Citaten.

St.Willibrord, apostel der Friezen.

De landing van St.Willibrord in Katwijk is een fabel uit de 17e eeuw. St.Willibrord kwam aan in Gravelines (bij Calais).
Zowel de Franse als de Duitse historici en ook Echternach plaatsen dáár zijn aankomst op het vasteland.
Hij was meteen in zijn missiegebied. Daar woonden, langs de kust van het Kanaal, de klassieke Frisones.
Deze ene constatering maakt de hele Nederlandse geschiedenis in het eerste millennium ongeloofwaardig
en geeft meteen de streek aan waar die geschiedenis wel thuis hoort: Noord-Frankrijk.

Het Trajectum van St.Willibrord was hetzelfde als het Romeinse Trajectum. Opgravingen op het Domplein in 1929 hebben aangetoond dat Romeins Utrecht de naam Albiobola droeg (C.W.Vollgraff). Deze vondst werd aanvankelijk heftig bestreden, later verzwegen, omdat er teveel vastzit aan die naam. Als Romeins Trajectum uit Nederland moet verdwijnen, is in feite de hele mythe in een slag opgelost.

Trajectum is een gallische (Keltisch) woord en betekent "oversteekplaats". Waar die oversteekplaats in Utrecht, in het uitsterste grensgebied van het Romeinse Rijk ooit voor diende of toe geleid heeft, is in de traditionele opvattingen nooit aangetoond of aannemelijk gemaakt. Die oversteekplaats leidde immers nergens naar ofwel bestond ter plaatse ook niet.

Van continuïteit in bewoning is in Utrecht geen enkele sprake. Tussen de 3e en 10e eeuw is de archeologie volkomen blanko. Zie ook de opmerking van W.A.van Es in "De Romeinen in Nederland".

Vreemd en in Nederland onverklaarbaar blijft ook dat Romeinse Utrecht (in Nederland is dat Trajectum), waar een belangrijk castellum gelegen heeft, op de Peutingerkaart ontbreekt. Zie bij Peutingerkaart. Het is een volgende bevestiging dat de Peutingerkaart geen betrekking heeft op Nederland.

Voor de 14e eeuw bestaat in Nederland geen enkele Willibrordtraditie. In 1301 vraagt en krijgt Utrecht vanuit Echternach de eerste relieken van de heilige, omdat, zo staat het in de oorkonde, "men er nog geen heeft".
Waarom zijn niet eerder relieken gevraagd? Zeker als men wist dat Echternach in 952 relieken schonk aan Trier, in 980 aan Regensburg, in 987 aan Luxemburg, in 1031 weer aan Trier, in 1156 aan Maria-Laach en Himmerode. Ná 1031 schonk de abdij relieken aan verschillende kerken: 1047 aan Prum; 1051 aan Brunswijk; 1091 aan Hirssow; 1098 aan Prüm; 1156 aan Himmerode; 1170 weer aan Trier; in 1301 voor het eerst aan Utrecht en in 1315 nogmaals aan Trier. De betreffende relieken zijn allemaal beschreven en bevatten naast kledingstukken ook beenderen van de heilige.
Het is duidelijk dat de Willibrord verering in Nederland dus pas na 1301 nieuw is ontstaan.
Zo blijkt uit technisch onderzoek dat het deel van de sandaal van de heilige waarover men in Utrecht beschikt, niet uit de 8ste maar uit de 12de eeuws stamt. En dan kan deze sandaal onmogelijk van St.Willibrord zijn geweest.Deze relieken zijn dus vals.

En dan WONDER boven WONDER, vinden de monikken van Echternach in 1498 "het complete en ongeschonden lichaam van de heilige terug". Er is maar één conclusie: de relieken die nu in Echternach voor St.Willibrord wordt gehouden zijn vals. Het "terugvinden" van het lichaam van de heilige in 1031 toont dat al glashelder aan.

Het staat volkomen vast dat St.Willibrord niet in Echternach overleden is. Men heeft immers altijd aangenomen dat zijn lichaam naar Echternach werd overgebracht. Daarvoor voerde men de z.g. "translatio" aan die op 10 november in de kalender van St.Willibrord staat genoteerd. De aantekening van de translatio is duidelijk niet in 739 aangebracht, maar beslist een veel latere toevoeging.
Wat er nadien met zijn lijk en relieken gebeurd is, geeft alle reden om die als niet-authentiek te beschouwen.
De twijfel die W. Visser in 1933 opgeroepen heeft, blijkt zeer gegrond.

Pas in 1940 is St.Willibrord door paus Pius XII tot patroon van de Nederlandse Kerkprovincie verheven. Waarom heeft dat tot 1940 moeten duren? Waarom gebeurde dat niet al in 1853 bij het herstel van de kerkelijke hiërarchie in Nederland?
Dat St.Willibrord een bisschopszetel in Utrecht gehad zou hebben en zijn abdij op ruim 300 km afstand in Echternach lag, is een onbegrijpelijk raadsel, waarop geen enkele historicus ooit een plausibele verklaring heeft gegeven. Bovendien is het een ongrijmdheid dat die abdij in het bisdom Trier lag. Waarom heeft St.Willibrord zijn abdij niet dichter bij zijn het centrum van zijn bisdom gesticht?
De werkelijkheid is dat hij dat wel gedaan heeft. Zijn abdij lag op enkele kilometers van zijn bisschopszetel.
St.Willibrord werd door de paus Sergius aangesteld als 'apostel van de Friezen'. Het is vervolgens onverklaarbaar dat van zijn aanwezigheid in het Nederlandse Friesland nooit enig spoor in gebleken. De traditionele historici laten hem slechts prediken in Brabant en België. "In de periode van St.Willibrord zijn in Nederland boven de rivieren geen archeologische feiten die met St.Willibrord in verband kunnen worden gebracht".
(Bron: W.van Es).

De visie van Albert Delahaye.
St.Willibrord kwam aan in Francia, zoals hij zelf letterlijk schreef en was meteen in zijn missiegebied: Frisia. Om in de 7e eeuw van Francia de plaats Katwijk te willen maken moet men toch met héél sterke bewijzen komen. En die bewijzen zijn er niet. Katwijk bestond toen niet eens.
St.Willibrord kwam aan in Gravelines en was meteen in zijn missiegebied. Zijn missiegebied moet dan ook in Frans- en Belgisch-Vlaanderen gezocht worden. Het Trajectum waar hij zijn bisschopszetel was niet Utrecht, maar van het Noord-Franse Trajectum dat Tournehem-sur-la-Hem was.
Het Trajectum van St.Willibrord was dezelfde plaats als Romeins Trajectum. Romeins Utrecht droeg de naam Albiobola. In Utrecht is nooit sprake geweest van een "trajectum, een oversteekplaats". Waar zou deze naartoe geleid hebben? Naar de vijand?
De aangenomen veronderstelling dat St.Willibrord in Utrecht bisschop is geweest, is makkelijk te weerleggen. Zowel tekstueel als archeologisch is aangetoond dat Utrecht in de 7e en 8e eeuw niet bestond. Wat moet een missiebisschop in een streek waar geen bewoning is?
Er zijn teveel teksten die niet stroken met de gangbare opvattingen. Enkele voorbeelden van ongerijmdheden in de traditionele opvattingen, die het gelijk van Delahaye aantonen, zijn:
  • St.Willibrord kwam in 690 aan land te Gravelines in Noord-Frankrijk en was meteen in zijn missiegebied. De kerk in Gravelines draagt zijn patronaat, evenals die van het naburige Bourbourg. Hoe komt het patronaat van "de apostel der Friezen" in Noord-Frankrijk?
  • De landing te Katwijk is voor het eerst in de 17e eeuw beweerd, afgeleid van de opvatting dat zijn zetel in Utrecht was en de "ostia Reni" (monding van de Renus) dan de aankomstplaats had kunnen zijn. Kritiekloze schrijvers hebben er toen Katwijk van gemaakt, een plaats die ten tijde van St.Willibrord niet bestond in een gebied dat in de 7e eeuw meters onder water lag (zie bij Transgressies).
  • St.Willibord schrijft zelf (zie de tekst hierna) dat hij aankwam in "Francia". Met Francia kan in de 7e eeuw geen enkel deel van Nederland bedoeld zijn.
  • Van de oudste periode van het jaar 722 tot het einde van de 10e eeuw bezit Utrecht geen enkel origineel document. Men beschikt slechts over afschriften, die in de 12e en 13e eeuw verzameld of gekregen zijn van kloosters in België (Gent) en Frankrijk (St.Omaars). In deze eeuwen ontstond langzaam en beetje bij beetje de St.Willibrord traditie van Utrecht. Alles waarin sprake was van Trajectum of St.Willibrord werd gekopieerd en naar Nederland getrokken. Zo kwam Nederland aan grote brokken Noord-Franse geschiedenis. Het absolute vacuum tussen 739 en de 13e eeuw is een afdoend bewijs dat de traditie in Nederland nieuw is ontstaan.
  • De Annales Egmundenses vermelden in 1148 van een grote brand in Utrecht, waarbij de de kerk van St.Martinus die door bisschop Adelbold is gebouwd, verbrandde met drie andere kerken. De kerk van St.Salavator, die naar waarheid de kerk van St.Bonifatius genoemd werd, bleef gespaard. In dit bericht wordt St.Willibrord, die men zo graag ziet als grondlegger van het Christendom in Nederland en bouwheer van een St.Salvatorkerk, niet genoemd. Adelbold was tussen 870 en 899 een der opvolgers van St.Willibrord, echter niet in Utrecht, maar in Tournehem. De eerste bisschop van Utrecht was Balderik (917?-975). De latere keuze van St.Martinus (St.Maarten, de nationale beschermer van Francia) tot patroon van de betreffende kerk wijst al op de zuidelijke oorsprong ervan. Ook die is na de 10e eeuw geïmporteerd.
  • De Annales Xantenses (640-873) bevatten geen enkel bericht over St.Willibrord, terwijl ze wel over de "Betuwe" en het land van Kleef handelen. Blijkbaar was de "eerste bisschop van Utrecht" in Xanten niet bekend.
  • Melis Stoke (1235-1305) noemt St.Willibrord als apostel aan de Schelde. Helemaal juist dus, want de Schelde bakende het gebied van de Frisones af en wordt in klassieke teksten ook Rhenus genoemd. Geen enkel woord over Utrecht of noordelijk Nederland.
  • In de kroniek "De rebus Ultrajectinis (1138-1233) komt de naam van St.Willibrord nergens voor. Geen vermelding van de eerste bisschop van Utrecht en stichter van dit bisdom is op zijn minst erg laks en onattent. De waarheid is dat de St.Willibrord-traditie toen nog niet bestond.
  • Vóór de 14e eeuw blijkt St.Willibrord in Nederland onbekend. Geen enkele Utrechtse oorkonden is vóór de 14e eeuw gedateerd naar het feest van St.Willibrord.
  • In noordelijk Nederland is geen enkele oude kerk onder het patronaat van St.Willibrord bekend, terwijl in het zuiden er talloze voorkomen. En in noordelijk Nederland lag toch het zwaartepunt van zijn missionering?
  • St.Willibrord wordt "apostel van de Friezen" genoemd. Volgens St.Bonifatius werkte hij gedurende 50 jaar bij de Friezen en heeft het grootste deel van hen tot het geloof bekeerd. In Friesland is geen plaats, geen kerk, geen feest, geen traditie of legende, die aan deze apostel herinnert. Onze voorouders zijn niet onattent geweest, maar hebben St.Willibrord niet vernoemd, omdat zij wisten dat hij er niet thuis hoorde.
  • In het zuiden leeft van de "apostel der Friezen" een duidelijke en grootse traditie in plaatsnamen, kerken, parochies, feesten en andere tradities, zodat een belangrijk bewijs voor zijn invloed er lang bestaan heeft en nog bestaat.
  • In Frankrijk en Vlaanderen werd vanouds het feest van St.Willibrord gevierd in de bisdommen Kamerijk, Terwaan en Metz. In het bisdom Arras is het nog steeds een voorgeschreven feest. Je vraagt je dan af hoe de bisschop van Utrecht en patroon van de Nederlandse Kerkprovincie en de apostel van de Friezen in die bisdommen in Noord-Frankrijk terecht is gekomen.
  • Pas in de 14e eeuw (in 1301) vraagt en krijgt Utrecht voor het eerst relieken van St.Willibrord vanuit Echternach. De argumentatie "omdat zij er geen bezat" geeft duidelijk aan dat de traditie toen pas voor het eerst opkwam. Was er geen echte reliek in Utrecht geweest, dan zou men beslist voor enkele "onechte" hebben gezorgd, als er ook maar enige vorm van verereing van de heilige zou zijn geweest. In de middeleeuwen was een heiligenverering zonder relieken onbestaanbaar. Een verering van St.Willibrord heeft in Utrecht vóór de 14e eeuw dus niet bestaan.
  • Het begin van de 14e eeuw is een rijkelijk laat tijdstip voor de verering van een heilige uit de 8e eeuw, die nota bene de eerste bisschop van de stad zou zijn geweest en de grondlegger van het Christendom in Nederland. Zo ondankbaar kunnen de bewoners toen toch niet geweest zijn, om St.Willibrord 6 eeuwen lang niet te noemen, niet te vereren en zelfs helemaal te vergeten. Hiermee wordt aangetoond dat de verering van St.Willibrord in de 14e eeuw nieuw ontstond. Van ondankbaarheid is dus geen enkele sprake geweest.
St.Willibrord schrijft zelf dat hij in Francia aankwam.
"In naam van de Heer. Clemens Willibrordus kwam in het jaar 690 na de geboorte van Christus van overzee in Francia, en in de naam van God is hij in het jaar 695, hoewel onwáárdig, in Rome tot bisschop gewijd door de apostolische man paus Sergius. Nu is hij dan uit Gods naam in het jaar 728 vanaf de geboorte van Onze Heer Jezus Christus nog gelukkig werkzaam in de naam van God."
Bron: Wilson, The Calendar of St.Willibrord, fol.39.

Algemeen moet worden aangenomen dat Willibrord deze tekst zelf opstelde en eigenhandig in zijn Kalender heeft geschreven. Al schrijft hij in de derde persoon over zichzelf, toch blijkt duidelijk uit de woorden "hoewel onwaardig", die alleen van hemzelf kunnen zljn, dat hij in alle bescheidenheid over zichzelf schrijft. Als een ander dit geschreven had, zou het een grove belediging zijn geweest.
Willibrord zegt dus zelf dat hij naar Francia kwam. Wie daar in de 7e eeuw Nederland of Katwijk van wil maken, moet op z'n minst met één tekst aantonen dat Francia zich toen uitstrekte tot de Noord-Nederlandse kust. Zo'n tekst bestaat niet.
De eigen getuigenis van de man in kwestie is vanzelfsprekend van het hoogste belang. Toch blijven Nederlandse historici maar vasthouden aan de traditie en zetten ze zelfs de heilige, om wie ze zich zo druk maken, neer als leugenaar. Zij weten het immers beter dan Willibrord zelf.
Voorts treedt uit deze eenvoudige en sobere verklaring een evenwichtige, rustige, plichtsgetrouwe, zorgzame en gestage werker naar voren; een persoonlijkheid waarbij de wilde verhalen van grootse geloofscampagnes over afstanden van 1000 kilometer retour niet passen.

In Echternach hanteert men als landingsplaats van St.Willibrord het noord-Franse Gravelines. Dat is historisch volkomen juist. Abt Theofried van Echternach heeft zelf, getuige zijn Vita van St.Willibrord en zijn eigen verhandelingen, een bezoek gebracht aan de landingsplaats. Gravelines heeft van oudsher een sterke St.Willibrord traditie, wat mag blijken uit het beeld met reliek van St.Willibrord in de plaatselijke St.Willibrorduskerk. (Zie afbeeldingen hiernaast!). De kerk van Gravelines draagt nog steeds het patronaat van St.Willibrord, evenals de kerk van het nabijgelegen Bourbourg ook het patronaat van St.Willibrord draagt.
Wat stad en haven van Gravelines betreft: aangezien het toekomstige areaal van die stad nog onbewoonbaar was, kon van een landlng aldaar geen sprake zijn; wèl echter van een stranding op een nabij liggende zandbank, doordat de boot na het (te vroege?) strijken van de zeilen op drift raakte. Dit was dan het juiste moment voor het overboord zetten van de verzwarende steen om zo het vaartuig weer vlot te krijgen en daardoor de kust te bereiken vanwaar men te voet bij de burcht van Traiectum (Tournehem) kon komen.


Hiernaast: Zegel van de stad Gravelines met een afbeelding van de landing per schip van St.Willibrord. Rechtsonder -tussen "3 en 6 uur"- herkent men de naam "S Willibrord".


Waarheid en legende!

Een vliegende apostel.

St.Willibrord en St.Bonifatius waren Benedictijnen. In de Nederlandse traditie worden hen eigenschappen aangewreven die in strijd zijn met hun kloostergeloften.
In de traditionele opvattingen zouden St.Willibrord en St.Bonifatius in een oneindig groot missiegebied gewerkt hebben, dat zijn weerga niet gekend heeft. Dat is teveel eer voor deze eenvoudige predikers die in Noord-Frankrijk er twee zijn uit een lange rij en er in een beperkt gebied hebben gemissioneerd! Gezien de omvang van het goederenbezit van St.Willibrord, maakt de geschiedenis van hem de eerste vliegende apostel van west-Europa. Slechts de mythen hebben van St.Willibrord en St.Bonifatius reislustige missiebisschoppen gemaakt. Als Benedictijnen gold voor hen, naast de 3 hoofdregels (gehoorzaamheid, kuisheid en armoede), vooral de "Stabilitas" (standvastigheid op de eenmaal gekozen plaats) dat als belangrijkste regel werd gehanteerd.
Merkwaardig is ook dat die missiereizen die St.Willibrord dan ongetwijfeld gemaakt moet hebben, in de authentieke bronnen nergens beschreven staan. Des te opmerkelijker wordt dit als de 2 reisen van St.Willibrord naar Rome wel uitvoerig beschrven zijn en ook bij andere bisschoppen en koningen en keizers (b.v. bij Karel de Grote) dit steeds wel gebeurde. De missiereizen van St.Willibrord zijn dan ook ontstaan in de fantasie van historici, op grond van verkeerd gelocaliseerde plaatsen.

Logica: mythe en werkelijkheid.

De verschillende plaatsen in verband met St.Willibrord genoemd, blijken in verschillende bisdommen te liggen.
De vraag is dus, hoe het mogelijk is dat de gebieden waar St.Willibrord een belangrijke invloed gehad zou hebben, later allemaal onder andere bisdommen ressorteerden en niet bij het bisdom Utrecht hoorden. De verklaring is even verhelderend als simpel. De genoemde gebieden hebben nooit tot het missiebisdom van St.Willibrord gehoord. Vanaf het begin van het ontstaan van de diocesen, gemodelleerd naar de administratieve indeling van de Romeinen, heeft geen van deze diocesen tot het bisdom van St.Willibrord gehoord, ook Utrecht niet.
Het Trajectum van St.Willibrord lag in Noord-Frankrijk, rondom de plaats Tournehem. Daar lag ook Epternacum (=Eperleques op 6 km. van Tournehem), daar woonden de Friezen (Frisia=de kust van Frans en Belgisch Vlaanderen), daar lag Souastra (=Suestra), daar lag ook Corbeia (=Corbie). Ook alle plaatsen in Noord-Brabant die men meende te identificeren met de plaatsen waar St.Willibrord werkelijk gepredikt heeft, liggen in Noord-Frankrijk in een kring rondom Tournehem.
De kroniek van Kamerijk, geschreven in de 12e eeuw, bevestigt dit beeld en geeft daarmee glashelder aan dat de St.Willibrord-traditie van Nederland pas nadien ontstaan is.

Uit de authentieke teksten, mits onbevooroordeeld gelezen en eerlijk uitgelegd, moet men dan ook constateren dat Willibrords bewegingen -bij zijn eigenlijke missionaire activiteit- een straal van 100 km nauwelijks overschreden heeft (Souastre, Oust-Marest en de 'Dani' liggen binnen dat bereik). In dit en andere opzichten is een niet gering verschil vast te stellen tussen Willibrords geaardheid en die van de 'onrustige' Bonifatius, wier 'actie-radius' trouwens ook tot het onmogelijke overdreven wordt. Er bestond tussen beiden ontegenzeggelijk een zekere mate van 'incompatibilité de caractères': de onstuimige Bonifatius vond Willibrord te lankmoedig; en Willibrord was te lankmoedig om Bonifatius te onstuimig te vinden! Niettemin wordt het vaak voorgesteld alsof Bonifatius niet alleen de opvolger, maar ook de návolger van St.Willibrord geweest zou zijn. Het laatste was hij allerminst.

St.Willibrord devotie in Frans-Vlaanderen.

In de streek van Frans-Vlaanderen bestaat een vanuit de Nederlandse traditie onverklaarbare St.Willibrord devotie. De vraag "Hoe kan de apostel van Nederland zo ver van huis zo'n grote bekendheid hebben gehad?", werpt dan ook, voor de Nederlandse traditie, de nodige geografische problemen op.
Vanuit de visie van Albert Delahaye is deze vraag meteen het antwoord op die problemen: "St.Willibrord was in Frans-Vlaanderen niet ver van huis. Hij was er midden in zijn missiegebied!"
St. Willibrord landde te Gravelines, dat in de 7e eeuw een eiland in het Almere was. Een plaatselijke traditie, die door een schrijver uit de 11e eeuw al zeer oud werd genoemd, bevestigt deze landing. In de streek van Frans-Vlaanderen zijn talloze relikten van een devotie aan te wijzen, zoals kerken door de aartsbisschop gesticht, veel relieken in kerken en de viering van zijn feest. De kerk van Gravelines draagt nog steeds het patronaat van St.Willibrord, evenals de kerk van het nabijgelegen Bourbourg.
De kerken en goederen van het bisdom en van de abdij van St.Willibrord zijn alle in dezelfde streek aan te wijzen, met plaatsnamen die door regionale parallelteksten bevestigd worden in de vorm zoals zij in de oorkonden van Echternach voorkomen. De kaart laat tevens zien, dat alle raakpunten van St. Willibrord en het bisdom Trajectum rondom de zetelplaats Tournehem liggen. Voorheen plaatste men die goederen, parochies en kerken honderden kilometers uit elkaar in tien verschillende landstreken: in Holland, (merkwaardigerwijs niet in Frieslandl), Utrecht, Gelderland, het land van Kleef, België, Limburg, Zeeland, Antwerpen en de Kernpen, Thuringen en Luxemburg. Het heeft geen nader betoog nodig, dat dit onaanvaardbaar is voor een bescheiden missie-bisdom uit het begin van de 8e eeuw, dat bovendien reeds kort na St. Willibrord tekenen vertoonde van weinig levensvatbaarheid, of dat juist als missie-bisdom door de Paus voorbestemd was om zich te zijner tijd op te lossen in de normale hiërarchie. Een expansie van die omvang en uitgestrektheid is zelfs niet bekend uit een latere periode, toen rijke en politiek machtige bisdommen en abdijen links en rechts goederen verwierven. Gezien de omvang van het goederenbezit van St.Willibrord, maakt de geschiedenis van hem een reislustige missiebisschop, wat hij, gezien de geschreven bronnen, zeker niet geweest is.

St.Willibrord en Radboud?
Het verhaal van St.Willibrord en koning Radboud heeft betrekking op Willibrord, maar klopt ook niet helemaal met de werkelijkheid. In 690 reist Willibrord samen met elf metgezellen als pelgrim naar het vasteland om daar ongelovigen tot het christendom te bekeren. Volgens zijn biograaf Alcuinus zou Willibrord direct na zijn aankomst naar koning Radbod in Utrecht zijn gegaan, maar zonder succes: het lukt de missionaris niet om de koning van het christelijk geloof te overtuigen. In de Nederlandse traditie gaat St.Willibrord in 690 niet meteen naar Utrecht, maar bezoekt Willibrord Utrecht pas na 695 in de rol van aartsbisschop. Radbod is dan afgezet door Pippijn II na een oorlog in 695 tussen Franken en Friezen en Utrecht vanaf 695 pas tot het Frankische rijk hoort.
Het lijkt een detail, maar het komt niet overeen met wat Alcuinus geschreven heeft. De Nederlandse historici leggen de tekst van Alcuinus anders uit dan wat hij letterlijk geschreven heeft. Het is precies wat vaker gebeurd is in de historische geografie en wat precies het probleem van de mythen is.

Nieuwe mythen.

Steeds opnieuw steken allerlei uitvluchten de kop op om de mythe te redden. Tijdens een TV-uitzending op 6 november 1989 werd gepoogd "Willibrord in Utrecht" te redden door zijn verblijf aldaar slechts kort te houden. Blijkbaar kwam dat voort uit een opmerking van Monseigneur M.Muskens, die in een gesprek met het dagblad "De Telegraaf " (4 november 1989) onthulde dat "Willibrord de Friezen niet bekeerd heeft omdat zij niet wilden (?!?!), waarna hij naar Echternach uitweek!" (en daar verder zat te kniezen om die vermaledijde Friezen, zeker).
Zo'n voortijdige aftocht van St.Willibrord is natuurlijk historisch volkomen naast de waarheid. Zowel de getuigenissen van St.Bonifatius, Beda en van St.Willibrord zelf, verklaren dat hij tot in hoge leeftijd vanuit zijn te Traiectum gevestigde zetel werkzaam was en bleef. Bovendien zou het in strijd met de kloostergelofte van de Benedictijnen geweest zijn, waarbij 'Stabilitas' als een der voornaamste regels gold! Een Benedictijn ging niet op de vlucht! Vergelijk dat b.v. met de moord op St.Bonifatius, die vluchtte ook niet!!
Op deze manier maakt Muskens (een Nederlandse bisschop!!!) van St.Willibrord een lafaard en een slappeling en maakt hem de enige reden afhandig waarop hij tot patroon van de Nederlandse kerkprovincie verheven zou moeten worden. Dat gebeurt er nu wanneer ondeskundigen zich met de geografische historie van Nederland gaan bemoeien: blunder op blunder!

De wijwaterput van St. Bonifatius.

Evenzeer is de wijwaterput van St. Bonifatius in Dokkum, klinkklare onzin. Paus Gregorius (731-741) had immers met nadruk verboden voor het dopen van heidenen tot christenen gebruik te maken van deze bronnen, juist omdat deze bij de heidenen in een geur van bijgeloof en heidense rituelen stonden, en de paus absoluut wilde voorkomen dat de heidenen de indruk kregen alsof de Roomse Kerk ook in het sacrale van bronnen geloofde. St. Bonifatius was zeer Rome-getrouw, zozeer zelfs dat hij menigmaal in conflict is geraakt met Gallische bisschopppen. En dan vindt de ROB. een wijwaterput van St. Bonifatius! Er werken blijkbaar geen katholieken bij de ROB., want deze heilige wordt even aangewreven dat hij de kerkelijke voorschriften heeft overtreden. Ook het omhakken van "heilige eiken" door Willibrord, Bonifatius of andere zendelingen kan men in het rariteitenkabinet van de historische vraagstukken plaatsen. Het was niet alleen een duidelijk advies van de Paus, ook de missionarissen zelf hadden wel begrepen, dat als men volkeren wil bekeren men ze niet tegen zich in het harnas moet jagen door hun "idolen" grofweg neer te halen en hen te kleineren.


Lezersplein in het Algemeen Dagblad.

Nu is het Lezersplein niet de geëigende plaats om over historische vraagstukken te discussiëren, maar G.Nieuwdorp uit Utrecht maakt er in zijn/haar reactie een karikatuur van. Dat hierbij enkele pertinente onwaarheden verkondigd worden, maakt duidelijk dat de schrijver niet gehinderd wordt door kennis van zaken. De discussie rondom St.Willibrord en St.Bonifatius is namelijk helemaal niet begonnen ergens "op een zolder", maar in het gemeentearchief van Nijmegen, en wel met Karolingisch Nijmegen, waarvan in Nijmegen elk spoor blijkt te ontbreken. Het "gat van Nijmegen" is bij elke historicus bekend. Uiteraard wordt er weinig over gesproken, want het legt meteen de problematiek bloot.
Voor Nieuwdorp zijn Willibrord en Willebrord 'vanzelfsprekend' ook twee verschillende personen. Een van de twee heeft zeker in Nederland gemissioneerd, meent hij. Voor Nieuwdorp zijn Aachen en Aken waarschijnlijk ook twee verschillende plaatsen, net als Utret en Utrecht om bij zijn/haar stad te blijven. De schrijfwijze van een persoons- of plaatsnaam op zich zegt dus weinig, de contekst is meer van belang. En juist die contekst heeft in Nederland nooit gepast. Het begrip "déplacements historiques" is bij Nieuwdorp vermoedelijk ook niet bekend.
Het bronnenonderzoek van deskundigen moet als historische uitgangspunt voor de discussie dienen, en niet de schoolboekjes, de folders van de VVV's of een kerkgidsje van een kathedraal.

De bewering dat de theorie van Delahaye bij beroepshistorici geen steun krijgt, is eveneens een onwaarheid. Zelfs aanvankelijk fervente tegenstanders van Delahaye, geven hem nu gewoon gelijk. Op deze website zijn veel citaten verzameld waarin dat bevestigd wordt. Dr. W.A. van Es, voormalig directeur van de ROB. in Amersfoort, schrijft zelfs: "Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht". St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben! Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren! Ook van een kerkje van St.Willibrord en zijn voorgangers (!) ontbreekt elk spoor!
Bij opgravingen in Utrecht zijn nimmer resten uit de tijd van St.Willibrord gevonden, om een andere historicus te citeren. Er is sinds 1929 in Utrecht hard gezocht maar nooit iets gevonden uit de tijd van St.Willibrord. Dat lijkt me duidelijke taal. Mevrouw Broer (zie bij Citaten) laat de koppeling van Utrecht aan een bisschopszetel als onhoudbaar los. Als St.Willibrord geen bisschopszetel in Utrecht had, en dat stelde zij, valt het hele kaartenhuis van de mythen vanzelf in elkaar.
Het is dus beslist een onwaarheid dat Delahaye als enige meent dat de St.Willibrordtraditie van Utrecht op los zand is gebouwd en niet klopt.

Over een aantal historisch kwesties vanaf de Romeinse tijd is in Nederland altijd verwarring geweest. Wie de verwarring ontkent, kent de bronnen niet. Ten aanzien van de hele studie rondom St.Willibrord zijn er zeker nog onduidelijkheden, misschien kan Nieuwdorp die als 'deskundige' oplossen? Zoals de verklaring van de twee corpora van St.Willibrord en zelfs een derde schedel die van deze heilige bekend is.
Ook de exacte datum van de breuk tussen het eerste Trajectum en het tweede Trajectum is onbekend, aangezien deze nergens als zodanig genoemd wordt, maar zo goed als zeker tussen 917 en 975 gelegen heeft.

Die onduidelijkheid over de breuk tussen het eerste en tweede bisdom Trajectum, zeg maar de "verhuisdatum", was voor de historicus (?) Martin W.de Bruijn aanleiding om dan maar de hele visie van Albert Delahaye te verwerpen. Met enkele onduidelijke (en valse?) oorkonden uit de 11e en 12e eeuw, toen de mythe al vorm begon te krijgen, probeert De Bruijn aan te tonen dat er nooit van een breuk sprake is geweest. En omdat er geen breuk is geweest, is er sprake van continuïteit *)en heeft er maar één bisdom Trajectum bestaan en dat lag in Nederland.
In het betreffende artikel schrijft hij: "Het behoeft geen betoog dat met Traiectum in de geschiedschrijving Utrecht bedoeld is. De bisschoppen van dit diocees moesten omstreeks het midden van de 9e eeuw vluchten voor de Noormannen en vestigden zich te St.Odiliënberg en later Deventer. Daar werd in 917 bisschop Radboud begraven. Diens opvolger Balderik herstelde echter kort daarna de bisschopszetel in Utrecht, waar deze gedurende de hele verdere middeleeuwen gevestigd zou blijven". De Bruijn beroept zich voor deze opinie o.a. op J.W.C. van Campen en R.R. Post. Voor Post: zie aldaar.

Maar laat nu net dit uitgangspunt, namelijk de vlucht van de bisschop van Trajectum voor de Noormannen, in de Nederlandse archeologie juist nergens bevestigd worden. De vlucht naar Deventer? De Noormannen tegemoet? Immers de Noormannen plunderden volgens de traditionele opvattingen in dezelfde tijd ook Deventer. St.Odiliënberg? In de oorkonde uit 858 over die vlucht is geen sprake van St.Odiliënberg, maar van het St.Petrusklooster te Berg. Dat hiermee het klooster in St.Odiliënberg is, dat als patroonheilige Odilia had, moet dan wel eerst bewezen worden, voordat het als uitgangspunt dient. Bovendien is het klooster van St.Odiliënberg pas in de 12e eeuw gesticht.
Het staat bovendien volkomen vast dat de Noormannen Utrecht nooit geplunderd hebben. Er is archeologisch geen spoor van al die plunderingen gevonden, net zo min als dat in Deventer is aangetoond.

En dan bisschop Balderik. Die zou dus een pontificaat hebben gehad van 58 jaar. Niet onmogelijk, maar wel wonderlijk dat daarover geen enkele mededeling bekend is. Over St.Willibrord is wel geschreven dat hij tot op hoge leeftijd in zijn missiegebied werkzaam was. Daarbij was sprake van een al opvallend, dus vermeldingswaard pontificaat van 49 jaar. Het zelfs langere pontificaat van Balderik zou dan onvermeld zijn gebleven?

En dan die breuk! De breuk tussen beide Trajecta is een onweerlegbare zekerheid. In 863 ressorteerde het bisdom Trajectum nog onder het aartsbisdom Reims, in 1272 zeker onder het aartsbisdom Keulen.
Maar er is natuurlijk meer, dan alleen de exacte datum van de breuk. Ook al is er de verhuisdatum onbekend, de verhuizing blijkt uit de verandering van het adres.
Het eerste bisdom Trajectum lag in Francia, zoals St.Willibrord zelf schreef, en had een lange voorgeschiedenis.
Het tweede bisdom Trajectum lag in Nederland, dat er door dezelfde "deplacements historiques" als al die overige plaatsen terecht gekomen is. Bovendien blijkt overduidelijk dat alle goederen en bezittingen die in de oorkonden van het eerste Trajectum genoemd worden, nergens, maar dan ook nergens bij het tweede Trajectum te vinden zijn. Deze zijn wel terug te vinden in Noord-Frankrijk en wel allemaal in een kring om Tournehem.

Het is overigens geen onbekend feit dat de geschiedenis van de Utrechtse kerken archeologisch niet verder teruggaat dan de 10e eeuw. Dit is bij Martin de Bruijn bekend, gezien zijn bespreking van het boek van A.J.J.Mekking over de Utrechtse kerken.

*) Jammer dat De Bruijn zich nooit heeft bezig gehouden met het Noviomagus van Karel de Grote. Ging zijn argument op -als een breuk niet aangetoond kan worden, heeft deze niet bestaan-, dan was de mythe van Karolingisch Nijmegen nooit ontstaan. Want ook daar is "de breuk" die men er tussen 768 en 777 legt nooit aangetoond, maar was wel het uitgangspunt en werd daarmee het begin van het mysterie van de Keizer Karelstad.

De rooms-katholieke kerkprovincie in Nederland werd in 1853 hersteld en toen probeerde men met het verlevendigen van diverse heiligentradities het katholicisme een impuls te geven. Dat was ook de tijd dat de Bonifatius-legende in Dokkum ontstond en verder werd uitgebouwd. Met een Willibrord-mythe in Utrecht en Bonifatius-mythe in Dokkum probeerde de katholieke kerk weer snel een voet tussen de deur te krijgen in het toen nog zeer calvinistische Nederland. Uiteraard wilden Utrecht en Dokkum met het oog op mogelijk lucratieve bedevaarten wel meewerken. Behalve de ruime aanleg van een bedevaartcentrum buiten de stadsrand wil Dokkum nu ook het stadscentrum ervoor overhoop halen. Utrecht deed het voor Willibrord al eerder met het Domplein. Maar waren die twee missionarissen wel ooit in Nederland? Onkritische media zijn bezig onder het mom van een “canon voor het geschiedenis-onderwijs” traditionele visies over de roemruchte Bataven en Friezen erin te hameren.

De oudste documenten in verband met de bisschopszetel Traiectum en Willibrord en diens jongere medewerker Bonifatius zijn kopieën van een soort kalender en diverse, soms tegenstrijdige levensbeschrijvingen waar enige eeuwen tussen liggen en dus veel aan de tekst kan zijn gesleuteld. In de oudste tekst wordt geen relatie tussen de bisschop van Traiectum en de abt van Aefternacum genoemd, maar in een jongere versie van omstreeks 1100 wordt dat een hoofdpunt: Willibrord is dan bisschop van Utrecht en abt van Echternach. En dan legt Echternach claims in Nederland. De directeur van het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, archeoloog professor W.A. van Es en diverse stadsarcheologen vinden geen archeologische feiten in Utrecht of het nabijgelegen Wijk bij Duurstede (zogenaamd “Dorestad” ) die met Willibrord in verband kunnen worden gebracht.

De oudste levensbeschrijving van Bonifatius, zes jaar na de moord, noemt geen plaats en ook niet dat zijn metgezellen wapens droegen en dat Bonifatius zich met een boek boven het hoofd verdedigde tegen zwaardslagen. De jongere versie van omstreeks 900 vermeldt de landstreek Dockynchirica, aan de oever van de Burdina, in de nabijheid van wat men daar Ostreacha en Westreacha noemt. De lichamen werden na enkele dagen bij gunstige wind vervoerd over de baai Elmere naar de stad Trecht en daar begraven. Op de dertigste dag na het overlijden werden ze overgebracht naar Moguntia (Mainz of Mainvillers?). Vandaar ging het lijk naar Fulda, omdat Bonifatius dat voor zijn dood zo had gewild(?). In een derde versie wordt niet over Mainz en Fulda gerept en gaat het alleen om Utrecht, maar na 1000 komt er een vierde versie tot stand in Mainz, gericht op verering in Mainz en Fulda. In een vijfde versie wordt de pagus Dockynchirica herschreven als Dockinga. Kennelijk ligt niemand in Frans-Vlaanderen er wakker van dat een stuk van hun geschiedenis naar Utrecht en Dokkum werd gesleept. Heel Frans-Vlaanderen, voorheen Frisia genoemd, is dan al ferm in Franse hand en Franse historici zijn niet rouwig als Willibrord en Bonifatius uit hun annalen verdwijnen.

Na 1200 doen op veel plaatsen in Duitsland Bonifatius-legenden de ronde met als thema's het vernietigen van afgodsbeelden, omhakken van heilige bomen, opwellende bronnen met helder water en de stichting van vele kerken en kloosters. Een Duitse onderzoeker van de Fulda-oorkonden noemt Bonifatius een uitvinding, een “komeet”, uit de negentiende eeuw. Andere onderzoekers in Duitsland bevestigen, dat de oorkonden van Fulda niet zijn te gebruiken als directe bronnen van informatie.

Op archeologische en geografische gronden is niet aan te tonen dat Willibrord en Bonifatius ooit hebben gewerkt in Friesland tussen IJ en Eems. De bewezen Dokkumer geschiedenis begint omstreeks 1170. Alles daarvoor is onbewezen mythe, ondanks het prachtige boek Geschiedenis van Dokkum onder redactie van Meindert Schroor.

Andere historici laten Utrecht ook los als het Trajectum van St.Willibrord.
  • Hans Kreijns is er van overtuigd geraakt dat Maastricht het bisdom Traiectum uit de bronnen is; zo ver reikte volgens hem Frisia. Pas na de Noormannentijd, omstreeks 959, komt Utrecht en noordelijk Nederland in beeld. Willibrords bezittingen lagen in Limburg, Oost-Brabant en verder tot aan de Betuwe tussen Elst en Kleve. Echternach was Willibrords zuidelijkste steunpunt en Antwerpen het meest westelijke. De moord op Bonifatius geschiedde in de Gelderse vallei tussen Veluwe (Austrachië) en de Utrechtse heuvels (Westrachië), dus aan de Eem-Barneveldse Beek, die hij aanziet voor de Burdina.
  • Joep Rozemeyer is eveneens tot de overtuiging gekomen dat het oude Frisia ligt in de Zeeuwse en Vlaamse regio en dat Antwerpen het Traiectum van Willibrord was, waar ook veel van zijn bezit lag. Van daaruit naar Gent en Brugge verliep ongeveer de taalgrens tussen Friezen en Franken. De Schelde was de Renus uit vele oorkonden. Duinkerke rekent hij niet meer tot Frisia en de moord op Bonifatius zoekt hij toch in Dokkum. Van de Burdine getuigt volgens hem nog de sloot die loopt van Bornwerd naar Holwerd; was dit een vroegere slenk van het Borndiep?
  • Joël Vandemaele, classicus-theoloog-leraar geschiedenis in West-Vlaanderen, zoekt Willibrords Traiectum in Frans-Vlaanderen, het huidige Tournehem aan de Hem, een riviertje dat uitmondt in het estuarium van de Aa, dat in oorkonden Almere of Flevum heet. Van Tournehem loopt nog altijd een monnikspad naar Aefterlacum, het huidige Eperleques, en op de kust ligt nog altijd Dorestadum, het huidige Audruicq, waar Bonifatius vanuit London aanlandde. Alles op loopafstand (5-7 km) in een driehoek dicht bijeen. Een zijtak van de Aa is de bevaarbare Bourrebeek richting Duinkerke, waaraan Bonifatius werd vermoord. Albert Delahaye had een andere Bourre, richting Hazebrouck, als moordplaats op het oog. Bijna alle bezit van Willibrord en een groot deel van dat van Bonifatius is in Noord-Frankrijk naamkundig waarschijnlijk te maken, maar dat betekent niet dat de percelen in de verschillende plaatsen kadastraal zijn aan te wijzen.
    Meer informatie over St.Willibrord vindt U hier.

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf!