De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Friedrich Gorissen (1912-1993).




Friedrich Gorissen, de voormalige stadsarchivaris van Kleef, tevens museumdirecteur aldaar, zette zijn naam onder ruim achthonderd grotere en kleinere publicaties over de geschiedenis van Kleef en omgeving, maar keek ook over grenzen heen. In de kring van historisch onderzoekers in Nijmegen is hij een begrip: Gorissen werd hier vooral bekend vanwege de uitgave van de Stedeatlas van Nijmegen en het baanbrekende onderzoek dat eraan vooraf ging.

Gorissen sloot zich aan bij het 'Gesellschaft für rheinische Geschichtskunde' en gaf namens dit genootschap in 1952 een stedeatlas uit van Kleef, een jaar later gevolgd door een soortgelijke atlas van Kalkar. In beide werken maakte hij aan de hand van geschreven bronnen de ruimtelijke ontwikkeling van de steden zichtbaar. Na drie jaar intensief archiefonderzoek verscheen in 1956 de Stedeatlas van Nijmegen. Kon hij voor de atlas van Kleef nog uit zijn eigen manuscripten putten, voor de Nijmeegse versie moest Gorissen bronnenmateriaal bewerken dat nooit eerder toegankelijk was gemaakt, zoals de moeilijk leesbare Nijmeegse schepenprotocollen. De Stedeatlas van Nijmegen wordt nog altijd gezien als een belangrijke bijdrage aan de stedelijke geschiedschrijving.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat hoort dan allemaal thuis in Noord-Frankrijk!
DR. F. GORISSEN schrijft in De Gelderlander, van 5 nov. 1955 in een reactie op de eerste publicatie van Albert Delahaye: ” ...dat niet slechts enkele geschiedschrijvers zich vergist hebben (wat immers mogelijk zou zijn), maar dat ook heel de eigentijdse Europese geschiedschrijving sedert de tijd van Karel de Grote aan een reusachtige mystificatie ten prooi geworden is. Wat hier echter gebeurde, is slechts Herostratisme en verschilt van de daad van de eerzuchtige brandstichter van Ephesus gelukkig slechts door het feit, dat het geschiedkundig bestaan van de Nijmeegse Keizerpalts brandveilig is”.
De Karolingische palts bleek echter helemaal niet brandveilig! Deze was toch door de Noormannen in brand gestoken, zoals de traditie ons voorhoudt?

De visie van Albert Delahaye.
In de club van Nijmegen is de groep blinde historici groot, dat de eigen fouten niet ziet f niet kan zien. Een van hen komt van over de grens, Dr. Gorissen uit Kleef, die ons eens zou komen leren hoe je de geschiedenis van Nijmegen moet schrijven. Het resultaat was zijn ’’Stedeatlas van Nijmegen” , waarin hij juist uitging van de Karolingische palts, in plaats van eerst aan te tonen dat daar zulks een palts bestaan had! In een onbewaakt ogenblik heeft hij zich laten ontvallen: ” Als Delahaye gelijk heeft, is mijn hele boek fout". Dat had hij dan wel begrepen. Hierdoor is meteen zijn lidmaatschap van de Club van Nijmegen verklaard. Nòg een boek, dat gered moest worden. Nò een gezicht dat niet verloren wilde gaan! In het Eerste Bronnenboek heet Gorissen gewoon dr., in het Tweede is hij opeens tot professor gebombardeerd, wat aantoont dat Leupen zijn eigen tekst niet eens korrekt kan overschrijven. Wat zal die man dan van vroeg-middeleeuwse teksten maken?


De Stedeatlas van Gorissen: 1.
F. Gorissen ziet in het karolingisch paleis de nucleus der stedebouwkundige ontwikkeling. Daar het paleis er niet is geweest, heeft hij derhalve een geheel foutief uitgangspunt gekozen. Daarenboven is Gorissen voorbijgegaan aan duidelijke sporen, die in de plattegrond van Nymegen van vóór de oorlogsverwoesting van 1944 nog aanwezig waren, en die op een geheel andere stedebouwkundige groei wijzen. Wij noemen slechts de naamgeving en de breedte der straten als belangrijke details, die over het hoofd zijn gezien. De oorkonde van 1254, een falsum dat speciaal de topografie van Nijmegen op een dwaalspoor brengt, heeft Gorissen niet als vals onderkend. Zijn reconstructie van de stedebouwkundige ontwikkeling is dan ook tot ca.1400 onhoudbaar.
De Stedeatlas van Gorissen: 2.
In de "Stedeatlas van Nijmegen" wordt Gorissen op het belangrijkst uitgangspunt door P.Leupen tegen gesproken. Gorissen ging in zijn "Stedeatlas" uit van de aanwezigheid van een Karolingisch residentie in Nijmegen. Iets waarvan Delahaye in 1958 al heeft geschreven dat dat uitgangspunt nooit is bewezen, dus niet gehanteerd mag worden. Leupen weerspreekt de aanwezigheid van een "burgus" als domeincentrum (Spiegel Historiael, dec.1980) en spreekt hiermee de plaats van de oudste nederzetting van Gorissen tegen. "Nergens in de bronnen wordt een burgus te Nijmegen genoemd", erkent Leupen, "en dat is een groot probleem". Blijkbaar begint Leupen te begrijpen hoe bronnen geraadpleegd dienen te worden. In datzelfde artikel erkent Leupen overigens dat er in de continuïteit van Nijmegen "nog altijd een tijdvak van meer dan drie eeuwen niet in te vullen blijkt". Let op het "meer dan", waarmee niet genoeg is gezegd. In het "gat van Nijmegen" zullen het er acht worden. Verder erkent Leupen dat Nijmegen nooit vrije Rijksstad in het Duitse Rijk is geweest (p.691), iets wat Delahaye al sinds 1965 stelde. Krijgt hij hier eindelijk gelijk van Leupen?


Wat weten we uit de Stede-Atlas van Nijmegen?


  • Dr. F.Gorissen, De Stede-Atlas van Nijmegen, gedrukt in Arnhem -1956. Kaartje hiernaast uit de Stedeatlas: Nijmegn in de 13de eeuw.

  • Dr.Friedrich Gorissen uit Kleef heeft de Nijmeegse geschiedenis helaas van de nodige fabels hebben voorzien, maar doet toch ook enkele zeer terechte constateringen.

  • De "Club van Nijmegen". Onder de "Club van Nijmegen" worden doorgaans de 'historici' Stolte, Hugenholtz, Jansen, Bogaers, Haalebos, Gorissen, Van der Kieft, Sarfatij, Bloemers, Leupen, Thissen, Blok en Lemmens begrepen. Daarnaast is er een kleiner aantal anderen die regelmatig hand- en spandiensten verrichten ten behoeve van deze club en het behoud van de mythen. Deze Club 'historici' heeft zich ALTIJD fel tegen de visie van Albert Delahaye verzet, zonder ooit een van werken gelezen, laat staan bestudeerd te hebben. Ze gaan er zelfs soms prat op die 'onzin' niet te lezen.

  • In 1955 verklaarde Dr.F.Gorissen de stadsarchivaris van Kleef Duitsland, die de stede-atlas van Nijmegen samenstelde (konden ze dat in Nijmegen zelf niet?) dat het Karolingische paleis te Nijmegen een onwrikbaar feit is. Raar is het dan dat van dat "onwrikbare feit" nog nooit ook maar een scherf in de bodem van Nijmegen is gevonden.

  • In de "Stede-atlas van Nijmegen" is de Karolingische palts het uitgangspunt van Gorissen uit Kleef (D). Nergens toont hij eerst aan, dat in Nijmegen ooit een palts bestaan heeft. In een onbewaakt ogenblik heeft hij zich laten ontvallen: "Als Delahaye gelijk heeft, is mijn hele boek fout...." Hiermede is meteen zijn felheid van het bestrijden van de visie van Delahaye verklaard. Nóg een boek, dat gered moest worden.

  • Maar wat schrijft Gorissen nu zelf in zijn "De Stede-Atlas van Nijmegen"? Voor een goed verstaander is slechts sprake van twijfel te lezen over zowel de Romeinse als de Karolingische periode. Op blz. 67 e.v. lezen we: "De nederzetting die de Galloromeinse naam Noviomagus van de ten onder gegane Romeinse stad bewaard had, kan niet omvangrijk geweest zijn."

  • "De grote weg langs de Rijnoever van Keulen over Nijmegen naar Lugdunum is weliswaar in onsamenhangende fragmenten uiteengevallen toen het Romeinse bewind, met zijn militaire en economische belangen bij deze weg, ten einde liep, maar in elk geval bleef het stuk weg van Zyfflich (* Sabelliacus) over Ubbergen naar Nijmegen bewaard."

  • "De loop der wegen tussen Xanten en Nijmegen is in de Geschiedkundige Atlas van Nederland, De Romeinse tijd, onjuist voorgesteld."

  • "Beide conclusies, namelijk, dat na de ineenstorting der Romeinse heerschappij in Nijmegen geen belangrijke nederzetting, wel echter een veel gebruikte rivierovergang bestaan heeft, zijn niet met elkaar in tegenspraak: doorgaand verkeer alleen is nauwelijks een factor bij de vorming van een nederzetting, laat staan van een stad. Zonder verdere aanvullende impulsen kon zich in het gebied van Nijmegen geen nieuw stedelijk leven ontwikkelen."

  • "In tegenstelling met J. E. Th. Bogaers, de Gallo-Romeinse Tempels te Elst in de Overbetuwe ('s Gravenhage 1955, diss. Nijmegen) neig ik tot de mening, dat Castra Herculis in de omgeving van Elst gezocht moet worden."

  • "Castra Herculis is op deze straatweg 8 lengte-eenheden van Nijmegen verwijderd. In het algemeen neemt men aan, dat aan de Peutinger kaart de Gallische leuga (2.22 km) als eenheid van lengte ten grondslag ligt. Ik geloof echter, dat de maten hier lichtelijk door elkaar gebruikt zijn, dat wil zeggen, dat weliswaar voorheen officieel en misschien nog voor plaatselijk gebruik de leuga gebruikt werd, maar dat de routeboeken in het overgangsgebied aan de Romeinse mijl (1.48 km) de voorkeur gaven."

  • "Namen van Frankische nederzettingen in de omgeving van Nijmegen ontbreken vrijwel volledig." "Van werkelijke noemenswaardige cultuurgrond in het gebied van Nijmegen, kan dus in de Frankische tijd geen sprake zijn. Niet eens voor een behoorlijk dorp, is het voor-Karolingische cultuurland voldoende."

  • "De constatering, dat de markegronden van het laat-M.E. Nijmegen tot een (vermoedelijk) Karolingische kolonisatie teruggaan, wordt gedekt door het getuigenis der schriftelijke bronnen: zij beginnen eerst met het bericht van de bouw der palts door Karel de Grote, door Eginhard betrouwbaar schriftelijk vastgelegd."

  • "De palts wordt in de ambtelijke documenten meestal met de overgeleverde Romeinse naam Noviomagus genoemd, zoals toen de schrijvers van 9e eeuw aan de klassieke plaatsnamen een opvallende voorkeur gaven boven de eigentijdse; toch werden ook de oorspronkehjke of gelatiniseerde vormen der volkstaal gebruikt als Numaga (777), Niumaga (777, 827, 830), Niumagum (804), Neomaga (856), en hun uiteenliggen (in de tijd) maakt het duidelijk, dat zij wel eerst in de 9e eeuw weken voor de weer oplevende klassieke vormen."

  • Leg deze explicaties (zonder duidelijke onderbouwing), eens naast die van Albert Delahaye. In elke geciteerde regel wordt het gelijk van Delahaye bevestigd, of dhr.Gorissen het nu wel of niet bedoeld, hij wordt met deze ontboezemingen medestander van Albert Delahaye.

  • Gorissen vermeldt verder (blz.68): "Als bijwijlen beweerd wordt dat Karel in 768 in Nijmegen gekroond is (in Noviomago civitate), vindt dit zijn oorzaak in een verkeerde lezing: de oudste handschriften vermelden eensluidend: in Noviomo civitate (= Noyon)." Dus toch verwarring tussen Nijmegen en Noyon?

  • "Van zo een (versterkte) burgus zwijgen de bronnen aanvankelijk halsstarrig. Niet eens het woord villa, waaronder Nijmegen tweemaal wordt aangetroffen, is voldoende voor een noemenswaardige vestiging, wijl deze naar het spraakgebruik van die dagen door hof vertaald moet worden. Het Nijmegen der Karolingische tijd moeten wij ons dus aanvankelijk slechts als het middelpunt van een belangrijke grondheerlijkheid voorstellen; de Gertrudiskerk op het plateau tegenover de palts als het middelpunt van een reusachtig, maar jong kerkdorp/parochie met een kerkhof, woning van de pastoor en enkele keten hebben het grondheerlijk dorp gevormd, dat hier, zoals overal, op de latere stedelijke ontwikkeling van geen invloed is geweest. Het lijkt ons geen bezwaar, onder de villa van de kroniekschrijvers dit (schijn) dorp te verstaan."

  • "Het is immers opvallend, dat Nijmegen (als men niet de onwaarschijnlijke veronderstelling wil maken, dat de herinnering hieraan spoorloos verdwenen is) geen oude markt bezit; het voornaamste plein van de Middeleeuwse stad lag immers tot aan 13e eeuw aan de rand van de stad en werd nog in 15e eeuw Hundsburg genoemd, evenals het terrein, waarop de nieuwe parochiekerk opgericht was."

    Aldus enkele citaten van dr. Gorissen in zijn Stede-atlas van Nijmegen. Het lijkt met bovenstaande citaten toch voldoende duidelijk dat ook de "zekerheden" van Gorissen slechts gebaseerd zijn op veronderstellingen, aannamen en het interpreteren van mogelijkheden. Ook de steeds bestreden verwarring over is Noviomagus nu Noyon of Nijmegen, wordt hier openlijk erkend.

  • In een artikel in Spiegel Historiael van dec. 1980 schetsen P.Leupen en J.Thijssen een beeld van de vroegste geschiedenis van de middeleeuwse stad Nijmegen. We lezen daarin het volgende:
    1. Hoe meer men zich vanuit het centrum naar de periferie beweegt, hoe problematischer de continuïteit wordt. Met name voor onze streken met plaatsen als Tongeren, Maastricht en Nijmegen is dit het geval. Van Maastricht is de continuïïteit vastgesteld, voor Tongeren is onlangs een poging hiertoe gewaagd, die nog niet geheel overtuigend lijkt. Voor Nijmegen blijkt nog altijd een tijdvak van meer dan drie eeuwen niet in te vullen. Dit schrijven dus Piet Leupen en Jan Thijssen in Spiegel Historiael van dec.1980. Zij weten dus dat Nijmegen geen continuïteit in de geschiedenis kent en Maastricht de enige stad is waar de continuïteit is aangetoond dus de oudste stad is. Die hier genoemde drie eeuwen die men mist zullen er spoedig meer dan 5 worden als men eenmaal Karel de Grote heeft geschrapt. En Karel de Grote wordt inderdaad geschrapt in de volgende opmerking!
    2. Ook lezen we in dit artikel: "In de Stedeatlas van Gorissen worden drie kernen onderscheiden: de Karolingische palts (het latere Valkhof), een hooggelegen versterkte nederzetting rond de as Ridderstraat-Muchterstraat (de zogenaamde burgus) en aan weerszijden van de Grotestraat de handelsnederzetting, de partus. Van deze drie kernen moet de palts als constitutief element bij de stadsontwikkeling reeds terstond uitgeschakeld worden. Hiermee erkennen Leupen en Thijssen dat de palts van Karel de Grote in Nijmegen nooit bestaan heeft! Er is echter een groot probleem: nergens in de bronnen wordt zo'n burgus te Nijmegen genoemd. Het is bovendien niet erg waarschijnlijk, dat er zo dicht naast de burcht nog een versterking was (p.691). Daarmee vervalt dus ook kern twee. Reeds in 1958 heeft Albert Delahaye al aangegeven dat de uitgangspunten van Gorissen onjuist waren. Maar ja, als men zijn boeken niet leest ondekt men dat zelf vele jaren later ook wel, net zoals nu ook de bevindingen van Willem van Berchen en Smetius achterhaald blijken.
    3. Toch proberen ze die continuïteit weer aan te tonen met de opmerking: "De schenking van een kerkje in het castellum Utrecht aan Keulen omstreeks 630 door koning Dagobert is hiervoor een duidelijke aanwijzing. Het Nijmeegse kerkje was toen reeds in het bezit van de Keulse bisschoppen". Maar ook hier gaan Leupen en Thijssen in de fout, immers van dat kerkje van Dagobert is in Utrecht nooit enige spoor gevonden. (Bron: Opgravingen op het DOMPLEIN, Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van Utrecht 1926-1972). En al zou er in Utrecht een kerkje hebben bestaan -maar het bestond er niet- dan zegt dat niets ten gunste van Nijmegen. Hebben Leupen en Thijssen wel geschiedenis gestudeerd? Je gaat er bij deze uitvluchten wel aan twijfelen.
    4. Men vermoedt dat zij Nijmegen als residentie kozen mede met het oog op verdere veroveringen in noordelijke en oostelijke richting. Dit vermoeden is slechts een aangenomen verondestelling die door Albert Delahaye in 1958 al weerlegd is. Er is geen enkel bewijs voor dit vermoeden. Vanuit Nijmegen zouden de Saksen en Friezen veroverd zijn, maar die woonden in de 8ste en 9de eeuw nog aan de kust van Frankrijk. Lees meer over de Saksen en de Friezen.
    5. Uit de aanwezigheid van een koninklijke residentie mogen we niet afleiden, dat deze de stimulerende factor voor het ontstaan van een handelsnederzetting is geweest. Zij (de Karolingische burchten met uitzondering van Aken) genoten het consumptievermogen van residentie en, rijksdagen te zelden, dan dat een grotere, inheemse handelsstand daarin een verzekerd bestaan had kunnen vinden. Maar ook is het niet erg waarschijnlijk, dat er een talrijke boerenbevolking brood en arbeid kon vinden. Nijmegen bezat tot in de 12de eeuw weinig in cultuur gebrachte gronden, toen nieuwe ontginningen een veel groter gebied (bossen en heiden in het westen en zuiden en moerassen in het noorden langs de Waal) open legden. Hier wordt ook weer, zij het wat verbleoemd, erkend dat er rond Nijmegen geen domeinen lagen die een eventuele palts van voedsel zou kunnen hebben voorzien. En zonder eten kun je het wonen wel vergeten.
    6. Sedert enige tijd wordt aan de Katholieke Universiteit Nijmegen onderzoek verricht naar de geschiedenis van de nederzetting en de palts. Blijkbaar is dat onderzoek nog nooit gedaan. Het is precies wat Albert Delahaye altijd aangegeven heeft: "Onderzoek de bronnen eens!" Omdat de geschreven bronnen ons tot nu toe verder in de steek laten, de geschreven bronnen laten niemand in de steek, maar ze zijn er niet! is het noodzakelijk de archeologen te raadplegen. Jan Thijssen heeft de afgelopen maanden onderzoek ter plaatse verricht. In het verslag van zijn bevindingen lezen we: In de Nijmeegse benedenstad zijn slechts op enkele plaatsen Merovingische vondsten gedaan; het betreft in vrijwel alle gevallen enkele aardewerkscherven.Vondsten uit Karolingische tijd zijn er ook wel, maar ze zijn merkwaardigerwijze tot nu toe nog niet in een duidelijke archeologische context aangetroffen. Voor de periode die hierop aansluit (10de - tweede helft 12de eeuw) is aardewerk moeilijk te dateren. Meestal treft men een mengeling van scherven van geel-wit aardewerk met een karakteristiek roodbruine beschildering (zogenaamde Pingsdorfwaar) en fragmenten van handgevormde potten ('kogelpotten') aan. Dit aardewerk is in vrij grote hoeveelheden gevonden in grote afvalkuilen aan de noordzijde, de rivierzijde dus, van de Nonnenstraat, ter weerszijden van de synagoge. Meestal bevatten deze kuilen ook veel Romeins puin. Op enkele aardwerkscherven na zien we hier zowiezo al het grote gat tussen Romeins en 10de tot 12de eeuw. Het wordt zo nog meer: zie het volgende punt.

    Afdalen in Nijmegen centrum. (Archeologie Magazine. nr.4-2018).
    In een artikel van Dick Roetman over de archeologie van Nijmegen waarmee hij zich heel intensief bezig houdt, geeft het mooie inkijkjes in de werkwijze en de opvattingen van de archeologie.
    Enkele opmerkingen in dit artikel springen toch wel in het oog, zoals: er zijn liefst 12 historische lagen opgegraven, van boven naar beneden: sporen Tweede Wereldoorlog, bewoningslagen 19e tot 14e eeuw, diverse stegen (gassen), poorten, stadwallen 16e tot 13e eeuw, Romeinse tijd en ouder'. Aldus de letterlijke tekst uit het artikel. Ziet U ook het gat tussen de 13e eeuw en de Romeinse tijd? Verder wordt geschreven dat op een diepte van 3 ½ meter over een lengte van zo'n 16 meter een Romeinse secundaire weg. Munten en mantelspelden bevestigen de oudste datering: 1e eeuw n.Chr. In de lagen erboven hadden de archeologen al eerder een straatje aangetroffen, het Scheidemakersgas met bakstenen funderingen van huizen uit de 14e eeuw. Dus hier ook weer dat gat, nu van zelfs 13 eeuwen. Verder noemt Roetman nog 'de wal van Gorissen', de stadsomwalling waarvan Gorissen beweerde dat de eerste aarden verdedigingswal omstreeks 1200 werd opgericht en de tweede in 1230/1235. Duidelijk hier is ook weer dat de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd pas in de 13e eeuw weer opkwam. Dat werd al eerder aangegeven door mededeling van het (voormalig) Nijmeegs museum Commanderie van St.Jan (nu museum Het Valkhof) in 'Het Bronnenboek', waarin te lezen is dat Nijmegen (en ik citeer) "als stad ten onder is gegaan aan het eind van de derde eeuw en er pas in de 13e eeuw weer een nederzetting van enige omvang was".
    Het mag duidelijk zijn: de archeologie van Nijmegen spreekt duidelijke taal: na de Romeinse tijd begint de geschiedenis weer in de 13e eeuw. Over de Merovingische of Karolingische tijd GEEN WOORD. Ook in dit artikel niet.
    Nijmeegse oudste stad van Nederland? Daar is helemaal geen sprake van met een gat van bijna 10 eeuwen in de bewoningsgeschiedenis.




  • Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.