De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het verhaal van Gelderland: hoofdstuk 5: Bloeitijd van Romeins Gelderland. (p.176-211).

De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.


Bij die rijke geschiedenis kunnen we toch heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die niet van Gelderland is, maar van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.



Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.

Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.
Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hier) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!

Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onjuistheden bij elkaar weten te schrijven. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop ze de opvattingen van Albert Delahaye op pagina 334 hebben beschreven: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met de werkelijkheid.

Maar gelukkig geven ze ook zelf hun twijfel toe en erkennen ze regelmatig dat er problemen zijn in de traditionele opvattingen. Daarbij blijkt dat ze feitelijk te weinig kennis van zaken en deskundigheid bezitten, om de door henzelf opgeworpen problemen op te lossen. Vandaar dat wij hen helpen de twijfel en problemen op te lossen, vandaar dat deze besprekingen en opmerkingen over de geschreven teksten in hoofstuk 4 t/m 8 erg uitvoerig is geworden.

Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring in het eerste Millennium. Alle benodigde correcties die we ook noemen zijn al te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijst van het Verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook veelzeggend en 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet voor de historische waarheid. Deze auteurs moeten nu eens erkennen dat ze het altijd fout gehad hebben. Maar ja, erkennen van eigen ondeskundigheid gaat niet gebeuren, zoals de geschiedenis leert. Wij kunnen slechts adviseren eigen artikelen nog eens na te lezen en te vergelijken met mijn opmerkingen. Ik wens hen daar succes mee en verneem graag wat hun bevindingen zijn.

Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van Hoofdstuk 8.

Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.
De visie van Albert Delahaye.

We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, zoals de auteurs beweren dat Delahaye dat gezegd zou hebben. Ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationele allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. We zullen maar denken dat de verkoopcijfers hier debet aan zijn, immers aansprekende verhalen verkopen beter dan de nuchtere feiten. Maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze hun twijfel uit. Dat kan ook niiet anders, want twijfel is er altijd geweest in de geschiedenis van Nederland. Die twijfel blijkt wel door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!




Afschrift van de gedenksteen van een Bataaf, gevonden in Pfünz (Beieren), waarmee Nijmegen meent haar geschiedenis te kunnen bewijzen. In Nijmegen zelf is nooit een dergelijke steen gevonden, ook de naam Noviomagis of Oppidum Batavorum is er nooit aangetroffen.

De tekst op deze steen heeft tot de grote verwarring geleid. Er staat:
[Genio castrorjVM T. Fl(avius) ROM[a]NVS VLPIANoVIOMAGIBATAVS DEC(urio) AL(ae) T FLAVIAEPR (a?)E POSITVS. . . .
Dat werd traditioneel vertaald met:
Aan de Genius van de legerplaats (wijdt) Titus Flavius Romanus, afkomstig uit Ulpia Noviomagus, een Bataaf, ritmeester van de ala I Flavia, chef van . . . (dit altaar).

De combinatie VLPIANoVIOMAGIBATAVS heeft tot onjuiste conclusies geleid. Allereerst is deze steen gevonden in Pfünz en niet in Nijmegen, al heeft men daar wel een gipsen kopie. Ten tweede zijn de letter tussen ( ) eigen aanvullingen ofwel liefst 6 interpretaties. Als derde staat hier niet op dat de Bataaf 'afkomstig is uit Ulpia Noviomagus'. Ook dat is een interpretatie. Als vierde is niet aangetoond dat die persoon Titus Flavius heette. Ook dat is een interpretatie. Liefst 8 (acht!) interpretaties over één opschrift.
Hoeveel zekerheid heb je dan nog?

En al deze onzekerheid wordt in Nijmegen als drievoudig bewijs gebruikt: 1. dat Nijmegen Ulpia Noviomagi was en 2. dat VMTFLROMNVS een Bataaf was en 3. dat deze Bataaf in Nijmegen woonde.

Het hele bewijs voor Nijmegen vervalt met deze ene steen!

Mijlpaal van Caracalla
De paal werd in 212 of 213 geplaatst tijdens de regering van Caracalla. De inscriptie op deze paal is veel minder goed bewaard gebleven. De naam van de keizer is nog goed leesbaar, maar zijn officiële functies die een exacte datering mogelijk zouden maken niet meer. De naam van Municipium Aelium Cananefatium is ook niet meer leesbaar, de afstand van vier mijl nog wel. Een gedeeltelijke reconstructie van de inscriptie;

IMP(erator).CAES(ar)
DIVI.SEPTIMI
SEVERI.PII.ARABICI
ADIABENICI.PARTHI
CI.MAX(imi).BRITANICI
MAX(imi).FILIVS
M.AVR (elius).ANTONINVS
PIVS.F(elix).AUG(ustus).PARTHICVS
MAXIM(us).BRITANICVS
MAXIM(us).PONT(ifex).MAXIM(us)
Het resterende deel is niet meer zichtbaar, buiten een paar losse letters en het al bekende MILIA PASS IIII.

De vertaling luidt:

De opperbevelhebber en keizer,
van de vergoddelijkte Septimius
Severus, de vrome, met de eretitels Arabicus,
Adiabenicus, Parthicus
Maximus, Britanicus
Maximus, de zoon
(namelijk) Marcus Aurelius Antoninus
Pius, de gelukkige, met de eretitels Parthicus
Maximus, Britannicus
Maximus, opperpriester
Caracalla was maar een bijnaam voor deze keizer. Zijn officiële naam Marcus Aurelius Antoninus staat dan ook op de paal vermeld.
In deel 1 van de vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt in de hoofdstukken 4 t/m 8 de geschiedenis beschreven zoals die grotendeels traditioneel is vastgesteld. Echter, daar is heel wat op aan te merken. Niet alleen op die traditionele geschiedenis, maar ook op hoe en wat er in dit boek beschreven en geschreven is. Op pagina 334 wordt ook de visie van Albert Delahaye genoemd (zie daar), helaas onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye zelf geschreven heeft. Het is kenmerkend voor feitelijk dit hele boek. Het is een onvolledig en een onjuist verhaal, met vaak tegenstrijdigheden van andere historici, ook al zijn de verwijzingen in noten naar 'gelijkgestemden'.
De grondfout van dit hele boek is dat men Nijmegen klakkeloos opvat als het Noviomagus uit zowel de Romeinse als de Karolingische periode. En daarvoor ontbreekt elk schriftelijk of archeologisch bewijs. Wie die bewijzen wel heeft, laat het alstublieft weten, want daarmee vervalt de visie van Albert Delahaye.


In dit deel van het Verhaal van Gelderland wordt de meest hardnekkige mythe beschreven, namelijk dat Nijmegen ooit ULPIA NOVIOMAGUS geheten zou hebben. Het is een bedenksel van prof.dr.J.E.Bogaers in 1959. Zie verder hieronder bij punt 3: Ulpia Novimagus.

We bespreken hier hoofdstuk 5 geschreven door slechts één auteur en wel Paul van der Heijden. Is hij de enige 'deskundige' op het gebied van Romeins Nederland? Heeft de redactie zijn verhaal gecontroleerd? Er zijn namelijk meerdere opmerkingen over te maken: niet alleen over de gehanteerde traditionele standpunten, maar ook over compleet onjuiste en vaak al achterhaalde opvattingen. Van der Heijden wil met allerlei (buitenlandse) voorbeelden bevestigen dat de traditionele geschiedenis van Romeins Nederland wel degelijk juist is. Dat er Romeinen in Nederland geweest zijn, is het probleem niet. Die zijn er zeker geweest. Maar verbleven de Bataven in de Betuwe en was Nijmegen het Noviomagus uit de geschreven bronnen?
Soms komt Van der Heijden toch ook terug van traditionele opvattingen of worden fouten uit het verleden ook herkend en erkend en gecorrigeerd, maar stilzwijgend. Voor het onafhankelijk publiek is niet te controleren of opvattingen gewijzigd zijn, omdat men die oude geschiedenis te weinig kent. Vandaar dat we dat steeds vermelden en toelichten.


Hoofdstuk 5: Bloeitijd van Romeins Gelderland.

Hoofdstuk 5 bestuderend kun je jezelf verbazen over alle aangenomen opvattingen die nog steeds als vaststaande geschiedenis worden gepresenteerd. We geven ze hieronder puntsgewijs letterlijke citaten (met pagina vermelding) en plaatsen er in rood onze opmerkingen bij. Op het kaartje op p.176 wordt Gelderland in de tweede eeuw afgebeeld. Het Romeins beperkt zich in feite tot het rivierengebied. Ten noorden van de Rijn zijn de Romeinen nauwelijks geweest, al meent men in Ermelo een Romeins kamp gevonden te hebben. Of was het een inheemse nederzetting gebouwd naar voorbeeld van een 'Romeins' kamp. Lees meer over het 'Romeinse' kamp te Ermelo.


Hoofdstuk 5 gaat uit van de traditionele opvattingen, waarvan de meeste nooit met enig bewijs tot een zekerheid aangetoond zijn. Het zijn aannamen, hypothesen en veel speculaties op een rij. Het is erg interessant wat andere historici dan Paul van Heijden, de auteur van dit hoofdstuk, daarover schreven. Heeft hij dit allemaal niet gelezen? Waarom verzwijgt hij dat?

Zo wil Van der Heijden met 'wat appels en peren' (p.182) een omvangrijke handel, een bestuurlijke cultuur en een bestuurlijk en administratief systeem aantonen. Het zijn evenzovele aangenomen en nergens op gebaseerde opvattingen. Zie punt 1 en 9 hieronder. Ook de steeds gemaakte vergelijking met Xanten (zo'n 18 keer) is slechts armoe te noemen. Het toont evenzoveel keer aan dat een dergelijke allure in Nijmegen niet voorkwam, precies zoals W.A.van Es al vaststelde. Waaruit bijkt die rijke cultuur en handel in Nijmegen? Uit de vondst van een ring en wat haarklipjes?

Als je dit hoofdstuk zorgvuldig doorleest, of beter, bestudeert (let vooral ook op de noten), blijkt er nergens een feitelijk bewijs gegeven te worden om de aangenomen opvattingen te bevestigen. Er wordt opvallend en zeer juist, nogal vaak getwijfeld, maar daaruit worden helaas niet de vanzelfsprekende conclusies getrokken.

In de Nederlandse traditie en ook in dit boek, worden Batavodorum, het Oppidum Batavorum en het Municipium Batavorum op Nijmegen toegepast. Dat gaat terug tot de opgravingen van Holwerda in 1912/1914 die op het Kops Plateau het Oppidum Batavorum meende te hebben ontdekt. Maar Museum Kam schrijft daarover: De vondsten die in 1971 en 1972 op de noordelijke helling van het Kops Plateau zijn gedaan, hebben geen argumenten opgeleverd om Holwerda's identificatie van de nederzetting op het plateau met Tacitus' Oppidum Batavorum te ondersteunen. (Bron: Museum Kam).

Dr. J.H.W.Willems (toen directeur van de ROB. in Amersfoort) betoogde bij opgravingen op de Kopse Hof in Nijmegen: "We hebben op dit ogenblik (1989) zo'n 9000 m2 van 'Holwerda's Oppidum Batavorum' opgegraven, maar zoals eigenlijk wel te verwachten was: we hebben het niet gevonden. Alles wat we tot toe hebben gevonden wijst erop dat het tussen 12 vóór en 70 n.Chr. op het Kops plateau een komen en gaan van Romeinse legeronderdelen is geweest. En als er hier al Bataven zijn geweest dan hoorden die dààrbij!"

De naam Municipium Batavorum is alleen bekend van enige inscripties die buiten Nijmegen zijn gevonden. (Bron: Museum Kam).
In Nijmegen zelf is dus NIETS gevonden dat bevestigt dat het Municipium Batavorum daar gelegen was. De vondsten in Kapel-Avezaath en Colijnsplaat bewijzen niets ten gunste van Nijmegen. Net zo min als de naam Noviomagus dat is, aangetroffen op gedenkstenen te Pfünz, Boedapest en Rome en die men altijd voor Nijmegen heeft opgevat! Met dit Noviomagus is natuurlijk gewoon Noyon bedoeld, dat ook het Noviomagus is dat in de vele teksten genoemd wordt. Lees daarover meer in het Bronnenboek van Nijmegen.

W.A.van Es schrijft over het Oppidum Batavorum in zijn boek "de Romeinen in Nederland" (1981) : 'Vorm en uiterlijk van Batavodurum alias Oppidum Batavorum zijn eveneens nog geheel onbekend. Zelfs over de ligging is nog wel discussie mogelijk'. En: "Inmiddels stapelen de problemen wat deze Batavenburcht op de Kopse Hof betreft, zich op. Het is achteraf toch niet zo zeker dat de sporen tijdens de opgraving wel goed gelezen, laat staan goed geïnterpreteerd zijn. De reconstructie van de burcht berust in feite op heel weinig gegevens." Sinds 1981 is niets aan 'bewijzen' toegevoegd, dan slechts verdere speculaties. Lees meer in de diverse recente publicaties en bij de stand van Romeins Nederland.

We kunnen de namen Batavodurum en Oppidum Batavorum voor Nijmegen dus schrappen. Daar blijkt geen enkel bewijs voor te bestaan, dan slechts de ooit aangenomen traditie.


Vanwege het tussenvoegen van nieuwe bevindingen kan de nummering hieronder wijzigen.
  1. Stedelijke cultuur en burgerschap. De Romeinen tuigden een enorm bestuurlijk en administratief systeem op. Ze verdeelden het land in administratief-bestuurlijke eenheden, zoals provincies en civitates. De hoofdstad van de provincie Neder-Germanië was Keulen. (p.177). Volgens W.A. van Es is "Romeins Nederland nimmer de eer van een colonia waardig geacht." In die adminstratieve en bestuurlijke indeling viel Nederland blijkbaar geheel buiten. De provincie Neder-Germanië, het moet zijn Germania Inferior, lag geheel ten zuiden van de Maas lag. Volgens Zozimus (Historia Nova, VI-2: 5e eeuw) was Bononia (is Boulogne-sur-Mer) de hoofdstad van Germania Inferior en niet Keulen. Of Colonia, dat ook wel eens genoemd wordt, wel Keulen was, is nog steeds een onbeantwoorde vraag. Of was het Cologne in Frans-Vlaanderen? Dat Colonia Keulen was is een aangenomen opvatting op grond van 4 letters, waaruit men een bewijs heeft gedestileert. Lees meer over Keulen.

    Wat hier ook aan toegevoegd kan worden is dat de Romeinse bestuurlijke en administratieve indeling in de middeleeuwen overgenomen is door de Katholiek Kerk, die op grod van die indeling de omvang en grootte van bisdommen heeft bepaald. Opvallend daarbij is dat Nijmegen (Noviomagus?) nooit bisschopsstad is geworden, maar Noyon (het Noviomagus van Karel de Grote) wel. Prof.Leupen heeft als 'historische paus' Nijmegen in 1980 dan wel een bisschopszetel geschonken, maar er de Franse bisschop van Noyon geplaatst. Lees meer over de bisschop van Nijmegen.


  2. Het Gelders grondgebied ten zuiden van de Rijn hoorde bij de civitas van de Bataven, met Nijmegen als belangrijkste kern. De verlening van stadsrecht en de daarmee gepaard gaande verheffing tot municipium ging nog een stapje verder. Hoewel er discussie is over de inhoud en betekenis van het Romeinse stadsrecht, gaan wetenschappers ervan uit dat het municipium stond voor een bepaalde juridische status en een zekere vorm van zelfbestuur, waarbij de burgers ook stemrecht hadden. Een aanwijzing daarvoor is gevonden op een votiefsteen uit Kapel-Avezaath, die is opgericht door Valerius Silvester, decurio van het municipium Batavorum, de 'Bataafse stad' (oftewel Nijmegen). (p.178). Nijmegen kent een aantal mythen waarop haar geschiedenis is gebaseerd, zoals elders gevonden votief- en gedenkstenen. De intigrerende vraag blijft ook steeds waarom er geen enkele votief- of gedenksteen in Nijmegen gevonden is met de letters 'BAT', nog afgezien of 'de Bataafse stad' wel Nijmegen was, zonder enig bewijs van die opvattingen te geven. Dat Nijmegen ooit tot stad verheven werd door Trajanus is een volgende mythe. Het zijn aangenomen en nooit met bewijzen gestaafde opvattingen. Lees hieronder over meer mythen van Nijmegen.

    Gesticht in 19 v.Chr.?
    Lees meer...
    Stadsrechten van Traianus?
    Lees meer...
    De naam Ulpia Noviomagus?
    Lees meer...
    De Opstand der Bataven?
    Lees meer...
    Het gat van Nijmegen?
    Lees meer...
    Karel de Grote in Nijmegen?
    Lees meer...


    Ulpia Noviomagus.
    De latere keizer Trajanus was stadhouder in Germania Superior. Hij voerde de 'familienaam' Ulpius. Dat hij Romeinse nederzettingen gesticht zou hebben is een aangenomen opvatting: aanname 1. Het stichten van nederzettingen deden Romeinse keizers nooit (zie Byvanck).
    Bogaers was van mening dat Ulpia Noviomagus op Nijmegen betrekking had, aangezien hij meende dat Nijmegen in de Romeinse tijd Noviomagus geheten zou hebben: aanname 2. Het was echter de plaats Neumagen, die in het stadsdistrict van Trajanus lag en de naam Ulpius kreeg.
    Als Nijmegen van Trajanus de toevoeging Ulpia gekregen zou hebben, zal Trajanus zeker in Nijmegen geweest zijn wat aanname 3 is. En als Trajanus in Nijmegen was, zal hij aan de plaats bij vertrek ook wel zijn familienaam toegevoegd hebben: aanname 4. Trajanus vertrok niet uit Nijmegen, maar het Tiende Legioen vertrok in ca.104 naar Hongarije. Dat een plaats bijzondere rechten gekregen zou hebben bij het verlaten van de Romeinen is nergens voorgekomen. Dat is dus aanname 5.
  3. Ulpia Noviomagus
    De verspreiding van de Romeinse stedelijke cultuur beleefde in Nederland haar hoogtepunt in de bouw van de stad Ulpia Noviomagus, in het huidige Nijmegen-West. Romeins Nijmegen groeide uit tot het belangrijkste bestuurlijke en economische centrum van de Rijndelta. In Noviomagus verrezen monumentale gebouwen, zoals tempels, badhuizen en een forum. Archeologen houden er rekening mee dat de stad ook een eigen amfitheater had. Dat tweede amfitheater is echter nog niet gevonden, net zomin als het forum. Want in tegenstelling tot de legioenplaats op de Hunnerberg is van de Romeinse stad Noviomagus amper 5 procent opgegraven. Die opgravingen beperken zich vooral tot de zuidelijke rand van de stad, waardoor het eigenlijke centrum met de grote, openbare gebouwen zich nog aan het oog onttrekt. Ook de noordelijke en westelijke begrenzing van de stad zijn nog altijd onduidelijk, waardoor de exacte afmetingen onbekend zijn (p.179).

    Nijmegen Ulpia Noviomagus noemen is een bedenksel uit 1959 van archeoloog J.E.Bogaers, die dus geen historicus was. Dr.H.J.H. van Buchem heeft toen al (zie Numaga VI mei 1959 p.51) gesteld: "Wij hopen, dat dr. Bogaers spoedig gelegenheid zal vinden om zijn nieuwe denkbeelden omtrent deze voor de oude geschiedenis van Nijmegen toch waarlijk niet onbelangrijke kwesties duidelijker en uitvoeriger uiteen te zetten." Het waren dus slechts denkbeelden. Maar de uiteenzetting van die denkbeelden is er helaas nooit gekomen, dan slechts een boute bevestiging van dit bedenksel. Blijkbaar wilde Bogaers bij zijn aanstelling van hoogleraar aan de Katholiek Universiteit van Nijmegen indruk maken. De denkbeelden van Bogaers zijn vervolgens klakkeloos overgenomen (het was wel indrukwekkend voor de niet deskundige buitenwereld) en vormen sindsdien een belangrijk deel van de Nijmeegse Romeinse geschiedenis. Ook hier blijkt weer dat een mythe gemakkelijker ontstaat dan dat deze opgeruimd kan worden.

    Dat die denkbeeldem onjuist blijken is met de studie van Albert Delahaye wel aangetoond, maar door historici vervolgens verzwegen, ook al weten zij dat Delahaye volkomen gelijk had. Het bedenksel van Bogaers bleek ook de aanleiding om keizer Traianus toe te voegen aan de Nijmeegse geschiedenis, terwijl het een ordinaire cirkelredenering betrof. Zie kader hiernaast. Lees meer over Jules Bogaers. Uit 5% opgravingen trekt men dus verregaande conclusies, terwijl de exacte begrenzingen onbekend zijn. Die vijf procent waarheid staat als typisch voorbeeld voor de wijze waarop Nijmegen haar geschiedenis baseert. In Nijmegen is boven het maaiveld (maar ook op veel plaatsen eronder) niets van een grootschalige 'stad' gevonden. Lees er meer over in de recente publicatie Romeins Nijmegen boven het Maaiveld. Het zijn speculaties en aannamen op grond van in de musea getoonde artifacten, waarvan van meerdere de herkomst totaal onbekend is. Lees meer over Museum Kam. Lees ook meer over Museum Het Valkhof. In dat Museum zullen toch wel de waarheid tonen, of toch niet?


  4. Wat is er dan wel bekend over de stad? Allereerst dat de aanleg ervan te maken had met de verwoesting van Oppidum Batavorum in het jaar 70. Archeologen gaan ervan uit dat de bouwactiviteiten in Nijmegen-West zijn ingezet of gepland door keizer Domitianus (81-96), die daarvoor het Tiende Legioen inzette. Dat blijkt onder andere uit dakpanstempels van het legioen en het gebruik van de steensoort grauwacke als fundament van openbare gebouwen. Deze steensoort gebruikte men ook bij de verstening van de eigen legioenplaats. De aanleg van de stad zou goed samen kunnen vallen met Domitianus' initiatief voor de inrichting van de provincie Neder-Gerrnanië (p.180). Het zou allemaal goed kunnen, maar met dakpannen bewijs je niets, ook al "gaan archeologen ervan uit"! Zie U ook hier weer de bewijsvoering, zeker omdat van 'openbare' gebouwen nog steeds niets gevonden is? Zie punt 3 hiervoor. Het Oppidum Batavorum is niet in Nijmegen verwoest, zie hierboven. Het lag in Béthune in Frans-Vlaanderen, waar de Bataven naast de Moriniërs woonden, zoals uit klassiek teksten blijkt.

  5. De eerste aanleg leek in het begin waarschijnlijk eerder op een lintdorp, met huizen langs een doorgaande, oost-west georiënteerde weg in het zuiden van de latere stad. Deze weg kruiste mogelijk een oude noord-zuid verbinding die leidde naar een oversteekplek van de Waal. (p.180). Ook hier is weer slechts sprake van waarschijnlijk en mogelijk. Hoeveel is nu wel helemaal zeker in Nijmegen?

  6. Over het bouwtempo en de ontwikkeling is nog veel onduidelijk. Dakpannen met het stempel van het Tiende Legioen doen vermoeden dat rond 100 werd begonnen met de bouw van het grote badhuis. Voor het overige biedt slechts een vergelijking met 'grote broer' Xanten enig houvast (p.180). Zo schrijft men in Nijmegen geschiedenis: op een onduidelijk vermoeden en op een vergelijking die volkomen mank gaat. Wat men in Xanten wel heeft, mist men in Nijmegen, dat staat hiermee wel vast.

  7. Er is weinig reden om aan te nemen dat dit in Nijmegen eerder gebeurde: niet alleen was Xanten als stad belangrijker, ook lag daar het Dertigste Legioen, dat alle materialen en menskracht zal hebben geleverd. Aangezien de bouw van dit soort grootschalige projecten jaren kon duren, is het goed denkbaar dat Noviomagus pas in de loop van de tweede eeuw een echt monumentaal uiterlijk heeft gekregen. Een stadsmuur kreeg de stad waarschijnlijk pas aan het eind van de tweede eeuw, misschien nog later (p.180-181). Ook hier wordt weer veel aangenomen op grond van 'goed denkbaar' en 'waarschijnlijk'.

  8. Met de nieuwe status kreeg Noviomagus ook een nieuwe economische rol. Dankzij de archeologie kunnen we een glimp opvangen van de verdere bedrijvigheid die zich hier moet hebben afgespeeld. Zo behoorde een zilveren ring met parelrand volgens de inscriptie toe aan ene Rusticus, lid van een schoenmakersgilde. Graanhandelaar Marcus Liberius Victor liet een altaarsteen oprichten en oogarts Marcus Ulpius Heracles bezat een stempel waarmee hij zalfjes kon merken. Talloze losse vondsten wijzen op een nog grotere verscheidenheid (p.181). Tientallen haarsieraden duiden op het bestaan van privékapsters (hoezo? privé?) en bronzen handvatten van scheermessen verwijzen naar de aanwezigheid van barbiers. Een teruggevonden passer zou het eigendom geweest kunnen zijn van een architect, terwijl sikkels doen vermoeden dat er tuiniers werkzaam waren (p.182).
    Moet hebben voorgedaan? Van wie moet dat? Van de historici of van de VVV? Welke glimp werd er hier opgevangen? Ziet U hier de gebruikte bewijsvoering?

    Wat ook hier weer blijkt is dat je met losse vondsten niets bewijst, zoals dr.A.W.Byvanck al in 1942 schreef. Uiteraard waren er Romeinen aanwezig in Nijmegen die elk dag ook moesten eten en drinken en ook naar de kapper gingen. Maar met al deze kleinoden, deze glimp, bewijs je voor Romeins Nijmegen geen grote economische rol. Het gaat veel lijken op die ene broche uit Wijk bij Duurstede. En wat bewijs je met één ring? Lees meer over de ring van Rusticus, waarmee je niets bewijst voor Nijmegen. De inscriptie van Marcus Liberius Victor, gevonden in de Waal bij Winseling (Nijmegen), zegt wel iets over de herkomst van Marcus (hij was een Nerviër, dus afkomstig uit de omgeving van Bavay, Frankrijk), maar zegt dus niets over Nijmegen. Was hij een legionair, overleden in/bij Nijmegen? CH.L.Raemakers meende een ander uitleg te hebben van dat Ulpia. "Een oogarts die Grieks was heeft de familienaam Ulpius aangenomen. Heeft deze Griek misschien zijn familienaam ontleend aan de stad Nijmegen, die de naam droeg van Ulpia Noviomagus? Of was onze oogarts op een of andere manier geliëerd aan de familie Ulpia. Het Ulpia Noviomagus was een belangrijke stad, gelegen aan de grens van het Romeinse Rijk. Het is dan ook niet zo verwonderlijk, dat het oude Nijmegen een oogarts bezat. Aanvankelijk heeft men gemeend, dat deze oogartsen verbonden waren aan het leger. (Numaga 1962-2, p.52). De naam Ulpius blijkt ook in meer families voor te komen." Op p.187 wordt ook Marcus Ulpius Fronto genoemd, wiens militair diploma in Regensburg is teruggevonden. Wat wel duidelijk is dat Raemakers enkele cirkelredenering gebruikt. Dat Romeins Nijmegen de naam Noviomagus droeg moet eens bewezen worden met teksten en niet met aannamen. Er bestaat in Nijmegen nog steeds een ernstige vorm van bijziendheid en een beperkt gezichtveld, ondanks deze oogarts. Dat beperkte gezichtsveld blijkt ook op p.183 waar Van der Heijden graanhandelaar Liberius Victor uit België laat komen. Bavay ligt toch echt in Frankrijk.


  9. Wat er verder op p.182 geschreven wordt over het winkelen en wat de Nijmegenaren (bestonden die al?) zoal verbouwden, is leuk voor de plaatselijke VVV, maar bevat geen enkele historische waarheid als het om de 'stedelijke cultuur en burgerschap' gaat. En daar ging het toch om? Van der Heijden probeert hiermee zijn verhaal wat meer inhoud te geven, maar het vormt er geen enkel bewijs voor die stedelijke cultuur. Let vooral op dat 'stedelijke'. Probeert Van der Heijden hier iets mee te bewijzen? De hier levende Keltische en Germaanse stammen woonden vanouds overwegend in kleine, verspreide nederzettingen, hooguit bestaand uit een handjevol houten boerderijen, en deden aan zelfvoorzienende landbouw (p.178)

    Het is blijkbaar nodig om met dit soort nietszeggende uitwijdingen de geschiedenis van NIjmegen toch wat meer allure te geven. Helaas wordt hiermee de zwakte van die geschiedenis aangegeven. Als dit het enige 'bewijs' is dat men heeft, blijkt Nijmegen zelfs in de Romeinse tijd nauwelijk de allure van een doorsnee dorpje te hebben overstegen. Vechten en Valkenburg zijn aantoonbaar belangrijkere plaatsen geweest dan Nijmegen. Dat 'dorpse' van Nijmegen blijkt ook uit een artikel in de Gelderlander in juni 2023 waar dat zo geschreven is. Dat dorpse is er nog steeds van toepassing. Niks oudste stad! Wat op p.178 onderaan geschreven wordt is veelzeggend: een handjevol houten boerderijen! Dat die mensen aan zelfvoorzienende landbouw deden spreekt die handel tegen, maar ook die stedelijke cultuur. Met wat appels en peren en andere tuinbouwproducten bewijs je geen omvangrijke handel, geen bestuurlijke cultuur en evenmin een bestuurlijk en administratief systeem. Het zijn evenzovele aangenomen opvattingen. Archeologisch is er ook nooit enig bewijs gevonden dat het grote en omvangrijke volk van de Bataven in de Betuwe woonden. Dat heeft onder andere ook Stijn Heeren erkend als hij schrijft: "dat de Betuwe te klein is om zoveel Bataafse legionairs te leveren". Hij presenteerde dit als nieuws, als een eigen ontdekking! Maar ja, als je de boeken van Albert Delahaye niet leest kun je ook niet weten dat Delahaye daar al in 1965 op gewezen heeft! Het was dus geen nieuws!

  10. De verspreiding van de stedelijke cultuur en het burgerschap was een typisch Romeinse ontwikkeling die verregaande gevolgen zou hebben. Het cruciale begrip in deze ontwikkeling is mobiliteit, een van de belangrijkste kenmerken van het Romeinse Rijk. Als basis hiervoor diende het optimaal gebruik van vaarwegen en het steeds verder uitdijende wegenstelsel. Dat resulteerde binnen enkele eeuwen in een enorm wegennetwerk van zo'n 300.000 kilometer. Ter vergelijking: deze omvang werd binnen de grenzen van het vroegere Romeinse Rijk pas in de negentiende eeuw weer geëvenaard. De gretigheid waarmee de Romeinse ingenieurs zich een weg door het landschap baanden, verraadt de achterliggende drijfveer om de wereld te civiliseren. Ze bouwden daartoe ook honderden bruggen, hakten bergwegen uit, legden moerassen droog en groeven zelfs tientallen tunnels (p.183). De teneur van het hier geschreven is aardig overdreven. Op veel plaatsen is van die wegen niets teruggevonden, zoals die twee wegen die door de Betuwe gelopen moeten hebben. De Patavia van de Peutingerkaart was toch de Betuwe? En wat schrijft Tacitus over de aanleg van wegen? Onder de volken van Germania mogen we hen niet tellen, die zich hebben gevestigd aan de overzijde van de Rhenus en de Danuvius en daar de "Agri Decumates" bezetten. Het schuim van Gallia, en allen die de miserie tot dit waagstuk had gedwongen, hebben een land ingenomen waarvan het bezit onzeker was. Daarna heeft men een grensweg aangelegd, hier en daar enige legioenen gelegerd, en zo zijn zij een vooruitgeschoven punt van het rijk en deel van een provincie geworden. Met dat belang van die wegen valt het nogal mee.

  11. Al deze verplaatsingen waren voor de Romeinen een binnenlandse aangelegenheid. De communicatie leverde zelden problemen op: naast de honderden regionale talen en dialecten sprak men in het westen van het rijk Latijn, in het oosten Grieks. Nooit eerder was reizen zo makkelijk en veilig (p.185). Van der Heijden geeft een aardig verhaal over mobiliteit en handel. Maar is het juist? Verschillende Romeinse schrijvers wijzen toch op het meedogeloze van de Romeinen, zoals Tacitus en Cassius Dio. Denk ook maar eens aan de vervolging van Christenen en de gladiatoren'spelen', nog afgezien van de slavenhandel. Van der Heijden erkent dat zelf ook als hij op p.186 schrijft: Dat deden de Romeinen weliswaar met veel militair machtsvertoon.

  12. Een andere onderbelicht probleem is dat men Latijn sprak. Het wordt door taaldeskundigen tegengesproken. Het Latijn was geen spreektaal, maar een schrijftaal. Lees ook meer over een smeltkroes aan talen. Wat we uit dit verhaal wel kunnen afleiden is dat vondsten geen enkel bewijs vormen voor het verblijf van personen of volkeren ter plaatse van de vondst. Zo wordt het voorbeeld gegeven van een grafsteen van een familie uit Spanje, gevonden in Nijmegen. (p.185) Was Nijmegen dan Spaans gebied? Het lijkt een gezocht vorbeeld, maar in andere gevallen redeneren archeologen en historici wel zo. Zo wil men in Nijmegen met een gedenksteen van een Bataaf uit Ruimel, nog steeds aantonen dat de Bataven in Nijmegen woonden.

  13. Wat was nu de rol van de Romeinse limes in dit geheel? Daarover is in de afgelopen twintig jaar veel gediscussieerd. Met de voordracht van de Neder-Germaanse limes als UNESCO-werelderfgoed kreeg ook dat debat volop aandacht. De kern is, kort gezegd, dat het vroegere beeld van de limes als een min of meer hermetisch afgesloten grens is verdrongen door een veel genuanceerdere visie. Een van de nieuwe zienswijzen is dat de limes uiteindelijk voortkwam uit de Romeinse behoefte aan administratieve duidelijkheid. Veel gediscussieerd? Debat? Ik heb over een discusie of debat nooit iets gelezen of iets van vernomen! Het blijkt wel dat zelfs die nieuwe zienswijzen onjuist zijn. Van een duidelijke grens is langs de Rijn nooit sprake geweest. De Rijn was een bewaakte transportroute zoals in Archeobrief van maart 2008 is geconcludeerd. De grens die later LIMES werd genoemd, lag globaal op de taalgrens. En die transportroute is dus nu UNESCO-werelderfgoed! Misschien wordt de E-10 ooit ook nog eens werelderfgoed, ook al bestaat de oorspronkelijk weg al lang niet meer!

  14. De herkomst van soldaten uit de hulptroepen die waren gelegerd aan de Neder-Germaanse limes, aan de hand van inscripties en informatie op militaire diploma's. Het is een voorbeeld van de enorme mobiliteit binnen het Romeinse Rijk.
    Deze kaart (zie hiernaast: klik de kaart voor een vergroting) bevestigt het onder punt 11 hiervoor gestelde dat met gevonden inscripties geen enkel bewijs te leveren is over de woonplaats van de volkeren. Helaas staat er toch weer de traditionele fout op dat de Ala Batavorum, die al bestond in de tijd van Julius Caesar, uit Nederland (de Betuwe?) kwam. Nog in begin 5de eeuw worden meerdere cohorten Bataafse legionairs en ruiters genoemd. Kwamen die vrijwillig dienst nemen vanuit Nederland, dat door de Romeinen al sinds 260 verlaten was? Een cohort bestond doorgaans over zo'n 500 legionairs. Cohortes auxiliares waren eenheden van wel 1000 (miliariae) manschappen en hulptroepen. Bovendien bestond er nog een Bataafse keizerlijke lijfwacht en was hun ruiterij, die overal werd ingezet, vermaard. Daarover heeft Stijn Heeren ook al geconcludeerd dat de Betuwe te klein was om zoveel legionairs te leveren. Ben benieuwd waar Van der Heijden het cohort Frisones dat hier niet genoemd wordt, vandaan laat komen! Uit Friesland?
    In het hele verhaal over Bataafse legionairs komt geen enkel detail voor dat met enige redelijkheid in Nederland, laat staan in de Betuwe te plaatsen is. Het archeologisch beeld van de Betuwe toont bovendien aan, dat deze streek niet eens in staat was om één cohort militairen te leveren. Men moet dan ook tot de tragische konklusie komen, dat de gehele akademische wereld (hier heeft Nederland alleen gedeelde schuld!) en bloc op heeft zitten slapen en blijkbaar nooit de aangenomen opvattingen heeft onderzocht op waarheid of mythe. Lees de opgravingsverslagen van de 'ADC Rapportage Tracé begeleiding Betuweroute' er anders even op na.


  15. Niet alleen mensen en goederen verplaatsten zich vaker en sneller dan ooit, de reizigers namen in hun bagage ook nieuwe ideeën, culturele tradities en religies mee. Welke religies Van der Heijden bedoelt wordt op p.188 en 189 duidelijk waar hij enkele 'Gelderse' goden noemt. Maar betekent een andere godheid ook een andere religie of is het meer van hetzelfde. Immers de Romeinen hadden zowat overal wel een God voor. Denk bijvoorbeeld aan de namen van de planeten. Uit de voorbeelden die hij geeft, blijkt in elk geval geen andere religie. Toen die er wel kwam (Chistendom), werd die verboden. Uit luxe(?)goederen, hygiëne en verzorging, blijkt nu niet meteen een nieuw cultuureel universum. Volkeren die deel gingen uitmaken van de Romeinse samenleving, pikten er over het algemeen de elementen uit die het best bij hen pasten. Zo bleven de Bataven wonen in hun woonstalhuizen van hout en leem, maar dronken ze wel uit bekers van Keulse makelij, aten ze van terra sigillata-borden uit Zuid-Frankrijk en gebruikten ze olijfolie uit Spanje. Hoe weet Van der Heijden dat die olijfolie uit Spanje kwam? Zat er wel olijfolie in (de gevonden scherven van) de kruik?
    Eén van de processen die als katalysator werkte voor de vermenging van culturen, was de terugkeer van Bataafse veteranen op het platteland waar ze waren opgegroeid. Na hun diensttijd in het Romeinse leger zwaaiden ze af met het Romeins burgerschap, een militair diploma en een som geld of een lap grond. Sommige veteranen bleven hangen op de plek van detachering, zoals Marcus Ulpius Fronto, wiens militair diploma in Regensburg is teruggevonden. Maar van de meesten wordt verondersteld dat ze terugkeerden naar hun Bataafse geboortegrond, zoals het in 1988 gevonden militair diploma van een Bataafse soldaat uit de buurt van EIst laat zien. Ook hier is het weer een bloemrijk verhaal dat voor de VVV geschreven blijkt, waarbij die ene zwaluw die nog geen zomer maakt. Er is slechts een deel van dat diploma gevonden. Waar is de rest? En was er maar één Bataaf die zo'n diploma kreeg? Er worden, ook door Van der Heijden, te gemakkelijk conclusies getrokken uit gevonden relicten. Het is een algemeen archeologisch en historisch probleem in Nederland. Wat bewijs je met één gevonden munt? Wat met enkele schreven van een kruik? Lees meer over archeologie.

  16. Die etnische diversiteit wordt mogelijk weerspiegeld in een in Huissen gevonden zwarte ring van git, met een kunstig gesneden hoofd van een Afrikaan. Was die in het bezit van een hier gestationeerde Afrikaan, heeft een veteraan hem meegebracht uit een exotisch land ofkwam de ring via andere kanalen naar de Over-Betuwe? Dat zal waarschijnlijk nooit worden opgehelderd, maar het zegt wel iets over culturele uitwisselingen over grote afstanden binnen het rijk. Hier stelt Van der Heijden dan toch eindelijk een terechte en logische vraag. Zie de laatste opmerking bij het vorige punt. Ondanks dat er geen bewijzen voor bestaan blijft Van der Heijden vast houden aan de Betuwe als de woonplaats van de Bataven, die zouden bestaan hebben uit een mengvolk van Eburonen en Chatten. Lees meer over dat mengvolk op p.134-137 in hoofdstuk 3. Zo bestaan op grond van ondeskundigheid nieuwe mythen.

  17. Ten noorden van de Rijn plaatst Van der Heijden ook nog steeds de Chamaven op grond van aloude aangenomen traditionele opvattingen. Ze woonden naast de Fresonen, jazeker, en als je die in Friesland plaatst, moet je de Chamaven er dus naast laten wonen. Zo kwamen de Chamaven in noord-Nederland terecht. Dat er van de Chamaven archeologisch of tekstueel nooit iets gevonden is in Nederland, lijkt geen probleem. Er is van wel meer volkeren nooit iets gevonden op de plaatsen die de historici daarvoor in gedachten hadden. Dus dat ene volk kan er ook nog wel bij.
    Maar de teksten zijn toch wel duidelijk en moeten dan toch de doorslag geven.
    In 306 hield keizer Constantijn een veldtocht tegen de Chamavi, de Bructeren, Cherusci, de Lanciones en de Tubantes in het noorden van Francia. Hij veroverde Bononia (is Boulogne-sur-Mer) en voor de verovering van Engeland bleek de bouw van een vloot noodzakelijk. Daarom liet hij het land Batavia (omgeving Béthune) van alle vijanden zuiveren. De bouw van die vloot bleek noodzakelijk om de aanhangers van Carausius te verslaan, die zich nog staande hielden in Engeland. (Bron: Panegyricus Constantino Augusto, 5, 3.).
    Waar past dit in Nederland? Waarom nog een veldtocht organiseren ver in Nederland of ver in Duitsland (waar Bructeren en Cherusken zouden wonen), om de verovering van Engeland voor te bereiden? De Romeinen waren helemaal niet meer aanwezig in Noord-Nederland of Duitsland en hadden dus geen enkele last van die volkeren in Noord-Nederland en in Duitsland? Waarom zou keizer Constantijn een vloot gaan bouwen in de Betuwe om naar Engeland over te steken? Waarom niet op de plaats waar je de overkant kunt zien, zoals ook Julius Caesar al deed?
    Ook hier blijkt weer dat het verhaal van Van der Heijden een andere wending krijgt als je de klassieke teksten en de logica volgt.

  18. Het is lastig met terugwerkende kracht iets te zeggen over identiteitsbesef in de toenmalige samenleving (p.190). Zelfs zijn eigen 'goede raad' weerhoudt Van der Heijden niet om toch iets over die identiteit te zeggen in het vervolg van zijn betoog. Wat wel opvalt, is dat sociale status voortaan niet meer berustte op etniciteit, maar op burgerschap - een van de belangrijkste en vernieuwende kenmerken van de Romeinse maatschappij. Het betekent ook dat racisme niet of nauwelijks voorkwam binnen het rijk. Er zijn geen bewijzen dat op basis van huidskleur werd gediscrimineerd. Er is geen volledige zekerheid over zijn etnische afkomst, maar het ligt voor de hand dat zijn familie in ieder geval voor een deel Noord-Afrikaans bloed had (p.190).
    Zoals meerdere historici, zoals dr.J.deVries (in Archeologie Magazine 5, 2005), opgemerkt hebben, is met archeologische vondsten geen enkele etniciteit aan te tonen. Elk (sier-)voorwerp kan door iedereen gebruikt of gedragen zijn. De conclusie van Van der heijden is dus een slag in de lucht,

  19. Bataafse boeren. Het Bataafse platteland kende geen grote nederzettingen, al was het Rivierengebied vanwege de gunstige omstandigheden relatief drukbevolkt. Wat is relatief drukbevolkt? In relatie met de Veluwe? Archeologen tellen in het voormalige grondgebied van de Bataafse civitas inmiddels zo'n 1300 neder-zettingsterreinen. Wat was het grondgebied van de Bataven? Alleen de Betuwe? Lang niet alle terreinen zijn opgegraven en maar enkele zijn wat uitgebreider onderzocht (p.190). Over het algemeen waren Bataafse boeren aan het begin van de eerste eeuw nog niet sterk gericht op de Romeinse markt. Incidenteel zullen ze wel runderen naar de Nijmeegse markt hebben gebracht (p.191).Hiernaast een impressie van een kleinschalige nederzetting op het platteland. Klik op de afbeelding voor een vergroting. Opvallend en verhelderend is dat men in Wijk bij Duurstede dezelfde huisplattegronden heeft gevonden om er Dorestad mee aan te tonen. Zo'n boerderij is in Schothorst in Amersfoort herbouwd als middeleeuwse boerderij. Ondanks dat niet alle terreinen zijn opgegraven worden deze toch ter bevestiging van hun opvattingen meegeteld. Hoe komt men aan die 1300 als niet alles is opgegraven? En met wat er dan gevonden is bewijs je geen grote en talrijke bevolking. Lees meer over Tiel-Passewaaij en bekijk de afbeelding en tekst hieronder. Incidenteel zullen ze wel runderen naar de Nijmeegse markt gebracht hebben (p.191). Volgens Van der Heijden zal en zullen er wel heel wat dingen gebeurd zijn. Het zijn woorden die vaak, te vaak (wel 40 keer in hoofdstuk 4 en 5) gebruikt worden om een opvatting te bewijzen. Dat zal best, maar of we het ooit zullen meemaken valt te betwijfelen. Ook 'moet' er nogal vaak iets (26x) van Van der Heijden. In de eerste helft van de 1ste eeuw moet minimaal één veteraan in Beneden-Leeuwen hebben gewoond. Hoezo moet dat? En van wie moet dat? Het gaat er hier niet om tekstkritisch te zijn, maar om aan te tonen hoe de bewijslast van de traditionele geschiedenis is opgebouwd. Met zullen en moeten bewijs je niets! Het zijn hulpwerkwoorden om onbewezen opvattingen te bewijzen.


    Tekst bij afbeelding links (klik op de afbeelding voor een vergroing): Tiel-Passewaaij was een van de grootste nederzettingen op het Bataafse platteland: wat verspreide boerderijen, een paar akkertjes en links een grafveld (p.194). Het is onthullend dat Van der Heijden hier gewoon erkent dat Tiel-Passewaaij gewoon weinig voorstelde. En dan was het een van de grootste nederzettingen! Precies zoals hier is afgebeeld , maar ook precies zoals in het boek over Tiel-Passewaaij wordt beschreven. Ik tel hier slechts 4 boerderijen op deze afbeelding die overigens allerminst juist is. Als je de klassieke teksten zou volgen, zouden immers grote delen bedekt moeten zijn met uitgestrekte bossen. Op p.198 noemt Van der Heijden slechts 'wat eiken' en 'wilgen en elzen', een typische situatie die ongewijzigd bleef tot de ruilverkavelingen in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. In de loop van de Romeinse tijd nam in het gebied van de Kromme Rijn het aantal nederzettingen toe. Sommige groeiden uit tot grotere plaatsen met vier à vijfboerderijen, iets wat ook gold voor Passewaaij bij Tiel (p.194). Hoe dan ook: sommige nederzettingen gingen sterk lijken op grootschalige landbouwbedrijven (p.195).Vier of vijf boederijen? Is dat een grotere plaats? Dat is nog minder dan een gehucht. Het geeft nogmaals aan dat de grootte van de bevolking in de Betuwe gewoon niets voorstelde. En het Hoe dan ook? Dat 'hoe' zou ik toch graag eens wat meer toegelicht willen zien. Tot die tijd blijven het slechts speculaties.

  20. Bataafse plattelandsnederzettingen veranderden door de economische vraag vanuit de stad en het leger. Daarnaast verscheen voor het eerst in de geschiedenis een heel ander soort nederzetting op het platteland: het grootschalig landbouwbedrijf, of in Romeinse bewoordingen: de villa (p.195). Het Latijnse woord villa betekent allereerst 'dorp'. De grote boerderijen die ook 'villa' genoemd worden zijn in Nederland uiterst zeldzaam. In het Gelders rivierengebied zijn inmiddels veel villa's bekend of worden ze vermoed (p.196). Van der Heijden noemt er enkele en vermeldt erbij De meeste liggen in het noorden van het gebied, min of meer op een rijtje in Beuningen, Ewijk (Keizershoeve en Hoge Woerd), Winssen, Deest, Druten en BenedenLeeuwen, met een onderlinge afstand van 1,8 tot 4 kilometer. Dat suggereert een planmatige opzet. Ze zullen langs een doorgaande weg hebben gelegen - ongetwijfeld de Zuidroute op de Peutingerkaart. Uit dit rijtje zijn alleen de villa van Druten en de Keizershoeve in Ewijk archeologisch goed onderzocht. Bij de opgraving in Ewijk werden de resten van het hoofdgebouw ongemoeid gelaten, maar is wel een groot deel van het erf opgegraven (p.197-198). Zolang het bij een vermoeden blijft of bij een 'zullen', of slechts 'gedeeltelijk opgegraven' is er dus weinig over bekend. Men kan dan niet de conclusies trekken zoals Van der Heijden hier doet. Dan wordt het toch meer iets van speculeren. En is de zuidroute van de Peutingerkaart hiermee aangetoond? Waren villa's dan zo belangrijke plaatsen dat ze op die wegenkaart zouden staan? Dat vraagt toch om een nadere uitleg. In Nederland zijn de bekendste villa's gevonden in Noord-Brabant (Hoogeloon) en vooral in Limburg (Simpelveld, Kaalheide, Voerendaal enz.). In België onder de taalgrens en in Frankrijk zijn meer bekend. Klik hier voor een afbeelding van Romeinse villa's in België, waarop ook enkele in Limburg afgebeeld zijn.

  1. Uitingen van religie. Over religie en religieuze uitingen worden enkele bladzijden vol geschreven. Maar is dat alles af te leiden uit de toch marginale vondsten? We noemen het volgende:
    1. De bouw van de tempel in Elst kan worden geïnterpreteerd als een geste van keizer Traianus aan de bevriende Bataven, om zo hun loyaliteit te bestendigen, maar ook als een reguliere upgrade van voorzieningen in het licht van de verheffing van de Bataafse hoofdstad tot municipium (p.200). Het is dus slechts een interpretatie. Vreemd is het dan dat deze tempel niet in Nijmegen is gevonden, dat toch het Ulpia Noviomagus van Trajanus was! Maar dat Trajanus ooit in NIjmegen was is een aanname en nooit met feiten aangetoond. Lees meer over de stadsrechten van Traianus.
    2. De fundering van de enorme tempel bestond uit duizenden eiken heipalen. Ook deze ommuring bleek gefundeerd met eikenhouten palen (p.200). Haalden de Romeinen deze eiken helemaal uit Duitsland of stonden er toch meer in de Betuwe dat 'wat eiken', zoals hiervoor genoemd door Van der Heijden.
    3. Volgens de gangbare theorie was de tempel gewijd aan Hercules Magusanus (p.200). Het geheel blijkt dus een interpretatie (zie a) en een gangbare theorie te zijn. Wat is gangbaar? Dus geen algemene consensus of zekerheid?
    4. De tempel van Elst was niet het enige religieuze complex op het Bataafse platteland. Ook in Empel en Kessel, beide op de zuidoever van de Maas in Noord-Brabant, stonden flinke tempels (p.201). De zuidoever van de Maas in Noord-Brabant hoorde blijkbaar ook bij het Bataafse land? Maar de Betuwe was toch het Eiland der Bataven?
    5. Heel recent heeft de Gelderse bodem nog een religieus terrein blootgegeven en stuitten archeologen op een tempelcomplex. In de eerste eeuw stond er in elk geval ook een houten tempel, die de Romeinen in de tweede eeuw vervingen door een Gallo-Romeinse omgangstempel van steen, voorzien van fraai beschilderde wanden.In de eerste eeuw (p.201).
      Dat de Romeinen deze tempels bouwde voor de lokale bevolking is speculatie. Deden de Romeinen dat elders in het Romeinse Rijk ook? Ondanks bleef de lokale bevolking toch vasthouden aan de eigen levensstijl volgens p.161 in hoofdtuk 4? En welke Romeinen bouwden die tempels? In 104 was het Tiende Legioen immers vertrokken en welk legeronderdeel daarna in de Betuwe verbleef is niet bekend.
    6. Andere tekenen van religieuze verering waren de Jupiterzuilen of drie- of viergodenstenen. Deze zuilen stonden in de openbare ruimte, meestal op plekken waar veel mensen kwamen, bijvoorbeeld op pleinen of kruispunten van doorgaande wegen. Het Romeinse Rijk stond ervol mee: alleen al in Keulen zijn resten gevonden van ruim vijftig van dit soort zuilen. Delen van zulke Jupiterzuilen zijn gevonden in een stad als Nijmegen, maar ook in de Bataafse nederzetting bij Tiel (Medel). De context blijft hier echter nog ongewis (p.203). Er zijn dus maar enkele delen van slechts twee zuilen gevonden. Geen wonder dat W.van Es tot de conclusie kwam dat Romeins Nederland feitelijk weinig heeft voorgesteld. De zuil in Nijmegen op de Eikstraat behoort eveneens tot de categorie NEP in Nijmegen. Over de zuil van Tiberius (maar dat was geen godenzuil, toch?) kunt U alles lezen bij Nijmegen oudste stad.
    7. Op enkele plaatsen zijn ook grafvelden gevonden. Al deze vormen en variaties wijzen erop dat families zelf bepaalden hoe ze hun doden wilden begraven of daarin een relatief grote vrijheid hadden (p.203). Maar wat bewijs je met grafvelden anders dat de ter plekke verblijvende mensen ook dood gingen. En niet elk grafveld was een Romeins grafveld. Vraag is, hoeveel grafvelden er bekend zijn en hoeveel personen er begraven zijn. Ik heb niet alle noten gecontroleerd, maar voorlopig is een overzicht van een totaal niet te vinden. Enkele wel bekende grafvelden met aantal graven zijn: Bemmel-48, Tiel-80 (inclusief steentijd begravingen), Hatert-350 (inclusief steentijd en ijzertijd), Huissen- Kesteren-? Grafvelden en nederzettingen blijken nog altijd moeilijk vast te stellen te zijn. Waarom? Bij elkaar schiet dat dus niet op om duizenden bewoners en Romeinen te verifiëren.
    8. De opvallendste grafmonumenten in het landschap zijn tumuli, grote grafheuvels. In Gelderland staat de teller inmiddels op drie, alle gelegen bij Romeinse villa's. Twee daarvan lagen bij Overasselt en Wijchen, en gezien de geringe afstand tussen deze villa's, 5 kilometer, ligt het voor de hand dat de bewoners elkaar kenden. Het is verleidelijk om te denken dat tussen hen enige rivaliteit bestond om hun welstand en prestige uit te drukken in een zo groot mogelijk grafmonument (p.203). Ook hier weer geen klare feiten, maar 'dat het voor de hand ligt' en 'verleidelijk is om te denken'. Zo komt Gelderland aan haar geschiedenis: verleidelijk bedacht, maar niet bewezen. Maar wat toon je aan met drie (3!) grafheuvels?
    9. Uiteraard kende ook een stad - in dit geval Nijmegen - grafvelden. Sterker nog, dat was het eerste wat een bezoeker tegenkwam. In de loop van pakweg twee eeuwen leidde dat buiten de stadsmuren tot een uitgebreid grafveld, in oppervlakte groter dan de stad zelf.
      Volgens Annelies Koster (in 'The cemetery of Noviomagus and the wealthy burials of the municipal elite, Museum Description of the Archaeological Collections in Museum het Valkhof at Nijmegen, 14, Nijmegen: Museum Het Valkhof, 2013.') waren die graven soms wel erg rijk: in het boek van Annelies Koster zijn 46 rijke tot zeer graven beschreven. Het aantal graven, waar het ons om gaat, blijkt feitelijk toch erg beperkt. Volgens Brunsting was het aantal inwoners ca. 12.500, maar hij baseerde dat aantal op een sterftecijfer van 2½% en de aanname dat de begraafplaats 170 jaar in gebruik is geweest (70-240 n.Chr), waar Koster toch bedenkingen tegen heeft. Hier wordt door Brunsting dus wel bevestigd dat Romeins Nijmegen slechts heeft bestaan tussen 70 en 240 n.Chr.!
      Koster noemt slechts 60 tot 120 begravingen in de Sperwerstraat en zo'n 25 of zo bij de Krayenhofflaan. En dan nog wat losse graven, urnen of sarcofagen in de Oude Graafseweg, Oude Weurtseweg, Houtstraat, Hezelstraat, Burchtstraat en St.Jorisstraat. Al met al niet echt indrukwekkend als je bedenkt dat de Romeinen toch bij elkaar zo'n 200 jaar in Nijmegen en omgevng zijn geweest. Interessant is ook het overzicht van de berekening van het aantal inwoners in Romeins Nijmegen (zie afbeelding hieronder, uit dat genoemde artikel). Dat geeft toch een geheel ander beeld.




      Het aantal inwoners in de Romeinse tijd wordt berekend met de volgende formule: P-k + D*e/t.
      De omvang van de gemiddelde (average) populatie (P) is gelijk aan het totale aantal overleden (D) maal de gemiddelde (average) levensverwachting bij de geboorte (e), gedeeld door het aantal jaren waarvoor de begraafplaats bestaat werd gebruikt (t); Er wordt gebruik gemaakt van een correctiefactor van 1/10 compenseren voor begrafenissen van vermiste kinderen (k). Koster voegt er wel aan toe 'maar dit zal in werkelijkheid zeker niet het geval zijn geweest'. Het komt er dus op neer dat het aantal inwoners in Romeins Nijmegen gemiddeld tussen de 3300 en 8000 gelegen heeft. Dat is dus een dorp ter grootte van Ruurlo. Hiermee wordt nogmaals aangetoond dat het aantal inwoners van Romeins Nijmegen, dat toch Oppidum Batavorum was, onmogelijk het aantal Bataafse legionairs geleverd kan hebben voor het Romeinse leger.

      Haar publicatie voorziet Annelies Koster nog wel van een blunder als ze schrijft: "The name Noviomagus has been encountered in Nijmegen itself, engraved in a silver ring that was found during excavations in Maasplein in 1993." Hier praat mevrouw Koster hier haar mond voorbij en vertelt wat altijd verzwegen moest worden. Ze erkent dus dat de naam Noviomagus in Nijmegen NERGENS gevonden is, dan nu op deze ene ring. Maar, helaas voor Nijmegen, op deze ring staat helemaal geen Noviomagus, maar wat er wel wat op lijkt maar eerder een mislukte inscriptie genoemd kan worden. Maar werd hiermee Nijmegen bedoeld, ook al is deze ring er gevonden? Is de vindplaats van een relicht ook de naam van de plaats? Tegen deze opvatting die door archeologen en historici te vaak gemaakt wordt, strijdt het volgende. In Nijmegen is een gedenksteen van een Moriniër uit Thérouane gevonden. Was Nijmegen dan Thérouane? En woonden de Moriniërs dan in Nijmegen? Ook graf- of geenkstenen waarop Bataven worden vermeld, werden gevonden in het hele Romeinse Rijk. Waren al deze plaatsen dat Oppidum Batavorum? Daarnaast, de diameter van deze ring bedraagt bijna 3 cm. Dat geeft aan dat die nooit gedragen is aan een vinger, misschien aan een duim of op een staf. Werd deze ring als offer gedeponeerd? Is zo'n 'mislukte' ring een waardig offer? Lees alles over
      de ring van Rusticus. En hoe kwam die ring in Nijmegen? Hiermee wordt weer bevestigd dat de naam Noviomagus in Nijmegen nergens aangetroffen is, dan slechts zogenaamd alleen op deze ene ring. Deze mededeling van Annelies Koster geeft weer precies aan dat de naam Noviomagus (of Batavorum) in Nijmegen nergens op inscripties is aangetroffen, dan slechts zogenaamd op één ring.
      Met deze blunder van mevr.Koster vervalt elke aanname dat Nijmegen ooit Noviomagus geheten zou hebben en alle opvattingen die juist op deze aanname zijn gebaseerd.


  2. Een laatste oorzaak van de crisis was de vernatting van het landschap. In de tweede eeuw kreeg de bevolking van Neder-Gerrnanië steeds vaker te maken met overstromingen. Door ontwikkelingen in de dendrochronologie is het sinds kort mogelijk langdurige overstromingen te herkennen in de jaarringen van bomen. Van de twaalf zwaarste overstromingen in het eerste millennium blijkt de helft te vallen tussen de jaren 144 en 282. Voor de tweede eeuw was dat in 144, 151 en 191 (p.207). Hier wordt, naast ziekten en opdringende volkeren, het probleem van de 'vernatting' vermeldt. Het waren de transgressies die de belangrijkste reden was van het vertrek van de Romeinen uit Nederland rond 260 n.Chr. Tegen het opdringende water hadden de Romeinen geen verweer. Al hun pogingen het water te keren liepen op niets uit, zoals het voortdurende herstel van wegen en kaden, zelfs een muur als waterkering in Nijmegen hield het water niet tegen. Om het nogmaals met prof.dr.D.P.Blok te zeggen: "Ze hebben de boel maar laten gaan en zijn vertrokken".

  3. In het laatste kwart van de tweede eeuw werden de forten zonder uitzondering herbouwd in steen. Een belangrijke vraag voor archeologen is wanneer deze 'verstening' van de forten precies plaatsvond. Geen enkele van de circa twintig Neder-Germaanse castelIa levert daarvoor doorslaggevende bewijzen. Ook voor het enige fort in Gelderland waarvan de ligging archeologisch is aangetoond, in Meinerswijk bij Arnhem, zijn de aanwijzingen mager. Van het stenen fort, in dit geval de vijfde bouwfase, is weinig bewaard gebleven. Voor een specifiek bouwjaar bestaan weinig aanwijzingen. Mogelijk gaat het hier om een bouwinscriptie (p.207).Met magere en weinig aanwijzingen is geen geschiedenis vast te stellen. Het geeft nog maar weer eens aan dat de vastegestelde geschiedenis gebaseerd is op mager en weinig bewijs, precies wat Albert Delahaye altijd stelde. Het 'mogelijk' geeft al aan dat het weer een volgende speculatie betreft. Overigens komt het woord 'mogelijk' ruim 44 keer voor in hoofdstuk 4 en 5. Er blijkt dus veel mogelijk te zijn, misschien ook wel de mate van speculatie!

  4. De andere forten langs de Rijn geven evenmin duidelijkheid. Wel is in Alphen aan den Rijn onder de stenen muur van het castellum een funderingspaal gevonden, die is gedateerd in het jaar 160. In dat geval zou keizer Antoninus Pius (138-161) nog de opdrachtgever zijn geweest, in een vredige tijd voor de grote pokkenpandemie. Tussen deze datering en de bouwactiviteiten van Alexander Severus zit minimaal zestig jaar. Hoe is dat te verklaren? Gelukkig stelt Van der Heijden hier zelf de meest logische vraag. Het is dan ook niet te verklaren. Het zou betekend hebben dat het fort in Alphen pas vele jaren na het jaar 160 (de kapdatum van het hout!) gebouwd is. Dat komt dus niet overeen met de algemeen aangenomen traditie van Romeins Nederland. Zie ook het volgend punt.

  5. De steenfabriek (Holdeurn) was volop actiefrond 175-180, zo getuigen tientallen teruggevonden stempels met daarop de aanduiding van Didius Julianus. Dakpannen met deze stempels zijn langs de hele Neder-Germaanse limes in Nederland teruggevonden. Of de toenmalige gouverneur van Neder-Gerrnanië de campagne zelf is gestart ofvoortbouwde op het initiatief van zijn voorganger, is niet met zekerheid te zeggen (p.209). In bijna driekwart eeuw moeten hier (in Holdeurn) honderdduizenden tegels en dakpannen zijn gebakken, in hoofdzaak voor de Neder-Germaanse limes (p.210). Samen met het vorige punt zou het betekenen dat het fort in Alphen pas na het jaar 175 gebouwd is. Hoeveel van die honderdduizenden tegels en dakpannen zijn er teruggevonden en waar zoal in Nederland? Zo'n overzicht mis ik hier en overigens in alle archeologische overzichten.

  6. In de tijd van Severus' zoon Caracalla (211-217) werd de Romeinse weg naar Forum Hadriani (Voorburg) opgeknapt, getuige de tekst op een in Den Haag gevonden stenen mijlpaal die de afstand naar de stad aangaf. (noot 63) Caracalla had in Boven-Germanië te stellen met opdringerige Germanen, tegen wie hij in 213 met groot machtsvertoon ten strijde trok (p.210/211) In noot 63 wordt verwezen naar J.A.Waasdorp, IIII MP naar MAC Romeinse mijlpalen en wegen (2003). Wat Van der Heijden hier beweert over dat Forum Hadriana en die opgeknapte weg, staat helemaal niet op die mijlpaal. Het is verdraaiing van feiten ten gunste van eigen opvatting. Het gaat wel vaker dat de bronnen iets anders vermelden dan wat historici beweren. Is het vergissing? Of is het gewoon liegen om eigen bestwil! Wat er wel op die mijlpaal staat zie je in het kader in de linker kolom (met vertaling).

  7. Niet alleen werden de forten langs de limes versterkt, ook de stad Noviomagus kreeg in deze tijd l'en stadsmuur. Uit een opgraving in de huidige Bronsgeeststraat blijkt dat dit na 175 moet zijn geweest, maar wanneer precies is nog onduidelijk - daarvoor is te weinig van de stad opgegraven (p.211). Ook hier worden weer verregaande conclusies getrokken die op 'halve waarheden' gebaseerd zijn. Ook de tekening van de stadsmuur van Nijmegen is gebaseerd op die van Xanten. Wat in Xanten wel vastgesteld is, is in Nijmegen blijkbaar nooit gevonden. Nijmegen vaart mee op het Romeins verleden van Xanten wat uiteraard een mythe is.

    Tot zover de bespreking van hoofdstuk 5. Het vervolg van het Verhaal van Gelderland vindt U hier: Hoofdstuk 6 : Germanisering van de samenleving.

    Wilt U meer weten over de ware geschiedenis van Nederland? Bestel het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.