De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

"Klinkklare kletspraat?"




Na zijn benoeming in Nijmegen in 1946, ontdekte Albert Delahaye dat er veel is was met de aangenomen Karolingische geschiedenis. Na zijn eerste publicaties werd hem het leven in Nijmegen onmogelijk gemaakt en verhuisde hij naar Zundert, waar zijn bungalow de opmerkelijke naam 'Noviomagus" droeg.






Er bestaat een fundamentele verwarring tussen Nijmegen en Noyon, beide in de oude geschiedenis Noviomagus genoemd. Van Noyon is dat met feiten aangetoond, van Nijmegen nog nooit.

Die verwarring geeft aanleiding tot de volgende vragen:
Was het klassieke Trajectum wel Utrecht?
Was Dockynchirica wel Dokkum?
Was Dorestad wel Wijk bij Duurstede?

Hiernaast de oplossingen door de officiële historici zelf toegegeven.

















Niet de bevindingen van Albert Delahaye zijn 'Klinkklare Kletspraat' wat een geliefde uitdrukking van prof.dr.J.E.Bogaers was, maar de traditionele opvattingen van de historici zijn 'klinkklare kletspraat'. Veel opvattingen zijn nooit bewezen aannamen van de 17e eeuwse schrijvers die sindsdien gehandhaafd zijn. De archeologie bevestigt het gelijk van Delahaye op onmiskenbare wijze. Zie hierna!

De visie van Albert Delahaye.
Vanaf het begin van zijn publicaties in 1954 heeft Albert Delahaye op een onbehoorlijke wijze tegenstand gekregen van een aantal historici en archeologen. Het waren vooral de professoren R.Post, B.Stolte, F.Hugenholtz, J.Bogaers, D.Blok, W.van Es en P.Leupen, aangevuld met een aantal 'deskundigen' zoals H.Halbersma en de Club van Nijmegen. Delahaye werd door hen uitgemaakt voor een 'dwaas' (Post), 'warhoofd' (Halbertsma), 'ernstig ziektegeval' en 'een gevaarlijke gek' (Bogaers), was van 'minderwaardig niveau' en een 'armzalige dilettant', 'een intelligente fantast' (Hugenholtz) en verkondigde 'baarlijke nonsens' (Van Es). Was het de onmacht van de 'geleerde heren' die hen tot deze typeringen brachten? Blijkbaar konden ze er niets tegenin brengen, wat hen behoorlijk frusteerde. Reacties van lezers (zie voorbeeld hiernaast) spraken voor zich.


Waar het mee begon.......
Na zijn aanstelling als adjunct-archivaris in Nijmegen en het ordenen van het oude archief rees bij Delahaye het vermoeden dat er van de Karolingische geschiedenis van Nijmegen heel wat niet deugde. Met zijn eerste voorzichtige publicaties in "De Gelderlander" bracht hij de gemoederen in Nijmegen in een steeds heftigere beroering.
De eerste reacties.......
Al spoedig volgden enkele felle reacties van met name de professoren R.Post, B.Stolte en F.Hugenholtz. Blijkbaar had Delahaye een gevoelige snaar geraakt. Die reacties overtuigden Delahaye ervan dat hij op het juiste spoor zat, immers de geleerde heren gingen niet in op zijn argumenten, maar beperkten hun reacties slechts tot een botweg ontkennen en uiten van ondermaatse beledigingen.



Het gaat hier om de volgende vier vragen: 1. Was Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote. 2. Was Utrecht het Trajectum van St.Willibrord. 3. Werd Bonifatius in Dokkum vermoord? 4. Was Wijk bij Duurstede het oude Dorestad? Lees hier alles over Karel de Grote, over St.Willibrord, over Bonifatus en over Dorestad.

Als deze vier kernpunten onjuist zijn, is de rest van de geschiedenis van Nederland in het Eerste Millennium dat hier onlosmakelijk mee verbonden is, eveneens onjuist.

Op elk van deze vier punten laten we 'de deskundigen' die zoveel commentaar op Delahaye hadden zelf aan het woord. Voor punt 1. doen we navraag bij de professoren Post, Bogaers en Hugenholtz, voor punt 2 laten we prof.Post en prof.Rogier een en ander verduidelijken, voor punt 3 geven we het woord aan dr.Halbertsma en voor punt 4 laten we professor W.van Es zelf aan het woord en een medewerker van hem. Ook andere historici laten we aan het woord en citeren van hen letterlijke teksten.


Punt 1: was Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote of kan er sprake zijn van verwarring tussen beide steden?

1 A. Wat schrijft Post er zelf over?
  • Prof.dr.R.R.Post schrijft in Numaga 1955-2 (p.38) het volgende: "Desondanks zijn er in de vergadering van de Nijmeegse historische vereniging Numaga, gehouden in de herfst van 1955, enige twijfels geuit over de identiteit van Numaga — Noviomagus — Nijmegen. De oude namen zouden veel eerder identiek zijn met het in Frankrijk liggende Noyon. Daar was immers ook een Karolingische palts. Indien deze twijfel gegrond zou zijn, zou de naam van de vereniging en van haar orgaan onjuist zijn, ja belachelijk schijnen en de Nijmeegse Karolingische traditie een fantoom blijken." Dus in 1955 wist Post al dat Albert Delahaye volkomen gelijk had.
  • In 1959 schrijft Post dat de continuïteit van Nijmegen met de Middeleeuwen twijfelachtig is. Als die continuïteit niet aangetoond kan worden, kan er van een Karolingisch Nijmegen, dat toch 400 jaar bestaan moet hebben, nooit sprake zijn geweest.
    In 1959 beweerden Post (en anderen) nog bij hoog en laag dat de Kapel op het Valhof Karolingische was. Op basis van zijn eerste artikel in 1954: "Heeft de burcht van Karel de Grote op Valkhof of in Rijkswoud gestaan?" en meerdere publicaties daarna is Albert Delahaye verketterd in Nijmegen. Zijn werk en het leven werden hem zo zuur gemaakt op het gemeentearchief en daarbuiten (o.a. door enkele -niet alle!- profs van de universiteit) dat hij vertrok. Koolstof onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat de kapel op het Valkhof zeker niet Karolingisch was. Dus schoof men twee eeuwen op naar het jaar 1000. Het patronaat van Sint Nicolaas toont aan dat de bouw niet eerder dan 1080 geweest kan zijn, immers voor die tijd was Sint Nicolaas volkomen onbekend in Nederland. Momenteel wordt deze kapel 'Ottoons' genoemd. Langzaam schuift de geschiedenis van Nijmegen op naar de juiste tijd. In het Dagblad voor Nijmegen d.d. 7 april 1962 werd deze ingeroeste onjuistheid dan eindelijk rechtgetrokken (zie het krantenknipsel hier rechts boven).
  • De naam van Keizer Karel Universiteit, een voorstel van Post, werd in 1923 afgewezen aangezien men toch twijfel had of die Keizer wel een voorbeeldig leven had geleid. In 1955 bleek dat die naam terecht was afgewezen. Karel de Grote was nooit in Nijmegen geweest. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, er zijn immers meerdere naamgevers van kerken, scholen en instellingen die er ook nooit geweest zijn. Dan dient men wel een voorbeeldfunctie gehad te hebben. Dat was bij Karel de Grote allerminst het geval met zijn ruim 30 jaar oorlog voeren tegen de Saksen, zijn vele huwelijken en nog meer affaires.
  • Post argumenteerde de naam Noviomagus voor Nijmegen met een oorkonde waarin de de kerk van Trajectum werd genoemd. Dat moet wel Nijmegen zijn omdat het zo dicht bij Utrecht ligt. Zie tekst in het kader rechts. Het argument gaat niet op omdat dan eerst moet worden aangetoond dat met Trajectum wel Utrecht bedoeld wordt (zie ook het laatste punt). Delahaye diende Post ook van repliek met de bullen van de Paus, wat de hooggeleerde monseigneur en kamerheer als kerkgeleerde toch had moeten weten. Hij werd echter giftig en ging honen, aangezien hij op zijn eigen vakgebied in zijn hemd werd gezet.
  • Post noemde de opvattingen van Delahaye een dwaas idee en een waandenkbeeld. Vreemd is het dan dat hoogleraar Post dan zoveel tijd heeft gestoken om op de beweringen van Delahaye in te gaan. Het is voor een hoogleraar erg ongebruikelijk en zeer inconsequent enige aandacht aan beweringen te schenken van iemand, die men tenslotte als 'niet goed snik' karakteriseert. Het is natuurlijk uiterst teleurstellend dat een wetenschapper dit als "argument" hanteert om iemands stellingen te weerleggen. Dat het dan ook niet gelukt is mag ondertussen duidelijk zijn. Post en zijn argumenten worden in Het Bronnenboek van Nijmegen dan ook niet meer genoemd.
  • Vreemd is het ook dat Post als fel verdediger van de Karolingische traditie van Nijmegen, in veel literatuur over de geschiedenis van Nijmegen niet meer genoemd wordt. Zijn studie en argumenten gaan blijkbaar niet meer op. Erkent men hiermee ook dat Delahaye toch gelijk had?
  • Post stelde dat de in de oorkonde genoemde St.Salvatorkerk niet in Utrecht maar in Elst stond. Bogaers bestreed dat en stelt dat deze St.Salvatorkerk wèl in Utrecht stond. Bovendien noemt Bogaers de oorkonde corrupt, dus waar baseert hij zijn mening dan op?

    Lees meer over Post.

    1 B. Wat schrijft Bogaers er zoal zelf over?
    Bogaers heeft veel gepubliceert over Romeins Nijmegen en Romeins Nederland, maar is op meerdere cruciale punten teruggefloten. Kan hij dan Delahaye 'de oren wassen', zoals hij dat graag uitdrukte?
  • Het antwoord op de vraag of Nijmegen stadsrechten heeft gekregen van keizer Trajanus krijgen we van de grote 'Nijmegen deskundige' J.Bogaers zelf: "Deze plaats kan van de betreffende keizer stadsrecht ontvangen hebben, dus colonia of municipium zijn geworden, maar het is ook mogelijk dat de keizerlijke bijnaam enkel gefungeerd heeft als erenaam van een peregrine (is buitenlandse) nederzetting". (Bron: ROB-berichten 1960-1961, p.263).
  • De locatie van Castra Hercules in Driel (Bogaers, 1981) of Druten (Bogaers, 1968) kan als onzinnig beschouwd worden. Bron: Westerheem.
  • In berichten van de ROB (jaargang 17, p.99 e.v.) staat het artikel "Enige opmerkingen over het Nederlandse gedeelte van de limes van Germania Inferior". Bogaers plaatst het kustvolk der Frisiavones (dat zijn de Friezen volgens Bogaers) in Noord-Brabant.
  • De conclusie van Bogaers dat Ganuenta als de hoofdstad van de Frisiavones beschouwd kan worden, mag verruild worden voor de theorie dat het de stad der Marsaci zou betreffen. (Westerheem)
  • De stenen Gallo-Romeinse tempel in Elst blijkt op zijn vroegst uit 100 na Chr. te stammen. (Zie Archeobrief). Hèt uitgangspunt van Bogaers over Romeinse Nederland en de opstand van de Bataven in 69/70 n.Chr., staat daarmee op losse schroeven.
  • Bogaers maakt van de Waal de noordgrens van het Romeinse Rijk! Zie ROB bericht XVIII-1968. Wie vertelt hier nu "klinkklare kletspraat"? Op p. 75-78 van het artikel over de dooddoeners van Delahaye proberen Bogaers en Leupen de bisschop van Nijmegen 'goed' te praten. Zij erkennen dat Noyon de enige plaats is die daarvoor in aanmerking komt, al levert dat grote problemen op, volgens Leupen. Ja die problemen betreffen hun eigen reputatie. Je kunt toch niet gaan toegeven dat je ondeskundig bent en geen vakkennis hebt?
    Lees meer over Bogaers.

    1 C. Wat schrijft Hugenholtz zelf? Volgens Hugenholtz was er beslist geen sprake van een verwarring tussen Nijmegen en Noyon. Toch moest hij wat later Delahaye gelijk geven dat die verwarring er wel degelijk was en al heel lang bestaan heeft. "Als wordt aangetoond dat Delahaye op één onderdeeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker", blufte Hugenholtz nog. Dat heeft hij geweten. Delahaye heeft niet op slechts één onderdeel gelijk gekregen, maar zelfs op enkele honderden onderdelen.Lees meer over Hugenholtz.


    Het 'volmaakt onwaarschijnlijk' bleek bij nadere beschouwing niet alleen volmaakt waarschijnlijk, maar volmaakte waarheid te zijn.
    In een interview met Charles Groenhuijsen in de Volkskrant van 6 oktober 1979, verklaart Hugenholtz: "Er waren meerdere plaatsen die Noviomagus werden genoemd. In een bepaalde tekst kan met die naam dus wel Noyon aangeduid zijn", stelde Hugenholtz. Eindelijk is het hoge woord eruit en wordt door Hugenholtz toegegeven dat er wel degelijk een verwarring tussen Nijmegen en Noyon kan bestaan, kan hebben bestaan en heeft bestaan. En dat ene onderdeel waarmee wordt aangetoond dat de theorie van Delahaye veel waarschijnlijker wordt, geeft Hugenholtz zelf al door te stellen dat in een bepaalde tekst met Noviomagus Noyon wordt aangeduid. Dit ene onderdeel kan aangevuld worden met talloze andere, zoals te vinden zijn in de bisschop van Nijmegen en met de kroning van Karel de Grote te Noviomagus.

    1 D. Wat schreven enkele andere geleerden?
  • In 1962 schreef prof.dr.F.J. de Waele in het Dagblad voor Nijmegen: "Op het Valkhof heeft nooit een palatium van Karel de Grote gestaan. De eerste aldaar gebouwde burcht is die van Frederik Barbarossa de bouwer, niet de herbouwer van het slot. Maar in elk geval is de benaming Karolingische kapel volkomen onjuist en is het zeer te wensen dat deze ingeroeste onjuistheid moge plaats maken voor de naam Ottoonse kapel. Waar angstvallig werd gezocht naar een bewijs dat de oude stelling van de Karolingische palts op het Valkhof enige schijn van geloofwaardigheid zou verkrijgen, was de getuigenis van de grond volkomen negeatief". Sinds 1962 wist men in Nijmegen dus al dat Albert Delahaye volkomen gelijk had.

  • Nijmegen heeft geen Merovingische voorgeschiedenis gehad, wat dodelijk is voor de hele aangenomen geschiedenis tussen de 4e en 10e eeuw. (Archeobrief nr.4 december 2015). Nijmegen vóór Karel de Grote. Kanttekeningen bij de bewoningscontinuïteit van de oudste stad (door Joep Hendriks en Arjan den Braven). In dit artikel bleek dat de 'titel' oudste stad zeer ten onrechte op Nijmegen wordt toegepast. Lees meer bij Nijmegen.

  • Uit "De Volkskrant van 6 december 2005" Het Valkhof is niet Karolingisch! Anno 2005 is de tekst op de uitleg van het monument "Het Valkhof" in Nijmegen aangepast. Er staat nu: "Het oudste nog bewaard gebleven Burchtonderdeel is de Sint-Nicolaaskapel, meestal foutief Karolingische kapel genoemd. Deze is omstreeks 1000 naar het voorbeeld van Karel de Grote's hofkapel te Aken gebouwd……." Helaas is ook deze informatie verre van juist. Lees meer over de oude geschiedenis van Nijmegen

  • "De Valkhofkapel is niet Karolingisch, maar van latere datum". (Bron: Valkhofgids, herziene uitgave 1993 van de Valkhofvereniging, p.7). Daarmee vervalt eveneens de hele aangenomen Karolingische geschiedenis.

  • De grofste leugen is ongetwijfeld afkomstig van de Directeur van de ROB (W.A.van Es) toen hij in 1994 voor de RVU radio (rubriek "Gebeurtenissen") melding maakte van de 'vondst' van het Karolingische paleis van Karel de Grote. Kennelijk geïnspireerd door de opgravingen in Wijk bij Duurstede beging hij deze inmiddels onsterfelijke, maar pertinente leugen. Het volgende radio-opname fragment van de RVU willen we u niet onthouden. De tekst luidt: "Nijmegen, daar was in... eh, en dat is ook archeologisch gewoon aan te tonen, eh, daar stond in de tijd van Dorestad, een eh, een eh paleis, een eh, een van de eh, Karolingische paleizen, op de eh, op de Valkhof!" "Dat is gevonden inmiddels!" "Ja! .... Ja!" Klik hier voor het geluidsfragment.
    En met zo'n grove leugen komt men weg in archeologisch en historisch Nederland. Ontslag op staande voet wegens grove ondeskundigheid, had hierop moeten volgen! Het is dezelfde leugen die Van Es in Wijk bij Duurstede hanteerde. Ook daar is geen enkel archeologisch bewijs gevonden voor de determinatie Dorestad.

    En de archeologie? In Nijmegen is niets gevonden uit de tijd van Karel de Grote. Lees meer over Nijmegen.


    Punt 2: was Utrecht het Trajectum en de bisschopszetel van St.Willibrord?
  • Professor Post verklaarde in de Volkskrant van 17 dec.1959 het volgende: 'Op één punt moet ik Delahaye onmiddelijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Willibrord werd missie-aartsbisschop en koos zijn verblijf ergens in het land van de Friezen. Eerst in 1559 is Utrecht aartsbisdom geworden en voor die tijd kan er onmogelijk sprake zijn van een aartsbisdom van Utrecht..
    De vraag is dus waar in de 7e eeuw 'het land van de Friezen' lag. Was dat Friesland in Noord-Nederland of was het Frisia in Vlaanderen? Lees meer over de Friezen.
  • Het is opvallend dat vóór 1559 van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers geen sporen te vinden zijn. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets. (Bron: L.J.Rogier, II p.763)
    Bij een juiste beschouwing is dit dus niet opvallend. De devotie ontbrak aangezien deze predikers niet in Nederland thuishoren. De devotie tot St.Willibrord en andere predikers werd niet gedragen door de bevolking, waarmee aangegeven dat deze hier niet thuishoorde. Dat had de bevolking dus eerder begrepen dan de geschiedschrijvers.
  • Tussen 250 en 950 ontbreekt elke vorm van bewoning in Utrecht. (Bron: W.van Es in 'De Romeinen in Nederland'). St.Willibrord en zijn voorgangers en opvolgers hebben er dus nooit een bisschopszetel kunnen hebben. Immers zonder bewoners valt er niets te bekeren.
  • In 'Willibrord door de eeuwen' wordt door Charlotte Broer (zie daar) erkend dat Willibrord geen bisschop van Utrecht was. Mevr.Broer stelt onomwonden dat "Utrecht ten tijde van Willibrord en daarna als bisdom nog niet bestond" en dat "aan de basis van de Utrechtse kerk heeft een bisdomszetel niet gestaan". In 'Willibrord door de eeuwen' wordt hij nog wel de apostel van de Lage Landen genoemd, maar "hij was geen bisschop van Utrecht, maar een zendingsbisschop. Een bisdom heeft hij niet nagelaten, ook geen zetel".
  • Wat Utrecht betreft constateert M.Gysseling dat de huidige vorm van die plaatsnaam voor het eerste gedateerd is in 1023 en wel in een vervalsing uit de 12e eeuw.
  • "Wat we archeologisch gezien weten van Utrecht is veel, maar er zaten grote lancunes in. Tot ongeveer 250 na.Chr. vinden we sporen van de Romeinen, maar daarna valt er een gat. De draad wordt weer opgepakt omstreeks 950, uit welke tijd we de eerste tekeken van bewoning vinden. Maar pas in de elfde en twaalfde eeuw krijgen we veel meer gegevens. Publicatie van stadsarcheologen T.Hoekstra en H.de Groot in het Utrechts Nieuwsblad van 18 febr.198.
  • Uit verschillende artikelen in de jaarboeken van Oud-Utrecht en de Archeologische en Bouwhistorische Kronieken van Utrecht vanaf 1926 blijkt dat er niets gevonden is uit de tijd van St.Willibrord, noch van lang daarvoor, noch van lang daarna. Lees meer over Oud Utrecht.
  • In een uitzending van MuseumTV over DownUnder antwoordt Herre Wynia, gemeentelijk archeoloog van Utrecht op de vraag: "Zien we nog iets terug van Willibrord?" met: "Nou niet ech direct". "Er is een discussie waar die kerken van Willibrord echt precies hebben gestaan. Wat we wel weten is wat direct daarna gebeurd is. Die 'steenklomp' hoorde bij de Romaanse Dom van Adelbold uit begin 11e eeuw (1023)". Er is dus geen enkel archeologische bewijs dat er iets uit de tijd van St.Willibrord is gevonden: niet direct, maar ook niet indirect. Het 'direct daarna' is dus 3 eeuwen later. Tussen het Romeins uit de 3de eeuw gen de Romaanse Dom uit de 11de eeuw gaapt een groot gat van bijna 8 eeuwen.

    En de archeologie? In Utrecht is niets gevonden uit de tijd van St.Willibrord. Lees meer over Utrecht.

    Punt 3: werd Bonifatius in Dokkum vermoord?
  • Archeoloog Halbertsma heeft bij al zijn opgravingen in Dokkum geen enkel archeologisch bewijs gevonden van vóór de 13e eeuw. Lees het artikel over Bonifatius' levenseinde in het licht der opgravingen.
  • De bevindingen van prof.dr. L.J.Rogier sluiten hier feilloos op aan: vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden.
  • Ook de klassieke schrijver Willebald, de eerste die over de moord op Bonifatius en zijn metgezellen schreef, spreekt de traditie van Dokkum tegen. "St. Bonifatius, die 13 jaren in het bisdom van St. Willibrord arbeidde, zette te Dorestadum voet aan land, waarna hij zich naar Trajectum begaf. Hij missioneerde onder de Friezen in het zuidelijk deel van het Almere, eerst te Wyrda, daarna te Attingahem." Deze ene tekst uit de Vita S.Bonifacii (AS, juni 1, p.456 van Willibald) heeft in Nederland nooit gepast en wordt meestal verzwegen of verdraaid. Bonifatius zu dus eerste Utrecht voorbij gevaren zijn om in wijk bij Duurstede voet aan land te zetten, om vervolgens terug te keren naar Utrecht. Niet vergeten mag worden dat de Lek (zie daar) nog lang niet bestond. Deze ene tekst weerlegt ook de hele traditie van St.Bonifatius als "Apostel van Duitsland". Lees meer over Halbertsma.

    En de archeologie? In Dokkum is niets gevonden uit de tijd van St.Bonifatius. Lees meer over de opgravingen in Dokkum.


    Punt 4: was Wijk bij Duurstede het vermaarde Dorestad?

    Wat schrijft Van Es zelf over Wijk bij Duurstede? In 1978 heeft Dr.W.A.van Es (directeur van de ROB.) in Spiegel Historiael, speciaalnummer over Dorestad, op blz. 109 toegegeven dat er in Wijk bij Duurstede geen enkel archeologisch bewijs is gevonden voor de determinatie Dorestadum.
    Wij ontvingen van een lezer van de boeken van Delahaye een brief waaruit we U het volgende citaat niet willen onthouden:


    En om een lang verhaal kort te maken: heel Nederland kan inmiddels weten dat Van Es binnenskamers reeds lang zijn vergissing heeft erkend (zie citaat hierboven), al kan hij dit tegenover Nederland maar moeilijk toegeven. De technici van de R.O.B. hebben door hun onderzoeken aangetoond dat Van Es zich met zijn determinaties minstens een eeuw vergrabbelde. Bovendien is gebleken dat het terrein van Wijk bij Duurstede door de beenderjagerij van de inwoners een bodem-omwoeling heeft ondergaan tot een diepte van anderhalve meter en er een grondige verstoring van de cultuurlagen plaats heeft gevonden. Als archeologisch onderzoeksgebied is het volstrekt waardeloos geworden.
    Op andere plaatsen waar de R.O.B. bij geroepen wordt, maakt men onmiddellijk rechtsomkeert zo vlug men bemerkt dat onbevoegden er met een schop aan het werk zijn geweest. Terecht! In Wijk bij Duurstede werd alle prudentie uit het oog verloren, want er moest en zou Dorestadum te voorschijn komen! Wat gevonden is, bevestigt tot in de finesses de bronnen over het Merwede-gebied die, al zijn ze schaars, toch voldoende zijn om deze nederzetting te beschrijven als een vestiging uit de 10e eeuw die in 1018 op bevel van de keizer werd opgeruimd. Want dit 10e-eeuws "vissersdorp en roversnest" is het, wat men heeft opgedolven. En de naam van deze nederzetting is bekend: het was de plaats "Munna".
    Lees meer over W.A.van Es.

    En de archeologie? In Wijk bij Duurstede is niets gevonden uit de tijd van Dorestad. Lees meer over Dorestad.

    Ook over de vermeende handel van Dorestad met Ribe, Haithabu of Birka is niets bekend. Dorestad als handelsplaats wordt door Van Es ook ontkend (zie hieronder), maar ook door Arno Verhoeven in Middeleeuws Gebruiksaardewerk.

    Dorestad Hoogstraat from a Hedeby/Schleswig point of view.
    Op de internationale conferentie "Haithabu und die frühe Stadtentwicklung im nördlichen Europa" van de Duitse Onderzoeksstichting (DFG) en het Archeologisch Staatsmuseum Schleswig in september 1998 werd een paper genaamd "Aufstieg, Blüte und Niedergang der frühmittelalterlichen Handelsmetropole Dorestad" gegeven door W. van Es en WJH Verwers. In dit artikel werden voor het eerst twijfels geuit over de tot dusverre huidige interpretatie van de kenmerken van de opgravingen van Dorestad Hoogstraat. Onlangs is het tweede en voorlopig laatste deel van de rapporten over de opgravingen in de Hoogstraat verschenen (van Es & Verwers 2009). De daarin onderstreepte interpretatieverandering blijkt al uit de verkorte titel uit "Opgravingen bij Dorestad 1. De Haven: Hoogstraat I" (van Es & Verwers 1980) naar "Opgravingen te Dorestad 3. Hoogstraat 0, II-IV" (van Es & Verwers 2009). Tegen de achtergrond van de archeologische vondsten van Hedeby en Schleswig wil dit artikel de interpretaties van de kenmerken van de Hoogstraat bekijken aan de hand van het voorbeeld van de Hoogstraat I-sleuf. Dat leidde tot die dramatische verandering en het verdwijnen van een hele haven van dat imperium dat ooit een van de belangrijkste knooppunten van de Frankische langeafstandshandel vormde.
    Het blijkt dat de vondsten in Hedeby/Schleswig totaal niet overeen komen met die in Wijk bij Duurstede. Van een handelsplaats blijkt in Wijk bij Duurstede (niet Dorestad!) totaal geen sprake te zijn geweest. Hier krijgt Albert Delahaye dus gewoon vierkant gelijk. En nog wel van Van Es zelf! Daarmee is de hypothese Dorestad in Nederland begraven!

    Lees meer over Ribe en over Haithabu en Birka.

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.