| De Romeinse plaatsnamen van de Peutingerkaart. |
|
De historische wetenschap heeft gefaald. Sinds 1955 hebben historici zich uit alle macht verzet tegen de opvattingen van Albert Delahaye, zonder ooit één strikt en overtuigend bewijs van zijn ongelijk te kunnen leveren. Terwijl de twijfel toenam, ook bij anderen, bleef de historische wereld zich vastklampen aan opvattingen uit de middeleeuwen. Met verdraaiing, ontkenning of verzwijgen van klare feiten, probeerde men de traditie te redden. Het is duidelijk dat de enige reden om de twijfel hardnekkig te blijven ontkennen slechts het toedekken van eigen falen is geweest. Er staan reputaties op het spel. Het ging allang niet meer over de historische waarheid, maar om eigen prestiges. Het is vergelijkbaar met het verzwijgen van medische missers of het in de doofpot willen houden van het misbruik van kinderen binnen de r.k.kerk. De historische wereld is evenmin als de rechterlijke macht (zie de vele gerechterlijke dwalingen de laatste tijd) in staat zelfcorrigerend op te treden. Daarom hebben buitenstaanders de plicht dat te doen. Het is onvoorstelbaar dat zelfs gerenomeerde historici blijven vasthouden aan de traditionele opvattingen, terwijl er duizenden bewijzen zijn die deze tradities tegenspreken, sterker, zij die zelf tegenspreken in hun publicaties (zie bij Citaten). Je vraagt je daarom wel eens af waarop zij hun vasthoudendheid baseren. Immers de feiten spreken de traditionele opvattingen radikaal tegen. De historische wetenschap van de traditionalisten bestaat nogal eens uit cirkelredeneringen. Standpunten en opvattingen worden als argument gebruikt. De meest veelzeggende cirkelredenering staat op het conto van prof.dr. (sic) F.W.N. Hugenholz die ooit stelde ten aanzien van de vermeende aanwezigheid van een Karolingische palts in Nijmegen: "Maar dat hoeven we toch zeker niet te bewijzen? Daar twijfelt toch niemand aan? Dan is toch ook zo?" Wetenschap is geen gemene deler van overeengekomen meningen, maar moet gebaseerd zijn op bewijsbare feiten. Het slechts herhalen van de traditionele opvattingen zonder verder bewijs is geen wetenschap, maar folklore. Het feit of een theorie door anderen erkend wordt, vormt geen bewijs voor haar juistheid. Albert Delahaye heeft met zijn studie over de geschiedenis in het eerste Millennium een wetenschappelijk prestatie van de eerste orde geleverd. Op zijn vele studiereizen naar Frankrijk heeft hij teksten gevonden, die tevoren in Nederland (en ook in Frankrijk) onbekend bleken. Als archivaris was deze klus hem op het lijf geschreven. Deze en andere langer bekende teksten bewijzen zijn gelijk. Dat Albert Delahaye onder de "gevestigde historici" veel tegenstanders vindt, is wel te verklaren. Immers Delahaye ging tegen de gevestigde opvattingen in en ontdekte wat deze historici hadden moeten ontdekken, namelijk dat de geschiedenis van ons land in het eerste millennium vol tegenstrijdigheden en onwaarheden zit en zich nooit zo voorgedaan kan hebben. De historici hebben zich niet op de juiste wetenschappelijk manier opgesteld. Hoewel zij zich er wel degelijk van bewust zijn, dat Delahaye gelijk heeft, hebben zij hem echter van het begin af aan (1955) belachelijk gemaakt en hem beledigend behandeld. Daarna konden en durfden zij natuurlijk niet terug. Ze moesten blijven lachen, spotten en honen en vooral Delahaye uit de weg blijven gaan, om niet in het openbaar hun ongelijk te moeten erkennen. Delahaye kan met recht de Gallilei Galileo van de geschiedenis genoemd worden. Ook Gallileo ging tegen alle gevestigde opvattingen in en kwam met de opvatting dat de zon in het midden van ons zonnestelsel staat en niet de aarde. Het deed de wetenschap op haar grondvesten schudden. We weten nu dat Gallileo gelijk had. Wij weten ook, dat Delahaye gelijk heeft. "We hopen dat dit interessant boek de belangstelling krijgt van iedereen, die iets voelt voor vaderlandse geschiedenis, vooral omdat in dit wetenschappelijk werk een betoog over een belangrijke kwestie wordt gebracht op een frisse en begrijpelijke wijze. Dat komt niet veel voor in de wetenschappelijke wereld". aldus een reactie van K.Slootmans op het boek van Albert Delahaye "Het mysterie van de keizer Karelstad". Geen enkele zichzelf respecterende historicus durft nog te beweren dat Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote was. In Nijmegen is van zijn aanwezigheid niets gevonden, nog tekstueel, noch archeologisch. Laat zij die tegen beter weten in vasthouden aan de oude mythen uit de middeleeuwen, eens met de bewijzen komen. In Nijmegen heeft de Radbouduniversiteit een poging gewaagd, die leidde tot de uitgave van het Bronnenboek. Het werd een jammerlijke mislukking voor Karolingisch Nijmegen, maar een eclatant succes voor Delahaye. Wetenschappers die over historische zaken moeten oordelen, blijken de voornaamste regels van historisch onderzoek met voeten te treden. Zij verwerpen het bestaan van twijfel over eenmaal ingenomen standpunten, en blijven zonder nader onderzoek de oude verhaaltjes herhalen. Hun wetenschappelijk niveau kan beter aangeduid worden met de term folklore. ![]() Historici in Nederland herhalen nog steeds de traditionele geschiedenis, zonder in te gaan op argumenten die haar tegenspreken. Naschrijverij van eenmaal gemaakte fouten is tot systeem geworden. Nieuwe denkbeelden worden bij voorbaat weggehoond of belachelijk gemaakt. De kritische onderzoeker wordt als onwetenschappelijk betiteld. Wetenschap is geen grote zelfgenoegzaamheid van "eigen" inzichten. Wetenschap is discussie, met name over zaken waarover men het niet eens is. De belangrijkste opponenten van Delahaye, allen professor docter, krijgen een eigen hoofdstuk. Juist om aan te geven wat hun argumenten en hun denkwijzen zijn geweest, waarmee zij het ongelijk van Delahaye wilden aantonen. Je slaat van verbazing achterover van zoveel onbenul en onkunde. Het zijn: J.E.Bogaers D.P.Blok W.A. van Es P.Leupen R.R. Post B.H. Stolte H.Halbertsma M.Gysseling We geven van elk van deze opponenten van Albert Delahaye korte informatie, vooral om aan te geven op welke wijze zij wetenschap bedreven en met welk argumenten ze de bevindingen van Delahaye bestreden. Aan de wieg van Romeins Nederland stond A.W.Byvanck die als eerste een uitvoerige en alles omvattende studie publiceert in de jaren 1943-1944. Op veel punten stelt hij dezelfde vragen als Albert Delahaye. In zijn boeken "Nederland in den Romeinschen Tijd" komt hij er vaak niet goed uit en geeft hij soms aan de tot dan toe gehanteerde traditionele geschiedenis een verrassende draai. De traditionele historici verdedigen hun opvattingen vaak met dezelfde misverstanden waardoor deze ooit ontstonden. De simpele waarheid blijkt rijker dan al die gouden leugens! |
(Clint Twist) (Bertrand Russel) (prof.J.v.d.Broek) (John Locke) "Het boek van Delahaye is ongemeen boeiende lectuur. Dat zullen ook zijn felste tegenstanders moeten toegeven, al ergeren zij zich aan de strijdlustige toon waarin het geschreven is". (Dagblad De Stem, 21 mei 1966). Er was geen twijfel..... Prof.dr.F.W.N.Hugenholtz en prof.dr.B.H.Stolte hebben op hun "professioneel gezag" het boek "Vraagstukken in de historische geografie van Nederland" (2 delen, 1965/1966) zo grondig weggehoond, dat niemand het boek daarna nog serieus nam. Het was ook een te schokkende opvatting waar Delahaye mee kwam. Dat kon gewoon niet waar zijn en als 2 geleerde professoren dat nog eens nadrukkelijk zeggen, dan is het ook niet waar. Zelfs de titel van het boek werd niet serieus genomen. Er waren immers helemaal geen "vraagstukken". In de universiteitsbibliotheek werd het boek op gezag van Hugenholtz verboden. Het is tekenend. Een student die er eens kritische vragen over stelde, werd "eruit gewerkt" met het advies dat hij beter kon stoppen met zijn studie geschiedenis (volgens een brief van de betreffende student, in ons bezit). Zo werkt dat in historisch Nederland! Dit hoofdstuk is vooral bedoeld om de lezer de methodiek en de bewijsvoering van de gevestigde historici duidelijk te maken. Vanaf het eerste begin in 1955 is Albert Delahaye op alle mogelijke manieren tegengewerkt, waarbij de gevestigde historici beledigingen, hoon, laster en het belachelijk maken niet uit de weg gingen. In plaats van respect voor zijn werk te krijgen, is hij tot "dorpsgek" van historisch Nederland verklaard. Door de "gevestigde orde" is Delahaye zelfs "vogelvrij" verklaard in de wereld van historici, archivarissen en archeologen. Dat heeft er toe geleid dat men zijn werk niet meer serieus nam en anderen het in navolging van enkele geleerde heren, het reeds tevoren veroordeelden en afwezen. Nog steeds komt men in allerlei publicaties en op internet tegen dat het werk van Delahaye "omstreden" is. Inderdaad is het zo dat over de standpunten van Delahaye nog steeds verschil van mening bestaat en deze niet door iedereen worden gedeeld. Maar daarom zijn ze niet onjuist. De studie van Albert Delahaye is ongekend en ongeëvenaard, ook voor historisch Nederland. Zijn werk verdient respect en alle bewondering, wat mag blijken uit de enorme omvang en de hoeveelheid door hem gevonden en gehanteerde bronnen. Bronnen waarvan de gevestigde historici het bestaan nooit geweten hebben en waardoor ze alleen daarom al (nog afgezien van de inhoud van die bronnen) nu vooral zwijgen. Dat de betrokken hoogleraren in de geschiedenis van Nederland de door Albert Delahaye opgespoorde mystificatie niet ontdekt hebben, is hen niet geheel kwalijk te nemen: zij waren te zeer doordrongen van wat geloofwaardige geschiedschrijvers van vorige eeuwen hadden verhaald. Wat men deze wetenschappers wel kwalijk kan nemen is hun hoongelach, spot en belachelijk maken van de ontdekkingen van Delahaye en zelfs van zijn integriteit. Het getuigt van een onwetenschappelijke opstelling. Wetenschap dient juist open te staan voor afwijkende standpunten en alles wat tot uitbreiding van kennis van hun onderwerp kan of zou kunnen bijdragen. Een professionele wetenschapper wijst een afwijkende mening niet bij voorbaat af, maar onderzoekt juist die afwijkende standpunten op inhoud en argumentatie. De tegenstanders van Delahaye noemen zijn opvattingen omstreden. "Delahaye hoeft niet wetenschappelijk te werk te gaan", aldus dr.P.Leupen in een interview in De Gelderlander. "De opvattingen van Delahaye worden wetenschappelijk nergens ondersteund. Wij gaan uit van nauwkeurig onderzoek en gefundeerde bewijsvoering", aldus dr.P.Leupen, de auteur van het Bronnenboek van Nijmegen (zie aldaar). We hebben gezien bij "Het Bronnenboek van Nijmegen" wat hij onder wetenschappelijk verstaat. Ook al zijn deze opmerkingen van Leupen ver bezijden de waarheid, er zijn immers veel historici die (zij het deels) tot dezelfde conclusie komen (zie bij Citaten, vormen deze opmerkingen het ultieme bewijs dat de historische wetenschap slechts bestaat bij de gratie van naschrijverij. Nieuwe of afwijkende opvattingen worden niet geaccepteerd. Wetenschap bestaat volgens Leupen slechts uit het herhalen wat eerder beweerd en geschreven is. Dat de opvattingen van Delahaye wetenschappelijk nergens worden ondersteund, is een ontkenning van de klare feiten en een bevestiging van bovenstaande dat historisch geschoolden hun eigen vakgebied niet kennen. Er zijn vele publicaties die de opvattingen van Delahaye bevestigen. Zie bij Citaten de hele lijst historici, die de opvattingen van Delahaye met eigen uitspraken, studies of onderzoek onderschrijven. Leupen vindt "wetenschappelijke ondersteuning" voorwaarde voor de juistheid van opvattingen. Wat is wetenschappelijke ondersteuning? Dat andere wetenschapper het ermee eens zijn? Maar stonden Einstein, Darwin en Gallilei ook niet alleen in hun opvattingen? Ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben. Juist het nieuwe en oorspronkelijke in de opvattingen van Delahaye getuigt van wetenschap. Leupen hoeft inderdaad niet wetenschappelijk te werk te gaan, omdat zijn bewijsvoering bestaat uit het herhalen van de oude opvattingen, inclusief onderdelen die reeds lang weerlegd zijn (ook door Leupen zelf!!!). De "naschrijverij" onder historici heeft niets met wetenschap te maken. Wetenschap is vanuit hernieuwd onderzoek tot nieuwe inzichten komen. Niet het blijven herhalen van de oude fouten, waarvan reeds lang is aangetoond dat deze verkeerd zijn. Vanaf het begin zal alles opnieuw en zonder vooringenomenheid geïnventariseerd moeten worden, zonder uit te gaan van oude opvattingen en die als zekerheden te blijven beschouwen. En dan moeten we terug naar de "Bello Gallico" van Julius Caesar, waarin hij zowel de Renus als het eiland der Bataven uit eigen waarneming beschrijft. Nu eenmaal vaststaat dat Caesar nooit in België en al helemaal niet in Nederland is geweest, zal alles wat van deze foutieve veronderstelling is afgeleid, herzien moeten worden. Dat is de juiste houding ten aanzien van geschiedenis en van wetenschap. En dat is precies wat Albert Delahaye heeft gedaan. Alles van tafel en weer helemaal opnieuw beginnen. "Ad Fontes" : terug naar de bronnen! De opvattingen van Albert Delahaye worden vaak als "omstreden" en ook wel eens al "pseudo-wetenschap" gekwalificeert. Beide kwalificaties dragen een kern van waarheid in zich. 'Omstreden' zijn de opvattingen zeker, omdat het geen algemeen aanvaarde opvattingen zijn: er is nog steeds discussie over. Dat ligt niet aan de opvattingen van Delahaye, maar aan de opstelling van anderen. Pseudo-wetenschap kan men het ook noemen, omdat Delahaye zich niet gehouden heeft aan de eenmaal vastgestelde manier van onderzoek. Juist door zijn afwijkende werkwijze kwam hij tot andere en inderdaad verregaande conclusies. Zijn werkwijze bestond uit het teruggaan naar de primaire bronnen en die onbevooroordeeld lezen en vergelijken met elkaar en niet het herhalen van opvattingen van anderen of uitgaan van enkele veronderstellingen en die als waarheid zien. Dat die afwijkende werkwijze niet als wetenschap gekwalificeert wordt, heeft meer te maken met de uitkomsten van zijn onderzoek, dan met de werkwijze. Die uitkomsten van zijn onderzoek worden niet geaccepteert, juist omdat deze het functioneren van de wetenschap ter discussie stelt. Blijkbaar bestaat historische wetenschap nog steeds uit het slechts herhalen van wat eenmaal als beeld in de geschiedenis is aanvaard. Het aantal voetnoten in historische publicaties bewijst deze stelling. Er is geen plaats voor frisse nieuwe, maar afwijkende standpunten. Toch is er totaal geen sprake van dat Albert Delahaye onwetenschappelijk te werk zou zijn gegaan. Zijn werkwijze was zeer zorgvuldig en heel omvangrijk. Het bestond uit het lezen en vergelijken van de primaire teksten en deze in samenhang beoordelen en er argumenten uithalen die de traditionele geschiedenis weerleggen. Want dat die traditionele geschiedenis eenduidig en zonder verschillen van inzicht zou zijn, is een totaal verkeerde voorstelling van zaken. Degene die dat beweert kent de geschiedenis niet. Juist in de kracht van zijn argumentatie zit de wrevel bij anderen. Dat deze argumentatie, noem het bewijzen, niet te weerleggen zijn, is een vaststaand feit. Daarom ook ligt de Kanaaltunnel niet vanaf de Betuwe naar Engeland, maar tussen Calais en Dover. Dat Albert Delahaye niet van nauwkeurig onderzoek en gefundeerde bewijsvoering zou uitgaan, is in tegenspraak met de feiten. Delahaye haalt teksten aan, die anderen nog nooit gezien hebben. Delahaye voert meer dan 5000 bewijzen op, die aantonen dat de traditionele geschiedenis van Nederland fout is. Hij toont tevens aan waar die geschiedenis zich dan wel heeft voorgedaan: in Noord-Frankrijk. In Het Bronnenboek van Nijmegen komt men niet verder dan 190 teksten, waar in de interpretaties ervan meer dan 2000 fouten te vinden zijn. Na een litanie van commentaren van Albert Delahaye op het eerste Bronnenboek, kwam er binnen 2 jaar een herziene versie van het Bronnenboek. Dan kan men toch niet blijven beweren dat er van nauwkeurig onderzoek sprake is geweest? "Voor de historicus is het onmisbaar om permanent voeling te houden met de onderzoekers en de kritische vraagstellers, om niet uit het verouderde en versleten intellectueel materiaal zijn verhaal te blijven opbouwen". (H.W. von der Dunk). Deze opstelling, hier door Von der Dunk treffend omschreven, missen we in de historische wetenschap. Men blijft tegen beter weten in de oude verhaaltjes opzeggen, zonder na te gaan of deze wel juist zijn. Argumenten die het tegendeel bewijzen, worden smalend opzij geschoven. Uiteraard noemen de tegenstanders van Delahaye zijn opvattingen omstreden. Toegeven aan het gelijk van Delahaye betekent immers hun historische zelfmoord. Uiteraard ondersteunen de wetenschappers van professie de opvattingen van Delahaye niet, het zou hun eigen ondeskundigheid breeduit etaleren. Zij hanteren liever de opvattingen van de fabelvertellers uit de 15e tot 17e eeuw, toen historisch onderzoek nog geboren moest worden. De stand van de historische wetenschap is niet verder gevorderd dan de denkbeelden uit de 17e eeuw. De opvattingen van toen, zijn nog steeds de uitgangspunten van nu. Hoewel geen historicus de aanwezigheid van Julius Caesar in Nederland nog serieus neemt, worden "zijn Rhenus" en "zijn Eiland van de Bataven", die hij uit eigen waarneming beschreef nog steeds in Nederland geplaatst.
De historische wereld dekt uit alle macht het eigen falen toe. Er staan reputaties op het spel. Het gaat allang niet meer over de historische waarheid, maar om eigen prestiges.Het is vergelijkbaar met het verzwijgen van medische missers of het in de doofpot willen houden van het misbruik van kinderen binnen de r.k.kerk. De historische wereld is evenmin als de rechterlijke macht (zie de vele gerechterlijke dwalingen de laatste tijd) in staat zelfcorrigerend op te treden. Daarom hebben buitenstaanders de plicht dat te doen.De wetenschappers van professie bestrijden de opvattingen van Delahaye. Uiteraard, zou men kunnen zeggen. Er staan reputaties op het spel. Niet Delahaye, maar de historici van professie, hadden moeten ontdekken wat Delahaye ontdekte. Zij hadden moeten inzien dat de geschiedenis van ons land in het eerste millennium zich hier nooit voorgedaan kan hebben. De professionele historici hadden moeten ontdekken dat de traditionele opvattingen fout zijn. Zij hadden moet ontdekken dat St.Willibrord, St.Bonifatius en andere predikers en dat de Noormannen en Karel de Grote hier nooit geweest konden zijn. Zij hadden moeten ontdekken dat de vermeende geschiedenis vanaf de Romeinen nooit in Nederland plaats kan hebben gevonden, eenvoudig omdat vanaf 250 n.Chr. het grootste gedeelte van Nederland onder water lag. Zie bij Transgressies! Verblind als zij waren door de "gevestigde" opvattingen, hebben de historici van professie de verhalen van de fabelschrijvers uit de 15e tot de 17e eeuw zelf nooit terdege onderzocht op waarheid en mythe. Het is uiteraard erg pijnlijk om te moeten erkennen dat men nooit zelf onderzoek heeft gedaan naar de traditionele opvattingen en het is ook pijnlijk als men als historicus moet erkennen dat men de verkeerde opvattingen nooit doorzag. Of zoals Hugenholtz dat eens verwoordde: "We hoeven toch zeker niet te bewijzen dat Karel de Grote een palts in Nijmegen had!" "Iemand die de universiteit achter de rug heeft en bovendien "geëngageerd" is, merkt niet eens op wat niet met zijn zelfgebrouwen ideeën overeenstemt". (Bron: R.Pernaud, Afrekenen met de Middeleeuwen, Paris 1977.) Het is even vanzelfsprekend als logisch dat de herziening van de traditionele geschiedenis van een "buitenstaander" moest komen. De gevestigde historici zaten te veel vastgeroest in hun vooroordelen. Dat juist een archivaris die fouten moest ontdekken is eveneens vanzelfsprekend. Een archivaris gaat immers terug naar de authentieke geschreven bronnen en niet naar de opvattingen van "wat anderen er van gemaakt hebben". Hiermee worden meteen twee feiten aangetoond: 1. dat de traditionele historici nooit de primaire bronnen onbevooroordeeld hebben gelezen, en 2. dat naschrijverij zonder eigen bronnenonderzoek, de gewone gang van zaken is in historisch Nederland. Maar wat erger is: aan hun deskundigheid als historicus mag ernstig getwijfeld worden. Zelfs de meest doorzichtige fouten hebben zij niet ontdekt en zo komen ze voor de dag met een bisschop van Nijmegen. Vooral geen discussie aangaan met "die charlatan" die andere dingen beweert, dan zij tot dan toe voor waarheid hielden. Vooral ook die andere opvattingen niet onderzoeken, maar ze weghonen en belachelijk maken: het getuigt niet echt van een werkelijke wetenschappelijke instelling. Het is de houding van een kleuter tegen wie verteld wordt dat Sinterklaas niet bestaat. Komt wetenschap niet juist voort uit verschil van mening?De visie van Albert Delahaye.Alles wat wij Nederlanders van onze geschiedenis tussen de 1e en 10e eeuw menen te weten, staat in buitenlandse, voornamelijk FRANSE kronieken! Het toepassen ervan levert de volgende absurditeiten op: 1. de veronderstelling dat Franse schrijvers belangstelling zouden hebben voor deze 'uithoek' van Europa; 2. dat zij op de hoogte zouden zijn van gebeurtenissen hier en 3. dat zij zaken uit hun eigen omgeving onbeschreven zouden laten! Was het wel de "Nederlandse geschiedenis" die deze buitenlandse schrijvers vermeldden? Tekstueel en archeologisch ontbreekt in Nederland elk spoor van de vermeende geschiedenis en alleen al hiermee wordt de visie van Delahaye onweerlegbaar bevestigd. In Nijmegen is nooit een scherf van het vermeende paleis van Karel de Grote gevonden, in Utrecht niets uit de tijd van St.Willibrord. De Noormannen zijn archeologisch en tekstueel onvindbaar in Nederland. De Romeinse geschreven bronnen komen allerminst overeen met de Romeinse archeologie in ons land. Op veel plaatsen waar castella werden gedacht, zijn ze nooit gevonden. Vanaf de Romeinse tijd hebben zeer veel plaatsen op grond van verkeerde interpretaties een foutief etiket opgeplakt gekregen. Op de Peutingerkaart staat geen enkel stuk van Nederland. Het ontstaan van de traditionele geschiedenis. Van veel algemeen aanvaarde zaken in de geschiedenis van ons land, is nooit enig bewijs geleverd van de juistheid ervan. Zo kan het dus voorkomen dat Hugenholtz opmerkt: "Maar dat hoeven we toch zeker niet te bewijzen?" Hij had blijkbaar nog nooit nagedacht over de vraag of het überhaupt wel eens bewezen was, dat het Noviomagus van Karel de Grote Nijmegen was. De invoering van de onderdelen van deze mystifikatie is vanzelfsprekend niet in één slag gebeurd. Men kan integendeel van elk onderdeel afzonderlijk vrij nauwkeurig de tijd aangeven, waarop het volkomen nieuw de kop opstak. Het is ingezet in de 12e eeuw; in de 17e hebben de post-humanisten en de eerste zich "wetenschappers" noemende lieden bepaalde fabeltjes tot fundament van de Nederlandse geschiedenis verheven. De Peutinger-kaart spant de kroon. Al werd een strookje van deze kaart reeds langer in het vage op Nederland toegepast, heeft men dat pas op het eind van de 19-de eeuw voor het eerst hardop beweerd. De Nijmegenaren Willem van Berchen (kanunnik) en de dominees vader en zoon Smetius, hebben die de hele geschiedenis van Romeins en Karolingisch Noviomagus en van de Bataven naar Nijmegen gehaald. Hun geschriften bevatten zoveel fouten dat ze in de tegenwoordige literatuur niet meer worden aangehaald. Geen enkele historicus neemt hen nog serieus. Ook het Bronnenboek van Nijmegen vermeldt hun geschriften niet. Toch worden hun foutieve denkbeelden nog steeds als uitgangspunt gehanteerd bij die historische opvattingen. Het feit dat de boeken van Albert Delahaye zelfs in het derde millennium nog steeds in literatuurlijsten verzwegen worden, bevestigt de onwetenschappelijke houding van de historische wetenschap. Waar men het niet mee eens is, of wat niet weerlegd kan worden, wordt verzwegen. Dit negeren bespaart de diverse auteurs de moeite om in te hoeven gaan op de feiten en argumenten die hun ongelijk aantonen en waarmee het gelijk van Delahaye bevestigd wordt. |