de ontginning van Hamersveld en Asschat begonnen en aansluitend ook Leusbroek (is Leusden-Zuid). Rond 1170 sloegen door fikse stormen vele zandbanken en veen weg en ontstond de Zuiderzee, waardoor de afwatering verbeterde en ontginning van grotere delen van het Eemmoeras mogelijk werd. Zo werd vanaf 1203 onder leiding van de Utrechtse bisschop de Uitwijk (Bunschoten-oostzijde) ontgonnen. Om het ontgonnen land te beschermen werden dijken aangelegd. In 1409 vormden de dijken langs de Zuiderzee een aaneengesloten geheel. De grootste sluis bevond zich in Spakenburg (Spui). Het moerasgebied werd omgevormd in akker- en later weiland. Eemland wordt volgens de traditionele opvattingen voor het eerst genoemd in een acte uit het jaar 777. In die acte schonk Karel de Grote (742-814) het domein Leusden (Villa Lisiduna) en vier grote wouden aan de St. Maartenskerk te Utrecht (bisdom Utrecht). De schenking betrof een belangrijk deel van Eemland: de gouw Flethite aan de Eem (Hemus genoemd), Leusden en vier foreesten (bosgebieden), waaronder Hengistscoto (Henschoten, deel van Westerwoud), Fornhese bij Amersfoort en Widoc bij Hoogland. Het Eemmoeras was niet geschikt voor bewoning, afgezien van de door het landijs gedurende de ijstijden opgestuwde Heuvelrug en enkele zandige ophogingen in de uitgestrekte vallei tussen Heuvelrug en Veluwe. Veel van de huidige plaatsen liggen tegen de stuwwal aan, zoals Baarn en Soest, of op verhogingen, zoals Amersfoort, Leusden en Bunschoten. Denk ook aan de naam Hoogland. Op de hogere delen kwam vanaf de 10de eeuw wat bewoning voor. Daar werden akkertjes ingericht en boerderijen gebouwd. Op de grens met het moeras begon men voorzichtig wat te ontginnen. Op Hoogland wijst aardewerk dat bij opgravingen is aangetroffen, op bewoning in de 9de en 10de eeuw. De kleine ontginningen die in Eemland plaatsvonden, blijken allemaal in bezit te zijn van het klooster Elten, dat in 968 was gesticht, waarschijnlijk door graaf Wichman van Hamaland. Hij begiftigde het klooster met veel land en zo kreeg Elten ook grote delen van 't Gooi en Eemland in bezit. We moeten daarbij denken aan hoger gelegen gronden als Coelhorst, Krachtwijk en Grimmestein. De boeren die op deze ontginningen woonden, gebruikten de omliggende woeste gronden om er varkens te weiden, plaggen te steken en brandhout te zoeken. Ook in Baarn en Soest bezat het klooster Elten een aantal boerderijen." (Bron: Canon van Utrecht) We laten enkele opvattingen de revue passeren. Noemt als een der eerste de locatie de vier foreesten uit de oorkonde van 777 en plaatst deze te Amerongen, Elst, Wageningen en Ede. Dit op grond van Romeinse vondsten!(Bron: Buchelius) Opmerking: Zo gemakkelijk ontstonden de mythen. Men vond iets Romeins en "plop" op de vindplaats werden Middeleeuwse teksten toegepast. In 1898 wordt de opvatting van Aernout van Buchel (Buchelius: 1565-1641) door A.J.C.Kremer voor onjuist gehouden, met als argumentaties dat "Wageningen en Ede niet in de gouw Flethetti gelegen hebben", wat overigens volkomen juist is. Echter de andere twee plaatsen lagen er evenmin, aangezien de gouw Flethite niet in Nederland lag, maar in Frankrijk bij het Flevum. Hengestscoto is Henschoten (in Woudenberg), Fornhese aan de Eem, Mocoroht aan de Eem, Widoc aan de Eem. (Bron: Sloet) Opmerking: In 1876 werd alleen Henschoten als "zekerheid" genoemd, de locaties van de andere 3 bossen was ergens "aan de Eem", dus onbekend. "Voor het eerst vinden we de naam Heischoten vermeld in de schenkingsacte van 8 juni 777. Koning Karel de Grote schok bij die gelegenheid aan de St.Maartenskerk te Utrecht o.m. de villa Leusden en de 4 foreesten Hengistscoto, Fornhese, Mocoroht, Vuidoc. Omtrent de ligging van de laatste drie foreesten tast men min of meer in het onzekere. Wat evenwel betreft het bosch Hengistscoto of Hengestscoto, is men het er nagenoeg algemeen over eens, dat hierin gezien moet worden Heischoten of Henschoten bij Woudenberg. Van dit Heischoten weten wij voor de Frankisch-Germaansche periode niet anders, dan dat het in de 8e eeuw een foreest moet zijn geweest, dat niet ver van de Eem was gelegen".(Bron: W.v.Iterson) Opmerking: In 1932 heet het gebied bij Woudenberg dus Heischoten of Henschoten. Onduidelijk is welke van die 2 namen het oudste is. Is de naam Henschoten gegeven naar analogie van Hengistcoto of bestond de naam Henschoten reeds en is vanwege de "klankovereenkomst" er het Hengistscoto op geplakt? Het is een meer voorkomend verschijnsel in de problematiek van de "deplacements historiques". Duidelijk is wel dat men over de andere 3 bossen nog geheel in het duister tast. Het is begrijpelijk als men in de verkeerde streek zoekt. In noten op p. 139 en 244 merkt Van Iterson op dat "de ligging welke aangegeven is op de kaart van Buchels editie van Beka en Heda onjuist is en geheel willekeurig is gekozen. Het staat er getekend rechts van de Eem, ten noorden van Amersfoort gelegen heeft. Ook krijgt men niet de indruk dat dit een oppervlakte van enige betekenis heeft beslagen". Hij verwijst ook naar de J.J. de Geer en W.F.N. van Rootselaar en schrijft daarover dat die "een nog groter aantal plaatsen in Flehite vermelden, zonder evenwel bewijsplaatsen daarvoor op te geven. Wat aangaat de grenzen der pagi die een groot deel zouden hebben uitgemaakt van de tegenwoordige provincie Utrecht, valt weinig met zekerheid vast te stellen. Lake en Isla, de gouw van Lek en IJssel heeft naar alle waarschijnlijkheid voor een aanzienlijk gedeelte in Holland gelegen. Dat het kwartier Montfoort er dus de voortzettingen van zou zijn, kan moeilijk worden volgehouden". Opmerking: het bovenstaande geeft duidelijk weer hoe de historische wetenschap tot haar bevindingen kwam. Op basis van gissen werden locaties genoemd, die, als er niet te veel tegenspraak kwam, vervolgens als zekerheid werden aanvaard. In 50 jaar Numaga-publicaties (1954-2004) wordt de oorkonde van 777 regelmatig genoemd als het bewijs van het eerste verblijf van Karel de Grote te Nijmegen. "In de andere plaats Niumaga schonk Karel 8 Juni 777 aan de Sint Maartenskerk te Utrecht de villa Leusden en vier bossen aan de Eem en aan de bovenkerk te Duurstede honderd roeden grond, het ripaticum op de Lek en een eiland tussen Rijn en Lek".De overige namen van de oorkonde en met name de 4 bossen worden niet genoemd.(Bron:Numaga) Opmerking: de oorkonde uit 777 wordt algemeen beschouwd als hèt bewijs van het verblijf van Karel de Grote in Nijmegen. Met die oorkonde betrekt Karel de Grote het in alle pracht en praal nieuw gebouwde paleis in Noviomagus. Er is overigens in Nijmegen niets van dat paleis gevonden. Zie verder bij Noviomagus. Het is opvallend dat van deze oorkonde waarmee in Nijmegen steeds gezwaaid wordt als zijnde de eerste oorkonde en het bewijs van Karolingisch Nijmegen, geen sluitende determinatie van de overige namen van plaatsen en rivieren wordt gegeven wordt. Prof dr. R.R.Post schrijft hierover in 1956: "Wat was dit Numaga nu Nijmegen of Noyon? Ofschoon alle uitgevers van oorkondenboeken en ook die van de beide genoemde kronieken dit eenstemmig als Nijmegen opvatten, is het bewijs daarvoor niet doorslaggevend. Afgezien van de taalkwestie kan men redeneren : waarschijnlijk zal het niet Noyon doch Nijmegen zijn, want ten eerste : Karel kwam van Herstal en was op weg naar Saksen. Ten tweede hij was in Nijmegen dichter bij de roerige Saksen dan in Noyon en kon er gemakkelijker contact houden met de legerkampen in het land. Ten derde de schenking betrof de kerken van Utrecht en Duurstede. Dit alles wijst op Nijmegen eerder dan op Noyon. Maar zeker is dit niet, ofschoon ik moet bekennen, dat ik geen enkele reden kan bedenken, waarom het wel Noyon en niet Nijmegen zou zijn". Het blijft dan ook verrassend te moeten constateren op welke onbenullige argumenten Post (en ook andere historici) hier op Nijmegen komen. Als je de Saksen aan de kust van Het Kanaal plaats, waar ze in 777 nog verbleven, vervallen de eerste twee argumenten. Blijkbaar was Post daarvan niet op de hoogte. De Saksen zijn pas na het jaar 782 door Karel de Grote naar Noord-Duitsland gedeporteerd. Het derde argument is om twee redenen volkomen fout. Allereerst moet eerst bewezen worden dat het hier werkelijk over Utrecht en Wijk bij Duurstede gaat, maar bovendien is het nabijheidsbeginsel te infantiel voor woorden. Daarover heeft Albert Delahaye eens gezegd dat dan alle plaatsen die in de bullen van de Paus genoemd worden, dus in de omgeving van Rome zouden moeten liggen. Hengistscoto is Henschoten (bij Woudenberg), Fornhese is Heeze (bij Soest), Mocoroht is bij Maarn, Widoc is Weede (bij Hoogland). (Bron: Halbertsma) Opmerking: drie bossen liggen bij Halbertsma aan dezelfde (zuid-)zijde van de Eem, slechts Weede ligt er ten noorden van! Weede was tot ver in het tweede millennium een moerasgebied, dus geen bos. Dat blijkt uit "de maalschap van Wede" een naam die we pas in 1282 voor het eerst tegenkomen (Dekker). De Malewetering om juist dat gebied te ontginnen, is volgens Dekker (zie hierna), pas in het midden van de 13e eeuw gegraven. Momenteel is De Weede een drassig weiland, ongeschikt voor landbouw, waar ook lange tijd de ijsbaan van Hoogland gelegen heeft (vanwege het gemakkelijk onder water kunnen zetten ervan). Hengistscoto: Germaans hangiste m. "hengst" + skauta m. beboste hoek hoger land uitspringend in moerassig terrein: is Henschoten (Woudenberg: Ut); Fornhese: onbekend bos aan de Eem, Mocoroht: onbekend bos aan de Eem, Widoc: onbekend bos aan de Eem. (Bron: M.Gysseling) Opmerking: Drie van de vier bossen zijn bij Gysseling onbekend. Dan moet je toch gaan nadenken of je wel in de jusite streek aan het zoeken bent. De gelijkstelling van "coto" (of in andere vorm "cote") met "skauta" is een onbewezen gissing. Deze "naamkundige" heeft de ontelbare doublures in plaatsnamen tussen Vlaanderen en Nederland NOOIT opgemerkt. Hierdoor maakt hij fout op fout in zijn Toponymische Woordenboek. Men kan hem niet meer beschouwen als een deskundig toponymist. In zijn Woordenboek komt de naam van de rivier bij Tournehem, de Hem, niet eens voor. Hoe kun je dan op een juiste manier determineren. Hengistscoto (Henschoten), Fornhese (Vernhese), Mocoroht (?) en Widoc (Weede). (Bron: Kemperink) Opmerking: Fornhese wordt verklaard met Vernhese dat sinds de 14e eeuw voorkomt. Dat is 6 eeuwen na de oorkonde van 777! Hoe zit dat met de continuïteit? Mocoroht wordt verzwegen en Widoc "leest" Kemperink als Wido dat een Germaans woord voor woud of bos is. Kemperink vergeet echter dat het genoemde Widoc geen Germaans is, maar zuiver Romaans en alleen voorkomt in deze Franse oorkonde. "In de bekende, in Nijmegen gegeven Oorkonde van 8 juni 777 wordt o.a. vermeld dat Karel de Grote aan de bisschoppelijke kerk te Utrecht een aantal landgoederen en woeste gronden schenkt. Er wordt gesproken over de bestuurseenheid (gouw) Flethite; hierin liggen al deze objecten. Tot de aan de bisschop geschonken objecten behoren het landgoed Lisiduna (de kern van Oud-Leusden) en een viertal bossen, gebieden waar de koning het jachtrecht bezat: Hengistscoto, Fornhese, Mocoroht en Widoc. Deze bossen liggen ter weerszijde van de Hemus (later: Eem) en zij worden in deze volgorde genoemd. Dat betekent voor de bevredigend gelokaliseerde foreesten: van hoog naar laag gebied, eerst de west(linker)zijde, dan de oost(rechter)zijde van de waterloop. Het nog niet gelokaliseerde Mocoroht zou dan, volgens deze gedachte, aan de oostzijde moeten liggen; ook een reden om het wel als zodanig opgevatte Maarn als voortzetting af te wijzen". Ref. Kemperink, 1970. Opmerking: Archief Eemland verwijst naar Kemperink. Zie opmerking hiervoor bij Kemperink. |
|
Het is opvallend dat zowel Blok als Gysseling, die zichzelf graag de "grootste naamkundigen" van de 20e eeuw noemen - zij hadden er verstand van en Delahaye doet maar wat-, geen determinaties geven van alle bossen. Ze slaan liefst 75% van de bossen over! En dan stelde Gysseling: "alle determinaties van Delahaye zijn fout". Ja, als je er zelf geen geeft, kunnen die ook niet fout zijn. |
|
Is het nu Heischoten of Henschoten? In de hierboven genoemde voornamelijk geografische publicaties, komt de naam Henschoten nauwelijks voor. Vaker is sprake van Hei- of Heinschoten. Het opvallende verschil van die ene letter -i- of -n- is slechts verklaarbaar door de foutieve toepassing van de naam Hengistscoto op Heischoten, waarbij men op historische gronden gemakshalve de -i- vervangen heeft door een -n-. Met deze fonetische gelijkheid wil men klaarblijkelijk het historische gelijk onderbouwen als zou Henschoten overeen komen met Hengestscoto. Het is dezelfde fout die gemaakt wordt over de Romeinse tijd, waar men het op de Peutingerkaart vermelde Fletione als een verschrijving ziet voor Fectio en vervolgens de "aangepaste" schrijfwijze klakkeloos toepast in allerlei publicaties. Het blijft natuurlijk interessant en relevant om te weten wanneer en op grond waarvan de naam Hengistscoto voor het eerst op Heischoten is toegepast. Dat is in elk geval pas gedaan na 1641, aangezien Aernout van Buchel (Buchelius: 1565-1641) er 4 kompleet andere locaties op na houdt, t.w. Amerongen, Elst, Wageningen en Ede. In 1898 wordt deze opvatting door A.J.C.Kremer voor onjuist gehouden, met als argumentaties dat "Wageningen en Ede niet in de gouw Flethetti gelegen hebben". Sloet geeft in 1876 wel de determinatie van Hengistscoto voor Henschoten, maar de overige 3 bossen (wat dus 75 % onzekerheid is: hoe zeker is het dan?) worden slechts "aan de Eem" genoemd, locaties die heden nog gevolgd worden, echter vaak zonder nadere aanduiding. |
De vier bossen.Is Hengistscoto het landgoed Henschoten?De determinatie van Henschoten met Hengistscoto mag dan op fonetische gronden aannemelijk lijken, met de betekenis van de naam en de geografische omstandigheden is dit niet verklaarbaar. Hengistscoto of Hengestcoto of Hengistcote wordt in de oorkonde van 777 genoemd als een van de «forestes que sunt de ambas partes Hemi» = "die gelegen zijn aan beide zijden van de Hem(us)". (Ambas partes betekent feitelijk "rondom"). In de Nederlandse traditie wordt dit doorgaan 'vertaald' met "aan de Eem". Dit geeft dus duidelijk aan dat daarmee "vlakbij" en in feite "tegen de Eem aan" bedoeld is. En daarvan is met Henschoten dat zo'n 15 km van de Eem ligt (zo'n 4 uur gaans), in het geheel geen sprake. Bekijken we de betekenis van Hengistscoto en Henschoten, kan komt de volgende vraag op: "Sinds wanneer bestaat de naam Henschoten?" "Het is opvallend dat Woudenberg als een der weinige dorpen en gehuchten in het Utrechtse niet voorkomt in het "Oorkondenboek van het Sticht Utrecht", waarin alle bekende oorkonden betreffende het Nedersticht tot 1301 zijn opgenomen", meent C.Dekker. Maar zo opvallend is dat niet als men dit vergelijkt met de eerste relieken van St.Willibrord die men in Utrecht na een verzoek aan Echternach in exacte hetzelfde jaar 1301, vanuit Echternach ontvangt. Het is juist een volgend bewijs dat de traditie rond St.Willibrord aantoonbaar tussen 1289 en 1305 nieuw in Nederland ontstond. Het is tevens een aanwijzing te meer dat de naam Hengistscoto in de oorkonden van 1131, 1133 en 1200 latere toevoegingen zijn. Immers in 1301 was men nog niet op de hoogte van de schenkingen die Karel de Grote in het jaar 777 aan de St.Maartenskerk van Utrecht gedaan zou hebben. Voor het jaar 1200 bestond de traditie van St.Willibrord in Utrecht nog niet, dus ook niet die van een St.Maartenskerk in Utrecht. Het is echter zeer opvallend dat na 1200 niets meer vernomen wordt van "Hengestscoto" tot in de 19e eeuw (1862) de naam plotseling weer opduikt in de Codex Diplomaticus Neerlandicus. Het is een aanwijzing te meer dat het bij de oorkonden van 1131, 1133 en 1200 om geïnterpoleerde namen gaat. |