De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Valkhof, 2000 jaar geschiedenis. Hoofdstuk 1, p.22-41.

De auteurs van dit hoofdstuk Harry van Enckevort en Jan Thijssen noemen hun bijdragen in het Verhaal van Gelderland
'vermoedens in de lijn van verwachtingen'. Dat geldt ook voor hun verhaal over Het Valkhof.


De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stedeatlas van F.Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stedeatlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis.

Stamt de Kapel op het Valkhof uit 1030?
Dit jaartal dat algemeen aanvaard is, net zoals de opvatting dat de St.Nicolaas gebouwd is naar voorbeeld van het stift in Aken. Het is een mythe en het is eerder andersom geweest. Bij nadere bestudering blijken de bronnen zeer twiijfelachtig.
Het jaartal 1030 wordt 'als vaststaand' genoemd door J.F. van Agt in het artikel "De Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof" (p.52-58), opgenomen in 'Het Valkhof te Nijmegen' in Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.3.
Maar wat schrijft Van Agt precies? "De bouw rond 1030 van een kleine kapel in Nijmegen als vereenvoudigde navolging van de Paltskapel te Aken past dus helemaal in dit kader".

De vraag is dus: Welk kader wordt hier bedoeld?

Over dat kader valt het nodige op te merken:
  • Van Agt en anderen gaan uit van het feit dat de palts van Karel de Grote in Nijmegen heeft gestaan.
  • Dat deze palts in 1047 verwoest is door Godfried van Lotharingen, maar dat de kapel blijkbaar 'gespaard' is gebleven, mischien dank zij haar excentrieke ligging. Van Agt stelt het hier wel erg simplistisch voor. Zou Godfried en zijn troepen die kapel werkelijk over het hoofd hebben gezien?
  • Dat Sint-Nicolaas, de patroonheilige en patroon van de schippers, al in 1030 bekend was in Nijmegen. Nicolaas zou al in Duitsland bekend zijn geweest voordat zijn relieken van Myra naar Bari werden overgebracht, wat in 1097 gebeurde. Hier is dan ook zeker sprake van een wonder.
  • Dat ir. J.J.Weve, die de bouw na zorgvuldig archeologisch onderzoek, op 1046/47 stelde, het dus fout had.
  • De bouw van de ten onrechte 'Karolingisch' genoemde kapel heeft in ieder geval niet in de tijd van Karel de Grote, maar pas veel later plaatsgevonden.
  • De spaarvelden van de westelijke uitbouw, plaatsen de kapel in dezelfde tijd als ondermeer de in 1048 ingeijde Sint-Pieterskerk te Utrecht.
  • We mogen derhalve de polygonale kapel op het Valkhof zonder enige twijfel als een gebouw uit het tweede kwart van de 11de eeuw beschouwen. Dit vanwege vergelijkingen met de Michaëlkerk te Hildesheidm, de Lebuinuskerk te Deventer en meerdere bouwwerken in de Rijnstreek. Noot 28 verwijst naar 2 publicaties: Edgar Lehman, Der frŁhe deutsche Kirchenbau, Berlin 1938; E.H. ter Kuile, De Romaanse kerkbouwkunst in de Nederlanden, Zutphen 1975.
  • Vervolgens worden vergelijkingen gemaakt met de kerk te Brugge (bekend door de moord op Karel de Goede in 1027) en de Saint-Jean te Luik, die sterk leek op het Akense voorbeeld. De veel kleinere kerk te Muizen bj Mechelen uit de 10de eeuw, die duiden op een soortgelijke opzet. De Walburgiskerk te Groningen waarvan de meningen over de dateringen uiteen lopen, maar de bouwtijd in de 11de eeuw is niet onwaarschijnlijk. Helaas kunnen we over het inwendige van deze gebouwen slechts vermoedens uiten.

    De conclusie van J.F. van Agt luidt als volgt:
    "Welke invloed echter tussen het einde van de 10de eeuw en het midden van de 11de eeuw van Aken uitging, bewijzen het westwerk van de Abdijkerk (nu Dom) in Essen, waarin een halve centraalbouw naar Akens model is opgenomen, de westgalerij van Sankt-Maria im Kapitol te Keulen en de achthoekige Mariakerk te Ottmarsheim. Hier sluit de dubbele zuilenopstelling in de openingen van de arcaden iedere twijfel uit. Het westwerk in Essen kwam tot stand onder Abdis Mathilde (974-1011) rond het jaar 1000; en de kerk te Ottmarsheim werd pas in 1049 gewijd, omstreeks welke tijd ook de westgalerij van de Kapitoolskerk gereed zal zijn gekomen".

    De datering blijkt dus te bestaan uit vergelijkingen met overeenkomstige gebouwen elders in Westelijk Europa. En zoals alle vergelijkingen het mis hebben, is op grond van al deze twijfel en onzekere 'vergelijkingen' van bouwwijzen, komt Van Agt op het jaar 1030! Hoe onzeker wil je het hebben? Er bestaat dus geen enkel rechtstreeks bewijs voor de datering op 1030!

    Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.



    De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




    Laat Badorf aardewerk: tweede helft 9e eeuw.


    Het aardewerk uit de Maas
    Bij het duiken zijn aanzienlijke hoeveel heden aardewerk en baksteen geborgen. Het complex bestaat echter niet volledig uit laat-Romeinse ceramiek. Voor een klein deel gaat het om over het algemeen goed herkenbare, meestal relatief jonge, weinig spectaculaire vondsten (18e-19e eeuw), hoewel daar sporadisch ook wel middeleeuwse hij zitten. Recente en opvallende aanvullingen op dit beeld zijn een bodem- en wandfragment van Merovingisch ruwwandig aardewerk en naar goed Cuijks gebruik zijn zowel de oxide rend als de reducerend gebakken variant vertegenwoordigd. Niet onverwacht is daarbij ook een kleine hoeveelheid aarde werk, dat een afspiegeling vormt van oudere Romeinse bewoningsfasen met inbegrip van de Flavische periode. Daarbij zitten geen opvallende vondsten en gaat het om doorsnee Romeins aardewerk: terra sigillata (ook versierd) uit Zuid- en Midden-Gallië, Belgische en geverfde waar, glad-, ruw- en dikwandig aardewerk. Het laat-Romeinse deel van het complex bestaat voor het overgrote deel uit slechts twee categorieën cerarniek: term sigillata en ruwwandig aardewerk. Andere categorieën zijn wel vertegenwoordigd, maar het gaat daarbij om betrekkelijk kleine aantallen fragmenten, waarmee overigens niet gezegd wil zijn dat die minder belang moeten worden toegekend. Integendeel: bij alle categorieën zijn wel interessante vormen en/of baksels aanwezig.
    Westerheem 60/4 p.167/168.




    Afbeeldingen van de godenpijler.





  • De opmerkingen over de tekst in dit boek zijn vrij omvangrijk geworden. Het gaat immers niet alleen om het slechts ontkennen van nieuwe opvattingen, zoals onder de traditionele historici gebruikelijk is, maar het vraagt om een uitgebreide analyse en gedegen achtergrond-informatie om aan te tonen waarom de traditionele opvattingen onjuist zijn.

    Lees vooral ook wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien en over de Valkhofburcht.
    De 'bekering' heeft zich ingezet. Op Wikipedia lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven al aan dat er de nodige twijfel bestaat.

    In Nijmegen en historisch Nederland weten ze maar al te goed dat Albert Delahaye gelijk had. Van een palts van Karel de Grote is niets gevonden. In Archeologie Magazine nr.6 2023 lezen we: "In Nijmegen zijn nog resten te bewonderen van de keizerlijke palts waarin keizerin Theophanu in 991 overleed. De fraaie 11de eeuwse St.Nicolaaskapel maakte hiervan deel uit". Let op: Geen woord over Karel de Grote en een palts uit 777, maar een verwijzing naar keizerin Theophanu ruim 200 jaar later. Overigens is die verwijzing dubbel onjuist, aangezien keizerin Theophanu overleden is in Noyon en de St.Nicolaaskapel pas een eeuw later (ca.1089) is gebouwd is en nooit deel heeft uitgemaakt van welke palts dan ook.

    In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we hieronder bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. De hoofdstukken zijn:
    1. Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    2. Hoofdstuk 2. Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    3. Hoofdstuk 3.Centrum en symbool van koninklijk gezag. Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247, Bert Thissen.
    4. Hoofdstuk 4.'Buitengewoon en onvergelijkbaar', Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 , Elizabeth den Hartog.
    5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, Jan Kuys.
    6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, Jac Geurts.
    7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, Louis Swinkels.
    8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, Hettie Peterse.
    De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof is feitelijk buiten de oude stad gelegen. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.
    De eerste vraag is of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
    1. Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen. Lees daar meer over bij Stadsrechten.
    2. Er bestaat geen continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen. Lees daar meer over bij Nijmegen oudste stad?
    3. Het grootste probleem in de geschiedenis van Nijmegen is het veronderstelde paleis Noviomagus van Karel de Grote dat er archeologisch nooit gevonden is . Dat paleis stond in zijn kroningsstad Noviomagus, dat onmiskenbaar Noyon was?
    4. Met het Bronnenboek van Nijmegen is aangetoond dat alle teksten over Noviomagus tot 1047 niet over Nijmegen, maar over Noyon gaan. Lees meer over het Bronnenboek.

    De visie van Albert Delahaye.
    Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuïteit van de stad. Die bleek er niet te zijn geweest. Het Romeins werd door hem niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeine periode zijn enkel hiaten aangetoond en daarn brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bevestig je geen bewoning, zolang er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon te gaan. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.
    Het belangrijkste en keiharde bewijs die de aangenomen Karoligische geschiedenis van Nijmegen tegenspreekt is de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die in Museum Het Valkhof te zien is. Lees meer over deze gedenksteen.

    We geven hieronder letterlijke citaten en hebben die in rood voorzien van onze opmerkingen en commentaren. De gebruikte nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe bevindingen.

    Hoofdstuk 1. Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd (p.22-41). Geschreven door Harry van Enckevort en Jan Thijssen.
    We geven steeds de letterlijke citaten en in rood de opmerkingen.
    1. Zonder het castellum was de stad vermoedelijk niet op deze plaats ontstaan en was zij ook niet de spil geweest in tal van ontwikkelingen in de wijde regio (p.23). Oorzaak en gevolg dat hier geschets wordt, gaat niet op voor zoveel andere steden, dus ook niet voor Nijmegen. Is in Vechten een stad met spilfunctie voor de wijde regio ontstaan? Of in Woerden? Het is dus een aangenomen opvatting om iets aan te tonen dat er niet bestaan heeft.

    2. "Aan het einde van de derde eeuw, driehonderd jaar na hun komst naar Nijmegen, bouwden Romeinse troepen een castellum op het Valkhof". (p.23) Was dat castellum dan niet gelegen op het Kops Plateau? Geen wonder dat prof.dr.Willems het daar niet gevonden heeft.

    3. Ook onze kennis over het gebruik en de betekenis van het castellum op het Valkhof is grotendeels afkomstig uit archeologisch onderzoek, zowel in het centrum van Nijmegen als in de regio. Wat in Nijmegen gebeurde stond namelijk niet op zichzelf en kan soms beter verklaard worden vanuit een regionaal perspectief (p.23). Hier lees je duidelijk dat wat men in Nijmegen niet heeft, bewezen wordt met gegevens van elders. Maar zo werkt geschiedenis niet. Met een vondst in Ruimel bewijs je niet het bestaan van Nijmegen. En dat is precies wat in de historische wereld van NIjmegen gemeengoed is en steeds gebeurt. Wat zeker waar is dat de geschiedenis van Nijmegen niet op zichzelf stond. Maar het omgekeerde gebeurde ook: met de aangenomen geschiedenis van Nijmegen ging men bijvoorbeeld de geschiedenis van Utrecht en omgeving bewijzen, zoals met de oorkonde uit 777 uitgegeven in Niumago gebeurde. Met deze oorkonde uit Nijmegen zoals men aannam, werd de geschiedenis van Utrecht aangetoond 'omdat Utrecht zo dicht bij Nijmegen ligt' zoals prof.dr.R.Post dat eens stelde! Maar zo werkt geschiedenis niet!

    4. In 59 voor Chr. werd C. Julius Caesar stadhouder van de Romeinse provincie Gallia Transalpina, de huidige Provence, in Zuidoost-Frankrijk. Van daaruit slaagde hij erin met zijn troepen in slechts enkele jaren door te stoten tot in de Lage Landen. Daarbij ging hij niet zachtzinnig te werk. Zo werden de in het stroomgebied van de Maas woonachtige Eburonen in 53 voor Chr. nagenoeg uitgeroeid. Desondanks slaagde hij er niet in het gebied ten zuiden van de Rijn definitief te onderwerpen. (p.25). Vraag blijft wat bedoeld wordt met 'de Lage Landen'. Dat de Eburonen uitgeroeid werden is dan wel altijd aangenomen, maar nooit met feiten bewezen. Dat hun naam niet meer in de geschriften voorkomt, wil niet zeggen dat ze uitgeroeid zijn en niet meer bestaan? Hetzelfde gebeurde met de Bataven die na de 4de eeuw ook niet meer genoemd worden in de klassieke teksten. Maar daarmee zijn ze niet verdwenen!

    5. Nog voor de daadwerkelijke vestiging van de eerste Romeinse troepen op de Nijmeegse Hunerberg voorkwamen de Romeinen een dreigend machtsvacuŁm door het grotendeels lege Eburoonse gebied weer te bevolken. In dat kader dirigeerden zij vanuit het Duitse Hessen groepen mensen naar het oostelijke deel van het Nederlandse rivierengebied, waar die zich vermengden met restanten van de autochtone bevolking. Dit nieuwe stamverband kreeg van de Romeinen de naam Bataven (p.25). In noot 8 bij deze tekst wordt verwezen naar Nico Roymans die dit wonderlijke en fabelachtige verhaal over 'Ethnic Identity' uit zijn duim heeft gezogen. Het is nergens op gebaseerd. Het is zoals prof.J.de Vries en anderen hebben aangetoond: "Etniciteit is niet af te leiden uit teksten, zelfs niet uit gebruiksvoorwerpen". Hiermee wordt wel duidelijk aangetoond hoe de geschiedenis van de Romeinen in Nederland vol zit met aangenomen fabels en mythen. En dan is er geen enkele hoistoricus die deze luchtballonnen eens doorprikt, omdat men elkaar maar blijft naschrijven. Geen enkele? Dat is niet juist. Er zijn meerdere historici geweest die de aangenomen geschiedenis ter discussie hebben gesteld. De bekendste is ongetwijfeld Albert Delahaye geweest, die de teksten van Tacitus eens juist vertaalde en toepaste, maar dan kom je niet verder noordwaarts dan de taalgrens. Wat er van de Romeinen boven de taalgrens bekend is had betrekking op de Agri Decumates.

    6. Het Romeinse leger benutte de strategisch gelegen heuvelrug al snel voor de bouw van een legioenskamp voor circa vijftienduizend soldaten op de Hunerberg (19-16 voor Chr.), kort daarna gevolgd door een kleinere commandopost Op het Kops Plateau (12 voor tot 69/70 na Chr.). Het belang van de heuvel werd versterkt door de stichting van de stedelijke nederzetting Oppidum Batavorum (circa 19 voor tot 69/70 na Chr.) in het huidige centrum van Nijmegen (p.25/27). Vreemd blijft het dan dat prof.dr.Willems dat Oppidum Batavorum dan ook nooit gevonden heeft. Over die jaartallen 19, 16, 12 voor Chr. is hier meer te lezen. Er blijkt ook hier weer geen enkel bewijs dan een aangenomen opvatting te bestaan.

    7. Het Valkhofplateau lag min of meer centraal binnen de grenzen van Oppidum Batavorum, maar door het ontbreken van voldoende mogelijkheden voor archeologisch onderzoek en door latere bouwactiviteiten zijn slechts weinig overblijfselen bekend van de nederzetting op deze plek (p.27). Welke overblijfselen zijn dat? Of is dit de archeologisch manier om te vermelden dat er niets gevonden is? Over het Oppidum Batavorum heeft archeoloog W.Willems opgemerkt dat hij het niet gevonden heeft! Lees meer over W.Willems.

    8. In dit verband mag ook de levensgrote marmeren portret kop van Caesar niet onvermeld blijven, die vermoedelijk ergens in Oppidum Batavorum opgesteld was (p.28).


      De Gedenksteen uit 1155 van Frederik Barbarossa bij de bouw van zijn Palts op Het Valkhof. Op de achterkant is te zien dat de steen is gehouwen uit een Romeinse zuil.

      Deze steen vormt het ultieme bewijs dat na de Romeinse periode de geschiedenis van Nijmegen pas weer begon in de 12de eeuw.

      Klik op de afbeelding voor meer informatie!
      Nijmegen de oudste stad? Lees er alles over.
    9. Op het Kops Plateau zou de nederzetting Oppidum Batavorum hebben gelegen dat ongetwijfeld voortkwam uit het streven van de Romeinse autoriteiten de Bataven een Romeins bestuursmodel op te leggen, om zo de integratie van het veroverde gebied in het Romeinse imperium te bevorderen. Enkele vondsten op het Kelfkensbos onderstreepten het belang van de Bataafse hoofdplaats. De belangrijkste zijn wel de twee kalkstenen blokken die deel uitmaakten van een monument dat bekendstaat als 'godenpijler'. Beide blokken zijn met andere bijpassende fragmenten in februari 1980 gevonden in de opvulling van de buitenste gracht om het laat-Romeinse castellum of in de fundering van de dertiende-eeuwse vestingmuur rond het Valkhof. Titus Panhuysen, voormalig stadsarcheoloog van Maastricht, heeft de vondst uitgebreid beschreven en geinterpreteerd. Hij plaatste deze in de context van represaillemaatregelen die de Romeinse veldheer Germanicus Julius Caesar in 14-16 na Chr. nam tegen de Germanen aan de overzijde van de Rijn. In opdracht van keizer Tiberius slaagde Germanicus erin legioenstandaarden van zijn voorganger Publius Quinetilins Varus te heroveren die in 9 na Chr. bij de slag in het Teutoburgerwoud verloren waren gegaan. Keizer Tiberius werd daarvoor in 17-19 na Chr. in Oppidum Batavorum geëerd met een monument waarop behalve hijzelf verschillende Romeinse goden prijken. De godenpijler is oorspronkelijk ongeveer 7,5 m hoog geweest (p.25-28). Zie afbeeldingen in de linker kolom.

      Titus Panhuysen was archeoloog van Maastricht, de werkelijk oudste stad van Nederland, en wist Nijmegen zo ver te krijgen die titel van oudste stad op te eisen. Had hij ruzie gehad in Maastricht? Was hij een promotie misgelopen? Uit het betoog van Panhuysen blijkt overduidelijk dat hij als archeoloog geen verstand heeft van geschiedenis en al helemaal niet van historische geografie. Hij noemt het Kops Plateau de plaats van het Oppidum Batavorum. Maar wat schreef W.Willems daarover? Ten aanzien van de opgravingen naar het Oppidum Batavorum in Nijmegen: "We hebben al 9000 m² afgegraven, maar we hebben het niet gevonden". En ten aanzien van de Bataven "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse".
      De Bataven zijn op grond van enkele misvattingen, zoals van Geldenhouwer, in de Betuwe en Nijmegen terecht gekomen. Lees wat daarover in Hoofdstuk 7 op p.181 in dit boek staat. Geldenhouwer (1482-1542) was de eerste die de Bataven in de Betuwe plaatste, in strijd met Aurelius die de Bataven in Holland had geplaatst. Wat Geldenhouwer wel juist zag was dat Julius Caesar al een bezoek bracht aan de hoofdstad van de Bataven en al Bataven in zijn lijfwacht dienst deden. Die hoofdstad van de Bataven was echter niet Nijmegen, maar Béthune. En dit nu, staat pontificaal op de gedenkstaan van Frederik Barbarossa uit 1155, die herstelde wat de Romeinen hadden gesticht en wat 'tot niets was gebracht', ofwel geheel vervallen. Zie de afbeelding hiernaast. Klik op afbeelding voor meer informatie. Lees meer over deze gedenksteen uit 1155. Algemeen wordt nu ook erkend dat Julius Caesar nooit in Nijmegen is geweest. Daar werd ook geen enkel bewijs voor gevonden. Bovendien is archeologisch vastgesteld dat Caesar nooit in België is geweest. Lees meer over Julius Caesar en over de Bataven.
      Over de Varusslag die ook genoemd wordt, kun je kort zijn: die is in Duitsland nog steeds niet met zekerheid gelocaliseerd. Wel is duidelijk dat de hier genoemde Germanicus aan de kust verbleef toen hij de legioenstandaarden terugvond.
      En dan de 'godenpijler'. Daarmee bewijs je toch niets ten aanzien van Nijmegen als oudste stad? Dat er Romeinen zijn geweest is geen probleem, wel dat die pijler in de opvulling van een gracht is gevonden, dus weggegooid (door wie en wanneer?) en dat er maar twee stukken van gevonden zijn. Waar is de rest gebleven? Of: waar kwamen die twee stukken oorspronkelijk vandaan? Zie de afbeeldingen van die 'Godenpijler' in de kolom hiernaast.


    10. Op pagina 29 wordt de Bataafse Opstand genoemd. De opstand zou, volgens deze auteurs, gericht zijn geweest tegen de aantasting van de Bataafse sociale structuur, onder meer als gevolg van grootschalige en steeds brutere rekrutering van Bataven voor het Romeinse leger. Wat verstaan deze schrijvers over 'Bataafse sociale structuur'? Je moet weten dat de Bataven hun eigen hoofdstad naast het kamp van de Romeinen hadden gebouwd en dat ze zelfs deel uitmaakte van de lijfwacht van de keizer. De Bataven die altijd in de Betuwe geplaatst worden, zouden hun hoofdstad aan de overkant van de Waal in Nijmegen gebouwd hebben, al is die hoofdstad in Nijmegen nooit gevonden. En waarom zouden ze hun eigen hoofdstad in brand hebben gestoken? Om de Romeinen die ernaast verbleven te beletten die stad in bezit te nemen? En het wordt nog vreemder. Toen de Romeinen rond 104 na Chr. uit Nijmegen vertrokken, hebben ze voor de Bataven een nieuwe stad gebouwd en kregen de Bataven ook nog stadsrecht als 'compensatie' voor het verlies aan inkomsten bij het vertrek van de Romeinen. Je moet toch wel erg goedgelovig zijn of weinig historische benul hebben, om dit verhaal voor waar aan te nemen. In Nijmegen houdt men dit verhaal voor waarheid.

    11. Het belang van de heuvel werd versterkt door de stichting van de stedelijke nederzetting Oppidum Batavorum (circa 19 voor tot 69170 na Chr.) in het huidige centrum van Nijmegen. IQ Het ontstaan en de latere groei van Oppidum Batavorum kwamen ongetwijfeld voort uit het streven van de Romeinse autoriteiten de Bataven een Romeins bestuursmodel op te leggen, om zo de integratie van het veroverde gebied in het Romeinse imperium te bevorderen. Daartoe werd het Bataafse stamgebied omgevormd tot een civitas, een regionale bestuurseenheid, met als hoofdplaats Oppidum Batavorum. De civitas Batavorum omvatte in grote lijnen het noordoostelijke deel van de provincie Noord-Brabant en het gebied tussen Rijn en Maas: de Betuwe, het Rijk van Nijmegen, het Land van Maas en Waal en een deel van de Duitse Kreis Kleve. (p.27). Men gaat er tegenwoordig algemeen van uit dat het Romeinse verleden van Nijmegen circa 12 v.Chr. begint. Tot 250 n.Chr. is er Romeinse bewoning geweest, aangetoond door archeologische vondsten op diverse locaties in Nijmegen. Tot het eind van de 4e eeuw zijn de Romeinse locaties vermoedelijk door anderen bewoond gebleven. Er zijn echter nergens lokale vondsten gedaan die zelfs maar een indicatie geven van de in de Romeinse periode gebruikte plaats- of regionaam. In het Bronnenboek worden naast "Noviomagi" vanaf 98 n.Chr. ook de volgende namen voor Nijmegen opgeŽist: "Civitas Batavorum", "Batavodurum" en "Oppidum Batavorum" en inscripties met "M.B(at)." (uitgelegd als "Municipium Batavorum"). Ook van deze inscripties is er geen in of bij Nijmegen aangetroffen. Een verband met Noviomagus of Nijmegen is ook daaruit dus niet af te leiden. Uit vondsten zoals dakpanstempels kan afgeleid worden welke troepen achtereenvolgens in Nijmegen gewerkt of geleefd hebben. Andere schriftelijke bronnen daarover ontbreken.

    12. Op pagina 27 en 28 wordt het traditionele verhaal over de Godenpijler geschreven. Van deze pijler zijn slechts twee stukken (van de 6 à 8?) gevonden. Zie afbeeldingen in de linker kolom. Lees meer over die godenpijler bij Nijmegen oudste stad? en bij het Verhaal van Gelderland hoofdstuk 4 (nr.9), daar 'godenzuil' genoemd.

    13. De Bataafse Opstand (p.29). Over de Bataafse Opstand kunnen we verwijzen naar het hoofdstuk over de Bataven. Het blijkt om een opstand in Noord-Frankrijk gegaan te hebben. In de Betuwe en opgeving is van die opstand NIETS gevonden. De rivier Navalia en de plaatsen Arenacum, Batavodorum, Grinnes en Vadam lagen allemaal in Noord-Frankrijk. Wie het hier niet mee eens is moet dan eens aantonen (met bewijzen en niet met aannamen!) dat die plaatsen in Nederland lagen.

    14. De nieuwe stad Ulpia Noviomagus (p.30-31). Voor de naam Noviomagus, Batavorum of Oppidum Batavorum is in Nijmegen geen enkel schriftelijk of archeologisch bewijs gevonden of te vinden. Dat weet men sinds kort ook in Nijmegen waar dit volmondig erkend wordt. Beter is het 'leegmondig' te noemen. Men staat er immers met gesloten de mond: men zwijgt erover! Lees alles over Ulpia Noviomagus, een verzinsel van prof.Bogaers dat ook hij na zijn inauguratie nooit bewezen of toegelicht heeft. Lees meer over het Oppidum Batavorum bij Het Verhaal van Gelderland hoofdstuk 4.

    15. Na de overplaatsing van het Tiende Legioen naar Boedapest (Aquincum) in 104 werd de bezetting van de legerplaats geleidelijk teruggebracht. Omstreeks 170-180, in een periode van grote onrust, werd de Hunerberg zelfs geheel verlaten. In diezelfde tijd raakten grote delen van Ulpia Noviomagus verwoest. In de eerste helft van de derde eeuw werd de stad herbouwd. Mogelijk maakten in die tijd gewapende groepen deel uit van de stadsbevolking (p.31). Hier worden liefst 2 hiaten in de geschiedenis van Nijmegen genoemd. 1.tussen 104 en 170 en 2.tussen 180 en eerste helft derde eeuw. Dat er gewapnde groepen waren is slechts een mogelijkheid, maar wie dat waren en op grond waarvan zij gewapend waren blijft kennelijk giswerk?

    16. Herstel van de Romeinse invloed aan de Nederrijn. In de laat-Romeinse tijd, vanafhet einde van de derde tot halverwege de vijfde eeuw, probeerden de Romeinen met wisselend succes hun macht in het grensgebied te handhaven tegen steeds weer oprukkende Germanen en Franken (p.31). Het is jammer de historici er steeds weer op te moeten wijzen dat de Germanen en Franken (al hadden zij die naam nog niet) al binnen het Romeinse Rijk woonden in de provincies Germania Inferior en Superior. Een grote Volksverhuizing heeft slechts bestaan in de hoofden van historici die verkeerd geplaatste volken naar de juist plaats in Frankrijk lieten verhuizen. Lees vooral wat de Romeinse schrijver Tacitus over Germania schrijft. Dat is toch duidelijke taal? De veldslagen die in dit stuk genoemd worden uit 356 en 359 vonden plaats in Frankrijk. De Romeinen hadden Nederland immers in ca.260 verlaten en kwamen echt niet even terug om prijsgegeven gebied terug te veroveren.

    17. Een deel van de inwoners vond waarschijnlijk onderdak in het rond die tijd gebouwde castellum op het Valkhof (p.31). Waar verbleven dan de overige inwoners?

    18. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat ook daarna mensen de verlaten stad bezochten en er misschien nog woonden (p.31). Je kan niet ergens misschien wonen. Of je woont er of je woont er niet! Het gaat hier over Ulpia Noviomagus dat in de jaren 270-280 ten onder ging (p.31). Het is dus duidelijk gesteld dat Ulpia Noviomagus verlaten werd. Er is dus geen enkele sprake geweest van continuïteit in de geschiedenis. Dat Nijmegen een stad was en de naam Ulpia Noviomagus droeg zijn twee onbewezen aannamen. Lees meer over de Stadsrechten van Traianus en De naam Ulpia Noviomagus.

    19. Een jaar later herstelde Julianus ten minste drie versterkingen aan de Maas, waaronder vermoedelijk Cuijk (p.32). Vertserkingen aan de Maas? Of was het aan de Mosa of Moeze in Vlaanderen?

    20. Volgens de Romeinse historicus van Griekse afkomst Ammianus Marcellinus liet Julianus in 359 in het Rijngebied de verdedigingswerken van zeven eerder vernielde steden herstellen om veilig graan te kunnen transporteren vanuit Britannia naar zijn Rijnopwaarts gelegen troepen. Tot deze steden behoorde ook Castra Herculis, een stad die vermeld wordt op de Tabula Peutingeriana, een middeleeuwse kopie van een laat-Romeinse wegenkaart die op haar beurt gebaseerd is op oudere gegevens. Over de identificatie van Castra Herculis bestaat al lange tijd discussie. De Nijmeegse hoogleraar Jules Bogaers vatte in 1968 een rij geopperde locaties samen. Hij dacht zelf aan Druten, al was het aantal vondsten uit de laat-Romeinse tijd hier niet erg overtuigend. Willem Willems vermoedde jaren later dat het laat-Romeinse castellum in Meinerswijk bij Arnhem als Castra Herculis geÔdentificeerd mocht worden. Ondanks een scherpe discussie met Bogaers bleef Willems bij zijn standpunt. De meest recente hypothese omtrent de locatie van Castra Herculis is van de hand van de archeoloog Jan Verhagen. Hij vermoedt dat de plaatsnaam verwijst naar de versterking uit de vierde en vijfde eeuw op het Valkhof in Nijmegen (p.32/33). Het is interessant deze discussie te volgen die immers feilloos aangeeft dat er helemaal geen concensus bestaat over de Nederlandse opvattingen. Het gaat hier dus slechts om een 'gedachte' van Bogaers, een 'vermoeden' van Willems en Verhagen. Feitelijke bewijzen worden niet geleverd. Ook over andere Romeinse vestigingsplaatsen bestaat een vergelijkbare discussie. Lees meer over Castra Herculis.

    21. Er zou sprake zijn van een inval van Saksen bij Deusone, vermoedelijk de rivier de Dieze in Noord-Brabant (p.33). Bij Blok en Gysseling, maar ook bij Theuws was Deoson(e) geen rivier, maar de plaats Diessen, bij Gysseling was het overigens Diesen met één -s-. Hoe zurgvuldig ben je dan als etymoloog?

    22. Het castellum op het Valkhof (p.34). Het aan het einde van de derde eeuw gebouwde castellum werd waarschijnlijk beschermd door een zware hout-aarden wal, maar hiervan zijn nooit sporen aangetroffen (p.34).

    23. Het is goed mogelijk dat de verstening van beide castella het gevolg is van een door Valentinianus 1 geïnitieerd bouwprogramma (p.37). Zou het ook niet zo goed, dus slecht mogelijk geweest kunnen zijn?
    24. Een eerste summiere bestudering daarvan lijkt erop te wijzen dat het begin van het castellum in verband mag worden gebracht met de regeringsperiode van ConstantinusI en waarschijnlijk zelfs daarvoor (p.37). Lees deze zin eens zorgvuldig door. Daar bewijs je toch helemaal niets mee?

    25. De gevonden imitaties van Antoniniani uit de tijd van Claudius II Gothicus (268-270) en daaropvolgende jaren, boden Jos van der Vin de mogelijkheid de lange tijd veronderstelde kloof in de bewoning van Cuijk tussen 270/280 en 310 te dichten. (p.37). Ook hier is toch sprake van een bewoningshiaat in de geschiedenis, dat men met in de rivier gevonden aardewerk wil dichten. In noot 60 wordt verwezen naar Thijssen 2011, die verwijst naar Westerheem 60/4 p.166-176. Maar in dit artikel lees ik toch iets anders, dan hier als mogelijkheid wordt genoemd. In dat artikel in Westerheem wordt Jos van der Vin overigens nergens genoemd, maar hij zou dan wel die kloof gedicht hebben? Lees in het kader in de linker kolom het citaat uit Westerheem 4 augustus 2011. Het blijkt een ratjetoe aan vondsten te zijn uit allerlei verschillende tijdperken en streken. Daar bewijs je toch niets mee voor Nijmegen? Wat hier laat-Romeins wordt genoemd, blijkt begin 4de eeuw gedateerd te zijn, met name door Jules Bogaers en Simon Wynia. Auteur van dit artikel Jan Thijssen bedankt nog even Cees van Duijn en Arie van Pernis (veldtechnici van de ROB) die mij in Cuijk de kneepjes van het archeologisch veldwerk hebben bijgebracht. De kneepjes? Op een achternamiddag zeker? Het is dezelfde Jan Thijssen die (met dank aan Titus Panhuijsen) van NIjmegen de oudste stad van Nederland maakte. De VVV deed de verdere promotie!
      P.S. Je wordt vanzelf sarcastisch als je dit hele gang van zaken leest over de archeologie en de geschiedkunde. Lees meer over Jules Bogaers om te weten hoe de archeologie werkt en hoe Bogaers er vaak grondig naast zat.


    26. In de dorpskern van Lent lag waarschijnlijk een nederzetting van bovenlokaal belang, mogelijk een villa (p.38). Wat toon je aan met 'waarschijnlijk' en 'mogelijk'?

    27. Verschillende vondsten wijzen erop dat zich in de oude bewoningskern mogelijk foederati gevestigd hadden (p.38). Of waren het toch andere groepen?

    28. Het is mogelijk dat het merendeel van de hier begraven personen niet op het Valkhof plateau heeft gewoond (p40). Waar woonden die dan? Bestond er wel een stad, zoals men in Nijmegen zo graag aanneemt?

    29. Grafgiften uit een laat-Romeins graf van een vrouw met een mogelijk Germaanse herkomst (p.40). Was het een Romeinse vrouw of een Germaanse? Met dit soort bewoordingen kun je dus alle kanten op. Het is maar de historicus 'nodig heeft' voor zijn/haar verhaal.

    30. Deze omslag ging in Nijmegen gepaard met een verandering van de grafrichting, mogelijk als gevolg van culturele invloeden die meegebracht zijn door soldaten uit het Nabije Oosten (p.41). Culturele invloeden zijn niet met grafgiften te bepalen. Welke deskundige in Nijmegen kan dat wel? Ben er zeer benieuwd naar!

      Alle Romeinse namen van de plaatsen in Nederland zijn slechts gebaseerd op de namen van de Peutingerkaart. In geen enkele plaats is een archeologische bevestiging gevonden van de veronderstelde plaatsnaam, maar ook geen schriftelijk bewijs of een inscriptie op een gedenksteen. Wat wel eens wordt beweerd met de naam Fectio voor Vechten, gevonden op een gedenksteen van schippers, vormt geen bewijs, aangezien historici Vechten opvatten als het Fletione van de Peutingerkaart. Maar Fectio is geen Fletione. En dan moet nog bewezen worden dat de naam op een gedenksteen ook de naam van de vindplaats van die gedenksteen was. Dat wordt geloochenstraft met de naam Tervanna voor Romeins Nijmegen, waar immers een gedenksteen met die naam gevonden is. Echter Tervanna was Thérouanne in Frans-Vlaaneren. Lees meer over Fletione.

    Tot zover Hoofdstuk 1 van Het Valkhof 2000 jaar. Lees verder bij Hoofdstuk 2.

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.