Aloysiusschool Amersfoort
Schoolwetten
Ten tijde van de Franse tijd wordt met de grondwet van 1798 de Nederlandse eenheidsstaat geboren. De grondwet bepaalt onder meer: gelijke rechten voor alle burgers, vrijheid van godsdienst met afschaffing van de bevoorrechting van de Calvinistische kerk en nationale opvoeding en openbaar neutraal onderwijs zullen voorwerp van staatszorg zijn.
(Afbeeldingen van in het schoolarchief aanwezige wetboeken. Klik op de afbeelding voor een vergroting!)
De eerste schoolwet van Van der Palm: 1801.
De eerste onderwijswet kent openbaar-neutraal onderwijs en bijzonder onderwijs. Het openbaar armenonderwijs wordt bekostigd uit het algemeen school- en armenfonds, dat is gevormd uit de tijdens de reformatie en na de Vrede van Munster inbeslag genomen bezittingen van de Rooms-Katholieke Kerk. Het bijzonder onderwijs krijgt geen geld uit de openbare kassen.
De vakken voor het gewoon lager onderwijs zijn lezen, schrijven en rekenkunde. Leerstellig (godsdienstig) onderwijs kan plaatsvinden gedurende de vrije woensdag- en zaterdagmiddag.
De schoolwet van Van den Ende uit 1806.
In 1806 verschijnt de schoolwet Van den Ende, die de grondslag van de Nederlandse schoolinrichting bepaalt en tot 1857 van kracht zal zijn. De wet spreekt alleen over de openbare school, een gemengd godsdienstige eenheidsschool. Het bijzonder onderwijs wordt slechts in de bijlagen vermeld.
De openbare school wordt geheel uit de publieke kassen bekostigd, het bijzonder onderwijs ontvangt geen vergoeding.
In het gewoon lager onderwijs wordt onderwijs gegeven in lezen, schrijven, rekenen en de Nederduitse taal.
In de eerste helft van de negentiende eeuw is Nederland een standenmaatschappij. De zogeheten Nederduitse school is er voor kinderen van zes tot negen jaar in twee vormen: de armen-school voor kinderen van bedeelde ouders en de tussenschool voor kinderen van onvermogende -schoon niet bedeelde- ouders. Daarnaast zijn er de burgerschool voor kinderen van zes tot twaalf jaar van middenstanders en de Franse school voor de leeftijdgenoten uit de deftige stand.
De burgerscholen en de Franse scholen kunnen aan de schoolvakken van het gewoon lager onderwijs toevoegen geschiedenis, aardrijkskunde, natuurkunde, Frans, Duits en Engels. De uitvoerders van de schoolwet 1806 hebben de school 'protestant' gemaakt en wel op een zodanige wijze dat ook de orthodoxe protestanten er geen vrede mee hebben.
In 1815 wordt Willem I koning van de Nederlanden (de tegenwoordige Benelux). Op dat moment is de school in de Zuidelijke Nederlanden nog steeds in handen van religieuze congregaties. De regering van koning Willem I heeft in de periode 1815-1825 er alles aan gedaan om ook in de Zuidelijke Nederlanden het gehele onderwijs tot staatsmonopolie te maken. Het verzet van de katholieken in de Zuidelijke Nederlanden en hun monsterverbond met de liberalen op 23 juli 1828 hebben in 1830 de opstand van de Zuidelijke Nederlanden tot gevolg met als resultaat de afscheiding van België.
Het verbond in Noord-Nederland van de katholieken en de liberalen leidt in 1848 tot de grondwet van Thorbecke met onder meer de vrijheid van onderwijs; het bestaansrecht van het bijzonder onderwijs is nu een feit. Vanaf dat moment gaat de strijd om de financiering van de bijzonde-re scholen uit de publieke kassen.
Herstel rooms-katholieke hiërarchie in Nederland : 1853.
De uitbreiding van de vrijheid van godsdienst in de grondwet van 1848 Thorbecke leidt op 4 maart 1853, na bijna drie eeuwen missiegebied-status, tot herstel van de rooms-katholieke hiërarchie in Nederland. Onder leiding van de bisschoppen worden de noordelijke diocesen geordend door oprichting van parochies, kerk- en armbesturen en seminaries. In Amersfoort leidde dit tot verheffing van beide staties, St.Franciscus Xaverius en O.L.Vrouw Hemelvaart tot parochies. Er volgt een zwaar bouwprogramma van kerken, pastoneen, scholen, weeshuizen, gast-huizen en gestichten. In Amersfoort wordt o.l.v. Pastoor Henricus Blom de St.Franciscus Xaveriuskerk flink uitgebreid.
Op 22 juli 1868 publiceren de bisschoppen een mandement over de noodzaak van voldoende degelijk katholiek onderwijs in verband met de godsdienstige en zedelijke toekomst van de katholieke jeugd. Dit vormt het begin "van een consequent en langdurig streven naar het bezit van een eigen en volledig uitgebouwd onderwijs, dat in alle opzichten aan de behoeften voldoet en ook financieel gelijkgesteld is met het staatsonderwijs".
Het is opvallend dat bij het herstel van de kerkelijke hiërarchie St.Willibrord niet tot patroon van de Nederlandse kerkprovincie werd benoemd. Dat gebeurde pas in 1940 nadat er twijfel werd uitgesproken, dat St.Willibrord eerder apostel van Brabant dan van Friesland genoemd moest worden. Er bestond in 1853 blijkbaar geen enkele St.Willibrord devotie. Meer informatie over de geschiedenis van ons land tussen 200 en 1200 vindt U hier.
De Lager onderwijswet van Van Rappard uit 1857.
In 1857 verschijnt de Lager onderwijswet van Van Rappard met de bepaling dat het bijzonder onderwijs volledig vrij is, maar dat alleen het openbaar onderwijs subsidie krijgt. De openbare school moet toegankelijk zijn voor kinderen van iedere godsdienstige gezindheid en het onderwijs dient neutraal te zijn.
Door de wet Van Rappard verliest het onderwijs het particuliere karakter. De wet schrijft voor dat op de scholen dezelfde vakken moeten worden onderwezen. Het programma voor de armen-, tussen- en burgerscholen moet hetzelfde zijn. Aan de vakken lezen, schrijven, rekenen en Neder-landse taal worden als verplicht toegevoegd vormleer (aanschouwelijke meetkunde), aardrijks-kunde, geschiedenis, kennis der natuur en zingen.
De wet van 1857 spreekt voor het eerst over scholen voor (meer) uitgebreid lager onderwijs (m)ulo. Naast de vakken van de gewone lagere school kan de (m)ulo facultatief kiezen uit tekenen, gymnastiek, voor meisjes handwerken, Frans, Duits, Engels, wiskunde en landbouwkunde. De Franse scholen moeten mulo's worden of verdwijnen.
De onderwijswet van 1857 levert nog steeds geen subsidie op voor het bijzonder onderwijs. Om dit te kunnen bereiken, breken de katholieken de banden met de liberalen, die op alle terreinen vrijheid voorstaan en het principe huldigen dat de staat alleen aanvullend mag optreden, maar op schoolgebied staatsmonopolie willen.
In 1866 sluiten de katholieken een nieuw "monsterverbond", maar nu met de "Groenianen" (anti-revolutionairen) en conservatieven (protestanten van de meer vrijzinnige richting) onder de leuze "bijzonder onderwijs regel, openbaar onderwijs aanvulling".
Schoolwet van Kappeyne de Copello: 1878
In 1878 komt er een omslag in de financiering van de scholen. Door de wet van Kappeyne de Copello, die de nodige weerstand ondervindt, moet de gemeente voortaan de bekostiging op zich nemen van alle scholen. De katholieken, die tot dan toe hun eigen scholen finacierden via schoolgeld en giften, kunnen voortaan voor de bekostiging van hun scholen een beroep doen op de gemeente. De wet gaat in in 1880. De gemeente stelt daarbij wel enkele aanvullende voorwaarden, zoals ten aanzien van het gebruik van gebouwen. Kleine scholen zijn zo genoodzaakt om zich samen te voegen tot grotere scholen. Ook ten aanzien van toelating van leerlingen krijgt de gemeente een vinger in de pap. Echter de katholieken blijven hun bastion van R.K.scholen met verve verdedigen, gesteund door de Aartsbisschop en zelfs Rome. Dat waren grootheden die in die tijd toch belangrijke wereldlijke macht bleken te hebben.
Schoolwet 1889 Mackay
Deze schoolwet, ook wel pacificatiewet genoemd, levert voor het bijzonder onderwijs rijkssubsidie voor de onderwijzerssalarissen op. De eerste stap op weg naar een volledige financiële gelijkheid met het openbaar onderwijs is gezet.
Schoolwet 1920 van De Visser
De schoolwet 1920 regelt, na ongeveer honderd jaar schoolstrijd, de financiële gelijkstelling voor het bijzonder onderwijs.
Het lagere school onderwijs, dat geregeld was bij deze wet (genoemd naar de toenmalige minister van Onderwijs dr.J.Th.de Visser), al werden er steeds talloze wijzigingen in aangebracht, al naar ze door tijdsomstandigheden en de belangen van het onderwijs zelf noodzakelijk waren geworden. Deze wet regelde het onderwijs voor kinderen van 6 tot 12 jaar.
Voor de (m)ulo is deze wet ook belangrijk daar zij nu een zelfstandig schooltype wordt en niet meer gekoppeld is aan de lagere school. De schrijfwijze (m)ulo duidt op een probleem. In de schoolwet 1857 Van Rappard is sprake van gewoon lager onderwijs en meer uitgebreid lager onderwijs (mulo). In de wet tot regeling van het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs van 1910 wordt gesproken van lagere scholen met 6 leerjaren, scholen voor uitgebreid lager onderwijs (ulo) met 7 leerjaren en scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs (mulo) met 9 leerjaren. In de Lager onderwijswet De Visser 1920 wordt de oude ulo afgeschaft, de mulo omgevormd tot een zelfstandige school na de lagere school, die in de wet de naam ulo krijgt.
In artikel 42 van de L.O.wet De Visser werd het doel van het onderwijs als volgt omschreven: "Het schoolonderwijs wordt onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, aan hunne lichamelijke oefening en aan hunne opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
Wet op het kleuteronderwijs: 1955.
In het Nederlands onderwijs werd het kleuteronderwijs pas wettelijk geregeld bij de wet van 8 december 1955. Het kleuteronderwijs is tweejarig en bedoeld voor kinderen van 4 tot 6 jaar.
In het begin van de vorige eeuw werd het kleuteronderwijs nog nauwelijks serieus genomen. Kwalificaties als bewaarschool en fröbelschool hadden toch een zekere denigrerende klank en drukte vrijwel hun enige functie uit, meende men toen. Het kleuteronderwijs bleef slechts bestaan bij de gratie van de liefdadigheid van o.a. religieuse orden. Pas na 1945 kwam er in Nederland meer aandacht voor het kleuteronderwijs.
In 1950 -na een eerdere poging van minister De Visser in 1920- diende Minister Rutten zijn "Ontwerp van Wet tot regeling van het Kleuteronderwijs" in. Daardoor werden enkele zaken eindelijk beter geregeld. Pas in 1956 toen de nieuwe kleuteronderwijs-wet van Minister Cals door de kamer was goedgekeurd, werd het kleuteronderwijs als volwaardig onderwijs erkend. In deze wet werden voor het eerst financiële en onderwijs-inhoudelijke zaken voor het kleuteronderwijs geregeld en kwam er wat het kleuteronderwijs betreft een einde aan de tijd van liefdadigheid. De maatschappelijke behoefte aan kleuteronderwijs was aanzienlijk en er werden overal kleuterscholen gesticht.
De tijd dat er in de eerste klas toch altijd een aantal kinderen kwamen, die -gezien de desbetreffende opgaven- geen kleuteronderwijs hadden gevolgd, leek voorbij. Toch zou het nog tot in de jaren 70 duren voordat het ook werkelijk voorbij was.
Wet op het basisonderwijs: 1985.
Het basisonderwijs, dat geregeld wordt in de Wet op het Basisonderwijs van 1985, regelt het onderwijs voor kinderen van 4 tot 12 jaar en heeft sinds 1985 al meerdere wijzigingen ondergaan.
In de jaren 70 van de vorige eeuw werd de term "Basisschool" wel eens foutief gebruikt voor de 'modernere' aanduiding van de lagere school. Naast de kleuterschool werd toen vaak gesproken over de basisschool. Ook in de naamgeving van het bestuur tussen 1978 en 1985 komt deze verkeerde naam terug. Het zou tot 1985 duren eer kleuter- en lagere school samen de basisschool zouden gaan vormen.
De kleuterschool was vaak een aparte school met een eigen bestuur. In Amersfoort werden veel kleuterscholen gesticht door de zusters van O.L.Vrouw. Toch vond er op veel plaatsen al lang voor 1985 een samengewerking plaatst tussen de kleuter- en de lagere school.
De zelfstandige kleuterscholen die tot 1985 bestonden werden met de nieuwe wet op het Basisonderwijs opgeheven.
In de jaren na 1985 werd de wet op het Basisonderwijs "vervangen" door de wet op het Primair Onderwijs, waarin een aantal inhoudelijke zaken anders geregeld werden. Essentiële verschillen tussen beide wetten waren er nauwelijks.