| Terug naar de wetenschap | Naar het overzicht in het kort. |
|
Alle fouten in het "Toponymisch Woordenboek" van prof.dr.M.Gysseling zijn ook aan prof.dr.D.P.Blok toe te rekenen. De toponymische opvattingen van beide profs zijn het grootste struikelblok geweest bij de opheldering van de mythen van de geschiedenis van Nederland in het eerste millennium. Als uit een namenbestand ruim 95% niet in Nederland te localiseren is, moet het toch wel tot je door gaan dringen dat je in de verkeerde streek aan het zoeken bent. Beide toponymisten vallen nu door de mand nu ook anderen zich met "hun" discipline gaan bezighouden en fout op fout ontdekken. Het in klassieke teksten genoemde Attingahem is volgens Blok "Nederhorst den Berg", zijn eigen woonplaats. Dat Blok hierin alleen staat, deert hem blijkbaar niet. Volgens andere historici is het Breukelen, Loenen, of elders (?) in "Nifterlaca", ofwel "onbekend". Volgens Gysseling is het "onbekend, in of bij de Neder-Betuwe" en betekent het "woning van de lieden van Atto" (?). Volgens Albert Delahaye is dat Autingues in Noord-Frankrijk, waarbij de toponomie overduidelijk is. Als je zo wat oude namen aan het uitdelen bent kun je je eigen dorp natuurlijk niet overslaan. De locatie van Blok is een farce, etymologisch volstrekt onaanvaardbaar, bovendien lag Nederhorst den Berg in 713 n.Chr. (wanneer het genoemd wordt), op ca. 2 m beneden NAP, dus op ruim 7 meter onder water! (Duinkerkse Transgressie II). Andere voorbeelden van volslagen onzinnige locaties van Blok zijn: Amorem wat bij Blok "een onbekende rivier" is en Sclusa wat hij interpreteert als "de Alpenpassen". Bij Delahaye is dat de Côtes d'Armore (in de teksten is sprake van Armorem, niet van Amorem, wat de kust langs het Kanaal is, die nog steeds zo heet) en Lecluse, eveneens in Noord-Frankrijk. De zeehaven Werethina is bij Blok Werden in West-Duitsland! "Het is niet te verklaren dat zo'n vindingrijk iemand als Blok, die zomaar locaties uit zijn mouw schudt alsof het niets is, er toch niet in slaagt de overige plaatsen uit de oude kronieken te localiseren en liefst 99% van de namen overslaat, alsof het ook niets is. Het is slechts te verklaren doordat Blok in de verkeerde streek aan het zoeken is". ![]() D.P. Blok tijdens het debat in 1980. Werden is de verduitste naam van het klooster van Werethina dat in 850 op de vlucht voor de Noormannen in West-Duitsland werd hersticht. Het klooster Werethina (Vita St.Ludger) lag aan zee, wat in Werden al een onmogelijkheid is. Het werd door de Noormannen geplunderd, wat in Werden nooit heeft plaatsgevonden. Zo ver landinwaarts zijn de Noormannen nooit geweest, zelfs niet in de aangenomen geschiedenis. De overeenkomsten met de oorkonden van het klooster van St.Bertins in St.Omaars zijn evident, wat ook Blok heeft opgemerkt. Lees meer over "De Franken in ons land" in het hoofdstuk over dit boek van prof.dr.D.P.Blok. Ten aanzien van de locatie Dorestadum spreekt Blok zichzelf onmiskenbaar tegen. Zie de voetnoot. Met deze LINK verwijzen we naar enkele "wetenschappelijke uitspraken" van Blok. Het proefschrift van Blok. Blok is gepromoveerd op een proefschrift over de oudste particuliere oorkonden van Werethina, waarvan Albert Delahaye aantoonde dat zijn proefschrift uitging van verkeerde uitgangspunten. Het is natuurlijk teleurstellend en vervelend voor prof.dr.Blok, maar alles wat hij gepubliceerd heeft is onzorgvuldig, onvolledig en onjuist. Het is te begrijpen dat Blok fel tegen de opvattingen van Delahaye ageerde. Immers als Delahaye gelijk zou hebben, was zijn hele proefschrift fout en daarmee zijn promotie onterecht. Er stond een reputatie op het spel. Blok wist terdege dat Delahaye gelijk had. De reacties van Blok getuigen, hoewel emotioneel te begrijpen, van een weinig wetenschappelijke houding. Wetenschap is geen emotie, maar discussie, vooral over zaken waarover men het niet eens is met elkaar. Blok weet nog steeds dat Delahaye gelijk had, vandaar het niet beantwoorden van een aan hem verzonden brief met enkele fundamentele vragen. Blok zwijgt en stemt er dus mee in. Dat Albert Delahaye gelijk heeft blijkt al uit de eerste de beste tekst over Werdina ofwel Werethina, dat bij de zee lag aan de monden van de Renus (Vita S.Ludgeri, MGS, II, p.412). Het kan dus nooit Werden zijn geweest, dat noch bij de zee, noch aan de monden van de Renus lag. Delahaye identificeert Werethina als Fréthun, een plaats die aan de kust van Het Kanaal lag, maar sinds de deportaties van haar inwoners door Karel de Grote en de verwoesting van het klooster door de Noormannen uit de geschiedenis verdwenen is. Het bloedbad onder 4500 gevangen genomen Saksen die Karel de Grote in 782 liet afslachten, vond plaats in Fréthun (=Werethina). Dat bloedbad was tevens het begin van jarenlange en sythematische deportaties van de Saksen (tegenwoordig heet dat ethnische zuivering), waarmee de historische verplaatsingen begonnen, met een bijna onafzienbare nasleep aan historisch-geografische consequenties. En naar deze Karel de Grote is een vredesprijs genoemd! Als U het nog begrijpt? Hoe zorgvuldig is het historisch onderzoek in de loop der eeuwen geweest? Het is tekenend voor de rest van de traditionele geschiedenis. |
Prof.dr. Dick (Dirk Peter) Blok staat doorgaans bekend als deskundige op het gebied van de middeleeuwse geschiedenis, de nederzettingsgeschiedenis en de toponymie. Hij was redacteur van het standaardwerk Algemene geschiedenis der Nederlanden. Hij schreef ook een aantal boeken zoals "De Franken in Nederland" (1979) en "De oudste particuliere oorkonden van het klooster Werden" (zijn proefschrift uit 1960). Blok was jarenlang een van de felste tegenstanders van de opvattingen van Albert Delahaye. Hij wist als geen ander dat Delahaye gelijk had, wat uiteraard voor het publiek verzwegen moest worden. Zijn reputatie als deskundig toponymist stond immers op het spel. Aan de deskundigheid van Blok mag men grote twijfels hechten. De topografie in al zijn boeken blijkt volkomen fout te zijn, aangezien Blok van de verkeerde uitgangspunten is uitgegaan. Blok heeft, in navolging van anderen, teksten uit het eerste millennium klakkeloos toegepast op de situatie die ontstaan was in het tweede millennium na de "deplacements historiques". Vaak komt hij er met de toponymie dan ook niet uit en verklaart dan teksten of zelfs schrijvers als onbetrouwbaar of hij verzwijgt die teksten gemakshalve maar. Zo wordt Alcuinus, de grote en zeer betrouwbare biograaf van St.Willibrord, in zijn boek maar even voor leugenaar uitgemaakt. En dat omdat Alcuinus duidelijk vermeldt dat St.Willibrord in Francia aankwam en niet in Nederland en al helemaal niet in Katwijk. Terwijl Franse en Duitse historici, maar ook Echternach zelf de aankomst van St.Willibrord allemaal te Gravelines (bij Calais) plaatsen, houdt Blok vast aan de fabel van Katwijk die in de 17e eeuw ontstond. Albert Delahaye heeft Blok op zijn verkeerde uitgangspunten gewezen. Dat een eenvoudige streekarchivaris Blok op zijn fouten wees, kon deze professor docter echter niet verkroppen. Dat verklaart ook zijn felle tegenstand tegen de opvattingen van Albert Delahaye. Er moesten boeken en een reputatie gered worden. Ook zijn "Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (dat hij samenstelde met R.E.Künzel en J.M.Verhoef) staat vol fouten. Vele oorspronkelijke namen van Franse plaatsen probeert Blok c.s. in Nederland te localiseren. Dat daarbij van de 2000 plaatsnamen bij ruim 800 "ligging onbekend" staat, heeft ook Blok niet aan het denken gezet dat hij misschien in de verkeerde streek aan het zoeken was. Overigens zijn de 1200 "wel bekende" locaties voor het grootste gedeelte ook fout. Zeker die van vóór de 11e eeuw. Klik hier voor enkele voorbeelden. En Blok wist terdege waar hij "het" dan wel zoeken moest getuige zijn opmerking omtrent een opvallende verandering in de benaming van de regeringsjaren van de koningen tussen 841 en 845, "wat alleen in het noorden van Frankrijk te verklaren is", zoals hij zelf schreef (zie verder). Twijfel aan de deskundigheid van Blok komt ook van anderen. Zo schreef B.H.Slicher van Bath dat Blok over het begrip "volk" ten aanzien van de oorsprong van het Nederlandse volk volkomen in het ongelijk werd gesteld. Blok ging ook hier van een verkeerd uitgangspunt uit. Blok meende dat bij het begrip 'volk' sprake is van een staatsgemeenschap, terwijl anderen meenden dat bij een volk juist de taal het uitgangspunt is. En juist dit onderscheid tussen taalgrenzen of staatsgrenzen is het kernpunt in de hele discussie omtrent de historische geografie in het eerste millennium. Het is ondertussen wel duidelijk dat juist dit onderscheid heeft geleid tot een volkomen misverstaan van het begrip "volk" of "stam", te beginnen bij 'Germania' van Tacitus. Vanaf de Romeinse tijd heeft Blok (en velen met hem) de verschillende Germaanse stammen als staatsgemeenschappen gezien en niet als taalgemeenschappen. En dat terwijl Tacitus juist in de taal een verschil aangeeft tussen volkeren. Dat onderkende Albert Delahaye dus ook en kwam precies daar, op de Romaans-Germaanse taalgrens, tot heel andere conclusies dan de gangbare. Vooral met betrekking tot het woongebied en de verspreiding van die Germaanse stammen. "De Franken in Nederland". Wie het boek "De Franken in Nederland" zorgvuldig leest en goed op zich laat inwerken wat Blok zelf schrijft, merkt meteen de onjuistheid van Bloks betoog. Hij schrijft: "Het gaat erom de schaarse zekerheden aan elkaar te praten, dat wil zeggen ze te verbinden door uitweidingen die op zijn hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden geven". Aldus een citaat uit Bloks eigen boek "De Franken, hun optreden in het licht der historie. Ofwel : Het hele boek van Blok is dus gebaseerd, op "schaarse zekerheden" die slechts "met uitweidingen aan elkaar gepraat worden tot hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden". Die uitweidingen, waarbij Blok diverse historici aanhaalt die slechts eigen hypothetische bevindingen uiten, gaat uit van de traditionele en nooit bewezen standpunten. Overal wordt over de twijfel heengepraat en worden zaken die de traditie tegenspreken niet genoemd. Blok schrijft verder in dit boek (en let goed op!): "Ik wil proberen wat gegevens bij elkaar te zetten, die het ons mogelijk maken, een voorstelling te krijgen van hoe ons land er aan de vooravond van de Noormanneninvallen uitgezien heeft" en: "Zulke imaginaire schrijverij is een hachelijke onderneming, omdat een groot aantal hiermee samenhangende problemen nog in discussie zijn of nog nauwelijks onderkend werden en vooral ook omdat het noodzakelijk regionale onderzoek nog grotendeels moet beginnen". Ofwel er heeft niet eens onderzoek plaatsgevonden en Blok heeft zijn mening in zijn boek al klaar. Het blijkt dus een boek dat gebaseerd is op fantasie, niet op onderzoek. Uit dat onderzoek zou spoedig blijken dat de Noormannen nooit in Nederland zijn geweest. Uit dat onderzoek zou ook blijken dat de hele toponomie van Blok foutief is, aangezien hij van de verkeerde uitgangspunten uitgegaan is. Uit dat onderzoek zou ook blijken dat de oorkonden van Lorsch wel degelijk betrouwbaar zijn, iets dat Blok betwijfelde, omdat de gegevens niet klopte met zijn opvattingen. Albert Delahaye heeft aangetoond dat de oorkonden van Lorsch wel degelijk betrouwbaar zijn, als men die gegevens maar op de juiste streek toepast. Zie verder bij de oorkonden van Lorsch. Tijdens het Debat in 1980 liet prof.dr.D.P.Blok zich ontvallen dat hij "zijn tijd zat te verdoen". 'Boegeroep' uit de zaal was het antwoord van de studenten, waarvoor dit debat was georganiseerd. Na afloop zei Blok nog "Ik vond het een best aardige discussie, maar Delahayes beweringen natrekken is tijdverlies, want het levert niets op". En dat is nu precies het probleem, men trekt de beweringen van Delahaye bij voorbaat al niet na, omdat het niets oplevert in de opinie van Blok en andere traditionalistische historici. Natuurlijk levert het niets op voor Nederland, wel voor de ware kijk op de geschiedenis. De vraag blijft op grond waarvan Blok de 47 determinaties van plaatsen in "De Franken in Nederland" voor Nederland houdt en waarom hij de overige 1643 plaatsnamen uit de oorkonden over slaat? Blijkbaar heeft hij die allemaal niet nagetrokken, immers hij noemt ze niet! Zou hij daarvan ook vinden dat het "tijdverlies" is? Prof.dr. D.P.Blok heeft zijn eigen boek "De Franken in Nederland" blijkbaar zelf nooit eens kritisch gelezen. Ook collega historici schijnen het niet te kennen. In zijn boek spreekt Blok dermate veel twijfel uit over de naamkunde en ontstaansgeschiedenis van Nederland, dat hij regelmatig de visie van Albert Delahaye onderschrijft. In het debat in Amsterdam liet hij dat echter niet merken. Daar zweeg hij ook opvallend over zijn proefschrift over de oudste particuliere oorkonden van Werden. Waarom? Mochten die missers niet bekend worden? De slotconclusie van Blok is: "Het bovenstaande is - zoals gezegd - nog slechts een begin. Het kan verdiept worden door verder taalkundig onderzoek van de namen zelf en het kan aangevuld worden met een gelijke behandeling van andere namentypen. Wil men uit zo een type inlichtingen winnen omtrent de nederzettingsgeschiedenis, dan moet men de namen van dit type wel steeds zien tegen de achtergrond van het gehele namenveld, waarin ze voorkomen." En juist dat laatste, de namen bekijken tegen de achtergrond van het gehele namenveld waarin de voorkomen, is Blok telkens vergeten. Hij trekt als naamkundige de enige juiste conclusie ten aanzien van onderzoek, maar doet dit in zijn eigen werk niet. Uit een overvloed van bijna 1700 plaatsnamen in de klassieke teksten, probeert Blok met 47 plaatsnamen te bewijzen dat de Franken in Nederland woonden. Van de 47 locaties die Blok noemt, liggen er overigens slechts 12 (waarvan enkele zeer dubieus, zie bij "Franken in Nederland") in het veronderstelde woongebied van de Franken ten zuiden van de Rijn en in Gelderland ten oosten van de IJssel. De overige 35 locaties liggen buiten het gebied dat Blok (en de traditionele geschiedenis) voor de Franken in Nederland in gedachte heeft. Enkele locaties liggen zelfs ver in het buitenland tot bij de Alpenpassen en in Spanje! "Pettologie" heeft Albert Delahaye dat eens, zeer terecht, genoemd. Het toppunt van er een beetje met de pet naar gooien, is de identificatie van Attingahem. Deze "pet" kan hij in Nederland helemaal niet thuisbrengen, welke hij vervolgens maar thuis aan zijn eigen kapstok hangt en er maar Nederhorst den Berg (zijn eigen woonplaats) van maakt. De overige 1643 in de bronnen genoemde plaatsen slaat Blok gemakshalve maar over. Die kan hij zelfs in het buitenland nergens vinden, omdat hij op de verkeerde plaatsen heeft gezocht. Prof. dr. D. P. Blok (1925), is een mediëvist (historicus, gespecialiseerd in de middeleeuwen). Blok studeerde middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 1953 studeerde hij cum laude af en in 1960 promoveerde hij, eveneens cum laude, op het proefschrift "De oudste particuliere oorkonden van het klooster Werden". Blok heeft deze oorkonden voorbeeldig uitgegeven in zijn proefschrift met dezelfde titel. "Voorbeeldig" is niet overdreven, want de weergave van de teksten staat boven elke kritiek. Des te meer is het te betreuren, dat hij zich met de determinaties en lokalisaties van de plaatsnamen uit de oorkonden totaal heeft vergist. Uit een komplex van 206 namen, dat geografisch en institutioneel bij elkaar hoort (zie de opmerking van Blok hierboven), meent Blok er 45 te hebben gevonden in het land van Münster en in Nederland. Uit het totaal vond hij 33 plaatsen in Duitsland en 12 in Nederland, waar Blok plaatsen noemde wier namen door een oppervlakkige klankovereenkomst wat op die van de akten lijken. En dan heeft Blok het bij Delahaye over "het eerste lettertje" zie bij ongelooflijke uitspraken van Blok! Uit het totaal van 206 plaatsen worden er dus 161 overgeslagen als "niet ter zake doende". Wat ook meteen opvalt bij het lezen van werk van Blok is dat hij onbekend is met het verschijnsel "deplacements historiques", waarbij gelijkluidende en zelfs gelijke namen zowel in Frankrijk als in ons land voorkomen. En juist deze overeenkomstige namen hebben geleid tot de 'vraagstukken in de historische geografie'. Blok heeft enkele boeken geschreven over de Franken in Nederland. Ook deze boeken gaan uit van de verkeerde veronderstellingen en ook hierin heeft Blok de eerste regel van historische naamkunde gemist, namelijk aan te tonen dat bedoelde plaatsen in Nederland bestonden op het moment dat ze voorkomen in oorkonden. De archeologie spreekt ook hier duidelijke taal in het voordeel van Delahaye. Er is op veel plaatsen waar dat nodig was, nooit iets gevonden uit de Merovingische of Karolingische tijd. Als voorbeeld mag het paleis van Karel de Grote dienen, waar men al vele eeuwen naar op zoek is in Nijmegen. Tot heden is het niet gevonden. Blok als wetenschapper. Blok heeft zich als mediëvist en naamkundige beet laten nemen door de fantasieschrijvers uit de Middeleeuwen, een tijd die hij vanuit zijn studie toch zou moeten kennen. Met de historische geografie heeft men vanaf die tijd vele fouten gemaakt. Er zijn voorbeelden te over. In zijn eigen boek erkent Blok ook menigmaal dat hij het eigenlijk ook niet weet. Hij heeft het over "ik geloof van niet" , "meen ik een spoor te herkennen" , "moeilijk te beoordelen" , "weliswaar schijnt het" , "is mogelijk" , "wat men op goede gronden aannam" , "een zeer omstreden vraag" of "de (klassieke) schrijver moet zich vergist hebben", om enkele willekeurige voorbeelden te geven. Over welke zekerheden heeft Blok het dan nog in zijn boek "De Franken in Nederland?" De oorkonden van het klooster Werethina. Dat zijn proefschrift over de oorkonden van het klooster van Werden (Duitsland), feitelijk over het oude klooster van Werethina (Noord-west Frankrijk) ging, heeft Blok nooit begrepen. Uit de eerste periode van het bestaan van de abdij Werethina - en dan is duidelijk dat zij in Frankrijk lag! - zijn ca.60 oorkonden bewaard gebleven, die later (12e/13e eeuw) in de Codex van Werden zijn overgeschreven. Het feit dat de namen van Werethina voor het merendeel Romaans zijn, en de Duitse en Nederlandse per definitie Germaans, heeft Blok blijkbaar niet eens opgemerkt. Het was voor Blok geen beletsel, nog minder noodzaak aan te tonen dat de veronderstelde plaatsen op dat tijdstip en ter plekke bestonden. Een redelijke zekerheid van het bestaan van die plaatsen in Nederland of Duitsland werd door Blok niet gegeven. Als je er niet in slaagt het merendeel van de plaatsnamen terug te vinden, wat zich voordoet bij Blok, moet je toch in de gaten krijgen dat je niet in de juiste streek aan het zoeken bent! Slechts 45 zogenaamd opgeloste, tegen 161 onvindbare plaatsen is een onaanvaardbare verhouding, wat een aanfluiting van historische geografie is. Bloks werkwijze was des te bedroevender, omdat hij de juiste streek te pakken heeft gehad, maar het niet doorzag. Immers, in zijn inleiding wijst hij op verschillende faktoren, die moeilijk of onmogelijk in het land van Münster -dus in Werden- passen, onder andere een opvallende verandering in de benaming van de regeringsjaren van de koningen tussen 841 en 845, "wat alleen in het noorden van Frankrijk te verklaren is" (citaat van Blok: hij merkt dat dus wel op, maar verbindt er verder geen conclusies aan!). Bovendien merkt Blok terecht op dat woorden als "vicaris", "waterscapum" en andere, op dat tijdstip alleen in dezelfde streek voorkomen. Deze gegevens vond Blok in de oorkonden van St. Bertijns te St. Omaars, waar de nauwe geografische band met het klassieke Werethina voor het grijpen ligt. Hij had er nog de naam Ruricgo moeten bijvoegen, de gouw van Roerik de Noorman. Dit gegeven valt immers te Werden geheel uit de toon, zelfs als men Roerik in het Nederlandse kustgebied zou plaatsen. Aangezien deze al sinds 834 te Dorestadum - Audruicq zetelde, laten de vermeldingen van zijn gouw niet meer de minste twijfel bestaan waar de goederen van Werethina lagen: in Noord-west Frankrijk. Blok zag het niet, verblindt door de traditie. Veel plaatsnamen die men in Nederland en West-Duitsland nooit heeft kunnen vinden, heeft Albert Delahaye allemaal teruggevonden in Noordwest-Frankrijk. In zijn proefschrift heeft Blok, hoewel hij de juiste richting op ging, uiteindelijk toch de boot gemist. Dat Delahaye hem daarop gewezen heeft, is voor Blok altijd een pijnlijke affaire geweest. Blok wist dat Delahaye gelijk had, al heeft hij dat openlijk nooit toegegeven. Hij, de deskundige bij uitstek op het gebied van naamkunde en de Franken in Nederland, werd op niet mis te verstane wijze gewezen op enkele fundamentele missers. En dat nog wel door "een archivarisje" (van Nijmegen en later van Nassau-Brabant), niet eens een afgestudeerde historicus. Dat was dubbel pijnlijk. |
Beda of Baeda, bijgenaamd Venerabilis (= de eerbiedwaardige) (Northumbria, 672 of 673 - Jarrow, 25 mei 735: zie afbeelding hiernaast), monnik en geschiedschrijver gebruikt ten aanzien van de Friezen de term "Citeriorem Fresiam". Daarmee bedoelde hij "de Friezen, daar aan de overkant, het dichtst bij ons". Beda schreef namelijk in Engeland.