Terug naar de wetenschap Naar het overzicht in het kort.

R.R. Post.




De Gelderlander 19 nov.1955.
Klik op de afbeelding voor een vergroting!

Prof. dr. R. Post was de eerste die op artikelen van Albert Delahaye in de Gelderlander van 1955 met ongehoorde felheid reageerde.

In tweede instantie maakt Post het betoog van Delahaye belachelijk, door te schrijven dat het hem spijt dat hij het betoog van Delahaye "dat de Betuwe altijd in Frankrijk heeft gelegen" te ernstig heeft genomen.

Post wist ook van het begin af aan, dat de Monumenta Germanica de bisschoppen Immo en Transmarus van Noyon als bisschoppen van Nijmegen indiceren. Maar daarover hield 'monseigneur de pauselijke kamerheer' zijn mond stijf dicht, toen hij letterlijk schreef dat er nergens een spoor van verwarring bestond tussen Nijmegen en Noyon.
In 1965 durfde hij dan ook niet te reageren op het boek "Vraagstukken..." uit angst om van wetenschappelijk bedrog beschuldigd te worden.

Met zijn reacties liet Post meteen weten dat hij over iets meende te kunnen oordelen dat buiten zijn vakgebied lag. Ook lezers van de Gelderlander mengden zich in de discussie die ontstond. Een van hen (zie artikel hierboven) merkte op dat Post niet inging op de argumenten van Delahaye, maar hem slechts belachelijk probeerde te maken.


R.R.Post (1894-1968).

Post noemde de opvattingen van Delahaye een dwaas idee en een waandenkbeeld.

Vreemd blijft het dat hoogleraar Post dan zoveel tijd heeft gestoken om op de beweringen van Delahaye in te gaan. Het is voor een hoogleraar erg ongebruikelijk en zeer inconsequent enige aandacht aan beweringen te schenken van iemand, die men tenslotte als 'niet goed snik' karakteriseert. Het is natuurlijk uiterst teleurstellend dat een wetenschapper dit als "argument" hanteert om iemands stellingen te weerleggen. Dat het dan ook niet gelukt is mag ondertussen duidelijk zijn.
Lees enkele ongelooflijke opmerkingen van R.R.Post in het hoofdstuk "Ongelooflijk".

Regnerus Richardus Post (1894-1968) zei in de Gelderlander van 10 mei 1958 dat Delahaye "zich door een dwaas idee, een waandenkbeeld heeft laten leiden". "Het geheel is een tragisch raadsel", zo schreef Post. "Hoe is het mogelijk dat een man die zoveel materiaal weet bijeen te brengen en zich zo vindingrijk in het argumenteren toont, zich zo door een dwaas idee laat leiden". Post heeft meerdere artikelen geschreven om de visie van Albert Delahaye proberen te weerleggen. Volgens Hugenholtz en Leupen met succes, volgens anderen (Slootmans, Bloemen) allerminst. Vreemd is het dan dat de artikelen van Post niet in het door Leupen uitgegeven Bronnenboek van Nijmegen staan of zelfs maar worden genoemd. Blijkbaar waren de argumenten van Post niet overtuigend genoeg om ze later nog steeds te kunnen gebruiken. Blijkbaar was dat "dwaas idee" zo gek nog niet. Het bleek niet zomaar te weerleggen.

De artikelen van Post staan blijkbaar ook niet te boek als waardevolle documentatie voor Nijmegen. Dr.P.Leupen, de auteur van Het Bronnenboek van Nijmegen, kent ze in elk geval niet. Was hij namelijk op de hoogte geweest van wat Post indertijd schreef en vooral waarover hij zweeg, dan had Leupen in zijn Bronnenboek niet de fout gemaakt met zijn "bisschop van Nijmegen". Zie verder bij het Bronnenboek.

Het "ijzersterke" argument van Post voor de determinatie van Niumaga als Nijmegen, is gebaseerd op twee oorkonden van koning Zwentibold. De ene ging over een schenking aan Utrecht, de andere over de vrijlating van een horige van de kerk van Elst. Als Niumaga Noyon zou zijn, dan zou koning Zwentibold oorkonden hebben uitgegeven over zaken buiten zijn rijk.
En hier volgt dus de grote en algemene denkfout van Post. Koning Zwentibold was koning in West-Francië en daar hoorde Nijmegen in elk geval niet bij. Als Niumaga niet Nijmegen was, dan was Trajectum net zo min Utrecht en Heliste Marithaime ook niet Elst en de Betuwe niet de Batua en had het rijk van koning Zwentibold dus andere grenzen dan men altijd als uitgangspunt heeft aangenomen. De uitgestrektheid van het rijk van koning Zwentibold is namelijk gebaseerd op dezelfde fout waardoor Nijmegen plots Noviomagus werd. En dat had Post en anderen met hem (H.A.W.Hoogveld, C.J.M.Brok, A.G.Weiler en F.W.N.Hugenholtz) niet begrepen.

De Nijmeegse kwestie gaat niet alleen over Nijmegen, maar over alle zaken die daarmee direct en indirect te maken hebben.

Het is onbegrijpelijk dat Post zich altijd zo fel verzet heeft tegen de opvattingen van Albert Delahaye. Blijkbaar doorzag hij zijn eigen opvattingen niet waaruit blijkt dat hij het op enkele cruciale punten met Delahaye eens was. Als redacteur van "Het handboek tot de staatkundige geschiedenis der Nederlanden" doet hij de volgende uitspraken:
  • "Of Julius Caesar zelf een juiste voorstelling gekregen heeft van de loop der grote rivieren ten noorden van Belgica en de woonplaats der stammen daar, is twijfelachtig". Ofwel: van de traditionele opvattingen over de tijd van Caesar klopt niet veel.
  • "Men kan als zeker aannemen dat enkele passages (bijv. IV:10 over de Bataven) naderhand in Caesars werk ingevoegd zijn". Die later ingevoegde passages tonen het ontstaan van de mythen haarfijn aan.
  • "Evenmin als ooit later vormde destijds de Rijn een veilige grens voor volkeren". De Rijn was dus geen verdedigingsgrens tegen invallen van Germaanse volkeren.
  • En over de Grote Volksverhuizing merkt hij op: "Er heeft slechts een verschuiving van een dunne bovenlaag der bevolking plaatsgehad". Met andere woorden: er heeft geen GROTE Volksverhuizing bestaan! Elders benoemd Post het als volgt: "Er is zeker geen sprake van een overstelpende storm van een volk dat optrekt. Geen schrijver verhaalt een episode of noemt een naam". Bij de klassieke schrijvers is die Grote Volksverhuizing dus niet te vinden. Hoezo "waanidee" van Delahaye die hetzelfde betoogde?
  • "Er hebben toen meer dergelijke castella in ons land gelegen, maar de plaats van deze bouwwerken is - met uitzondering van Fectio en ook nog een te Nijmegen- niet met zekerheid aan te wijzen. En aan deze onzekerheid maakt Delahaye een eind door deze castella in Noord-Frankrijk aan te wijzen.
  • "Het aantal castella in Nederland was zeker niet groot: ze waren niet bedoeld om een bevolking in toom te houden en de vrije Germanen werden niet gevaarlijk". Die "waandenkbeelden" van Delahaye waren blijkbaar zo gek nog niet!
  • "Van de vier Neder-Germaanse legioenen was er geen in ons land gestationneerd". Post heeft blijkbaar over zijn eigen opvatting nooit nagedacht en al helemaal niet doorgeredeneerd. Doordenken op deze opmerking zou meteen het einde van traditioneel "Romeins Nederland" betekend hebben.
  • "De geschiedenis van de Romeinse tijd moet bijna geheel opgemaakt worden uit archeologische vondsten". Dat de Romeinen na 47 beoosten het Vlie gezag uitgeoefend hebben, daarvoor zijn nog geen afdoende aanwijzingen gevonden".

    Op andere punten houdt Post er ook een van de traditonele opvattingen afwijkende mening op na. Hoezo is een eveneens afwijkende mening van Delahaye dan een "waandenkbeeld"? Enkele voorbeelden daarvan zijn:
  • "De Drususgracht zal als een verbetering van de bevaarbaarheid van de Vecht en haar verbinding met de Rijn moeten worden opgevat". Dus de Drususgracht lag dan toch niet tussen de Gelderse IJssel en de Rijn of tussen Vecht en Rijn, maar was volgens Post dus een kanalisatie van die Vecht?
  • "Deuso in het gebied der Franken. Er wordt tot op heden getwist over de vraag welke plaats met Deuso bedoeld wordt". Sommigen houden het op Doesburg.
  • "Clodio (koning van de Sallische Franken) werd in 446 verslagen bij Vicus Helenae, dit is Hélesmes in het departement Nord, of volgens anderen een plaats nog zuidelijker gelegen". Hoezo is het dan een "waanidee" van Delahaye dat hij Helena en het Helinium in Noord-Frankrijk zoekt?

    Over het "ontstaan" of "bestaan" van de taalgrens houdt Post er een niet altijd helder te volgen betoog op na. Duidelijk is wel als hij stelt dat "verschillende Germaanse elementen in de Waalse en Noord-Franse plaatsnamen wijzen op een langdurige samenwonen van Romaanse en Germaanse volkeren". Ofwel: de Germanen woonden in de Romeinse tijd al in Walonië en Noord-Frankrijk! En is dat nu niet precies dezelfde conclusie die Albert Delahaye trok, toen hij het Germania van Tacitus in Noord-Frankrijk plaatste?

    Post was het in 1959 dus al met Delahaye eens. Vandaar dat hij niet meer reageerde op het boek "Vraagstukken..." dat in 1965 verscheen.


    Op de werkwijze van prof.dr. R.R.Post valt nog heel wat af te dingen. Zet deze werkwijze eens naast de kritiek die hij op het werk van Albert Delahaye had: er blijft niets van de kritiek over!

    Citaat: "De kritiek die op het werk van Post werd geuit, concentreert zich vooral op de vaak incorrecte wijze van citeren in voetnoten, de ongemakkelijke stijl, de tekorten in transcripties van bronnen, de slordigheid en onvolledigheid van bronnenpublikaties: daarbij moet gevoegd worden dat met name de grote synthesen teveel op gedrukte bronnen en voorstudies van anderen berusten, en te weinig nieuwe kennis uit eigen archiefonderzoek verwerken. Post werkte voornamelijk thuis, systematiseerde de kennis over kerkhistorische onderwerpen die in Nederlandse tijdschriften verspreid gereed lag, analyseerde de gedrukte bronnen, maar bezocht nauwelijks archieven".

    (Bron: ING - Den Haag. Bronvermelding: A.G. Weiler, 'Post, Regnerus Richardus (1894-1968)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. URL:http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn1/post [14-11-2007].)

    Post bleek het in 1961 ook oneens te zijn met prof.dr. C.van de Kieft over het feit of Bonifatius wel of niet bisschop van Utrecht zou zijn geweest. Van de Kieft concludeerde op grond van nauwkeurig tekstonderzoek dat Bonifatius niet de opvolger van St.Willibrord als bisschop van Utrecht geweest is. Post meende van wel.
    Bekijken we nu enkele feiten dan staat vast dat Bonifatius aartsbisschop van Moguntiacum was. Tegelijk bisschop van Utrecht en aartsbisschop van Moguntiacum is een onmogelijkheid. Nog even afgezien welke plaats met Moguntiacum bedoeld werd: Mainz (traditie) of Mainvillers (Delahaye)? Hier krijgt Post dus zowiezo al ongelijk.
    Uit de tekst van de Gesta regum Anglorum (Willemus, MGS, X, p454) blijkt dat in 739 Bonifatius St.Willibrord opvolgde als zielzorger en prediker onder de Friezen (waar hij in totaal 19 jaar zou arbeiden), nadat Eobanus te Trajectum tot bisschop was gewijd. Deze tekst laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Er staat duidelijk in dat Bonifatius dan wel de prediking onder de Friezen op zich nam, maar St.Willibrord niet opvolgde als bisschop van Utrecht. Als Bonifatius de opvolger van St.Willibrord was geweest, was de wijding van Eobanus niet nodig geweest. Op grond van deze tekst krijgt Post dus weer ongelijk.

    Uit bovenstaande blijkt dat Post zijn eigen bevindingen niet doorzag en te veel gefixeerd was op het behoud van het Karolingische traditie te Nijmegen. Dat hij enkele cruciale conclusies die hij trok ondergeschikt maakte aan de tot dan toe algemeen aanvaarde opvattingen is mede te wijten aan zijn onzorgvuldig bronnenonderzoek. Post zal dat zeker van zichzelf geweten hebben. De opmerking van Stolte "schoenmaker blijf bij je leest" ooit aan Delahaye "verweten" speelt hier zeker parten. Als historicus op het gebeid van de kerkgeschiedenis heeft hij zich niet in de discussie durven wagen over de historische geografie. Dat is slechts jammer te noemen. Anders had wellicht Post de ontdekkingen gedaan die Delahaye gedaan heeft, namelijk dat de algemeen aanvaarde geschiedenis van de Nederlanden in het eerste millennium vals is.