| De Romeinse tijd in Het Bronnenboek. | De tijd van Karel de Grote in Het Bronnenboek. |
|
In Nijmegen laat men de Karolingische geschiedenis na de Romeinse tijd weer beginnen met de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777. Van de 14 namen uit deze oorkonde wordt de determinatie van 10 namen compleet verzwegen. Het Bronnenboek noemt 7 plaatsen niet eens. Met slechts 28% van de namen wil men bewijzen wat door de overige 72% weerlegd wordt. Is dat historische wetenschap? De visie van Albert Delahaye. Het Bronnenboek van Nijmegen, geschreven door P. Leupen en B. Thissen, is een aanfluiting van historische wetenschap. Als kritiek op het Bronnenboek is "De Bisschop van Nijmegen" verschenen, in welke titel de grootste flater van het Bronnenboek wordt geëtaleerd, een nieuw benoemde "bisschop" door de "historische paus" Piet Leupen. ![]() In het Bronnenboek van Nijmegen werden de gebruikelijke teksten aangehaald om aan te tonen dat de Karolingische palts wel degelijk in Nijmegen had gestaan. Geschreven werd het Bronneboek niet, slechts "nageschreven", voornamelijk van de Stede-Atlas van F.Gorissen uit 1956. De auteurs Leupen en Thissen presenteerden Het Bronnenboek om eens en voor altijd alle bronnen aangaande Karolingisch Nijmegen te bundelen en om "van de dooddoeners van Delahaye" af te zijn. In het Bronnenboek voerden zij ook een nooit bestaan hebbende bisschop van Nijmegen ten tonele, die bisschop van Noyon bleek te zijn. Dit feit wordt in het boek "De Bisschop van Nijmegen" genadeloos afgestraft. Met de "nieuw benoemde" bisschop van Nijmegen wordt tevens de lang bestaande verwarring tussen Nijmegen en Noyon, die altijd ontkend werd, feilloos bevestigd. De gangbare historie van Nederland in het eerste Millennium is geen wetenschap, maar slechts methodische naschrijverij. |
Het Bronnenboek van Nijmegen is een overweldigende bevestiging van het gelijk van Albert Delahaye en toont onmiskenbaar aan dat de traditionele Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen vals is. Wij zijn dr.P.Leupen erg erkentelijk nu eindelijk de "bewijzen" op tafel zijn gekomen, waarop de geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd. Weet de Universiteit niet dat het Burgerlijk Wetboek bij wanprestatie ontslag op staande voet toestaat? Maar neen, professor Leupen en zijn co-auteurs bleven mooi op hun leerstoel zitten. Waar zien we dat meer in de wetenschappelijk en medische wereld, dat grove fouten niet aan de kaak worden gesteld, maar worden verdoezeld door het 'old-boys-netwerk"?
Het "Bronnenboek van Nijmegen" van dr.P.Leupen is gepresenteerd als hèt standaardwerk van de bronnen, waarop de Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen gebaseerd is. Het werd samengesteld door de meest deskundige historici van de Universiteiten van Nijmegen en Amsterdam. De historici van de Universiteit van Utrecht (o.a. Hugenholtz, de grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen!) distantieerden zich blijkbaar reeds van dit boek. Ook de afwezigheid van prof.dr.W.A. van Es is opmerkelijk, want als Karolingisch Noviomagus valt, dan volgt Dorestad even vanzelfsprekend als onvermijdelijk. De verdeeldheid in historisch Nederland is tekenend en veelzeggend. Van de in het eerste Bronnenboek genoemde deskundigen trokken drie historici (Blok, Dickmann en Lemmens) zich bij de tweede versie terug. Zij bleken het niet eens met de inhoud van het Bronnenboek en worden in het tweede Bronnenboek niet meer genoemd als "co-auteurs". Het is tekenend.Voor de visie van Albert Delahaye is het Bronnenboek van Nijmegen een overweldigend succes geworden. Het Bronnenboek bevestigt het gelijk van Albert Delahaye op een even onmiskenbare als overtuigende wijze! Het overmijdelijke moest eens gebeuren, namelijk dat voor de verdediging van de mythen eens een grote blunder gemaakt zou worden. En dat nu is precies wat in het Bronnenboek gebeurd is, niet één keer, maar een hele rij flaters zijn er te vinden. Met als toppunt van ondeskundigheid de "benoeming" van een bisschop van Nijmegen door de "historische paus" dr. P.Leupen, die hiermee als deskundig historicus heeft afgedaan. In "Het Bronnenboek van Nijmegen" worden 190 teksten opgevoerd, die moeten aantonen dat het in de citaten genoemde Noviomagus Nijmegen is en niet Noyon. Het is een triest herkauwen van middeleeuws geschrijf geworden, waarbij de auteurs (Leupen en Thissen) zich beroepen op interpretaties van anderen. Eigen onderzoek ontbreekt, aangezien deze teksten bij elkaar geraapt zijn door studenten (zie de inleiding van Het Bronnenboek), wat niet meteen gezien kan worden als deskundige wetenschap. Zelf de bronnen opzoeken en de teksten lezen, maar dan ook alle teksten zonder premature selectie, en in samenhang verklaren wat er staat, dat is historische geografie en juist dàt missen we in het Bronnenboek. Aangezien Karolingisch Noviomagus dezelfde plaats was als Romeins Noviomagus, moet ook deze naam voor Nijmegen worden weggestreept. Karolingisch Noviomagus lag in Francia, Romeins Noviomagus lag in Gallië. Er is geen enkel bewijs dat Noviomagus de Nederlandse plaats Nijmegen zou kunnen zijn. Ook een kritische lezing van Het Bronnenboek van Nijmegen leidt tot deze ene conclusie: Romeins en Karolingisch Noviomagus is niet Nijmegen, maar Noyon. De Bisschop van Nijmegen.Als reactie op "Het Bronnenboek van Nijmegen" schreef Albert Delahaye het boek "De Bisschop van Nijmegen", waarin hij tekst voor tekst aantoont dat de interpretaties van het Bronnenboek onjuist zijn. Daarop werd door J.E.Bogaers en P.Leupen in Numaga no. 3 van nov.1982 een weerwoord geschreven onder de titel "Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye". Het artikel begint met de verwijzing naar de "waardevolle bijdragen van de hoogleraren R.R. Post en B.H.Stolte", die volgens Bogaers en Leupen reeds vele jaren geleden een afdoende bestrijding van Delahayes denkbeelden hebben geleverd. Vreemd is het dan, dat uit de artikelen van Post en Stolte niets geciteerd werd in het Bronnenboek, noch dat ze genoemd worden in de literatuuropgave. Zo waardevol waren deze bijdragen blijkbaar toch ook weer niet.Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye.Leupen "verdedigt" zijn 'selectie' van teksten als volgt: "We hebben in een aantal gevallen -190- voor Nijmegen gekozen en dus tegen Noyon, en zijn er van overtuigd dat deze lijst in hoofdzaak beantwoordt aan de huidige stand van de wetenschap". Einde citaat.In dit citaat erkent Leupen dus twee cruciale hoofdzaken, namelijk dat er wel degelijk een verwarring bestaat tussen Nijmegen en Noyon (iets dat steeds ontkend werd in historisch Nederland) en dat zijn interpretaties in hoofdzaak beantwoorden aan de huidige stand van de wetenschap. Dat deze stand van de wetenschap stil is blijven staan bij hetgeen in de 17e eeuw beweerd werd, iets nieuws is er sindsdien immers niet bijgekomen, wordt echter niet vermeld. De verwarring die altijd ontkend werd, wordt ook duidelijk in de zin: "Wanneer eind achtste eeuw melding wordt gemaakt van Niumaga of Noviomagi, is de naam vanaf dat tijdstip tot de twaalfde eeuw meestal verbonden aan de palts Nijmegen." Het gebruik van het woord meestal impliceert dat er dus ook een andere mogelijkheid bestaat. En juist deze andere mogelijkheid, deze verwarring tussen Nijmegen en Noyon, die in Nijmegen altijd ontkend werd, is het uitgangspunt geweest van alle studies van Albert Delahaye. Wat zijn uitgangspunt betreft, krijgt Delahaye hier van Leupen dus eindelijk gelijk. De eerste boeken van Albert Delahaye heetten immers "Het mysterie van de Keizer Karel-stad" en "Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland", titels waarmee de grote verwarring van de geschiedenis van Nederland ter sprake werd gebracht. In zijn repliek op de door Delahaye genoemde blunders in het eerste Bronnenboek, geeft Leupen in het tweede (dus toch herziene!) Bronnenboek als verweer aan dat hij "getracht heeft bij de verhalende bronnen allereerst de mening van de auteurs van deze bronnen weer te geven". Als weerlegging van de bisschop van Nijmegen voert Leupen aan dat "de schrijver van de Gesta zich vergist moet hebben" of dat "de bron niet ongeschonden is overgekomen". Het is een typerend standpunt in de traditionele geschiedenis. Op deze manier kun je elke bewering "bewijzen". "In grote lijnen - niet voor iedere vermelding afzonderlijk, daar viel niet aan te beginnen", schrijft Leupen, "hebben wij hierover verantwoording afgelegd in de inleiding tot het Bronnenboek. Wij hebben in een aantal gevallen -190- voor Nijmegen gekozen en dus tegen Noyon, en zijn er van overtuigd dat deze lijst in hoofdzaak beantwoordt aan de huidige stand van de wetenschap", aldus Leupen. Voor de uitleg over "voor Nijmegen gekozen en tegen Noyon" en "de huidige stand van de wetenschap": zie eerder op deze bladzijde. De vraag blijft natuurlijk interessant en relevant, waarom een universitair college en universitaire wetenschappers bij een universitaire publicatie "niet voor iedere vermelding afzonderlijk" een verantwoording -noem het een toelichting- gegeven hebben, omdat "daar niet aan viel te beginnen". Er niet aan viel te beginnen? Hoezo niet? Wegens tijdgebrek? Wegens geldnood? Uit gemakzucht? Of was het wegens onwetendheid of misschien wegens onmogelijkheid? Waarom slaagt Albert Delahaye er in zijn eentje wel in om elke tekst van Het Bronnenboek van commentaar te voorzien en valt er wat Leupen betreft "niet aan te beginnen"? Zelfs niet met een heel universitair college en een dozijn studenten achter zich? Voor de Romeinse tijd gaat het Bronnenboek helemaal af op de opvattingen van prof. J.E. Bogaers. Van de 18 genoemde bronnen komt de interpretatie 13x voor rekening van Bogaers. Dat Bogaers onvolledig is en de tekst bijvoorbeeld niet vertaald wordt of de vindplaats van de bron niet wordt vermeld, is blijkbaar niet bezwaarlijk. Maar het achterhouden van gegevens is verre van wetenschappelijk! Alsof er iets te verzwijgen is. Als deze gegevens wel bekend zijn, wordt meteen duidelijk dat alle interpretaties van Bogaers onjuist zijn. Als de vindplaats van de Romeinse gedenkstenen niet vermeld wordt, getuigt dat verre van een wetenschappelijke aanpak. Voor deze details verwijs ik naar het hoofdstuk over deze 18 Romeinse (en één Griekse) bronnen. Opmerking: Ten aanzien van de wegen op de Peutingerkaart die van Noviomagus naar Colonia Agrippina lopen, wordt in de "Bisschop van Nijmegen" nog de traditie gevolgd. In zijn in 1997 postuum uitgebrachte studie "De Peutingerkaart en het Itinerarium Antonini van Frans-Vlaanderen" geeft Albert Delahaye een nieuwe zienswijze. Hij was al langer van mening dat ook deze wegen niet vanaf Nijmegen over Limburg en over Duitsland naar Keulen gelopen hebben. Alleen heeft hij voordat hij dit kon publiceren, de bewijzen moeten verzamelen en beschrijven. Dat is in genoemde uitgave gebeurd en derhalve zal het gedeelte van "Nijmegen" naar "Keulen" verplaatst moeten worden naar Noord-Frankrijk en wel van Noyon naar Avesnes-sur-Helpe, het Agrippina dat behoorde bij de Limes Germanicus uit de 4e eeuw. |
| Als voorbeeld van het indiceren mogen de teksten over de invallen van de Noormannen in de jaren 880 en 881 dienen. Uit de hele serie teksten, poogt het Bronnenboek er 2 naar Nijmegen te trekken. De overige teksten zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek, ofwel die zijn bij de auteurs niet bekend (zijn zij dan wel de deskundige die ze claimen te zijn?) ofwel zij erkennen dat deze niet over Nijmegen gaan, maar geven dit nergens toe (dan wordt dus de wetenschap en de lezer bedrogen)! |
De verdienste van het Bronnenboek.|
Wat zegt de eerste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen? De eerstgenoemde en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 na Chr. Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) allerminst op Nijmegen betrekking heeft, erkent het Bronnenboek hiermee wel, dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! Het Bronnenboek vermeldt Julius Caesar en zijn beschrijving van het Eiland van de Bataven niet! De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek van Nijmegen, ofwel men erkent hiervan de valsheid en men erkent dat het hier niet over Nijmegen of de Betuwe gaat. Het Bronnenboek van Nijmegen, uitgegeven door de eigen Universiteit, laat de Romeinse periode in Nijmegen dus beginnen in 50 n.Chr. en eindigen in 227 na Chr. Dit is helemaal juist! De eerstvolgende tekst in het Bronnenboek is uit 770. Derhalve vertoont het Bronnenboek van Nijmegen tussen de 3e en 8e eeuw een gat van 5 eeuwen, waarmee bewezen is dat de continuïteit van Nijmegen nooit bestaan heeft! Dat gat zal allengs groter worden, nu aangetoond is (zie de boeken van Albert Delahaye en hoofdstuk 6 over het gelijk van Albert Delahaye!) dat Karolingisch Nijmegen nooit bestaan heeft! |
De grootste flaters zijn:
Het Bronnenboek, en daarmee de Universiteiten van Nijmegen en Amsterdam, hebben nog steeds problemen met welk Noviomagus nu eigenlijk bedoeld wordt. In de teksten in het Bronnenboek, die steeds als Nijmegen worden opgevoerd, gaat het in werkelijkheid om de volgende plaatsen:
Dan blijven er 29 teksten over, waarbij het inderdaad over Nijmegen gaat. Deze teksten zijn allemaal van ná 1145, wanneer er geen sprake meer is van een Karolingische kwestie. Als je als historicus deze plaatsen, die allen Noviomagus heetten, niet uit elkaar kunt houden, is de vraag gerechtvaardigd op grond van welke deskundigheid men dan uitspraken doet tegen de visie van Albert Delahaye! |