De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het verhaal van Gelderland: hoofdstuk 4: De Romeinen komen. (p.139-176).

De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.


Bij die rijke geschiedenis kunnen we toch heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die niet van Gelderland is, maar van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.



Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.

Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.
Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hier) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!

Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onjuistheden bij elkaar weten te schrijven. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop ze de opvattingen van Albert Delahaye op pagina 334 hebben beschreven: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met de werkelijkheid.

Maar gelukkig geven ze ook zelf hun twijfel toe en erkennen ze regelmatig dat er problemen zijn in de traditionele opvattingen. Daarbij blijkt dat ze feitelijk te weinig kennis van zaken en deskundigheid bezitten, om de door henzelf opgeworpen problemen op te lossen. Vandaar dat wij hen helpen de twijfel en problemen op te lossen, vandaar dat deze besprekingen en opmerkingen over de geschreven teksten in hoofstuk 4 t/m 8 erg uitvoerig is geworden.

Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring in het eerste Millennium. Alle benodigde correcties die we ook noemen zijn al te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijst van het Verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook veelzeggend en 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet voor de historische waarheid. Deze auteurs moeten nu eens erkennen dat ze het altijd fout gehad hebben. Maar ja, erkennen van eigen ondeskundigheid gaat niet gebeuren, zoals de geschiedenis leert. Wij kunnen slechts adviseren eigen artikelen nog eens na te lezen en te vergelijken met mijn opmerkingen. Ik wens hen daar succes mee en verneem graag wat hun bevindingen zijn.

Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van Hoofdstuk 8.

Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.
De visie van Albert Delahaye.

We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, zoals de auteurs beweren dat Delahaye dat gezegd zou hebben. Ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationele allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. We zullen maar denken dat de verkoopcijfers hier debet aan zijn, immers aansprekende verhalen verkopen beter dan de nuchtere feiten. Maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze hun twijfel uit. Dat kan ook niiet anders, want twijfel is er altijd geweest in de geschiedenis van Nederland. Die twijfel blijkt wel door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

De opmerkingen over de tekst in dit boek zijn vrij omvangrijk geworden. Het gaat immers niet alleen om het slechts ontkennen van nieuwe opvattingen, zoals onder de traditionele historici gebruikelijk is, maar het vraagt om een uitgebreide analyse en gedegen achtergrond-informatie om aan te tonen waarom de traditionele opvattingen onjuist zijn.

In deel 1 van de vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt in de hoofdstukken 4 t/m 8 de geschiedenis beschreven zoals die grotendeels traditioneel is vastgesteld. Echter, daar is heel wat op aan te merken. Niet alleen op die traditionele geschiedenis, maar ook op hoe en wat er in dit boek beschreven en geschreven is. Op pagina 334 wordt ook de visie van Albert Delahaye genoemd (zie daar), helaas onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye zelf geschreven heeft. Het is kenmerkend voor feitelijk dit hele boek. Het is een onvolledig en een onjuist verhaal, met vaak tegenstrijdigheden van andere historici, ook al zijn de verwijzingen in noten naar 'gelijkgestemden'.
De grondfout van dit hele boek is dat men Nijmegen klakkeloos opvat als het Noviomagus uit zowel de Romeinse als de Karolingische periode. En daarvoor ontbreekt elk schriftelijk of archeologisch bewijs. Wie die bewijzen wel heeft, laat het alstublieft weten, want daarmee vervalt de visie van Albert Delahaye.


We bespreken hier hoofdstuk 4 geschreven door Paul van der Heijden. Er zijn meerdere opmerkingen over te maken: niet alleen over de gehanteerde traditionele standpunten, maar ook over compleet onjuiste en vaak al achterhaalde opvattingen. Maar toch! Soms komt Van der Heijden ook terug van traditionele opvattingen of worden fouten uit het verleden ook herkend en erkend en gecorrigeerd. Voor het onafhankelijk publiek is niet te controleren of opvattingen gewijzigd zijn, omdat men die oude geschiedenis te weinig kent. Vandaar dat we dat steeds vermelden en toelichten.


Is alles in deze boeken wel onbevooroordeeld en onafhankelijk beschreven, zoals de uitgever stelt? Zijn de auteurs op hun gebied wel de aangewezen deskundigen? Of lezen we vooral weer veel traditionele geschiedenis, ook die al sinds tijden achterhaald is? De hoofdstukken 4 t/m 6 over de Romeinse tijd en Germanisering zijn geschreven door slechts één auteur, namelijk Paul van der Heijden. Is hij de enige deskundige op dit gebied? Heeft niemand (van de redactie?) zijn verhaal gecontroleerd? Er is namelijk heel wat op aan te merken!

We geven hier enkele voorbeelden van opvattingen zoals die in dit deel 1 beschreven worden. Het gaat wat ons betreft over de periode vanaf het begin van de Romeinse tijd tot het einde van dit boek (p.134-369). We vergelijken deze met andere bronnen en komen zo tot opvallende conclusies. Nu gaan we hier niet alles bespreken. Dan zouden we de hele studie van Albert Delahaye nog eens over gaan doen. Daarom raden we iedereen aan een van de boeken van Delahaye te bestellen en daarin alles nog eens zorgvuldig na te lezen.

Over de Romeinse tijd (die we zeker niet ontkennen) hebben we toch meerdere opmerkingen te maken. We beperken ons tot de belangrijkste onderwerpen. Het is wel veelzeggend dat de tekst nogal veel twijfel bevat, wat blijkt uit bewoordingen als 'waarschijnlijk', 'kennelijk', 'archeologen gaan ervan uit', 'weinig aanwijzingen' enz. enz.

Vanwege het tussenvoegen van nieuwe bevindingen kan de nummering hieronder wijzigen.
  1. In het 'voorwoord' (p.139) wordt geschreven dat de Romeinse tijd een periode van vijf eeuwen omspant en in veel opzichten de basis heeft gelegd voor de huidige westerse beschaving. Het is de zoveelste stelling in dit boek die geen hout snijdt, ofwel onder de noemer duimzuigerij valt. Er zijn namelijk meerdere kanttekeningen bij te plaatsen. In De Standaard in België wordt tegenwoordig al geschreven over "Caesar, de massamoordenaar van de Lage Landen". En het bleef niet beperkt tot alleen Caesar! Wat versta je onder beschaving? De Romeinse overheersing kenmerkte zich vooral door machtsmisbruik, volkerenmoord, slavernij en 'brood en spelen'. Is de 'beschaving' in landen waar de Romeinen nooit geweest zijn, zoals Ierland en Noorwegen, dan achtergebleven? De 'beschaving' van de Romeinen was ver te zoeken, ofwel zoals Tacitus het beschrijft: "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld". En wat de Romeinen aan beschaving voortbrachtten was 'gekopieerd' uit Griekeland. Daarnaast heeft de Romeinse tijd voor Nederland slechts 2 eeuwen geduurd (van ca.40 n.Chr. tot ca.260 n.Chr.) met meerdere onderbrekingen, zoals ook uit Het Bronnenboek van Nijmegen blijkt. Daarin worden over de Romeinse periode de volgend jaartallen genoemd: 50, 98, 117, 161, 180, c.200, 227, 250 en ca.400. Wat heeft men over de tussenliggende perioden aan bewijzen? Rond 260 trokken de Romeinen zich definitief terug uit laag Nederland vanwege de wateroverlast en kwam de noordgrens te liggen op de lijn Boulogne-sur-Mer via Bavay naar Keulen. En op deze grens is pas sprake van Limes. De Limes lag dus niet langs de Rijn, ook al lees je dat in veel boeken over de Romeinse tijd. De Limes die nu de kwalificatie van Cultureel Erfgoed heeft gekregen, lag dus in Noord-Frankrijk en wel op de taalgrens.

  2. Onderaan pagina 139 wordt verwezen naar een foto op p.138 met de tekst: 'Het Louisedal in Berg en Dal is een van de weinig plekken in Nederland met zichtbare Romeinse sporen -in dit geval een diep uitgegraven geul voor een aquaduct'. Het is dus een van de weinig plekken met zichtbare Romeinse sporen. Daaruit kunnen we concluderen dat op al die andere plekken dus geen zichtbare Romeinse sporen te vinden zijn. Dan blijkt nogmaals zonneklaar dat het Romeins in Nederland weinig heeft voorgesteld, precies zoals W.A.van Es dat al schreef in 1980. Het betreft hier slechts een geul. Diep uitgegraven? Hoe weet men dat? Zijn er graafsporen uit de Romeinse tijd gevonden? Het zal een door regenwater ontstane greppel zijn, zoals die op zoveel plaatsen in Nederland voorkomen. Uit de dikte van de bomen is op te maken dat het zo'n 20 á 30 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Niks Romeins dus, gewoon een 'holle' weg, ontstaan door regenwater dat ter plaatse naar beneden stroomt. Dat het een Aquaduct zou zijn is pure fantasie bij gebrek aan enig bewijs: duimzuigerij dus. Het geheel is kompleet nep. Zie ook de Volkskrant van 27 juni 2014.

  3. Het verhaal op p.141 begint met Julius Caesar en de verovering van Galia, de strijd tegen de Eburonen en de verspreiding van munten (staters) (volgt op p.134/135). Dat de legers van Julius Caesar halverwege de eerste eeuw v.Chr. tot in Zuid-Nederland zijn opgetrokken en of ze ook echt op Gelders grondgebied hebben rondgelopen, is twijfelachtig (p.141). Het is niet alleen twijfelachtig, maar volkomen uitgesloten dat de legers van Caesar tot in Nederland zijn gekomen. In België is van hen geen spoor gevonden, laat staan in Nederland. Lees meer over Caesar in Nederland? Deze staters worden via een cirkelredenering gekoppeld aan de Eburonen, die daarmee geplaats worden in het gebied waar deze munten gevonden werden. Het kaartje op p. 135 geeft dat precies (ongeveer?) zo weer. Dat deze staters ook in heel Midden-Europa en ook in Westelijk Frankrijk gevonden zijn, wordt dan wel vermeld, maar op het kaartje niet getoond. Deze staters zijn ook in grote hoeveelheden gevonden in Amiens en Soissons (staan niet op dit kaartje). De conclusie kan dus net zo goed zijn dat de Eburonen in Noord-Frankrijk gewoond hebben. Neen, de Eburonen blijven aan Limburg gekoppeld, immers dat was al door de traditie zo bepaald. Van 'Eburoonse nederzettingen' is overigens nergens iets gevonden. Historici en archeologen laten muntjes een woonplaats bepalen. Hoe mager is zo'n bewijs, dat slechts bestaat uit verplaatsbare en verhandelbare relicten? Als ik ergens in Nederland 2 Spaanse euromunten vind, ben ik dan in Spanje? (Onbenullig voorbeeld, maar snapt U de redenering die archeologen wel hanteren met betrekking tot staters?)

  4. Ongetwijfeld op uitnodiging van de Romeinen migreerde een groep Chatten uit Midden-Duitsland naar de Betuwe en vermengde zich hier met de lokale bevolking (noot 1). Het mengvolk zou bekend worden onder de naam Bataven. (p.141). In noot 1 wordt verwezen naar p.134-137. Wat daar te lezen valt tart elke wetenschappelijke historische kennis. Hier is sprake van de grootste klucht! Hoe is het mogelijk dat toch bestudeerde mensen (historici kan ik hen beter niet noemen) zoveel onzin bij elkaar kunnen schrijven. Wel begrijpelijk als je dit verhaal baseert op wat Nico Roymans zoal geschreven heeft. Onbegrijpelijk dat anderen hem klakkeloos volgen! Deze 4 pagina's (3 pagina's tekst) vragen om een nadere toelichting, die we ook uitgebreid geven, juist om aan te tonen waarop tegenwoordige historici hun opvattingen baseren. Lees meer over pagina 134-137.

  5. In 19 v.Chr. of kort daarna kwam een deel van deze legioenen aan op de Hunnerberg in Nijmegen-Oost, waar ze legerkamp optrokken (p.141). Over het jaartal 19, of 16, 12 of 10 v.Chr. bestaat al sinds jaar en dag discussie. In de Kapel op Het Valkhof wordt als eerste het jaar 10 v.Chr. genoemd van Romeinen op Het Kops Plateau. Zie afbeelding hiernaast. Het gaat hier niet over welk jaar nu juist is, maar over de discussie en de twijfel die bestaat. Centrale vraag is dan ook (wat ook geldt voor zoveel andere opvattingen): "Welke argumenten gebruikt men om een bepaalde opvatting te onderbouwen?" En begin geen woordspelletjes over het verschil tussen Hunnerberg en Kops Plateau. Die lagen naast elkaar, waarbij de Hunnerberg zelfs iets noordelijker lag. Zie afbeelding hiernaast (onder). Lees meer over de jaren 19,16, 12 of 10 v.Chr.

  6. De reden waarom de Romeinen naar het uiterste noorden zijn gestuurd zal te maken hebben gehad met het verlangen controle te krijgen over de Germaanse volkeren aan de andere kant van de Rijn (lezen we op p.141). Te maken hebben gehad? Wiens verlangen? Welke volkeren? Wisten ze überhaupt van het bestaan van die volkeren? Waarom dan al in 19/16/12/10 v.Chr. als de Romeinen pas na het jaar 40 langs de Rijn forten gaan bouwen? Volgens zowel A.W.Byvanck, als W.A. van Es bestond er geen enkele dreiging van volkeren over de Rijn. Daar woonden 'niemand' volgens hen. De later genoemde 'Grote Volksverhuizing' heeft ook nooit plaats gevonden. De veel genoemde Germaanse volkeren woonden allang binnen het Romeinse Rijk ten zuiden en westen van de Rijn, wat de landstreken Germania Inferior en Germania Superior al overtuigend aantonen.

  7. De plannen om het vrije Germanië in te lijven kwamen op een lager pitje te staan. In de jaren 14-16 volgden wraakcampagnes, deels vanuit Nijmegen en de Betuwe. Over de campagne in het jaar 15 schrijft de Romeinse historicus Tacitus dat duizend schepen werden gebouwd en dat ze zich verzamelden in de Betuwe (p.144) Noot 5.
    We komen hier tot de essentie van de traditionele opvattingen. De Nederlandse historici laten de 'wraakcampagnes' van de Romeinen vanuit Nijmegen en de Betuwe vertrekken, de Duitse historici vanuit Keulen en Xanten. Wie heeft er nu gelijk? Er wordt een situatie genoemd naar aanleiding van de klassieke teksten, in dit geval van Tacitus, Jaarboeken II, 6, waarbij dan vervolgens wordt aangegeven dat dit 'overdreven' is. Ofwel de historici menen het beter te weten dan Tacitus. Wat is echter de situatie? Men beseft zich terdege dat dit gebeuren zich niet kan hebben voorgedaan in of bij de Betuwe. Waar bouw je bij de Betuwe duizend schepen? Het genoemde 'eiland van de Bataven' lag dus elders. Misschien in de buurt waar Julius Caesar eerder duizend schepen bouwde voor zijn oversteek naar Britannia? En dat was bij Boulogne in Frans-Vlaanderen, het gebied van zowel de Saksen, als de Friezen en de Menapiërs die ook Bataven werden genoemd.
    Vraag is ook of de historici de hele tekst vanaf vers 5 tot 9 in dit Jaarboek gelezen hebben. Als je de geografische details op een rijtje zet, past dit niet in Nederland en/of Noord-Duitsland. Blijkbaar hebben historici geen atlassen.


    Er wordt het volgende geschetst: met duizend schepen willen de Romeinen hun legioenen met proviand en paarden transporteren en de cavalerie via de Oceaan en de mondingen van de rivieren in het hart van Germanië aankomen. Zie het kaartje op p.144. Volg de pijlen. Het Bataveneiland was gekozen als verzamelplaats, wegens het gemak waarmee daar aangelegd kon worden en de geschiktheid om troepen te herbergen en het krijgsterrein over te brengen naar de andere oever. Dat hart van Germanië wodt in vers 7 genoemd, namelijk het betreft het gebied van de Chatten (zie B op het kaartje). Welke rivieren worden hier dan bedoeld? In vers 8 worden de Eems en Wezer genoemd. Via het naar Drusus genoemde kanaal ging men over meren en de Oceaan naar de Eems. De zeereis verliep voorspoedig, maar de troepen bleven in de Eemsmondig liggen. Er werd veel tijd verloren met het slaan van bruggen. Die bruggen zijn overigens archeologisch nooit gevonden aan de Eems. Men had er wel last van de getijden en slikken en de hulptroepen waaronder Bataven, werden door de golven verzwolgen. Wat wordt er over de Renus, Mosa en Vahalem geschreven? Want de Rijn stroomt voortdurend via één bedding of aan weerszijden langs kleinere eilanden maar splitst zich bij het begin van het Bataafse grondgebied als het ware in twee stromen en hij bewaart zijn naam en onstuimige loop waar hij langs Germanië stroomt tot hij in de Oceaan uitmondt; aan de Gallische oever is zijn stroom breder en rustiger [de oeverbewoners noemen hem met een andere naam 'Waal'], daarna gaat ook deze naam in de rivier 'Maas' over en via de geweldige monding hiervan stort hij zich in dezelfde Oceaan uit. De vertaler van deze tekst (B.Bijnsdorp) plaatst Waal en Maas tussen aanhalingstekend. Spreekt daar al zijn twijfel uit? Waar zijn die kleinere eilanden voordat de Rijn zich splits bij het Bataafse grondgebied? Wat wel duidelijk is dat je door deze rivieren wel in de Oceaan komt, maar niet in hartje Germanië in het gebied van de Chatten. Via de Noordzee en de Eems en Wezer kom je beslist niet in hartje Germanië, wat historici ons wel willen laten geloven? Het is een grote omweg om vanuit Nijmegen (?) in het gebied van de Chatten te komen. Waarom zouden de R|omeinen vanuit Nijmegen naar de Chatten getrokken zijn? Waarom niet vanuit Keulen of vanuit Mainz? Het geeft nogmaals aan dat de traditionele opvattingen aan alle kanten rammelen en er weinig van klopt. Lees meer over de rivieren, de Waal en de

    In vers 5 schrijft Tacitus dat de Gallische gebieden het beu waren steeds maar paarden te moeten leveren; zijn lange legertros was een buitenkans voor hinderlagen en een hopeloze opgave voor verdedigers. Maar als ze de zee op zouden gaan, zou de inbezitneming gemakkelijk zijn en onopgemerkt voor de vijanden, tegelijk zou de oorlog vroeger begonnen kunnen worden en de legioenen en de proviand samen vervoerd kunnen worden; de ruiters en hun hun paarden zouden nog fris via de mondingen en beddingen van de rivieren midden in Germanië opduiken. Ziet U dit voor zich? Bekijk het eens in een atlas of op bijgaand aangepast kaartje (zie afbeelding hiernaast; klik op de afbeelding voor een vergroting).Volg de pijlen op dit kaartje die de route die Germanicus met zijn vloot afgelegd heeft om bij de Chatten (B) te komen. De vraagtekens staan bij de Eems en de Wezer. Bij A is de plaats van de Varusslag aangegeven, dat op zo'n 250 km van de Chatten ligt.
    Tongeren, ook op deze kaart, werd pas door de Romeinen bereikt in 7 vóór Chr. Keulen is archeologisch niet ouder dan 50 Chr. De Romeinse wegen op dit kaartje geven eveneens een vertekend beeld. Die bestonden nog lang niet rond het begin van de jaartelling. De Romeinen zouden volgens de traditionele opvattingen eerder in Nijmegen geweest zijn dan in Duitsland of in het noordelijk deel van Gallië? Dit kaartje geeft wel juist aan dat de Romeinen via Duitsland in Nijmegen aankwamen. De weg die hier te zien is van Boulogne naar Keulen is de werkelijke Limes uit de tweede helft van de derde eeuw toen de Romeinen Nederland verlaten hadden. Deze Limes lag niet in Nederland, maar op de taalgrens. Lees meer over de taalgrens. Het is duidelijk dat met dit en andere kaartjes (p.161 en p.166) de geschiedenis gemanipuleerd wordt in de richting van de traditionele opvattingen. Zolang er geen archeologische bewijzen zijn gevonden dat de Romeinen (met meerdere legioenen!) in Noord-Duitsland geweest zijn en er geen kampen gevonden zijn (de Romeinen bouwde dagelijks een nieuw kamp), blijft dit verhaal een mythe. Het is een hardnekkige mythe waarvan elke historicus weet dat het niet juist kan zijn geweest, maar men 'bedachtzaam' over zwijgt. Immers toegeven aan de valsheid van deze mythe houdt in dat de geschiedenis van Romeins Nederland herschreven moet worden. Dat herschrijven is al gedaan en wel door Albert Delahaye. Hij plaatst dit hele verhaal in Frans-Vlaanderen, aangegeven met de letter C, waar het in noordelijk deel van Gallia gebeurd en op aannemelijke schaal. Bedenk ook dat Drusus, die stadhouder in Gallia was, zijn werken begon met het bouwen van bruggen tussen Boulogne en Gessoriacum (=Le Portel, het tegenover Boulogne liggende schiereiland), waar hij een grote werkhaven met opslagplaatsen aanlegde. Dààr lag het beginpunt van zijn linie en de aanleg van de vele forten tegen het binnendringen van Germaanse stammen. Deze forten zijn in Nederland of Duitsland nooit gevonden. De rivieren Albis, Amisia en Wisurgis, waarlangs de linie verder liep, waren de Franse Aa, de Hem en de Lys en niet de Elbe, Eems en Weser. Lees daarvoor Germania van Tacitus.
    Het verhaal dat hier ook verteld wordt is dat de broers Arminius en Flavius. Lees meer over bij Teutoburg.


  8. Waarschijnlijk is dit aantal overdreven, maar ook de bouw van minder schepen zou al een behoorlijke impact hebben gehad. Bij het Traianusplein in Nijmegen vonden archeologen enkele tijdelijke kampen uit deze periode, kennelijk bedoeld als verzamelplaats van troepen (p.144) noot 6. In noot 6 wordt verwezen naar 'Willems, W. e.a. (red.), Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland, deel 1, Prehistorie en oudheid (Wormer 2005)'. Maar wat schrijft Willems? Wat betreft de functie bestaan er drie interpretaties. De oudste is dat het kamp, gezien zijn ligging, diende ter bescherming en wellicht ook ter controle van de burgerlijke nederzetting Oppidum Batavorum en de handelsactiviteiten daar. Het Kops Plateau lag daarvoor natuurlijk veel te ver naar het oosten. Als dat inderdaad de functie was, dan moet de situatie nog tijdens de regering van keizer Tiberius zodanig verbeterd zijn dat het kamp, waar gemakkelijk een cohort (ca. 500 man) in gelegerd kan zijn geweest, al snel weer kon worden opgeheven. Een tweede, meer recente interpretatie is dat de bezetting van het kampement tot het leger van Germanicus behoorde, die tussen 13-16 verschillende veldtochten organiseerde tegen de Germanen aan de overzijde van de Rijn. Ten slotte is er nog een derde mogelijkheid, namelijk dat het kamp verband houdt met de formele stichting van Oppidum Batavodurum in 17 na Chr. Daarvoor benodigde menskracht zou dan door hier gelegerde soldaten geleverd kunnen zijn. Het zou dus kunnen zijn! Hoeveel zekerheid spreekt hieruit?
    Deze drie mogelijkheden geven precies aan hoe de Romeinse geschiedenis van Nijmegen tot stand kwam: het is gewoon 'giswerk' op grond van twijfel. Mogelijkheid 2, wat dus een interpretatie is, zou hier van toepassing zijn. Een mogelijkheid is dus onzekerheid waaruit twijfel spreekt. Maar dit wordt in het Verhaal van Gelderland gepresenteerd als zekerheid, wel met het woord 'kennelijk'. Hoezo kennelijk? Waaruit blijkt dat we dat kennen?
    Dat Germanicus vanuit Nijmegen op zou rukken naar Germanië is een mythe. Germanicus trok op naar de Chatten en herstelde de grafheuvel van Varus die door de Chatten verwoest was. Maar de Varusslag vond toch plaats in/bij Osnabruck? Dat is wel zo'n 250 km van het gebied waar men traditioneel de Chatten plaatst (zie kaart). Lees meer over de Varusslag. Opmerkelijk is ook dat hier genoemd wordt dat het Oppidum Batavodurum pas in 17 ná Chr. gesticht zou zijn. Daarmee vervalt een stichting in 20/19/16 of 10 vóór Chr.


  9. Op pagina 145 wordt de 'godenzuil' getoond en besproken. Er worden helaas weer enkele voorbarige conclusies uit getrokken, zoals 'het belang van Nijmegen'. Er wordt dan wel bij vermeld dat die zuil 'elders' gemaakt moet zijn. Dat laatste is uiteraard vanzelfsprekend, aangezien de steensoort (kalksteen) in de buurt van Nijmegen niet voorkomt. De zuil is dan ook versleept. De twee nog bestaande blokken zijn gevonden in een laat-Romeinse gracht. De vragen die te weinig gesteld worden zijn: "Waar is de rest van deze zuil?" en "Hoe kwamen deze brokstukken in Nijmegen terecht?" Kwamen die in Nijmegen terecht zoals zoveel andere Romeinse artifacten? Als je de reconstructietekening op deze pagina bekijkt, is slechts een kwart van de vermeende zuil in Nijmegen terecht gekomen. En wat bewijs je met 25% van een overblijfsel zolang niet de overige 75% gevonden is? Niets toch? Duidelijk is wel dat met deze toevallig ter plaatse gevonden brokstukken niets te bewijzen valt ten gunste van Nijmegen en al helemaal niet voor de aanwezigheid van Trajanus in Nijmegen of voor Nijmegen als oudste stad.

  10. In tegenstelling tot wat de naam suggereert, was er weinig Bataafs aan Oppidum Batavorum. Het stadje zag er Romeins uit en archeologen vonden nog weinig aanwijzingen dat de inwoners van Bataafse oorsprong waren. Wat was de functie dan wel? Het idee van zo'n hoofdstad past in de administratieve indeling van dit noordelijkste gedeelte van Gallië. De Romeinen hechtten grote waarde aan administratie, om praktische, bestuurlijke, fiscale en juridische redenen. Ergens rond 20 v.Chr. zal de Romeinse overheid het Bataafse gebied hebben afgebakend, de latere Civitas Batavorum. De Bataven woonden vooral in de Betuwe, met name in de omgeving van Tiel en Rossum. Ze hadden geen versterkte nederzetting op een heuvel, een oppidum, zoals de meeste andere Keltische volkeren. Wellicht hadden de Romeinen het idee van zo'n oppidum voor ogen toen ze de Bataafse hoofdstad aanlegden op de dichtstbij gelegen hoge plek, onder de rook van de militaire kampvuren van het Kops Plateau. Maar de Bataven waren in eerste instantie niet te vermurwen met stedelijke perspectieven en bleven wonen in hun boerderijen op het platteland. Ze leverden weliswaar trouw hulpsoldaten aan het Romeinse leger, maar de eerste tientallen jaren vertikten ze het om al te veel te integreren (p.145-146).
    Gaat men in Nijmegen nu eindelijk inzien wat Albert Delahaye altijd al geschreven heeft? Wat hier geschreven wordt is niet alleen zeer verhelderend, maar lost ook enkele problemen op, tenminste als men de Betuwe, Tiel en Rossum schrapt. Dat de Romeinen al in 20 v.Chr. in Nederland waren is een farce. Ze waren al wel in noordelijkste deel van Gallië, precies zoals Tacitus schreef waar de Bataven zich vestigden. Het oppidum van de Bataven was gelegen op de Castberg te Cassel (hoogte 164 meter, met een fenomenaal uitzicht over het West-Vlaams heuvelland), dat het Castellum Menapiorum van de Menapiërs was. Van een Oppidum Batavorum is in Nijmegen nooit sprake geweest. W.Willems heeft er ook lang naar gezocht, maar zijn conclusie was 'we hebben het niet gevonden'. Dan houdt toch ook deze mythe op?

  11. Op p.147 en 149 wordt over het watermanagement van Drusus geschreven. In de tekst staat dat 'volgens Romeinse bronnen' Drusus een strekdam aanlegde in de Rijn en worden Waal, Eems, Elbe en zelfs de Waddenzee en de Utrechtse Vecht genoemd. Dan zou ik toch graag zien welke Romeinse bronnen hier bedoeld worden. Een verwijzing naar die Romeinse bronnen ontbreekt en dat is precies het probleem bij alle geschrijf over Romeins Nederland. Immers, nergens in de Romeinse bronnen staan de tegenwoordige namen. Dat zijn dus allemaal hypothesen, ofwel eengenoemen nog te bewijzen opvattingen. In noot 10 wordt verwezen naar Jan Verhagen die er een dissertatie over hield aan de VU in 2022. Nu kennen we Jan verhagen al langer die immers Castra Herculis in Nijmegen plaatste bij zijn dissertatie over de Peutingerkaart. Lees meer over Jan Verhagen. De Romeinse bronnen die over de 'fossa Drusiana' gaan, zijn te vinden bij Florus, Epitame II, 30 en bij Tacitus, Annalen II, 8. Daar lees je niets over de Utrechtse Vecht (een eerdere opvatting dat het de Gelderse IJssel zou zijn geweest wordt dus al als onjuist los gelaten), of over de Waddenzee. Wel over de Oceaan, maar dat was bij de Romeinen de Atlantische Oceaan en beslist niet de Waddenzee of de Noordzee.
    Het grootste misverstand is dat archeologen en historici de Romeinse water- en wegwerken op het niveau van het huidige maaiveld veronderstellen. Dat wordt tegengesproken door de Romeinse resten die gevonden worden tot wel op zeven meter diep. Op de foto hiernaast zijn resten van een Romeinse weg te zien, die gevonden werd in Vleuten-De Meern. Ze liggen op ruim 2 meter diep. Zouden de Romeinen hun wegen onder de grond gestopt hebben? Of was het maaiveld toen veel lager gelegen? Dit houdt ook in dat de Drususgracht en andere waterwerken (Corbulo-gracht) niet op het huidige niveau van rivieren gelegen kan hebben. De waterwerken lagen toch lager dan de wegen. Dat is op deze foto ook te zien. Op de voorgond zijn scheppsdelen te zien die hier eveneens te zien zijn. Die scheepsdelen liggen lager dan de weggedeelten. Zie ook het verhaal onder punt 7 hierboven, waar de veronderstelde veldtocht van Germanicus beschreven wordt. Het zou een onmogelijke omweg geweest zijn op het gebied van de Chatten te bereiken. Lees meer over de kanalen van Drusus en van Corbulo en over de transgressies en laag Nederland

  12. De aanwezigheid van de Romeinen in (westelijk) Europa 'kwam voort uit een onweerstaanbare drang om de wilde natuur te temmen en een uiterst praktische instelling' (p.149). Bij welke klassieke schrijver heeft Paul van Heijden, de auteur van dit hoofdstuk, dit nu weer gelezen? Kwam die expansiedrift niet voort uit wat we nu kolonialisatie noemen, waarbij het ging om grondstoffen (tin in Brittannia) en slaven voor al hun bouwwerken. Van der Heijden somt nog enkele wetenswaardigheden op die toch om de nodige uitleg of discussie vragen, zoals:
    1. Verkenningen in het westen en noorden van het latere Nederland, gecombineerd met de af en toe moeizame verplaatsingen in dit drassige terrein, zullen de Romeinse interesse in dit gebied niet hebben vergroot: hier viel letterlijk en figuurlijk niet veel te halen. Archeologisch is ook vastgesteld dat de Romeinen nauwelijks ten noorden van de Rijn geweest zijn. Zouden ze dan wel via de Utrechtse Vecht en Waddenzee naar de Eemsmond getrokken zijn?
    2. Tacitus, die in onze streken is geweest, doet er behoorlijk schamper over. Dat Tacitus in onze streken geweest zou zijn is een compleet onjuiste veronderstelling. Lees nu eens alles wat Tacitus daarover zelf schrijft en pik er niet één zin uit. Tacitus is nooit boven de taalgrens geweest, zoals hij ook zelf duidelijk schrijft. Lees meer over Tacitus.
    3. Kennelijk was de drang om hier beschaving te brengen gering. Door het gebrek aan grondstoffen als zink, zilver, tin, koper en goud was het ook economisch geen interessant gebied. Hier wordt de ware reden van de expansiedrift van de Romeinen genoemd. Het ging hen slechts om grondstoffen, maar ook om graan dat vanuit Brittannia werd 'geroofd'. Overigens trok Julius Caesar naar Brittannia vanwege een wraak op de Angelsaksen, die de Saksen op het vaste land te hulp waren gekomen in hun strijd tegen de Romeinen. Dus niet vanwege een drang om de natuur te temmen (hoe doe je dat?) of om beschaving te brengen, wat uiteraard een gotspe is.
    4. Kennelijk vonden ze het ook geen bedreiging, want de Rijn werd ter hoogte van de Veluwe nauwelijks beschermd, in tegenstelling tot het westen met zijn ontoegankelijke veenmoerassen Let ook hier weer op het gebruik van het woord 'kennelijk'. Daaruit blijkst slechts dat het om speculaties gaat. Wat hier ook vastgesteld kan worden is dat er van over de Rijn geen enkele dreiging van Germaanse stammen bestond, zoals ook A.W.Byvanck al in 1942 vaststelde. Lees je klassieken! Daarmee vervallen enkele cruciale uitgangspunten van Romeins Nederland, met name ten aanzien van de Bataven, de Friezen en andere stammen die men graag in Noord-Nederland of in Duitsland plaatst. Germania Inferior lag ten zuiden van de Rijn: zie de historische atlassen die dat heel juist afbeelden.
    5. Plinius de Oudere geeft in zijn Naturalis Historie als een van de eersten een landschappelijke beschrijving van het latere Nederland (p.149). Plinius geeft geen beschrijving van Nederland, maar van het landschap in Frans-Vlaanderen, waar het landschap precies overeenkomt met Nederlands Friesland. Enkele details bestaan er nog steeds, zoals de 'watergangs'en de 'terres flottantes' (drijvende eilanden), wat ook het woongebied van de Stadingi was. Lees daar meer over bij Plinius.
    6. Zulke mooie beschrijvingen ontbreken voor het Rivierengebied, maar dankzij archeologisch onderzoek is het wel mogelijk een beeld te schetsen. Het was een zeer afwisselend landschap, voor een groot deel nat en deels onbegaanbaar, maar ook vruchtbaar (p.150). De verondestelling die hier wordt gevolgd is dat Plinius wel Friesland beschreven zou hebben, waar geen Romein is geweest, maar niet Zuid-Holland, waar de Romeinen wél verbleven. Let vooral op dat nat en deels onbegaanbaar. Het houdt in dat de Romeinen steeds een strijd tegen het water hebben moeten voeren en het tenslotte (om de woorden van prof.D.P.Blok te citeren) het maar hebben laten gaan en uit Nederland vertrokken zijn.

  1. Het ontstaan van de Limes (p.150 e.v.) is een interessant en onthullend verhaal van Paul van der Heijden. Het geheel is ook wel een eerlijk verhaal, waar bij Van der Heijden de nodige twijfel te lezen is. Maar het geeft goed weer hoe de traditionele opvattingen ontstaan zijn en nog steeds blijven bestaan, namelijk door onjuist gelezen klassieke teksten, door aannamen en veronderstellingen, aangevuld met bevindingen zoals die elders in het Romeinse Rijk plaats vonden. Blijkbaar is dat de geëigende en geaccepteerde manier van geschiedschrijving bij meerdere 'deskundigen'. Zo wordt de vorm en uitvoering van het Romeinse kamp in Ruffenhofen in Duitsland (afbeelding p.153) één op één geprojecteerd op Nederland, hoewel de archeologische bewijzen daarvoor te kort schieten of zelfs ontbreken. De standaardopbouw die hier genoemd wordt bij deze afbeelding, is in Nederland nergens aangetoond, wat ook erkend wordt door Van der Heijden onderaan p.150 met: 'De limes had niet overal hetzelfde uiterlijk'.

    We volgen hierna de tekst van p.150 t/m p.162 met letterlijke citaten: Let vooral op de door mij onderstreepte woorden en zinsdelen, waarna enige opmerkingen en vragen volgen. Hopelijk kan Paul van der Heijden deze vragen beantwoorden.

    1. Caligula (37-41) is waarschijnlijk in hoogsteigen persoon de Rijn afgevaren; in Vechten en het Zuid-Hollandse Valkenburg zijn planken van wijnvaten uit zijn privévoorraad gevonden, zoals keizerlijke merktekens suggereren. Of Caligula in Nederland is geweest is dus slechts gebaseerd op een suggestie. Er is geen direct bewijs. De 'planken' van wijnvaten betreft slechts één plank waar een tekst op staat die geïnterpreteerd worden als zijnde van Caligula. Zie afbeelding hieronder (bron: AiN Jaargang 4 nr 4 BW (dec 2020) 2-11.pdf). Gaat het hier over Caligula? Wat is de betekenis van het 'Mior B Alon'? Daar schrijven Wouter Vos en anderen, de auteurs van dit artikel, niets over. Wel schrijven ze dat het 'wellicht' en 'niet uitgesloten' is geweest, maar dat er geen harde bewijzen zijn en dat er speculaties over de plek van deze historische gebeurtenissen zijn. Lees meer over dit artikel uit Archeologie in Nederland. Nu er ook bij Velsen een wijnvat gevonden blijkt te zijn, niet uit de tijd van Caligula maar uit rond 29 na Chr., vervallen ook al deze speculaties. Dus we hebben een duig van een wijnvat gevonden bij Valkenburg. Is dat het enige om aan te tonen dat het Caligula in Nederland was? Wel een erg mager bewijs, zoals ook Wouter Vos en mede auteurs aangaven in hun artikel. Hadden andere keizers onderweg dan nooit dorst? En sjouwden die hun eigen wijn niet mee, maar dronken zij Franse wijn? Zie ook de volgende punten over Caligula's aanwezigheid in Nederland.
    2. Hij liet zijn soldaten als oorlogsbuit schelpen verzamelen. Of die beschrijving waarheidsgetrouw is, valt niet te controleren. Ook niet waar hij dan precies op het strand zou zijn geweest. Dit gebeuren valt wel te controleren als je over de grens kijkt. De Franse literatuur is daar wel duidelijk over. Dit vond plaats in Frans-Vlaanderen aan de kust van het Kanaal, waar in Boulogne-sur-Mer vele eeuwen de bekende en door hem gebouwde "Phare de Caligula" of "Tour d'Ordre" heeft gestaan.

    3. Caligula trof voorbereidingen voor een grootschalige campagne, zoals blijkt uit de aanleg van verschillende forten langs de Rijn. Uit deze tijd dateert ook het vermoedelijke limesfort in de Loowaard bij Duiven en werd de versterking op het Kops Plateau in Nijmegen tot een ruiterfort verbouwd. Welke forten dat waren wordt onder punt 13.6 vermeldt: het blijkt met de nodige vraagtekens om slechts drie (?) forten te zijn gegaan. Loowaard is slechts gebaseerd op een vermoeden, dus telt niet mee.

    4. Maar de belangrijkste aanwijzing is de exacte datering van een van de houten palen, dat met de bouw van dit fort is begonnen in de lente van het jaar. Hier is sprake van een cirkelredenering naast een aanname op grond van een dendrochronologische datering. De kapdatum is nooit gelijk aan de datum van gebruik van die paal. Het gaat dus slechts oom één van de palen? Hoe zit het met de rest?

    5. Of Caligula werkelijk naar Brittannië wilde, is niet met zekerheid te bepalen. Waar gaat het dan over, anders dan over onzekerheid, die voortkomt uit de gedachtenspinsels van historici?

    6. De Rijnforten kregen echter te maken met piraterij door de Chauken, waarna Claudius zijn generaal Corbulo erop afstuurde. In 47 trokken de Romeinen zich terug en werd de Rijn de Romeinse Rijksgrens. Over welke Rijnforten gaat het hier? Op p.151 schrijft Van der Heijden dat er in de eerste helft van de eerste eeuw slechts 4 Rijnforten bestonden: Bijland-Herwen, Meinerswijk, Vechten en Velsen (was dat een Rijnfort? Ligt Velsen aan de Rijn? Topografie blijkt bij veel historici een weinig ontwikkeld gebied).

    7. Het leger trok zich nu terug in de nieuwe forten langs de Rijn. Hoeveel nieuwe forten waren dat in 47 na Chr.? Drie? Zie hierboven. Of waren dat de 50 forten die Drusus bouwden langs de Rijn, maar die nooit gevonden zijn in Nederland. Zie hierboven onder punt 7.

    8. Veel archeologen zien dat moment als het startpunt van de Romeinse rijksgrens, de limes. Veel archeologen? Dus niet allemaal? Wie dan wel en wie niet? En hoe zit het met zien dit? Op grond waarvan wordt dit gezien? Maar hoe denken de historici erover? Het is natuurlijk uitermate discutabel als archeologen geschiedenis gaan schrijven. Zij dienen zich bezit te houden met opgraven en technisch onderzoek. Ook hier wordt de term 'Limes' onjuist gebruikt. Het is een term, niet van de Romeinen maar van 19e eeuwse Duitse historici die er de grens uit de 4de eeuw, die op de taalgrens lag, mee bedoelden en dat was niet langs de Rijn.

    9. De verhoogde militaire activiteit leidde tot de bouw van versterkingen aan de Rijn. Of de Romeinen deze versterkingen toen al zagen als permanente verdediging van de grens, valt te betwijfelen. Pas enkele generaties daarna zou keizer Domitianus (81-96) een begin maken met de structurele afbakening van de limes, later gevolgd door grootschalige projecten onder Traianus (98-117) en Hadrianus (117-131). Enkele generaties daarna? Hoeveel generaties en hoeveel jaren omvat een generatie? Dertig? Dat de Rijn een grens was ter verdediging, is een nu toch wel achterhaalde opvatting. Lees daarover meer in Archeobrief 1 van maart 2008.

    10. Een keten van forten. De limes had niet overal hetzelfde uiterlijk. Dat blijkt ook wel uit de opgegraven forten en nederzettingen. Zwammerdam had een totaal ander uiterlijk dan Valkenburg. Het spreekt ook die aangenomen eenduidigheid tegen, zoals op p.153 met Ruffenhofen wordt verondersteld. Zie punt 13 hiervoor.

    11. De Neder-Germaanse limes van Remagen tot Katwijk, is sinds juli 2021 opgenomen op de UNESCO-lijst van Werelderfgoed. Het blijft de vraag in hoeverre een tijd van onderdrukking, moord, doodslag en slavernij als Wereld-erfgoed behouden zou moeten blijven. Tacitus omschreef het al haarfijn met "De Romeinen zijn de rovers en plunderaars van deze wereld".

    12. De Neder-Germaanse limes is zeker niet in één keer aangelegd: het duurde bijna een eeuw voordat ze haar definitieve vorm kreeg. Er is bovendien een groot verschil tussen de delen ervan. Dit is de bevestiging van het hiervoor gestelde. Er was geen sprake van een eenduidige uitvoering van de forten langs de Rijn. Die waren allemaal verschillend en kwamen ook allemaal uit een ander tijd, wat in de traditionele geschiedenis nooit benadrukt wordt. Waarom wordt dat verzwegen? Het geeft een totaal ander beeld van die zogenaamde dichte grens. Wat wordt verstaan met de definitieve vorm?

    13. ...de potentiële dreiging van Germaanse volkeren. Het is door meerdere historici vastgesteld (o.a. door A.W.Byvanck) dat er in Nederland geen enkele dreiging van Germaanse stammen vanaf de overkant van de Rijn heeft bestaan. Daar woonden niemand, wat Van der Heijden ook bevestigt op p.152 dat er geen sterveling woonde, en dus ook geen Friezen en Chauken. Zie punt 6 hierboven en punt 13.r. hierna.

    14. De Romeinen beschouwden die rivieren als de meest strategische en toegankelijke toegangswegen naar de binnenlanden van Germanië - en andersom waarschijnlijk als de gevaarlijkste plekken voor eventuele Germaanse invallen. Die invallen zijn er nooit geweest. De Germanen woonden al lang binnen het Romeinse Rijk, zoals de districten Germania Inferior en Germania Superior al aangeven.

    15. Het fort bij Herwen lag bij het splitsingspunt van Rijn en Waal, zo valt af te leiden uit een combinatie van archeologische en historische bronnen. Een hier gevonden grafsteen van Marcus Mallius meldt de naam 'Carvium ad molem' (Carvium bij de dam), wat aansluit bij de vermelding van Tacitus dat hier een dam lag die het water tussen Rijn en Waal verdeelde. Het is daarbij overigens de vraag of dit fort precies op het splitsingspunt lag: recent onderzoek toont aan dat de Rijn een kilometer meer noordoostelijk stroomde. Het fort lag dus niet op de zuidoever van de Rijn, zoals de meeste andere forten, maar op de noordoever van de Waal. Gelukkig corrigeert Van der Heijden hier zichzelf. Het fort lag dus niet aan de Rijn. Bovendien schrijft Tacitus nergens over Rijn of Waal. Dat zijn interpretaties. Als de Waal dat toch de Patabus van de Peutingerkaart was, dat niet meer is, komen we met veel traditionele opvattingen in de problemen, zoals ook uit het volgende citaat blijkt. Lees meer over Carvium ad Molem en de grafsteen van Marcus Mallius.

    16. De IJssel zou pas eeuwen later een omgekeerd verloop krijgen en als zijtak van de Rijn gaan afwateren in het Flevomeer. Deze opmerking houdt dus in dat de IJssel in de Romeinse tijd niet de derde Rijnmond geweest was, wat altijd wel de traditionele opvatting was. Het betekent ook dat de geschiedenis van Zutphen en Deventer herschreven zal moeten worden. Dat een zijtak van de Renus afwaterde in het Flevum is geheel juist, als je onder Renus maar de Schelde verstaat en het Flevum als voorloper van het Almere in Frans-Vlaanderen beschouwd. Lees meer over de Gelderse IJssel, het Flevum en Almere.

    17. Een derde versterking in Gelderland lag iets meer landinwaarts, op het Kops Plateau bij Nijmegen, maar de precieze functie en de relatie tot de limes zijn nog onduidelijk. Dit is een erg onthullende opvatting van Van der Heijden. Er is de loop van de geschiedenis in Nijmegen heel wat geschoven met de functie van het Kops Plateau. Het was in elk geval nooit het Oppidum Batavorum zoals W.Willems al vaststelde. Lees meer over het Kops Plateau.

    18. In Nederland bouwden de Romeinen ten westen van Vechten maar liefst zeven castella, de grootste concentratie forten uit het hele Romeinse Rijk. En dat op een plek waar geen sterveling woonde. Een eenduidige verklaring is nog niet gevonden. Zolang die verklaring, al of niet eenduidig, niet gevonden wordt, blijft het speculeren, wat dan ook volop gedaan wordt, helaas ook door Van der Heijden. Hij noemt liefst zeven forten, maar op het kaartje op p.166 worden er 8 getekend. Zelf tel ik er tien (10!) in de literatuur. Welke forten tellen bij Van der Heijden niet mee? Erik Graafstal heeft er ook een andere opvatting over als hij in Archeologie Magazine nr.6 van 2002 opmerkt: "De eerste hoofdstukken van de vaderlandse geschiedenisboekjes kunnen we gelijk herschrijven". Zie ook het artikel van Graafstal in Archeobrief 4 van dec.2008. Van der Heijden noemt Katwijk als laatste castellum (zie punt 13.11), was het dan niet Leiden of de Brittenburg, zoals eerder en door anderen werd volgehouden? Dat er geen sterveling woonde spreekt in elk geval de dreiging van invallende Germanen (ook van de Friezen) tegen en is een bevestiging van wat Byvanck al in 1942 schreef.

    19. Tussen Meinerswijk en Vechten, hemelsbreed zo'n 50 kilometer, is uit deze periode nog geen ander castellum gevonden. Dat zou betekenen dat de Rijn ten zuiden van de Veluwe compleet onbeschermd is geweest. De afwezigheid van fortificaties versterkt het argument dat de Romeinen in deze fase niet uit waren op verdediging van de Rijn, of er in elk geval geen prioriteit van maakten. Van der Heijden ontdekt hier wat anderen al meerdere decennia weten: de Rijn was geen verdedigingsgrens. Zie hiervoor bij punt 12.4 en 13.i.

    20. De resten van deze forten liggen meters onder het maaiveld; in de Bijland liggen grote brokken tufsteen op een diepte van 10 à 12 meter, volgens een aantekening uit 1939. Hier worden de transgressies op een aansprekende manier bevestigd. En in dat lagere niveau wil men dan de kanalen van Drusus en Corbolo leggen. Lees meer over deze kanalen van Drusus en Corbulo.

    21. Gelderland kent inmiddels vier van deze 'verdronken forten', die erom schreeuwen nader onderzocht te worden. Wie weet liggen er onder de Gelderse uiterwaarden nog meer van dit soort archeologische verrassingen te wachten. Het 'schreeuwen' maakt wel duidelijk dat het een uiting van wanhoop betreft: wanhoop omdat men nog steeds geen enkele weet heeft over het wat en waarom. Wat er ondertussen over geschreven wordt is dus slechts speculeren aangezien het nooit onderzocht is.

    22. Of er langs de limes in Gelderland ook wachttorens stonden, is onzeker. De wachttoren in Heumesoord bij Nijmegen is dan ook onzeker? Maar ja, die stond niet langs de Rijn, maar ver landinwaarts. Wat de functie er daar dan van was, is ook nooit aangetoond. Lees meer over die wachttoren in Heumesooord

    23. Het maakt eens te meer duidelijk dat de Romeinse overheid geen universele strategie toepaste bij de inrichting van de limes: elk stukje grens kreeg een aparte benadering, geheel toegesneden op de regionale omstandigheden - waarbij het landschap de belangrijkste factor lijkt te zijn geweest. Nogmaals een bevestiging van het hiervoor gestelde dat in tegenspraak is met de altijd vol gehouden traditionele opvatting van de eenduidigheid van Romeinse forten en nederzettingen alsof daar een strategie of beleid achter gezeten zou hebben. Het verschil in bouwwijzen van de forten en nederzettingen en de tijdsverschillen van de bouw (zie hierboven bij Graafstal) maakt eens te meer duidelijk dat die aangelegd werden als het zo uitkwam, wellicht door veteranen of uitwijkelingen. Er zat dus beslist geen Romeinse strategie achter, zeker omdat de geachte van de 'verdedigensgrens' ook losgelaten is (zie hiervoor punt 9).

    24. Vaarroutes waarbij bestaande kreken met elkaar werden verbonden: het Kanaal van Corbulo. Tom Buijtendorp heeft beschreven dat het kanaal van Corbulo niet bestaan kan hebben vannwege het niveauverschil tussen Rijn en Maas. Lees daar meer over bij de Gouden Eeuw van de Romeinen. Lees ook meer over de kanalen van Drusus en Corbulo.

    25. Het houdt wel in dat er een goede vaarroute tussen Maas en Rijn moet zijn geweest. Wetenschappers gaan ervan uit dat zo'n noord-zuidverbinding in het Gelders rivierengebied lag, maar het is de vraag of er in de vroeg-Romeinse tijd een makkelijke natuurlijke scheepvaartroute was tussen Waal en Maas. De hoofdstroom van de Waal liep ter hoogte van Tiel rechtdoor, dus westwaarts, in het rivierbed van de Linge. Pas in de derde eeuw boog de rivier bij Tiel af naar het zuiden om daarna samen te vloeien met de Maas. De Lek en de Hollandse IJssel bestonden in deze periode evenmin. Het moet zijn geweest! Van wie moet dat? Niet van wetenschappers die er immers slechts vanuit gaan. Welke wetenschappers dit zijn blijft ook onbekend. En waar gaan ze vanuit? Hier worden enkele heilige huisjes omver geschopt en wel met betrekking tot het bestaan van de Lek, Hollandse IJssel en de Waal in de Romeinse tijd. De Waal was dan dus niet de Patabus van de Peutingerkaart. Het was de Maas! De opvattingen over de Peutingerkaart zullen dan ook danig herschreven moeten worden. Lees meer over de Peutingerkaart. Een afbeelding van een deel van de Peutingerkaart vind je op de kaft van dit boek. Ziet U ook dat aan de overkant van de Maas bij Nijmegen (Noviomagi) de Franse plaats Baca Conervio (Bavay in Noord-Frankrijk) ligt. Waar is Brabant? Waar is België? Het zijn nog steeds onopgeloste discussiepunten, tenzij men de opvattingen van Albert Delahaye volgt, dan komt men tot een logische visie.

    26. De ligging van een mogelijk kanaal - haaks op de huidige Waal in de richting van EIst - roept veel vragen op over reikwijdte en functie. Een hoofdverbinding tussen Waal en Rijn lijkt het evenwel niet te zijn, die zal waarschijnlijk meer westelijk hebben gelegen. Van deze hoofdverbinding kan - bij gebrek aan archeologisch bewijs - wel een hypothetische route door het Gelders rivierengebied worden uitgestippeld, een beetje zigzaggend tussen de toen bestaande rivierlopen. Dit is een sprekend schoolvoorbeeld van hoe in Nederland geschiedenis wordt geschreven: het is mogelijk, roept vragen op, lijkt waarschijnlijk en zonder archeologisch bewijs blijft het dus hypothetisch. Maar ondertussen staat het weer in een boek genoteerd en dient het voor een volgende auteur als een vaststaande bron.

    27. In de Romeinse tijd zou Rossum zo'n overslaghaven geweest kunnen zijn, zo wijst een recente inventarisatie van vondsten uit. In noot 25 wordt verwezen naar de masterscriptie van J.van Hemert. Hij zal zeker zoiets geschreven hebben in zijn scripte, maar ik lees toch graag op grond waarvan hij tot de conclusie kwam dat er sprake is van een overslaghaven. Zolang het geweest zou kunnen zijn is het natuurlijk een aangenomen opvatting, of zoals Albert Delahaye dat noemde: 'een gratis bewering'.

    28. Rossum ligt vlak bij Alem en Kessel, in een van de kerngebieden van de Eburonen en Bataven. Rossum wordt doorgaans geïdentificeerd met Grinnes of Grinnibus, dat bekend is van de Peutingerkaart. Rossum komt ook voor in het verslag van de Romeinse schrijver Tacitus over de Bataafse Opstand in 69. Grinnes is een van de vier plaatsen die rebellenleider Julius Civilis tijdens de nadagen van de opstand overviel. Doorgaans? Dus niet altijd en niet door iedereen? En woonden de Ebuonen dan toch niet in Limburg? Het Grinnibus van de Peutingerkaart en het Grinnes van Tacitus is niet Rossum (welke etymologie werd hier gebruikt?), maar Grincourt-les-Pas in Frans-Vlaanderen. De vier plaatsen die Julius Civilis op dezelfde dag aanviel waren Arenacum, Batavodorum, Grinnes en Vadam. Batavodorum is in de Nederlandse traditie Nijmegen, waar geen enkel bewijs voor is (zie bij W.Willems), de andere 3 plaatsen heeft men in Nederland nimmer met feitelijke bewijzen aangetoond dan slechts met gissingen. Zie citaat hierna. Lees meer over de Opstand van de Bataven.

    29. Maar het vondstmateriaal (in Rossum) bewijst niet dat er een castellum heeft gestaan. Een fortificatie zo ver landinwaarts van de limes is ook niet logisch. Het is daarom veel waarschijnlijker dat het leger heeft meegeholpen bij de aanleg van een overslaghaven, een herbouw of voortzetting van het logistiek knooppunt uit de tijd van Caligula. Ook voor dit geschrijf ontbreken de feitelijke bewijzen. Het zijn evenveel 'gratis beweringen', wat ook wel aangetoond wordt met 'het bewijst niet, is niet logisch en veel waarschijnlijker'.

    30. Het verhaal over Rossum gaat verder met: zou kunnen hebben, doen vermoeden, zal afkomstig zijn van, aanwijzingen, om te besluiten met: over de aard van de nederzetting is niets met zekerheid te zeggen. Misschien was het een logistiek centrum, haven, villa, tempelcomplex ofbadhuis - of alles tegelijk (zie p.155). Hiermee toont Van der Heijden aan dat het slechts om speculaties gaat en evenzovele 'gratis beweringen'. Misschien alles tegelijk? Zo kom je er wel erg gemakkelijk mee weg, als je niets bewijzen kunt.

    31. Een laatste aanwijzing voor het toenemende belang van het Gelders rivierengebied vormen de scheepsvondsten uit de Romeinse tijd. Tot voor kort ging de landelijke interesse vooral uit naar teruggevonden schepen langs de limes bij Zwammerdam, Woerden en De Meern, maar inmiddels komt het aantal vondstmeldingen in het Rivierengebied op eenzelfde aantal (mogelijke) schepen uit. Over scheepsvondsten wordt vervolgens door Van der Heijden geschreven dat het opvallend is, niet toevallig, opvallend genoeg, en waarschijnlijk (p.155). Ook dit verhaal is gebaseerd op -mogelijke- aanwijzingen. Welke aanwijzingen zijn? Lees meer over scheepsvondsten, waarvan nog lang niet is vastgesteld of het wel Romeinse schepen waren. Steeds vaker komt men tot de conclusie dat het 'inlandse' schepen waren.

    32. Door de bemoeienis van de Romeinen en de versterkingen aan de Rijn kreeg het Rivierengebied een zeer diverse bevolking. Er zal wel enige interactie zijn geweest, maar de culturele uitwisseling bleef vooralsnog beperkt. Hoe men die culturele uitwisseling heeft kunnen vaststellen is uiteraard zeer bewonderingswaardig. Wellicht bestaat ook dit verhaal weer uit enkele 'gratis beweringen': ze kosten niets en niemand hoeft zich ervoor te verantwoorden. Maar dan komt toch de erkenning: Het heeft in ieder geval geen archeologische sporen nagelaten, schrijft Van der Heijden nog.Zonder archeologisch sporen is dit verhaal dus slechts een speculatie, waarmee dit boek helaas vol zit.

    33. Het was dus vooral een land van nieuwkomers - waarbij de Bataven zelf ook deels tot die nieuwkomers kunnen worden gerekend. De Romeinen beschouwden hen als een bevriend volk, dat soldaten leverde voor de hulptroepen (auxilia). Hun Chattische voorouders dienden al als ruiters in het leger van Caesar. In noot 32 wordt verwezen naar p.136. Lees daarover meer in het Verhaal van Gelderland p.132-137. Dat de Chatten voorouders van de Bataven waren staat in geen enkele Romeinse bron. De Bataven trokken door het land van de Chatten, schrijft Tacitus. En dat van het bevriende volk van de Romeinen blijkt ook wel tegen te vallen gezien de Opstand van de Bataven.

    34. Analyse van muntvondsten maakt het aannemelijk dat ze in elk geval al vanaf 12 v.Chr. in dienst waren van de Romeinen (vanaf de tijd van Drusus), maar mogelijk al eerder, vanaf ongeveer 19 v.Chr. - in de tijd dat de Romeinse legioenen neerstreken in Nijmegen. Noot 34. In noot 34 wordt verwezen naar een lezing van Nico Ropymans over 'numismatische evidentie'. Nu zal Roymans het onderhavige zeker wel gezegd hebben in zijn lezing, maar Roymans kennen we ook van andere 'gratis beweringen', zoals de veldslag van Caesar bij Kessel en de muntschat van Amby. En dit is het kenmerkende probleem van Roymans: hij beweert veel op grond van zijn titel en professoraat, maar met feitelijke bewijzen komt hij niet. Ook een professor moet bewijzen wat hij beweert. Maar wat valt er te bewijzen met munten? Lees eens wat de nestor van de Nederlandse Romeinse geschiedenis, dr.A.W.Byvanck, daarover schreef. Als ik een Spaanse Euromunt vind ben ik dan in Spanje? Of is die door een Spanjaard verloren? Bij Roymans dus wel. En dat in Nijmegen al in 19 of 12 v.Chr. een Romeins legioen gevestigd zou zijn is gebaseerd op zéér mager bewijs. Bewijs? Neen, slechts op dunne aangenomen opvattingen. Lees daarover bij Nijmegen onder Augustus.

    35. In de eerste eeuw kennen we uit historische bronnen en inscripties negen Bataafse cohorten (elk bestaand uit ca. 500 man infanterie) en een Bataafse ruitereenheid (ala, eveneens ca. 500 man). De Bataafse hulptroepen laten zich archeologisch moeilijk traceren. Het is niet waarschijnlijk dat ze in de nabijgelegen limesforten in Neder-Germanië waren gestationeerd: er zijn althans geen archeologische vondsten die daarop wijzen. De grafstenen van sommige van deze 'Gelderse' Bataven zijn nog altijd te zien in de tuin van het Museo delle Terme. In totaal zijn de namen van veertien Bataven bekend, allen begraven in Rome. Lees deze tekst eens zorgvuldig door. Het is allemaal niet 'waarschijnlijk' en 'moeilijk te traceren'. Lag het Eiland van de Bataven dan in Rome? Dat de Bataven Gelders waren is net zo waarschijnlijk als dat Sinterklaas bestaat, ook al hebben ze in Nijmegen een St.Nicolaaskapel. Sorry dat ik soms sarcastisch wordt, maar bij zoveel onzin is het moeilijk serieus te blijven. Deze grafstenen tonen onomstotelijk aan dat de Bataven niet in de Betuwe woonden. Daar is geen enkele graf- gedenk-steen van een Bataaf gevonden of iets anders dat iets over de Bataven vermeld.

    36. Nu mag ook Suetonius niet zomaar worden geloofd, maar over Bataven als keizerlijke lijfwacht is nadien inderdaad een hele tijd niets meer te vinden. Terwijl Bataafse jongemannen deel uitmaakten van het keizerlijk hof en zo in de allerhoogste kringen van de Romeinse samenleving verkeerden, leefden hun ouders in een totaal andere wereld. De Bataven in het Rivierengebied bleven grotendeels vasthouden aan hun eigen levensstijl, met dezelfde boerderijen waarin hun voorouders ook al woonden. Opgravingen in de nieuwbouwwijk Passewaaij in Tiel en op het bedrijventerrein Hondsgemet bij Geldermalsen laten zien dat de boerderijen zich het grootste deel van de eerste eeuw bleven richten op zelfvoorziening door kleinschalige, gemengde landbouw (p.161). Dit weerspreekt ook weer de vestiging van Bataven in de Betuwe, zoals algemeen werd aangenomen. Er is van dit omvangrijke volk nauwelijks iets te vinden, dan slechts enkele boerderijtjes. Lees ook meer over de opgravingen in Tiel-Passewaaij. Maar wat hier ook weer duidelijk blijkt dat men de klassieke schrijvers 'niet zomaar geloofd' als het de historici niet uitkomt. Ook dit is een probleem onder historici. Men citeert uit de klassieke teksten slechts wat in hun straatje past. Men leest halve teksten, vertaald onjuist en kwalificeert iemand die wel juist vertaald en hele teksten geeft als een warhoofdt.

    37. De Bataafse soldaten namen ze na hun afzwaaien elementen van de Romeinse cultuur mee terug naar het Bataafse platteland. Jaarlijks zou het moeten gaan om zo'n 125 terugkerende veteranen. Toch was er na drie tot vier generaties nog steeds weinig aandrang om de Romeinse levensstijl helemaal over te nemen. Dat leidde tot een soort sociale spagaat: formeel hoorden de veteranen bij het door de Romeinen bepaalde Bataafse district, de Civitas Batavorum, maar tegelijkertijd maakten ze deel uit van de oude hiërarchische structuren. De beroemdste Bataaf, Julius Civilis, was in het jaar 68 officier in het Romeinse leger; uit zijn naam kan worden afgeleid dat zijn (over)grootvader al onder Augustus of Tiberius burgerrecht heeft gekregen, want de naam 'Julius' verwijst naar de familienaam van de Julische keizers. Maar Tacitus schrijft ook dat hij 'van koninklijken bloede' was en daaraan gezag ontleende binnen de Bataafse gerneenschap (p.161). Knap van Van der Heijden dat hij elementen van de Romeinse cultuur kan terugvinden in de Betuwe. Ik zou dat toch een graag eens toegelicht zien met enkele voorbeelden.

    In dit hele verhaal tussen p.150 en 162 schrijft Paul van der Heijden over de 'Limes'. Op grond waarvan? Welke 'limes' bedoeld hij? Archeologisch sporen van Bataven in de Betuwe zijn er niet, net zo min als er klassieke teksten bestaan die de Bataven in de Betuwe plaatsen, dan die ene verkeerd vertaalde zin van Tacitus in Historien IV, 12.3. Uit dit verhaal spreekt slechts een erkende onzekerheid. In de verwijzingen naar de bronnen (noot 13 t/m noot 41) zal hij zeker zijn gelijk gevonden hebben, immers er worden slechts gelijkgestemden als bron gebruikt. Het blijkt nogmaals dat 'naschrijverij' hoogtij viert in historisch Nederland. Ik ben toch benieuwd of Van der Heijden al mijn hier gestelde vragen kan beantwoorden. Conclusie: heel wat traditonele opvattingen worden hier door Paul van der Heijden tegengesproken, wat een goede zaak is en Albert Delahaye in zijn gelijk stelt.

    We vervolgen het verhaal van Gelderland hoofdstuk 4 vanaf p.158. Ook hier zijn weer meerdere opmerkingen te maken, waarbij je jezelf afvraagt of de auteur (Paul van der Heijden) de eigen geschiedenis wel voldoende kent om dit allemaal te kunnen schrijven? En is er niemand van de redactie geweest om hem op enkele onvolkomenheden, zelfs fouten te wijzen? Er worden zaken beweerd die gewoon niet waar zijn. Is dat onbewust gebeurd wegens gebrek aan kennis van de feiten? Of zijn het bewuste leugens zoals ook op p.334 over de visie van Albert Delahaye gedaan is?

  2. Op p.158 wordt Chariovalda, aanvoerder van de Bataven, de eerste Gelderlander met een naam genoemd. En dat staat in een boek met als titel: "Gelderland voor het Gelderland was". Hieruit blijkt dat deze auteurs niet bezig zijn met de beschrijving van de geschiedenis, maar met fabelogie.Hou je aan de feiten en maak er geen aansprekend sprookje van. Immers we stuiten hier weer op de aangenomen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden. Er wordt dan voor Chariovalda verwezen naar Tacitus, maar lees nu eens wat die beste man werkelijk geschreven heeft over de woonplaats van de Bataven. De Bataven woonden aan de kust van Het Kanaal waar de Moriniërs hun buren waren. Of woonden de Moriniërs ook in Gelderland? Hij blijkt (met een beetje verbeelding zoals de auteurs schrijven) ook de eerste Nederlander te zijn van wie we de naam kennen, met in noot 31 nogmaals een verwijzing naar Tacitus. En deze verbeelding komt weer terecht in allerlei volgende artikelen en boeken door de onnavolgbare 'naschrijverij'. Ik ben toch ook benieuwd naar waar Tacitus over die eerste Nederlander geschreven heeft. Wist Tacitus al van het bestaan van Gelderland en Nederland af, voordat die moderne namen ontstonden? Zo'n voorspellende gave had Tacitus niet, wel een nuchtere kijk op het Romeinse Rijk. Lees meer over Tacitus.
    Dat het beeld over de Bataven, zoals dat in de 18de eeuw werd voorgesteld, fors is bijgesteld, zoals de auteurs menen op p.159, is een mythe. Het uiterlijk is dan wellicht enigszins bijgesteld, maar niet de woonplaats, de geschiedenis en de gebruiken. Ook hier weer het advies om nu eens echt en helemaal te lezen wat Tacitus werkelijk geschreven heeft over de Bataven.

  3. Op p.180 wordt de bronzen portretkop afgebeeld (zie afbeelding hiernaast). Deze is, zoals de tekst zegt, lange tijd aan Trajanus gekoppeld geweest, maar nu 'slechts' van een gefortuneerd persoon. Desondanks blijft het een topstuk. Gaat men in Nijmegen dan eidelijk de geschiedenis herschrijven? Men vergeet erbij te vermelden dat deze portretkop helemaal niet in NIjmegen is gevonden, maar in Xanten. Deze portretkop werd overigens ook gehanteerd als bewijs dat Trajanus in Nijmegen is geweest en de plaats stadsrecht gaf. Maar ook daarvoor bestaan geen bewijzen. Lees meer over Romeins Nijmegen en over het stadsrecht. De auteur (Paul van der Heijden) vermeldt terecht dat over de ontwikkeling van Nijmegen nog veel onduidelijk is (p.180). Over die onduidelijkheid kan men meer lezen bij Nijmegen dat niet Noviomagus, maar Neumaia heette.

  4. Over de Bataven die vanaf p.158 een plaats in de geschiedenis van Gelderland krijgen, kunnen we kort zijn. Ze hebben er nooit gewoond. Het enige 'bewijs' is de overeenkomst van 2 letters tussen Bataven en Betuwe. Dit 'bewijs' en andere ook bedachte 'bewijzen' bestaan slechts uit aannamen, onjuist gelezen teksten en enkele cirkelredeneringen. Om het met de woorden van prof.Willems te zeggen: "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse". Op p.145 erkent de auteur ook dat 'er weinig Bataafs is aan Oppidum Batavorum, in tegenstelling tot wat de naam suggereert'. Hier vermeldt de auteur ook dat het Oppidum Batavorum te boek staat als de eerste Romeinse burgernederzetting van Nederland en al uit 12 v.Chr. zou stammen. Als je dan leest wat Willems daarover schrijft, namelijk: "We hebben op dit ogenblik (1989) zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden.
    Dan houdt het hele verhaal over een Oppidum Batavorum in Nijmegen toch op?


    Nogmaals duidelijk gesteld: de aanwezigheid van de Romeinen in Nederland en Nijmegen wordt hiermee niet ontkend. Wat men in Nijmegen als bewijzen voor de aanwezigheid van Bataven hanteert zijn slechts misverstane teksten en van elders afkomstige zaken, zoals gedenk- en grafstenen. De gedenksteen van een Bataaf die men in Nijmegen trots hanteert is een kopie van een in Pfünz (Beieren) gevonden gedenksteen. In Nijmegen zelf is nooit een dergelijke steen gevonden, zelfs de naam Batavorum of zoiets of Noviomagus is er ook ooit aangetroffen. (zie afbeelding en tekst daarover in de linkerkolom) Opvallend is dat deze steen in dit boek niet getoond wordt. Opvallend? Neen, veelzeggend, men erkent hiermee dat men zich vergist heeft,

  5. 17. Op p. 162 worden grafstenen van Bataven afgebeeld die allemaal in Rome gevonden zijn. Wat bewijst dat voor Nijmegen? Bij het masker dat op die pagina getoond wordt staat dat het 'waarschijnijk' gedragen is door een (Bataafse?) ruiter. Ziet U hier de twijfel en voorbehouden? 'Waarschijnlijk' en 'Bataafse' tussen haakjes, bovendien nog voorzien van een vraagteken. Dit masker is ook niet in Nijmegen gevonden, maar in 1915 bij het dreggen uit de Waal opgediept aan de overkant bij Lent. Het wordt dan steeds een 'ruitermasker' genoemd, maar daar is geen enkel bewijs voor, al wordt het in het Verhaal van Nederland wel als zodanig gepresenteerd (zie afbeelding links). Wat heeft een ruiter aan zo'n zicht-ontnemend masker? Het was dan ook geen ruitermasker, maar een toneelmasker, wat af leiden is door de versiering met beeltenissen op de rand. In Nijmegen heeft men er een vergrote uitvoering van gemaakt, die al snel uitgroeide tot icoon van de stad en het gezicht van Nijmegen. De tekst bij dit beeld luidt: Romeinse soldaten zouden dergelijke maskers gedragen hebben tijdens (spel)gevechten, parades, ceremonies en toernooien. Dus niks ruitermasker, maar een toneelmasker. Het masker wordt sterk vergroot als uithangbord van Romeins Nijmegen op de Waaloever gepresenteerd. Het laat het ware gezicht van Nijmegen zien: pronken met van elders afkomstige voorwerpen en sterk uitvergroten, terwijl het feitelijk weinig voorstelt.

    Over de latere Batua heeft men het maar niet. In het Geografisch Register in dit boek wordt de Batua niet genoemd, terwijl dat essentieel is, wil men er de betreffende geschiedenis plaatsen. Alle teksten over de Batua passen in het geheel niet in de Betuwe. Interessant is ook wat andere auteurs over de Bataven schrijven, zoals Louis Swinkels in het boek 'De Bataven, verhalen van een verdwenen volk". Hoewel de auteur van dit hoofdstuk (Paul van de Heijden) Swinkels zeker zal kennen -er worden enkele publicaties van hem genoemd-, staat juist dit boek niet in de literatuurlijst. Te kritisch? Lees meer over de Bataven. Lees ook wat Paul van der Heijden zelf schrijft over de Bataven in zijn boeken.

  6. De Bataafse Opstand wordt op de pagina's 163 t/m 173 besproken. Enkele opvallende citaten uit die tekst zijn: (Lees meer over de Opstand van de Bataven)
    1. Hun territorium (dat van de Bataven) reikte tot aan Trier en Tongeren, en heel even leek er zelfs perspectief op een onafhankelijk, Gallisch rijk. (p.165). Dit vraagt toch een zeer uitgebreide toelichting. Immers de Bataven woonden toch alleen in de Betuwe? Wat kwamen ze in Trier en Tongere doen? De oplossing is vrij simpel: het is een gevolg van misplaatsing van de Treveri en Tungri, die in het (latere) West-Frankische rijk woonden en niet in het Oost-Frankrische rijk. Atuaca Tungrorum is niet Tongeren, maar Douai. Lees onder 18.r welke plaatsen Albert Delahaye hanteert voor de genoemde plaatsen in de Btaafse Opstand.

    2. In een vertwijfelde poging het tij te keren, viel Civilis vier legerkampen tegelijk aan: Arenacum, Batavodurum, Grinnes en Vada. Lange tijd heerste onzekerheid over de identificatie van deze voor Gelderland belangrijke namen. Tegenwoordig wordt aangenomen dat Batavodurum verwijst naar Nijmegen. De link tussen Grinnes, dat als Grinnibus voorkomt op de Peutingerkaart, en Rossum werd al genoemd. Vada slaat wellicht op een van de belangrijkste plekken van de Bataven, namelijk het Brabantse Kessel. De hier genoemde onzekerheid bestaat nog steeds. Er doen allerlei speculaties de ronde, maar echt bewijs ontbreekt.

    3. Ook Arenacum staat op de Peutingerkaart, maar dan als Harenatium, een plaats aan de Iirnesweg. Lange tijd dacht men dat het ging om Rindern, een plaatsje ten noorden van Kleef, maar enkele jaren geleden werd Harenatium met zekerheid geïdentificeerd via een combinatie van luchtfoto-archeologie en geofysisch onderzoek. Hiermee ontdekte men in de buurt van Bedburg-Hau, ten oosten van Kleef, de plattegronden van een castellum, een legioenkamp en een verzamelplaats voor meerdere legioenen en/of cohorten. (p.166.167). Hieruit blijkt nogmaals dat met de Peutingerkaart niets te bewijzen valt. Het is een falsum. Opvattingen worden 'aangepast' aan nieuwe bevindingen, waarmee de oude opvattingen dus fout blijken te zijn. Zet dit naat het verhaal van Jan Verhagen en er blijft weinig over van de Nederlandse opvattingen over de Peutingerkaart.

    4. De wanhoopsdaad van Civilis mocht niet baten. In het nauw gedreven vluchtte hij naar de Betuwe, maar niet voordat hij Oppidum Batavorum in brand had gestoken. Archeologen vonden hiervan het bewijs in de vorm van een brandlaag, een donkere laag van verbrand materiaal dat een groot deel van de nederzetting bedekte. (p.167) Nadat Holwerda zo'n 100 kaar geleden meende het Oppidum Batavorum gevonden te hebben, vormen de bevindingen van W.Willems het ultieme bewijs. Wiilems stelde na intensieve en lange opgravingen naar het Oppidum Batavorum van Holwerda in Nijmegen: "We hebben het niet gevonden". En ten aanzien van de Bataven dat "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse". En wat bewijs je met een donkere laag? Lees meer over een brandlaag.

    5. Vespasianus (69-79) herstelde de orde en het bestuurlijk gezag. In de rommelige periode na de Bataafse Opstand liet hij voor de zekerheid een legioen achter in Nijmegen, het Tiende Legioen Gemina. Dat legioen was in 70 helemaal vanuit Spanje gekomen om de laatste restjes van de Bataafse Opstand neer te slaan (p.167) Wat hier beweerd wordt is gewoon een onwaarheid. Of men kent de bronnen niet, of men liegt! Het is wel juist dat het Tiende Legioen de Opstand van de Bataven hielp neerslaan. Maar dat gebeurde niet in of bij Nijmegen, maar in Noord-Frankrijk. Het is algemeen bekend (zie de Nijmeegde literatuur, zoals van Bogaers, de Waele, Morren en Buchem), dat het tiende legioen pas in het voorjaar van 71 na Chr., dus ná de Bataafse opstand, in Nijmegen gelegerd werd. Daarvóór was het in Frankrijk (Norroy) gelegerd, waar het hielp de Bataafse Opstand te verslaan. Na Nijmegen vertrok het 10e legioen in ±104 n.Chr. naar Hongarije (Aquincum - Boedapest)! Over het feit dat het tiende legioen vóór haar komst naar Nijmegen in Noord-Frankrijk verbleef, zwijgt men even hardnekkig als betekenisvol (!).

    6. Het Tiende Legioen betrok een deel van de oude legioenplaats van Augustus op de Hunnerberg, die al ruim tachtig jaar leegstond (p.169). Hier wordt dus toegegeven dat er van enige continuïteit in Nijmegen tussen 10 v.Chr. (of 17 ná Chr. zie punt 8?) en 70 na Chr. geen Romeinen of wie dan ook op de Hunnerberg aanwezig waren. Hoezo Nijmegen oudste stad? Waar verbleven de Romeinen of bewoners dan in deze lege periode van ruim 80 jaar?

    7. Vooral de in Noord-Nederlandwonende Friezen en Chauken hadden zich al een paar keer hardnekkig vijandig gedragen en Romeinse legers aangevallen. Een strafexpeditie ging de Romeinen kennelijk te ver, en zou misschien ook kunnen escaleren, dus een militair baken in Nijmegen volstond. Een paar keer? Wanneer dan wel? Als Romeinse legers aangevallen werden lieten ze dat beslist niet onbestraft. De woorden 'kennelijk' en 'misschien' gevan al aan dat het hier slechts speculaties betreft.

    8. De komst van het Tiende Legioen betekende in alle opzichten een grote verandering voor de regio. De legionairs waren niet alleen beroepsmilitairen, maar vooral ook geniesoldaten die werden ingezet voor de wederopbouw van de militaire en bestuurlijke infrastructuur. Zo herrezen in korte tijd bijna alle castella langs de Rijn. Dit betekent dus dat de castella (welke precies?) pas na het jaar 70 herbouwd (of gebouwd?) werden. Daar lees je toch weinig over bij andere historici zoals A.W.Byvanck en W.A.van Es. Lees meer over Romeins Nederland.

    9. Daarnaast hielpen de legionairs bij de aanleg van de eerste limesweg, de bouw van de tempel in EIst en (waarschijnlijk) van villa's - grote landbouwbedrijven - in de omgeving van Nijmegen. Het hier genoemde 'waarschijnlijk' is van toepassing op alles in deze zin. Het betekent dus dat dit alles pas gebouwd/aangelegd werd na het jaar 70. Dat is in tegenspraak met eerder bevindingen van historici zoals Bogaers, Byvank en Van Es. De opvattingen blijken steeds aan verandering onderhevig te zijn, naar gelang het de auteurs uitkomt, omdat het allemaal erg onzeker is! Het is dus niet met bewijzen te controleren, dus men schrijft maar wat zo uitkomt. Dat men anderen dan tegespreekt heeft men blijkbaar niet door. Het geeft (nogmaals) aan dat het slechts om speculeren gaat. Er is slechts sprake van onzekerheid over Romeins Nederland.

    10. En om hun eigen legioenplaats van water te voorzien, legden ze een ruim vijfkilometer lange waterleiding (aquaduct) aan vanuit bronnen in Berg en Dal. Resten daarvan, in de vorm van enkele dammen en geulen, zijn nog steeds in het landschap aanwezig en behoren tot de best bewaarde en zichtbaarste overblijfselen van de Romeinse tijd in Nederland. Dit aquaduct is een volgend typisch voorbeeld van speculaties. Lees er meer over bij NEP in Nijmegen.

      Over het Oppidum Batavorum en de Hunnerberg beschreef W.A. van Es in zijn boek "De Romeinen in Nederland" (1981) een aantal opmerkelijke zaken.
      Let speciaal op de door mij onderstreepte worden.
      ▶ Desondanks vertoont onze kennis omtrent deze enige Nederlandse legioensvestiging nog vele gaten. En dat zal ook altijd wel zo blijven, want volledig opgraven behoort niet meer tot de mogelijkheden.
      ▶ De Hunerberg is ten tijde van Drusus kennelijk door het leger in gebruik genomen. Het is echter niet precies duidelijk waarvoor.
      ▶ Of misschien lag er in deze vroegste periode nog geen legerplaats op de Hunerberg en werd het terrein door het leger voor andere doeleinden gebruikt.
      ▶ Het is bij de huidige stand van kennis niet mogelijk zich een precieze voorstelling te vormen van de verhouding civiel-militair in het gebied waar momenteel Batavodurum bij voorkeur gelocaliseerd wordt.
      ▶ Een betere locatie valt echter op grond van de beschikbare gegevens niet aan te wijzen. Op de oostelijk aansluitende Hunerberg heeft Batavodurum in ieder geval niet gelegen.
      ▶ De eerste tijd schijnt het leger de Hunerberg niet intensief gebruikt te hebben. Pas na de Batavenopstand werd het ernst en werd hier een legioen gelegerd.
      Voor zover wij weten behoorde een invasie in Germania vanuit het Nederlandse rivierengebied niet tot de instructies die Varus had gekregen.
      ▶ Romeins Nederland is nimmer de eer van een colonia waardig geacht.
      ▶ Hier lag bij de komst van de Romeinen een nederzetting die Batavodurum of ook wel Oppidum Batavorum genoemd werd en de hoofdplaats vormde van het Bataafse en misschien ook van het Cananefaatse stamgebied. Het is overigens niet erg duidelijk wat men zich daarbij precies moet voorstellen.
      ▶ Vorm en uiterlijk van Batavodurum alias Oppidum Batavorum zijn eveneens nog geheel onbekend.
      ▶ Een betere locatie valt echter op grond van de beschikbare gegevens niet aan te wijzen. Op de oostelijk aansluitende Hunerberg heeft Batavodurum in ieder geval niet gelegen.
      ▶ Inmiddels stapelen de problemen wat deze Batavenburcht op de Kopse Hof betreft, zich op. De reconstructie van de burcht berust in feite op heel weinig gegevens.
      ▶ De kennis omtrent Batavodurum/Oppidum Batavorum blijkt dus al met al beperkt te zijn, om het maar eens vriendelijk te zeggen.
      ▶ Een concrete voorstelling laat zich aan deze plaatsnaam nog niet verbinden. Er is geen aanleiding om deze oudste Bataafse nederzetting een stad te noemen.
      Zie de pagina's 69, 90-93, 131-135, 150 en 156.
    11. De zwartgeblakerde puinhopen van Oppidum Batavorum bleken ongeschikt om nieuw stedelijk leven in te blazen. Daarom begonnen de Romeinen met de aanleg van een compleet nieuwe stad in het huidige Nijmegen-West, die onder Traianus de naam Ulpia Noviomagus kreeg. Onder de keizers Domitianus (81-96) en Traianus (98-117) transformeerde de regio alsnog van een militaire zone tot de volwaardige Romeinse provincie Germania Inferior (Neder-Gerrnanië), met Keulen als hoofdstad. Lees meer over die zwartgeblakerde puinhopen onder punt 'd' hiervoor. Dat Keulen de hoofdstad was van Germania Inferior is in tegenspraak met anderen die Nijmegen en zelfs Voorburg noemen. De echte hoofdstad van Germania Inferior was Boulogne-sur-Mer (Bononia), tenminste volgens onderzoekers van de Peutingerkaart. Lees meer over de Peutingerkaart.

    12. Voor zover bekend heeft het legioen nauwelijks militair hoeven ingrijpen. Een uitzondering is de opstand van Lucius Saturninus, in het jaar 89, waarbij deze gouverneur van Boven-Gerrnanië door zijn eigen legioenen tot keizer werd uitgeroepen. Het Tiende Legioen hielp mee de opstand in de kiem te smoren, overigens ver weg van Nijmegen, in het huidige Mainz. Dus het Tiende Legioen was in het jaar 89 in de buurt van Mainz? Dat is in tegenspraak met hier hiervoor gestelde in punt 'e' en 'k'. Er wordt met dat Tiende Legioen dus maar wat geschoven naar gelang het uitkomt. ofwel: er klopt niets van de traditonele Nijmeegde opvatting. Het Tiende legioen was tussen 71 en 104 in Nijmegen gelegerd en had dan wel de Opstand van de Bataven helpen onderdrukken, maar dat gebeurde op de plaats waar het Tiende Legioen in het jaar 70 was en dat was niet in Nederland, maar onbetwist in Noord-Frankrijk!.

    13. Mogelijk kreeg het Tiende Legioen in 89 ook de opdracht om de eigen legioenplaats (castra) te herbouwen in steen, een klus die de legionairs op het lijf was geschreven. Van de eerste fasen van de legerplaats, opgetrokken uit hout en aarde, is helaas weinig bekend; grote delen van de Hunnerberg zijn weliswaar tamelijk nauwkeurig opgegraven, maar de gegevens over de eerste fasen werden nog niet gepubliceerd. Dat is gelukkig anders voor de laatste fase, het stenen fort. Dat behoort zelfs tot de best bekende legioenplaatsen van het Romeinse Rijk. (p.170). Lees vooral ook wat er onder punt 'd' geschreven is. Let ook hier weer op 'mogelijk' en het feit dat er helaas weinig bekend is en nog niet gepubliceerd. Het blijven dus speculaties van Van der Heijden.

    14. Verder is de castra opgebouwd volgens de ijzeren regels van Romeinse fort- en stedenbouw. Van die ijzeren regels is bij de fortenbouw langs de Rijn in Nederland niets te merken. Ze zijn allemaal verschillend, wat ook op p.154 aangegeven is, waarbij sprake is van 'geen universele toepassing'. Het is het een of het ander, maar niet beide.

    15. De Nijmeegse principia was, vanuit militair oogpunt, in die tijd verreweg het belangrijkste Romeinse gebouw van Nederland. De Romeinen bouwden het in monumentale stijl, wat bewijst dat het hier niet ging om een regionaal plaatsje. De architectuur deed niet onder voor gebouwen in Rome (p.172). Jammer dat er dan in Nijmegen NIETS van terug te zien is. Slecht een plastic zuil in de Eikstraat, gemaakt in de Filipijnen. Lees er meer over bij NEP in Nijmegen.

    16. Iedereen woonde rond de legerplaats in de canabae legionis, een burgerlijke nederzetting die in de Romeinse tijd wellicht ook formeel de status van een stad heeft gehad (p.172). LEZEN WE DAT GOED? Wordt hier getwijfeld aan het stadsrecht van NIjmegen? Dan is Nijmegen dus niet de oudste stad en heeft het in de Romeinse tijd formeel geen status van stad gehad. Dat klopt ook wel met wat W.A.van Es schreef in "De Romeinen in Nederland" (1981). Van Es schrijft letterlijk: 'van een werkelijke continuïteit van Nijmegen als stad vanuit de Romeinse tijd tot in de vroege middeleeuwen is geen sprake'. (p.156). Maar Van der Heijden kan ook niet weten wat Van Es schreef, immers dit boek van Van Es ontbreekt in de literatuuropgave. Of het is opzettelijk verzwegen omdat Van Es wel meer schreef wat niet overeenkomt met de traditionele geschiedenis. Lees er meer over bij Romeins Nederland.

    17. In Nijmegen veranderde die situatie rond het jaar 100, toen Noviomagus van keizer Traianus het stadsrecht kreeg. Het precieze jaartal is niet bekend: dat zou 98 kunnen zijn, toen Traianus nog bezig was met de inrichting van Neder-Germanië, of een paar jaar later, toen hij het Tiende Legioen uit Nijmegen weghaalde om mee te vechten in de Dacische oorlogen (p.172). Op 'niet bekend' schrijft men in Nijmegen geschiedenis. Dat Nijmegen ooit Romeins stadrecht heeft gehad is een mythe. Het wordt op p.172 ook betwijfeld (zie punt 18.p. hiervoor). Lees er meer over bij stadsrecht van Nijmegen?

    18. Na het vertrek van het Tiende Legioen bleef de legioenplaats op de Hunnerberg niet onbemand: zeker tot het eind van de tweede eeuw lagen hier detachementen van andere legereenheden, zoals Vexillatio Britannica, Legio IX Hispana en Legio xxx Ulpia Victrix.ss Dit Dertigste Legioen had zijn thuisbasis in Xanten. De detachementen zullen vooral hebben gezorgd voor het onderhoud van het kamp. Dit is toch een ander verhaal dan W.van Es schreef in zijn boek over "De Romeinen in Nederland". De legioenplaats op de Hunnerberg werd namelijk verlaten wat ook blijkt uit de opmerking onder 'k' genoemd. Van Es schrijft daarover: 'Dat de legerplaats niet lang is gebruikt, zou dan te verklaren zijn uit het feit dat Tiberius reeds in het volgende jaar met een grote troepenmacht naar het Donaugebied vertrok. ' (p.91). Maar ja, wat Van Es schreef weet Van der Heijden niet. Zie opmerking onder punt '18.p'.

    Over de Bataafse Opstand kunnen we slechts over meedelen dat dit hele verhaal zich niet in Nederland voorgedaan heeft en al helemaal niet in de Betuwe, wat lang de opvatting was. Op het hek op het Valkhof staat de tekst dat "Claudius Civilis hier stond te knarsetanden toen hij de Romeinse legers zag naderen". Die kwamen blijkbaar vanuit de Betuwe. Overigens moet het niet Claudius zijn, maar Julius die hier stond te knarsetanden (klein foutje). In Nederland zijn er geen archeologissche bewijzen van te vinden. Wat de enige klassieke schrijver die hierover uitvoeriger schrijft, Tacitus, is beslist niet in Nederland te plaatsen. En bij Cassius Dio is de vraag wat hij met de provincie Germanië bedoelde. Was dat Duitsland? Maar wat hebben de hierbij genoemde Nerviërs uit de omgeving van Bavay er dan mee te maken? Was dat de Betuwe? Als de hierboven genoemde Batua en alle in de Batua vermelde plaatsen in Nederland niet te vinden zijn, was het zeker niet in of bij de Betuwe, zoals de traditionele opvatting is. En de Batua is onlosmakelijk verbonden met het gebied van de Opstand van de Bataven. Op p.165 worden de Friezen, Tencteren, Bructeren, Cugernen, Treveren en Lingonen genoemd als stammen die zich aansloten bij de opstand. De opstand zou uitgegaan zijn de Caninefaten, die traditioneel in Holland aan de kust geplaats worden. Aan de kust is inderdaad juist, allen moet dat veel zuidelijker geplaatst worden en wel in Frans-Vlaanderen. Bij het begin van de onrust in 68 na Chr., gevolgen van de burgeroorlog tussen de Romeinen onderling, verhaalt Tacitus (Hist. I, 11) dat de twee Mauritanias (Savoye), Raetia, Noricum (de Nordgau) en Thracia (Thiérache) trouw bleven aan Vespasianus. Verder schrijft hij (Hist. I, 59) dat Julius Civilis, een der machtigsten onder de Bataven, zich nog niet had uitgesproken. Acht cohorten Bataven lagen te Langres (Lingonen), die van groot gewicht konden zijn, afhankelijk van de partij die zij zouden kiezen. De troepen uit Raetia waren al tot de andere partij overgelopen, en in Bretagne aarzelden zij ook niet meer. Hieruit blijkt ten overvloede, dat de Opstand van de Bataven met alle vezels vastzit aan de woelingen in Gallia. Zoek je deze stammen op de traditionele kaarten van het Romeinse Rijk, dan zijn die over half Duitsland en Frankrijk verspreid. Zie de kaart hiernaast: de rood onderstreepte stammen deden dus mee met de Opstand van de Bataven. Klik op de kaart voor een vergroting. Deden de stammen daartussen niet mee? Plaats je deze volkeren op de plaats die Albert Delahaye aanwijst, dan speelde die opstand van de Bataven zich geheel af in een beperkt deel van Noord-Frankrijk, met de kern in Frans-Vlaanderen. Zie de kaarten hieronder van de plaatsen die Tacitus noemt in zijn Germania: klik op de kaart voor een vergroting. Zie ook het kaartje onder punt 7, locatie C.

    Er zijn meerder gegevens die in de traditionele opvattingen tegenspreken. In de eerste plaats zou het over een strijd gaan die zich over een afstand van ruim 1600 km zou hebben voorgedaan. Binnen de geschetste tijd van enkele maanden een onmogelijke opgave, waarbij door de Romeinen ook nog tientallen marskampen gebouwd moesten worden en strijd moest worden geleverd. Die marskampen zijn overigens nooit gevonden op de plaatsen waar de strijd zich zou hebben voorgedaan. De compleet onmogelijke gebeurtenis heeft zich dan ook niet voorgedaan in Nederland en Duitsland, maar helemaal en alleen in Noord-Frankrijk tussen de kust van Het Kanaal waar de Morini woonden en de plaatsen en stammen die hieronder genoemd worden. Er zat geen meter Nederlands of Duits grondgebied bij. Zie het kaartje onder punt 7, waar bij locatie C die hele strijd geplaatst kan worden.

      Plaatsen en stammen genoemd in de Opstand van de Bataven, volgens Albert Delahaye.

    1. Batavodurum (Hist. V, 20), ook Oppidum Batavorum genoemd, tegen het einde van de Opstand door de Romeinen bezet, is Béthune.

    2. De Canninefates (Ann. IV, 73; XI, 18) worden ook al genoemd in de veldtochten van de Romeinen tegen de Germanen in 25 - 28 na Chr. in verband met de Renus (Schelde), met de Fresones (Frans-Vlaanderen), met het woud Baduhenna (Béhagnies) en met Cruptorix (Cruphove of Crochte). Het waren de bewoners van Genech, op 15 km zuidoost van Rijsel. In “Historiae” (IV, 15, 16, 19, 32, 56, 79, 85) komen zij herhaaldelijk voor in de berichten over de Opstand van de Bataven.

    3. De Cugerni (Hist. IV, 26; V, 16, 18) worden genoemd bij de opstand in verband met Novaesium (Feignies), met Gelduba (Ladeuze), met de Batavi (Béthune) en met de Renus (Schelde), waren de bewoners van Quaregnon (B.), op 4 km zuidwest van Mons, en/of van Chooz, op 4 km zuidwest van Givet.

    4. Arenacum (Hist. V, 20), op de Peutingerkaart Arenatio en in het Itinerarium Antonini (I.A.) Harenatium genoemd, waarheen Julius Civilis in 70 tegen het einde van de Opstand der Bataven een aanval liet doen, is Antoing, op 6 km zuidoost van Doornik. De eerdere lokatie te Annois boven Noyon is niet juist, omdat de Peutingerkaart ter plaatse fouten bevat, die door het Itinerarium Antonini worden rechtgezet.

    5. Bingium (Hist. IV, 70), genoemd in verband met de Treveri (Trier) en met Mogontiacum (Mainvillers), is Vigny, op 16 km zuidoost van Metz.

    6. Bonna (Hist. IV, 19, 20, 25, 62, 70; V, 22), genoemd in verband met Germania Inferior (waarvan het de hoofdstad was) is Boulogne, met de Treveri (Trier), met Agrippina (Avesnes-sur-Helpe), met Mogontiacum (Mainvillers), met Novaesium (Feignies), is Ohain, op 16 km zuidoost van Avesnes-sur-Helpe.

    7. Grinnes (Hist. V, 20), waarheen Julius Civilis zijn laatste aanval deed, is vermoedelijk niet identiek met Grinnibus (Grivesnes, zie de komende P.K. uitgave), maar is Grincourt-lès-Pas, op 25 km zuidwest van Atrecht.

    8. Nabalia (Hist. V, 26), de rivier bij welke Julius Civilis zich in 70 na Chr. aan de Romeinen overgaf, is niet de Nave, daar deze afzonderlijk wordt genoemd (zie hierna), doch de Naviette, een zijriviertje van de Deule tussen Séclin en Gondecourt, op ca. 10 km zuidwest van Rijsel. Deze plaats is tevens de meest logische daar Cerialis, de Romeinse aanvoerder, zich waarschijnlijk te Colonia Traiana (Tressin) bevond, altijd in Romeinse handen gebleven, en Julius Civilis vanuit het westen van de Batua (Béthune), moest komen, waar hij zich blijkens de voorafgaande berichten bevond.

    9. Nava (Hist. IV, 70 ), een rivier, genoemd in verband met de Triboci (Troisvaux), met de Vangiones (Wannehain), met de Caeracates (Chéreng), is de Nave, zijrivier van de Clarence, op ca. 19 km west van Béthune. Zij stroomt o.a. langs de plaats Nédon, tussen welke naam en Nava de Franse etymologen verband leggen. In de traditionele opvattingen is de Nave of de Nabalia nergens gelokaliseerd, terwijl deze rivieren in Frankrijk liggen en de namen nagenoeg ongewijzigd zijn overgeleverd.

    10. Vada (Hist. V, 20, 21), genoemd in verband met Arenacum (Antoing), met Batavodurum (Béthune) en met Grinnes (Grincourt) is niet Vadencourt bij Amiens, omdat deze plaats te ver ligt van het feitelijk strijdtoneel. Het is Vis-en-Artois, voorheen als Vadum bekend, op 12 km zuidoost van Atrecht.

    11. Vetera Castra (Ann. I, 45), genoemd in de veldtocht van 14 en 15 na Chr. in verband met een bedreiging door de Suevi (omgeving Kortrijk), is Visterie, op 9 km noordwest van Orchies. Zie de P.K.- en I.A.-publicaties. Het was dus niet Xanten, waar in 14 na Chr. nog geen Romein te bekennen was, om nog te zwijgen over de farce dat zij er al een grote versterking hadden. Bij de Opstand van de Bataven heeft Vetera een grote rol gespeeld, simpelweg omdat het in het midden van het strijdtoneel lag (Hist. IV, 18, 21, 35, 36, 57, 58, 62; V, 14). De legerplaats wordt genoemd in verband met de Bataven (Béthune), met de Ubii (Aubigny-en-Artois), met de Treveri (Trier), met de Bructeri (Broxeele), met de Tencteri (Ennetières), met Novaesium (Feignies), met Gelduba (Elouges), met Mogontiacum (Mainvillers), met de Chatti (Katsberg), met de Mattiaci (Mastaing of Watten), met de Usipi (Weppes), met de Galliërs, met 'de naburige steden van Belgica', met Bonna (Ohain) en met de Renus (Schelde). Merk op dat Vetera weer in het midden van deze stammen en plaatsen ligt, en trek met mij de conclusie dat de lokalisatie van deze plaats te Xanten (Duitsland) complete waanzin is.



  7. De infrastructuur: ruggegraat van het rijk. Alleen in het zuiden en uiterste oosten van ons land lagen begaanbare wegen, zoals de 'snelweg' Tongeren-Maastricht-Cuijk- Nijmegen, waarvoor onder andere bewijzen zijn gevonden in Heumensoord, ten zuiden van Nijmegen. Ook liep er hoogstwaarschijnlijk al vrij vroeg een doorgaande weg langs de Rijn van Keulen via Xanten naar Nijmegen. Maar er is geen enkel bewijs dat deze limesweg doorliep naar de kust. Sterker nog, de eerste archeologische aanwijzingen voor de aanleg van een weg in het midden en westen van ons land dateren pas uit de tijd van Dornitianus (81-96). Pas in 2021 is een mogelijke andere oost-westverbinding ontdekt. Het opvallende aan deze weg is de oriëntatie: van de noordoever van de Waal bij Nijmegen naar het westen. Dit zou de voorloper van de limesweg kunnen zijn (p.173). Dit is wel een heel eerlijk verhaal, waarmee veel aangenomen geschiedenis achterhaald wordt. Zo kan de Peutingerkaart van tafel. Opvallend bij veel wegen is dat deze meters onder het maaiveld gevonden worden (zie foto van de weg bij Vechten: klik op de foto voor een vergroting), wat wijst op de transgressies na de Romeinse tijd.

  8. Op de Peutingerkaart staan voor het Gelders grondgebied drie belangrijke wegen ingetekend: de weg Tongeren-Nijmegen, de limesweg en de Zuidroute. De weg Tongeren-Nijmegen liep vanaf Maastricht op de linkeroever van de Maas. Bij Cuijk stak hij de Maas over. De belangrijkste route voerde door Nijmegen. De route is in Duitsland vrij goed te herleiden, dankzij de overlevering in huidige straatnamen: achtereenvolgens heten ze Rörnerstrasse, Heerstrasse, Alte Bahn en Alte Heerstrasse. Wat bewijs je met moderne straatnamen? Is het Keizer Karelplein in Nijmegen het bewijs dat Karel de Grote er geweest is? En het Trajanusplein dat Trajanus er was?

  9. Zo goed als de limesweg in Duitsland bekend is, zo slecht is dat het geval in Gelderland. De derde 'Gelderse' weg op de Peutingerkaart is de Zuidroute, die ergens tussen Rijn en Maas richting het Helinium liep, de brede monding van de Maas, en van daaraf noordwaarts richting Katwijk aan Zee. Tussen Nijmegen en het Helinium is de weg echter nergens archeologisch aangetoond (p.175). Nu worden die Romeinse wegen door Albert Delahaye niet ontkent, immers Tacitus schreef er ten aanzien van de Agri Decumates al het volgende over: "Het schuim van Gallia, en allen die de miserie tot dit waagstuk had gedwongen, hebben een land ingenomen waarvan het bezit onzeker was. Daarna heeft men een grensweg aangelegd, hier en daar enige legioenen gelegerd, en zo zijn zij een vooruitgeschoven punt van het rijk en deel van een provincie geworden".. Vraag is dan wel of het de wegen van de Peutingerkaart zijn? Daar valt nog het nodige op af te dingen.

  10. Tot slot zijn er aanwijzingen voor bruggenbouw in Gelderland. In Tacitus' verslag over de Bataafse Opstand komen er zelfs twee voor: een brug in aanbouw bij Nijmegen - mogelijk een schipbrug en een brug over de Nabalia. Deze rivier vormt het decor van de slotscene van de Bataafse Opstand, waarin Civilis en Cerialis onderhandelingen voeren op een brug. Er bestaat nog geen overeenstemming over welke rivier de Nabalia is. Wel bestaat er archeologisch bewijs voor het bestaan van een brug in de Bornmelerwaard: in 1895 vond archeoloog W. Pleyte bij Zuilichem een enorme constructie van zware palen in de uiterwaard van de Waal, hoogstwaarschijnlijk van een houten brug. Helaas is van die vondst niets bewaard gebleven en recente pogingen om de palenrijen terug te vinden, leverden nog niets op (p.175). Ook hier weer een eerlijk verslag van alles wat niet gevonden is. Als feitelijke bewijzen ontbreken houdt het speculeren toch ook op? Albert Delahaye weet de Nabalia (ook Navalia: zie -b- en -v- wel aan te wijzen. Het is de Nave in de buurt van Béthune dat het Oppidum Batavorum was.

    Tot zover de bespreking van hoofdstuk 4. Het vervolg van het Verhaal van Gelderland vindt U hier: Hoofdstuk 5 : Bloeitijd van Romeins Gelderland.


    Wilt U meer weten over de ware geschiedenis van Nederland? Bestel het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.