De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het verhaal van Gelderland: hoofdstuk 6: Germanisering en samenleving. (p.212-239).

De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.


Bij die rijke geschiedenis kunnen we toch heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die niet van Gelderland is, maar van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.



Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.

Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.
Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hier) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!

Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onjuistheden bij elkaar weten te schrijven. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop ze de opvattingen van Albert Delahaye op pagina 334 hebben beschreven: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met de werkelijkheid.

Maar gelukkig geven ze ook zelf hun twijfel toe en erkennen ze regelmatig dat er problemen zijn in de traditionele opvattingen. Daarbij blijkt dat ze feitelijk te weinig kennis van zaken en deskundigheid bezitten, om de door henzelf opgeworpen problemen op te lossen. Vandaar dat wij hen helpen de twijfel en problemen op te lossen, vandaar dat deze besprekingen en opmerkingen over de geschreven teksten in hoofstuk 4 t/m 8 erg uitvoerig is geworden.

Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring in het eerste Millennium. Alle benodigde correcties die we ook noemen zijn al te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijst van het Verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook veelzeggend en 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet voor de historische waarheid. Deze auteurs moeten nu eens erkennen dat ze het altijd fout gehad hebben. Maar ja, erkennen van eigen ondeskundigheid gaat niet gebeuren, zoals de geschiedenis leert. Wij kunnen slechts adviseren eigen artikelen nog eens na te lezen en te vergelijken met mijn opmerkingen. Ik wens hen daar succes mee en verneem graag wat hun bevindingen zijn.

Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van Hoofdstuk 8.

Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.
De visie van Albert Delahaye.

We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, zoals de auteurs beweren dat Delahaye dat gezegd zou hebben. Ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationele allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. We zullen maar denken dat de verkoopcijfers hier debet aan zijn, immers aansprekende verhalen verkopen beter dan de nuchtere feiten. Maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze hun twijfel uit. Dat kan ook niiet anders, want twijfel is er altijd geweest in de geschiedenis van Nederland. Die twijfel blijkt wel door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

In deel 1 van de vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt in de hoofdstukken 4 t/m 8 de geschiedenis beschreven zoals die grotendeels traditioneel is vastgesteld. Echter, daar is heel wat op aan te merken. Niet alleen op die traditionele geschiedenis, maar ook op hoe en wat er in dit boek beschreven en geschreven is. Op pagina 334 wordt ook de visie van Albert Delahaye genoemd (zie daar), helaas onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye zelf geschreven heeft. Het is kenmerkend voor feitelijk dit hele boek. Het is een onvolledig en een onjuist verhaal, met vaak tegenstrijdigheden met andere historici, ook al zijn de verwijzingen in noten naar 'gelijkgestemden'.
De grondfout van dit hele boek is dat men Nijmegen klakkeloos opvat als het Noviomagus uit zowel de Romeinse als de Karolingische periode. En daarvoor ontbreekt elk schriftelijk of archeologisch bewijs. Wie die bewijzen wel heeft, laat het alstublieft weten, want daarmee vervalt de visie van Albert Delahaye.


We bespreken hieronder hoofdstuk 6, geschreven door Paul van der Heijden. Er zijn meerdere opmerkingen te maken: niet alleen over de gehanteerde traditionele standpunten, maar ook over compleet onjuiste opvattingen. Maar toch! Soms komt men ook terug van traditionele standpunten of worden fouten uit het verlden ook herkend en erkend en vervolgens gecorrigeerd. Voor het onafhankelijk publiek is niet te controleren of opvattingen gewijzigd zijn, omdat men die oude geschiedenis te weinig kent. Vandaar dat we dat steeds vermelden en toelichten.


Hoofdstuk 6: Germanisering van de samenleving.

Vanwege het tussenvoegen van nieuwe bevindingen kan de nummering hieronder wijzigen.

Hoofdstuk 6 bestaat ook weer uit allerlei aangenomen opvattingen die nog steeds als vaststaande geschiedenis worden gepresenteerd. We geven hieronder puntsgewijs letterlijke citaten (met pagina vermelding) en plaatsen er in rood onze opmerkingen bij.
  1. Het Gelderse gebied ten noorden van de Rijn - de Veluwe en Achterhoek - kreeg in de Romeinse tijd te maken met een heel andere ontwikkeling dan het zuiden. De historische bronnen zijn helaas schaars en vertellen weinig over deze regio. Als we iets meer uitzoomen, blijkt dat de Romeinen vooral betrekkingen onderhielden met de Friezen in het huidige Noord-Nederland. De eerste keizers legden een claim op dit gebied als onderdeel van het in te lijven Germania Magna. Of ze het Friese land ook na de Varusslag in het jaar 9 tot het Romeinse Rijk rekenden, is niet duidelijk (p.213). In de eerste alinea van hoofdstuk worden al meteen een viertal aannamen gelanceerd; 1. een andere ontwikkeling (waaruit blijkt dat?); 2. weinig bronnen (er bestaan juist veel bronnen van Romeinse en Griekse schrijvers: zie bij Latijnse en Griekse bronnen, maar die spreken de Nederlandse opvattingen tegen, want die gaan ook niet over Nederland); 3.Friezen in Noord-Holland? (zie bij Friezen) en 4. deel van Germania Magna (Germania Magna heeft nooit bestaan dan in de fantasie van historici en op kaarten die gebasserd zijn op die fantasie, zoals op p.220 in dit boek). Wat op deze kaart mooi wordt aangegeven is de taalgrens die globaal overeenkwam met de weg Boulogne-Keulen. Het Germania van Tacitus lag ten noorden van de taalgrens, Hier Germania Secunda genoemd, meestal Germania Inferior.

  2. De archeologie toont duidelijke en prikkelende voorbeelden van Romeinse aanwezigheid in Friesland. De voorzichtige conclusie kan zijn dat de Romeinen in de vroeg-Romeinse tijd ook de Veluwe en de Achterhoek beschouwden als onderdeel van hun gebied. Ook na de Varusslag bleven de noordelijke streken tot aan de Waddenzee nadrukkelijk binnen de invloedssfeer van de Romeinen, die er handelsbetrekkingen hadden en misschien economische activiteiten ontplooiden, zoals bovenstaande voorbeelden suggereren. Of dat ook op de Veluwe en in de Achterhoek gebeurde, is onduidelijk: ontbreekt historisch en archeologisch bewijs. (p.213/214). Wat zijn prikkelende voorbeelden? Die de fantasie prikkelen? Die 'voorzichtige conclusie' en de 'onduidelijke' aanwezigheid en activiteiten blijken te bestaan uit één votiefsteen en één schrijfplankje. En als zowel historische als archeologische bewijzen ontbreken, houdt het toch op?

  3. De Romeinen zullen ongetwijfeld..., misschien vormde de Bataven minder een eenheid..., nader onderzoek zal uitsluitsel moeten geven..., dat kan heel goed samenhangen..., het is denkbaar..., het lijkt erop..., weinig meer te zoeken in het drassige noorden..., (p.214). Het zijn enkele bewoordingen op deze ene pagina waarmee geschiedenis wordt geschreven. Het is wel een eerlijke erkenning dat er weinig zekerheid bestaat omtrent dit verhaal.

  4. Anderzijds zagen de Romeinen de Veluwe kennelijk ook niet als een bron van gevaar: de kaart met limesforten telt juist ter hoogte van de Veluwe een onevenredig klein aantal forten in vergelijking met het ontoegankelijke landschap in Zuid-Holland (p.215).Welk klein aantal forten dat dan wel was hopen we nog eens te vernemen van Van der Heijden, de auteur van hoofdstuk. In hoofdstuk 4 heeft hij het over slechts één vermoedelijk (tijdelijk) fort: Maurik (kaart p.140). En waarom komen juist in het ontoegankelijke Zuid-Holland dan zoveel forten voor? Die vraag wordt ook hier niet beantwoord.

  5. De IJssel is als zijrivier van de Rijn overigens pas ver na de Romeinse tijd ontstaan (p.215). Hier weerspreekt Van der Heijden dat de IJssel in de Romeinse tijd de derde riviermond van de Rijn was, wat toch de traditie was. Hoe kan de Rijn dan uitgemond hebben in het Almere? Ook de kanalen van Drusus hebben dan ook niet hier gelegen. Hier wordt de traditie toch achterhaald door de logica en de geografie.

  6. De limes als scheidslijn. Hoe die invloed precies moet worden geïnterpreteerd, is niet duidelijk: het kan gaan om migratie, om handel en om relatiegeschenken tussen elites in bovenregionale netwerken. Waarom het Romeinse leger zo ver van de limes zaken deed, en waarom juist hier (op de Apeldoornse enk), is een interessante maar (nog) niet te beantwoorden vraag. (p.216-221). Over de bevolkingsgroei worden aantallen genoemd, met verwijzing naar Rozemarijn Moes: Rapportage 66. Wat ik uit haar demographic data (https://hdl.handle.net/10622/52MLXY) begrijp, heeft zij teruggerekend van het aantal bewoners tussen 1795 en 2019 naar de Romeinse tijd. Met dat terugrekenen ga je onherroepelijk in de fout, wat wel blijkt uit bewonersaantallen in Utrecht die onderzocht zijn. Zie bij Jaarboek Oud-Utrecht 1995. Lees ook op hoofdstuk 5 punt 21-i voor de omvang van de bevolking in Romeins Nijmegen.

  7. Op het Gravenhof in Zutphen lag in die tijd een nederzetting, en daar zijn Romeins importaardewerk en een opvallende bewerkte edelsteen (gem) met de beeltenis van Hercules gevonden. Enige voorzichtigheid is hier wel geboden: die gem kan ook later in de grond terecht zijn gekomen, bijvoorbeeld nadat hij in de middeleeuwen als sieraad was hergebruikt (p.217). Hè hè, Van der Heijden gaat hier eindelijk ook eens nadenken. Inderdaad sieraden en gebruiksvoorwerpen kunnen ook later, maar ook nog heel veel later, in de grond gekomen zijn. Met losse verplaatsbare voorwerpen kun je niets bewijzen!

  8. Het is opvallend dat in Nederland nergens sporen zijn gevonden van schermutselingen tussen Romeinen en Germanen, tenzij de aanleg van een Romeins marskamp in Ermelo tussen 170 en 180 wijst op strijd. Waarom dit kamp heeft bestaan, is onzeker. Het lag te ver van de limes om het te zien als een oefenkamp (p.218). Historisch Nederland, in casu Paul van der Heijden, wordt eindelijk wakker. Ook al leest men de boeken van Albert Delahaye niet, dan komt men er ook zelf wel achter dat van de traditionele geschiedenis te veel niet juist is. Alleen komt men er pas 50 jaar na dato achter, maar geen nood: geschiedenis heeft alle tijd. Hierna gaat de fantasie van Van der Heijden weer op de loop met enkele aannamen of veronderstellingen. Met 'mogelijk', 'zou verwachten' en 'suggereert' geeft Van der Heijden toch eerlijk aan dat het bewijs voor zijn veronderstellingen wel heel erg mager is, zelfs ontbreekt. Dat is op zich niet verontrustend, als het maar niet door de volgende generatie 'naschrijvers' gebruikt wordt als bron. Lees meer over dit kamp in Ermelo.

  9. Maar wie woonden er eigenlijk ten noorden van de limes? De Chamaven op de Veluwe, waarvan wordt vermoed dat ze zich hier in de eerste eeuw vestigden, kwamen al even ter sprake.v Oorspronkelijk woonden ze aan de rivier de Lippe in het huidige Duitsland. Ten oosten en zuidoosten van de Chamaven woonden Bructeren, ten noorden daarvan de Tubanten. Althans, als de Romeinse bronnen hierover kloppen (p.218). Dat is precies het probleem van de historici: als de bronnen niet overeenkomen met hun aannamen worden de bronnen vals verklaard en niet de iegen opvattingen. Als je ervan uitgaat dat de bronnen niet kloppen kun je met de beschrijving van de geschiedenis wel stoppen. Maar de bronnen kloppen wel en geven duidelijk aan dat de historici zich vergist hebben door twee te stellig aangenomen mythen: 1.de Renus is de Rijn, en 2. de Friezen woonden in Friesland. Maar versta je onder de renus de Schelde, zoals Julius Caesar al deed, en plaats je de Friezen in Vlaanderen aan de kust van het Kanaal, zoals uit het verhaal van de Franken blijkt, dan kloppen de bronnen haarfijn.

  10. Het wordt tijd om het bestaande beeld over 'de Germanen' nog meer aan te scherpen en te nuanceren: in de hele regio - en eigenlijk op een veel grotere schaal: in heel Europa - met de verhuizing van de Ubiërs, Cananefaten, Chatten en Cugernen en het 'ontstaan' van nieuwe volkeren als de Bataven, en er is eigenlijk weinig reden om aan te nemen dat het buiten het rijk heel anders was. Helaas onttrekt dit proces zich grotendeels aan onze waarneming: de Germanen kenden het schrift niet en alle historische bronnen uit die tijd zijn onvermijdelijk geschreven vanuit een gekleurd, Romeins perspectief. Daarom is de archeologie zo belangrijk. Inderdaad komt langs deze weg een enorme hoeveelheid informatie beschikbaar, maar de grote lijnen van verplaatsingen zijn nog niet helemaal duidelijk. Nog lastiger is het om al die bewegingen door de tijd heen te duiden. (p.219). Nog enkele juiste opmerkingen van Van der Heijden, waarvan de belangrijkste die over de archeologie is. En als er dan niets gevonden wordt (zie punt 2, 7 en 8) dan houdt het toch op? Het bestaande beeld dient aangescherpt te worden, maar hoe doe je dat als het zich aan onze waarneming onttrekt? Het wordt wel steeds duidelijker dat de grote volksverhuizing een fabel is. Het kwam voort uit de fantasie van enkele historici om de verkeerd in Duitsland geplaatste volkeren op hun juiste plaats te krijgen. De hier genoemde volksstammen woonden ook niet in Duitsland, maar in Duytschland ofwel in Dietsland, dat Frans-Vlaanderen was.
      We geven hieronder de juiste plaats van de genoemde volkeren volgens de visie van Albert Delahaye:
    1. De Ubiers al genoemd door Caesar) waren de bewoners van Aubigny-en-Artois, op 15 km noordwest van Atrecht |(Arras). Dit is een logische situering van de stam, die blijkens talrijke berichten de buren van de Suevi (omgeving Kortrijk) waren. Zie bij Tacitus Hoofdstuk 28, waar de mythe van Keulen tot zijn juiste proporties is teruggebracht.
    2. Canninefates (Ann. IV, 73; XI, 18), genoemd in de veldtochten van de Romeinen tegen de Germanen in 25 - 28 na Chr. in verband met de Renus (Schelde), met de Fresones (Frans-Vlaanderen), met het woud Baduhenna (Béhagnies), met Cruptorix (Cruphove of Crochte), waren de bewoners van Genech, op 15 km zuidoost van Rijsel. In “Historiae” (IV, 15, 16, 19, 32, 56, 79, 85) komen zij herhaaldelijk voor in de berichten over de Opstand van de Bataven.
    3. De Chatten (Chatti) waren de bewoners van Katsberg (Frans: Mont des Cats), op 13 km oost van Cassel. Is dus niet Kassel! Andere afleidingen van de naam zijn: Catove, Caffiers en Catorive in Pas-de-Calais. Zie de teksten van Caesar (Bello Gallico, VI, 25-28), Tacitus (Germania, 1, 30) , Strabo (Geographia, VII, 1,4).
    4. Cugerni (Hist. IV, 26; V, 16, 18), genoemd bij de Opstand van de Bataven in verband met Novaesium (Feignies), met Gelduba (Ladeuze), met de Batavi (Béthune) en met de Renus (Schelde), waren de bewoners van Quaregnon (B.), op 4 km zuidwest van Mons, en van Chooz, op 4 km zuidwest van Givet.

  11. In de derde eeuw schaarden de Romeinen een deel van die Germaanse volkeren onder de verzamelnaam 'Franken' en nog later, in de vijfde eeuw, dook de verzamelnaam 'Saksen' op. Maar zonder die Romeinse bril komen we ook niet veel verder: op de Veluwe en in de Achterhoek ontstonden en verdwenen telkens nederzettingen, waarbij niet of nauwelijks te achterhalen valt waar de bewoners vandaan kwamen ofwaar ze naartoe gingen. En welke identiteit ze hadden en hoe Germaans, Chamaafs of Frankisch ze zich voelden? Daarop zal wel nooit een antwoord komen. Wat het nog complexer maakt, is de rol van de Friezen. (p.219). Het zou toch aan te bevelen zijn als historici eens elkaars werk zouden lezen. Archeologe Annemarieke Willemsen heeft in haar boek over de Gouden Middeleeuwen het volgende geschreven: "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen" (p.12 en 138). Lees meer over de Franken, Friezen en Saksen.
    Dan houdt toch alles op met de altijd gehanteerde etnische indeling? Dan zijn alle kaarten in de historische atlassen nergens op gebaseerd en kunnen eruit gescheurd worden.


  12. Mogelijk maakten Friese rekruten deel uit van de Bataafse cohorten. Dat zou in elk geval een verklaring bieden voor het enorme aantal Bataafse hulptroepen: de bronnen noemen negen cohorten en een ala, bij elkaar ruim 5000 man. Dat is onwaarschijnlijk op een geschatte bevolkingsomvang van 25.000 tot 40.000 Bataven. Aanvulling door soldaten van andere volkeren maakt dat aantal veel aannemelijker (p.220). Ook zijn er steeds meer aanwijzingen dat Friezen in dienst van het Romeinse leger in forten langs de Rijn hebben gebivakkeerd. Kledingspelden uit het castellum in de Loowaard (gemeente Duiven) blijken voor een deel afkomstig uit Germaanse streken - ze zijn niet exact toe te schrijven aan de Friezen, maar die herkomst is wel aannemelijk (p.221).
    Nu de Betuwe te klein is om zoveel legionair te leveren (wat ook Stijn Heeren al erkende), stoppen de historici er maar andere volksstammen bij, zoals de Friezen. Waar kwamen die Friezen vandaan? Toch niet uit Friesland van die paar terpen?
    Uit slechts aannemelijke opvattingen trekt Van der Heijden hier toch weer verregaande conclusies. Leest men deze tekst zorgvuldiger dan blijken slechts enkele kledingspelden (hoeveel precies?) hieraan ten grondslag te liggen. Uit noot 23 blijkt dat Stijn Heeren dat op een lezing op de Romeinendag 2021 heeft geopperd. Ik zou toch graag zijn onderbouwing eens lezen. En nogmaals: uit verplaatsbare relicten zijn geen conclusies te trekken. Zie hierboven punt 7 en de gedenksteen van een Moriniër in Nijmegen gevonden. Zie hoofdstuk 5, punt 21.


  13. De Tubanten woonden destijds in Oost-Nederland, wellicht ook in een deel van de Achterhoek (p.221). Het is een gemakkelijke stelling van Van der Heijden, maar helaas niet bewijsbaar. De Thuianti wat dezelfde bevolkingsgroep is als deTubanti worden door Strabo al genoemd en waren de bewoners van de drie plaatsen Thun bij Valenciennes en Kamerijk: Thun-l’Evêque, Thun-Saint-Amand en Thun-Saint-Martin, op 7 km noordoost van Kamerijk. Zie ook bij Tacitus hieronder. Een recente Duitse studie (H.Funke, Bentheimer Jahrbuch 1985, p. 23) plaatst de Tubanti in Twente en Bentheim (Dl). Dat is nog tot daaraan toe, omdat het tot heden de algemene opvatting was. Maar zijn verklaring van de naam is ronduit verbijsterend. Volgens Funke gaven de Romeinen de naam van Tubantes aan de Twentenaren, die zo mooi op hun midwinterhorens bliezen, omdat zij die “tuba” noemden. Dat is pas naamkunde! Overigens is onlangs aangetoond, dat het blazen van de midwinterhorens in Twente geen oud inheems gebruik is geweest, maar dat het pas ongeveer een eeuw geleden uit Zwitserland is overgenomen. Zo verhuizen de Tubantes, met tuba en al, terug naar de buurt van Valenciennes.

    De Tubantes (Tacitus Ann. I, 51; XIII, 55, 56), door andere auteurs Thuianti geschreven, worden genoemd in de veldtochten van de Romeinen in 14 en 15 na Chr. in verband met Famfana (is Fampoux), samen met de Bructeri (Broxeele), met de Usipetes (Weppes), met de Chamavi (Camphin) met de Fresones (Frans-Vlaanderen), met de Chauci (Chocques), met de Tencteri (Tangry), met de Renus (Schelde) en met de Ampsivarii (Amplier). Tussen haakjes de locaties van Albert Delahaye. De lokalisatie van deze stam in het Nederlandse Twente is een farce van Blok (D.P. Blok, De Franken in Nederland. Bussum 1974, p. 86).

    De traditonele opvatting over deze volkeren zou dus inhouden dat de Romeinen in 14 en 15 na Chr. al ongeveer heel Duitsland en Noord- en Oost-Nederland hadden bezet. En dat is een grote mythe. Daarmee komt het verhaal over de Franken op p.223 ook in een ander perspectief te staan. De Franken verbleven al langer in het land dat nadien naar het genoemd is: Frankrijk. Dat ze uit Duitsland gekomen zouden zijn is eenzelfde misvatting dat de Bataven in de Betuwe zouden zijn gaan wonen. Tacitus schrijft daar duidelijk over dat de Bataven al generaties lang op dezelfde plek woonden en dat was niet de Betuwe, maar rond Béthune, waar ze de buren waren van de Moriniërs.
    Zoals van der Heijden onderaan p.223 ook eerlijk erkend: Maar archeologische aanwijzingen voor andere invallen in Neder-Germanië in deze periode ontbreken. Zo zijn bij de forten geen duidelijke brandsporen gevonden die wijzen op een massale inval van brandschattende Frankische volkeren.
    Dan houdt toch ook dit verhaal niet langer stand en kan het naar de prullenbak verhuizen.

  14. De vrijwel totale ontvolking van het platteland ten zuiden van de Rijn en de opheffing van de Romeinse limes in het midden en westen van ons land, begon al vanaf de tweede helft van de tweede eeuw. Archeologisch onderzoek laat zien dat de meeste nederzettingen op het platteland vanaf het eind van de tweede eeuw aanzienlijk slonken. Op de best onderzochte site van Gelderland, in de Tielse wijk Passewaaij, stond halverwege de derde eeuw nog maar één boerderij. (p.221). Ook alle villa's hielden op te bestaan. Rond 250 moet het Bataafse platteland een desolate aanblik hebben geboden. Kennelijk was het leven op het platteland steeds minder aantrekkelijk geworden door een combinatie van oorzaken, zoals toenemende dreiging van invallen en verslechterde klimatologische omstandigheden. Wat dat laatste betreft: nieuw dendrochronologisch onderzoek toont aan dat er na de periodes van hoogwater, eind tweede eeuw, ook in 227, 232, 260, 263 en 282 heftige overstromingen plaatsvonden. Het land zal steeds drassiger zijn geworden, met steeds minder kansen voor beweiding en akkerbouw. De leefomstandigheden raakten zo meer en meer ingeperkt, en het ligt voor de hand dat de bevolking andere mogelijkheden - en misschien wel andere gebieden - zocht om te overleven (p.222). Hier noemt Van der Heijden (geheel oprecht) de echte reden van de ontvolking: de transgressies van de rivieren en de zee. Ook de Romeinen hadden daar geen verweer op en vertrokken. Denk je hierover wat verder na, dan is het duidelijk dat van de aangenomen geschiedenis na de Romeinse tijd veel onmogelijk hier geplaatst kan worden. Immers de transgressie bleven bestaan tot in de 9e eeuw (en daarna!), dus Karel de Grote, Willibrord en Bonifatius zijn nooit geweest in dit desolate natte en onbewoonbare landschap, wat ook archeologisch en tekstueel vastgesteld is is.

  15. Het Gallische Rijk. (p.225). Het hele verhaal van Van der Heijden blijkt gebaseerd op slechts één noot (34) van Stijn Heeren en Lourens van der Feijst: , 'Roman troops of Germanic descent in limes forts?', in: R. van Zoolingen (red.), AB HARENIS INCULTIS. Artikelen voor Ab Waasdorp (Den Haag 2019) 154-164.
    Het vraagteken heb ik er niet bij gezet, dat hebben Heeren en Van der Feijst zelf al gedaan. En waar gaat het in dit artikel over? Op grond van een twintigtal gevonden kledingspelden van na de 3de eeuw, waarvan 7 in Wijk bij Duurtstede, en een paar munten wordt hier geschiedenis geschreven. Wat bewijs je met munten die eeuwen in omloop kunnen zijn geweest? De conclusie van het artikel van Heeren en Van der Feist is: 'Er zijn echter geen locaties in het Westelijk Rivierengebied die bewijs leverden voor ‘officiële militaire’ activiteiten in de 4e eeuw. Wijk bij Duurstede-De Geer/Trekweg en De Meern in het centrale rivierengebied en Nijmegen in het oostelijke deel zijn de enige vindplaatsen met enkele 4e-eeuwse munten en kruisboogfibula. Wanneer we de bovenstaande interpretaties volgen met betrekking tot de datering, herkomst en historisch kader voor de plotseling verschijnen van grote aantallen Germaanse broches, de broches type Almgren 195-198 zijn een indicatie voor de stationering van Germaanse soldaten in de periode van het Gallische Rijk (259-274 n.Chr.) en het latere type Almgren 199 mag worden toegeschreven aan hun voortdurende aanwezigheid in de daaropvolgende periode (275-293/297 n.Chr.). Of het nu gaat om de Germaanse aanwezigheid van deze latere fase puur militair was of ook van civiele aard op andere locaties dan alleen de militaire centra, blijft te onderzoeken. Het is echter zeer waarschijnlijk dat op veel plaatsen in het Westen troepen van Germaanse afkomst aanwezig waren rivier gebied.
    Het gaat dus om een interpretatie die een indicatie geven voor een zeer waarschijnlijke aanwezigheid van Germaanse troepen. Vormt dit het bewijs voor die tekst op p.225?


  16. Wat er met de Frankische bewoners en soldaten gebeurde, is niet duidelijk: archeologen zien er niet veel van terug in de Nederlandse bodem. Misschien keerden ze terug naar het noorden, misschien trokken ze verder naar het zuiden; studie hiernaar zou een belangrijke toevoeging betekenen van de kennis van migratiebewegingen in de derde eeuw (p.226). En zonder die studie blijft ook dit verhaal een speculatie. Ja dat gebeurt als je de boeken van Albert Delahaye niet leest, immers hij heeft aangetoond dat de Franken al die tijd al in Frankrijk woonden en dat er eerder sprake was van een migratie van zuid naar noord!

  17. Het Rivierengebied kreeg te maken met forse overstromingen. Die wateroverlast zou deels veroorzaakt kunnen zijn door ontbossingen stroomopwaarts langs de Rijn, waardoor de rivier gaandeweg meer water en meer sedimenten afvoerde. Die sedimenten bezonken stroomafwaarts en dat zorgde voor een toename van de dynamiek: rivieren legden meer zand neer in hun eigen bedding en wierpen zo voor zichzelfbelemmeringen op, zodat ze telkens een andere loop moesten zoeken (p.226). Hier wordt het antwoord gegeven op de vraag waarom het Romeins in Nederland steeds tot wel 7 meter onder het maaiveld gevonden wordt. Dat het kanaal van Corbulo op het huidige niveau zou hebben gelegen (De Vliet), is dan ook een complete farce. Bovendien kan het kanaal van Corbulo niet tussen Rijn en Maas gelegen hebben, vanwege het niveauverschil tussen beide rivieren. Het Kanaal zou leeggestroomd zijn in de Rijn. Lees ook over de transgressies en onder punt 14 hiervoor.

  18. Archeologen nemen daarom het jaar 275 als markering voor het opheffen van de Rijnlimes in Nederland, in elk geval in het midden en westen van het land. Over Gelderland zijn de archeologische bronnen wat minder eenduidig. Het enige castellum dat door een opgraving onderzocht kon worden, dat in Arnhem, hield na 275 ook op te bestaan. De forten langs de Rijn lagen er in de vierde eeuw verlaten bij. De archeologie bevestigt het beeld van verlaten Rijnforten (p.227). Hoe leeg het gebied werkelijk was, is onder archeologen een punt van discussie. (p.228) Sinds wanneer schrijven archeologen geschiedenis? De discussie geeft wel aan dat er geen eenduidige opvatting bestaat. Zou Jules Bogaers dit allemaal niet geweten hebben, toen hij Albert Delahaye verweet dat hij klinklare onzin schreef. Kan men dat niet beter overlaten aan daartoe opgeleide historici, tenminste zij die de klassieke teksten kennen.

  19. Sommigen beweren dat het platteland ten noorden van de lijn Keulen - Boulogne-sur-Mer volkomen verlaten was. In dat geval zou er alleen uitgebreidere bewoning zijn geweest in militaire nederzettingen, zoals Nijmegen. Muntvondsten en de genoemde fibula's lijken er daarentegen op te wijzen dat er wel degelijk bewoning was, maar dan sterk uitgedund. Uit onderzoek in het gebied van de Kromme Rijn blijkt dat het aantal nederzettingen in de laat-Romeinse tijd daalde tot 15% van het aantal in de tweede eeuw. Er kwamen ook geen nieuwe bij; het ging dus uitsluitend om de voortzetting van bestaande nederzettingen, maar in sterk afgeslankte vorm. Omdat de omstandigheden in het aansluitende Gelderse rivierengebied nagenoeg hetzelfde waren, zal ook hier eenzelfde daling zijn opgetreden (p.228/229). Met slechts uitgedunde militaire aanwezigheid bewijs je ook voor Nijmegen geen continuïteit in bewoning, zeker niet als de militair aanwezigheid er niet was. Zie onder punt 15 en omdat er slechts mobiele ruitereenheden gestationeerd werden. 'De verdediging van de Rijnlimes op Nederlands grondgebied werd in feite helemaal opgegeven' (lezen we op p.229) Het gaat hier blijkens het citaat van Vos (zie hiern noot 43) ook helemaal niet zeker over de vierde eeuw, maar over de derde eeuw (rond 260) toen de Romeinen uit Nederland vertrokken en zich vestigden op de lijn van Boulogne-sur-Mer naar Keulen, de echte Limes.
    Waarop baseert Nijmegen dan haar continuïteit en de opvatting de oudste stad te zijn, als daarvan hier geen sprake blijkt te zijn?

    In noot 43 bij deze tekst wordt verwezen naar W.Vos, Bataafs platteland, p.207. We citeren de letterlijk tekst van p.207 uit deze dissertatie (zie opmerking):

    "Uit het Kromme-Rijngebied zijn minstens achttien rurale nederzettingsterreinen bekend die uit de Laat-Romeinse tijd dateren (bijlage 6). Van 'nieuwe' nederzettingen lijkt geen sprake en het zou dus in alle gevallen gaan om vindplaatsen die ook al in de Midden-Romeinse periode in gebruik waren. Zeker weten doen we dat echter niet, vooral ook omdat de chronologie van de Laat-Romeinse periode vrij grof is om werkelijke continuïteit zonder onderbrekingen vanaf de Midden-Romeinse tijd op individueel site-niveau vast te kunnen stellen. Het aantal van achttien sites komt overeen met ruim 15% van de totale hoeveelheid Midden-Romeinse nederzettingen. Daarmee is een terugval in het aantal sites duidelijk aantoonbaar. Het komt overeen met het beeld dat in vrijwel elk boek over deze periode wordt gevonden en wordt gekenmerkt door “terugval en ontvolking”. Voor het Kromme-Rijngebied moet wel rekening worden gehouden met een ondervertegenwoordiging van het aantal sites, maar een goed onderbouwde inschatting van het werkelijke aantal nederzettingen is moeilijk. In noot 160 verwijst Vos nog naar het boek van Stijn Heeren e.a. over Tiel-Passewaaij, waarover Vos dan nog schrijft: Het is logisch dat mede gezien de bovengenoemde redenen een onbekend aantal Laat-Romeinse sites ontbreekt in het huidige overzicht.
    Dissertatie:
    En dissertatie is een proefschrift ter verkrijging van een doctoriale graad. Daarin is het wel zaak je aan de vastgstelde opvattingen te houden (zie opmerking 5 hiernaast). Het is dus beslist geen dissidentie waarbij het juist om meningsverschillen gaat met een disssident, een andersdenkende. Een andersdenkende zal ook nooit een doctorale graad krijgen van zijn promotor als hij/zij afwijkt van de geijkte paden of buiten de lijntjes kleurt.

    Als je dit citaat uit deze dissertatie goed leest, blijkt Van der Heijden er toch iets anders van te maken, zoals:
    1. de laat-Romeinse tijd kan ook de midden-Romeinse tijd zijn geweest.
    2. zeker weten doen we het niet.
    3. er zijn geen Laat-Romeinse sites met zekerheid bekend.
    4. de werkelijke continuïteit is moeilijk vast te stellen.
    5. Het komt overeen met wat door anderen in vrijwel elk boek over deze periode wordt gevonden.

      Uit dit laatste punt blijkt dat Wouter Vos gewoon klakkeloos anderen naschrijft, waarbij we weer moeten concluderen ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben.

    Het is wel duidelijk dat de Nederlandse historici blijven uitgaan van de rond 1540 aangenomen opvatting dat de Bataven in de Betuwe woonden, terwijl er van hen geen spoor gevonden is.
    Wat hier ook nog duidelijk blijkt, is dat begrijpend lezen niet alleen een probleem in het basis- en middelbaar onderwijs is, maar ook voor Universitair geschoolden geldt. Begrijpend lezen blijkt ook op Universiteiten nog steeds een probleem te zijn. Hier blijft ook zeker van toepassing wat Marco Mostert en Jona Lendering eens stelden: "Wat de Nederlandse historici als deskundigen over de Nederlandse geschiedenis te berde brengen is tenenkrommend". "Men blijft tegen beter in verouderde kennis rondpompen".


  20. Nog verder landinwaarts groeide de versterkte Romeinse snelweg Keulen-Maastricht-Tongeren-Bavay-Boulogne-sur-Mer uit tot de feitelijke noordgrens van de Gallische bewoning en bleef dat ook de eeuwen daarna. Niet toevallig ligt hier ongeveer nog steeds de taalgrens tussen Germaanse en Romaanse talen, oftewel het Nederlands en het Frans. (p.231). Opvallend dat Van der Heijden hier de taalgrens noemt, echter hij vergeet erbij te vermelden dat die al bestond ver voor de Romeinse tijd, en o.a. door Tacitus en Ptolemeus beschreven werd. De taalgrens is geen product van agressie uit het noorden en oosten, of van defensie vanuit het Romeinse zuiden. Zij is er altijd geweest, al enige eeuwen vóór Chr. wanneer Griekse schrijvers het hebben over Germanen in en boven Gallia. Als de opvatting van de Nederlandse historici en ook van Van der Heijden juist zou zijn, zou de taalgrens langs de Rijn gelegen moeten hebben. En dat is in het geheel niet zo: niet alleen in Nederland niet, maar ook niet in België, ook niet op de grens tussen Frankrijk en Duitsland en ook niet in Zwitserland. De Rijn vormt in al deze landen geen taalgrens. Dat heeft verregaande consequenties voor de traditionele opvattingen. Daarover nadenken en daaruit conclusies te trekken blijkt in historisch Nederland nog steeds een ondergeschoven probleem te zijn.

  21. Ook stond hij volgens de bronnen toe dat een grote groep Salische Franken zich vestigde in Toxandrië, pakweg het huidige Brabant, hoewel archeologen daarvoor tot nu toe geen bewijs vonden (p.234). Zonder bewijs wordt ook hier weer van alles beweerd. De Salische Franken leefden langs de Sala, een rivier in Noord-Frankrijk (bij Kamerijk), dus allang binnen het Romeinse Rijk. De oudste teksten over de Salische Franken gebruiken dit Salisch zuiver en alleen als een aardrijkskundige aanduiding zonder de minste institutionele ondergrond, en zonder enige toespeling op een volkenkundig of bestuurlijkonderscheid. De term duidt de Franken aan bij de Selle, voorheen Sala genoemd. Primo zaten deze Franken dus helemaal niet in het Nederlandse Salland, secundo stoten we hier op de zoveelste namen-doublure, waarbij het wel zaak is te onderzoeken wanneer de Nederlandse naam is ontstaan terwijl de Franse Salische Franken al vele eeuwen niet meer werden genoemd. Maar dit, de grondslag van gedegen naamkunde, is onbekend terrein bij de toponymisten zoals Gysseling en Blok, die de Salische Franken in Salland neerzetten. Lees meer over Salland in hoofdstuk 7. Blok distantieert zich wel, en terecht, van de vroegere opvatting dat de Saliers en de Ripuariërs de twee grote groepen of volken van de Franken waren. Toxandria was niet pakweg het huidige Brabant, maar was het Taxandria “ sive Testerbanto” (zie Lorsch 814) de landstreek ten westen van Doornik en Atrecht. De Nederlandse historici pakken hier dus behoorlijk fout. Ook in andere teksten wordt de identiteit tussen beide uitgedrukt, zodat het duidelijk is dat met Testerbant de Westerbant ofwel Westergo bedoeld was. Blok maakt er een in Nederland nooit bestaan hebbende gouw van. De valsheid van de identificatie van Taxandria met Nederlands Noord Brabant wordt afdoende aangetoond door het totaal van de 30 namen, die de teksten aan Taxandria verbinden: Alfeim, Angrisa, Budilio, Driele, Dubla, Empele van Lorsch, Empla van Crespin, Eresloch, Haeslaos, Hamaritda, Hatalle, Henesloth, Hezia, Hoccascaute, Hulislaum, Hunsete, Levetlaus, Martfelde, Martras, Ortinon, Osterol, Replo, Rosmalle, Sceddanvurthe, Testerbant, Terchena, Waderloe, Wadradoch, Welle, Westrachia. Enkele van deze plaatsen lijken op Brabant te wijzen, maar zijn daar terecht gekomen door de deplacements historiques, waarvan Echternach dankbaar gebruikt maakte om er bezittingen te claimen. Lees meer over Echternach en over de Kerken in Brabant. Lees ook het verhaal van Toxandrië.

  22. De laat-Romeinse muur van Nijmegen, vlak voor de totale sloop in de jaren 1980. Hij was ruim 80 meter lang en nog enkele meters hoog (Zie afbeelding hiernaast: p.234).
    Gesloopt? Het historisch besef is in Nijmegen altijd wel heel erg laag geweest. Na de sloop van de Burcht van Frederik Barbarossa en enkele Middeleeuwse stadspoorten en muren, is ook deze muur gesloopt. Archeoloog Jules Bogaers kwam bij de opgraving 'eens kijken' en vond het onbelangrijk aangezien hij geen notie had wat het ooit geweest is. Zou het een kademuur geweest kunnen zijn tegen overstromingen? In de Canon van Nijmegen wordt deze muur overigens 'Merovingisch'(?) genoemd.

  23. Nog voor het eind van de eeuw kregen Franken toestemming zich in het Rivierengebied te vestigen. Bewijzen voor deze grootschalige 'import' zijn onder meer gevonden in Lent, Wijchen, Beneden-Leeuwen, Valburg, Wijk bij Duurstede, Geldermalsen en Tiel, en ook in het Limburgse Gennep, in de vorm van huisplattegronden, begraafplaatsen, aardewerk en sieraden als kledingspelden. De Franken woonden nu aan beide zijden van de Rijn. De germanisering - of liever nog: frankisering - van de samenleving, als tegenhanger van de romanisering in de eerste en tweede eeuw, is onmiskenbaar (p.235). Vraag is van wie de Franken deze toestemming kregen. Alsof de Franken (de vrijen) zich aan toestemming gelegen lieten. Het onmiskenbare bestaat dus uit huisplattegronden, aardewerk en sieraden. Kan men daaraan zien wie de eigenaar was. Opvallend dat Nijmegen hier niet genoemd wordt, wel bij muntvonsten van o.a. solidi, maar dat is Romeins geld. vergelijk dit punt ook met punt 21. Eerst zoouden de Franken zich gevestigd hebben in Brabant en vervolgens in het rivierengebied. Hoe kwamen ze dan in Brabant vanuit Gelderland waar toch Salland lag? Sloegen ze het rivierengebied eerst even over om er later toch weer terug te keren? Lees ook meer over .

  24. De discussie over het precieze einde van de Romeinse tijd duurt nog altijd voort. Het aloude idee dat het (West-)Romeinse Rijk is 'gevallen', klopt in elk geval niet. In werkelijkheid ging het om een heel geleidelijke overgang van de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen, een proces dat ruim een eeuw duurde en zich voltrok in kleine stappen, waarbij de Frankische invloed groeide en het centraal gezag in Rome verzwakte. De historische bronnen maken melding van een grote Frankische invasie op oudejaarsnacht 406/407 ter hoogte van Mainz, gevolgd door invallen van Westgoten, Vandalen en Hunnen. Rond 455 viel Keulen in Frankische handen. (p.237) Naar welke historische bronnen verwijst Van der Heijden hier? In één nacht? En 50 jaar later is Keulen dan pas veroverd? Wordt hier erkend dat de zogenoemd Grote Volksverhuizing niet bestaan heeft? Dat zou helemaal juist zijn. Het ging dus zowiezo al niet over 'invallande Franken' in Nederland. Alarik was koning van de Hunni en Avaren, stammen of groepen uit het noordoosten van Frankrijk. De Uni, ook Huni of Hunni geschreven, waren natuurlijk niet de Hunnen uit de Russische steppen, doch de Huni, ook Avari genoemd, die in de omgeving van Huningue en andere plaatsen in de Elzas woonden. Hun herkomst uit de steppen van Rusland was een fabel uit de Middeleeuwen toen men geen weet had van volkeren en bijvoorbeeld de Bataven ook doodleuk in de Betuwe plaatsten. Theoderich I, koning van de Wisigothen (Westgothen zoals ze meestal worden aangeduid), regeerde van 419 tot 451. Hij versloeg in 439 de Romeinse veldheer Litorius, verbond zich in 451 met Aetius tegen de Hunnen en sneuvelde in de slag op de Catalaunische Velden, dat bij Châlons-sur-Marne was. Lees meer over de grote volksverhuizing.

    Het grafveld in Nijmegen.
    In noot 58 wordt verwezen naar Van Enckevort en Thijssen, Het Valkhof p.39. Daar lezen we het volgende: De opgravingen op en rond het Valkhof hebben weinig gegevens opgeleverd over de bewoners van Nijmegen in de Romeinse tijd. Meer informatie daarover bieden de kledingaccessoires en de grafgiften die zijn aangetroffen in twee grafvelden buiten de versterking.
    Uit de opgravingen werd duidelijk dat direct buiten het castellum een omvangrijk grafveld moet hebben gelegen dat tussen 300 en 700 in gebruik was. Van de naar schatting vijf- tot tienduizend graven zijn er inmiddels circa 1500 onderzocht en van 834 stuks zijn de bevindingen gepubliceerd.

    In noot 70 wordt verwezen naar Steures 2013, 45-156. Het is voor deze periode het omvangrijkste grafveld van Nederland, vergelijkbaar met het grafveld van Krefeld-Gellep uit dezelfde periode. Noot 71 verwijst dan weer naar: Pirling 1986: Pirling & Siepen 2006.
    Opmerking: in hoeverre is hier sprake van 'naschrijverij'? Zie de letterlijk overgenomen zinnen. Het is dus van belang even te controleren wat Steures en Pirling precies geschreven hebben en op grond waarvan zij tot hun conclusies kwamen.
    Na wat doorverwijzingen blijkt het deels oude en zeer oude publicaties te betreffen van tussen 1880 en 1987 en tot 2007. Tenslotte kom je uit bij Annelies Koster 'The Cemetery of Noviomagus and the Wealthy Burials of the Municipal Elite' uit 2013. Daarvoor kunnen we verwijzen naar hoofdstuk 5, onder punt 21-i. Daaruit blijkt dus een heel ander verhaal dan hier geschetst wordt. Zo zeker als Van der Heijden het hier stelt, is het dus helemaal niet! De bevindingen zijn dus gebaseerd op slechts 834 (gepubliceerde) graven in plaats van de eerder genoemde 5000 tot 10.000! 834 graven in 400 jaar? Dat zijn er 2 per jaar! Waar gaat het dan over?
  25. De belangrijkste plaats in Gelderland met continuïteit tussen de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen is Nijmegen. Er is nog te weinig archeologisch onderzoek gedaan om zinvolle uitspraken te kunnen doen over de transformatie van Romeinse naar Frankische bewoning op deze plek en de rol van het laat-Romeinse castellum daarin. De monumentale bescherming van het Valkhof is daar een belangrijke reden voor. Maar dat er continu mensen in Nijmegen woonden, blijkt uit een enorm grafveld uit de binnenstad, met naar schatting 5000 tot 10.000 graven uit de periode 300-700. Dit grafveld is met afstand het grootste van Nederland uit die tijd en kan zich meten met een vergelijkbaar grafveld in Krefeld-Gellep (zie kader hiernaast). Drieknoppenfibula's en gordelbeslag duiden op Frankische militairen, terwijl rijke graven ook het bestaan van een elite aantonen. Maar of deze elite in het castellum woonde en hoelang dat castellum in gebruik bleef, zijn onderzoeksvragen voor de toekomst. Zeker is wel dat zich ook Franken aan de overkant van de Waal nestelden, in Lent. Hier ontstond - ongetwijfeld in relatie tot de Franken op en rond het Valkhof - een tweede, krachtige bewoningskern (p.238/239).
    Hoe weet Van der Heijden dat die fibula's en gordelbeslag van Frankische militairen waren? Dat is een aanname, net als dat geschrijf oer een elite. Dat zijn eveneens onderzoeksvragen voor de toekomst en niet alleen voor de bewoning van het castellum. Is het bestaan van een castellum in de 5de eeuw archeologisch overigens al aangetoond? Uit bevindingen van
    Annemariek Willemsen blijkt tevens het volgende: "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen". Dat lijkt me toch duidelijke taal.
    Een van de belangrijkste gegevens omtrent de geschiedenis van Nijmegen komt hier ook ter sprake: de continuïteit.

    Ondanks dat er nog te weinig archeologisch onderzoek is gedaan om zinvolle uitspraken te doen, trekt Van der Heijden al de kaart van de continuïteit. Zeker is wel dat de Franken zich vestigden aan de overkant van de Waal, stelt hij. Dus dat ze zich in Nijmegen zelf vestigden is dan nog niet zeker? In noot 59 wordt verwezen naar Hendriks e.a. 'Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief', in: H. Peterse e.a. (red.), Het Valkhof. 2000 jaar ,geschiedenis (Nijmegen 2014) 42-71. Lees er meer over in Het Valkhof 2000 jaar, met name pagina's 47-52. Het gaat niet over Frankische, maar over een Merovingische elite in Lent. Op p. 52-53 lezen we: Hoe was in deze tijd de situatie op het Valkhof? Daar zijn geen directe sporen van bewoning of begravingen uit de zesde eeuw bekend. Houd dan op met dit verhaal dat Van der Heijden hier dus zelf tegenspreekt. Zijn er dan wel sporen uit de 5de eeuw gevonden? Toch mogen we ervan uitgaan dat op het Valkhof vertegenwoordigers van het Merovingische gezag aanwezig waren. Een belangrijke reden hiervoor moet in de directe omgeving van Nijmegen gezocht worden. Dus niet in Nijmegen zelf? Hoewel uit archeologische en botanische gegevens blijkt dat de ontginning van het uitgestrekte koningsgoed pas later aanving (hoeveel later?), wijzen de grafvelden en de bijbehorende nederzettingen in Lent en Wijchen, alsmede de vermoede bewoningskernen in bijvoorbeeld Beuningen en Beek-Ubbergen erop dat het landschap allerminst verlaten was. Wat bewijs je met 'mogen we ervan uitgaan', wat met 'vermoede bewoningskernen'? Wat bewijs je met Lent, Wijchen, Beuningen en Beek-Ubergen ten gunste van Nijmegen? De bewoningskern in Nijmegen zelf zal in deze periode vooral op en rond het Valkhof gezocht moeten worden. Wat bewijs je met 'gezocht moeten worden'? Hieruit blijkt over duidelijk dat die bewoningskern nog niet gevonden is. Deze bewoningskern blijkt nog niet gevonden te zijn zoals ook al p.53 (Hendriks) vermeld is. Het zijn slechts aannamen en speculaties die hier genoemd worden door Hendriks. En op die speculaties bouwt Van der Heijden zijn verhaal verder uit.
    Het komt er dus in het kort op neer dat Nijmegen met een geschiedenis schermt, die gebaseerd is op speculaties!.

Natuurlijk weet men in Nijmegen en op de Radboud Universiteit ook wel dat de geschiedenis van Nijmegen, zoals hier beschreven door Paul van der Heijden en Joep Hendriks, gebaseerd is op speculaties en talloze aannamen. Maar men zal nooit erkenen of kunnen erkennen dat men het altijd fout had, ook al staat in eigen publicaties dat de bewijzen ontbreken. Immers, zou men dat wel erkennen dan stort 'de rijke geschiedenis van Nijmegen' (zoals men dat altijd zo graag noemt) als een kaartenhuis in elkaar. Men blijft tegen beter weten in vasthouden aan de traditionele fabels en mythen, die niet alleen door Delahaye, maar ook door anderen reeds lang als achterhaald beschouwd worden. Men blijft verouderde kennis rondpompen, zoals Jona Lendering dat eens verwoordde. Hoe deskundig zijn de historici op de Radboud Universiteit eigenlijk nog? Ze hebben hier dan wel voor geleerd, maar hebben ze ook doorgeleerd? Het is dan ook verklaarbaar dat men discussies liever uit de weg gaat zoals mevr.Dolly Verhoeven verklaarde. Men zou bij de eerste beste discussie al meteen door de mand vallen, vanwege eigen opvattingen, zoals hier steeds genoemd.

Tot zover de bespreking van hoofdstuk 6. Het vervolg van het Verhaal van Gelderland vindt U in Hoofdstuk 7 Aan de rand van de Merovingische wereld.


Wilt U meer weten over de ware geschiedenis van Nederland? Bestel het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!


Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.