De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het verhaal van Gelderland: hoofdstuk 7 Aan de rand van de Merovingische wereld. (p.240-301).

De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.


Bij die rijke geschiedenis kunnen we toch heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die niet van Gelderland is, maar van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.



Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.

Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.
Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hier) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!

Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onjuistheden bij elkaar weten te schrijven. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop ze de opvattingen van Albert Delahaye op pagina 334 hebben beschreven: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met de werkelijkheid.

Maar gelukkig geven ze ook zelf hun twijfel toe en erkennen ze regelmatig dat er problemen zijn in de traditionele opvattingen. Daarbij blijkt dat ze feitelijk te weinig kennis van zaken en deskundigheid bezitten, om de door henzelf opgeworpen problemen op te lossen. Vandaar dat wij hen helpen de twijfel en problemen op te lossen, vandaar dat deze besprekingen en opmerkingen over de geschreven teksten in hoofstuk 4 t/m 8 erg uitvoerig is geworden.

Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring in het eerste Millennium. Alle benodigde correcties die we ook noemen zijn al te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijst van het Verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook veelzeggend en 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet voor de historische waarheid. Deze auteurs moeten nu eens erkennen dat ze het altijd fout gehad hebben. Maar ja, erkennen van eigen ondeskundigheid gaat niet gebeuren, zoals de geschiedenis leert. Wij kunnen slechts adviseren eigen artikelen nog eens na te lezen en te vergelijken met mijn opmerkingen. Ik wens hen daar succes mee en verneem graag wat hun bevindingen zijn.

Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van Hoofdstuk 8.

Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
Hoofdstuk 8, Het Karolingische en Ottoonse Rijk.
De visie van Albert Delahaye.

We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, zoals de auteurs beweren dat Delahaye dat gezegd zou hebben. Ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationele allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. We zullen maar denken dat de verkoopcijfers hier debet aan zijn, immers aansprekende verhalen verkopen beter dan de nuchtere feiten. Maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze hun twijfel uit. Dat kan ook niiet anders, want twijfel is er altijd geweest in de geschiedenis van Nederland. Die twijfel blijkt wel door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

In deel 1 van de vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt in de hoofdstukken 4 t/m 8 de geschiedenis beschreven zoals die grotendeels traditioneel is vastgesteld. Echter, daar is heel wat op aan te merken. Niet alleen op die traditionele geschiedenis, maar ook op hoe en wat er in dit boek beschreven en geschreven is. Op pagina 334 wordt ook de visie van Albert Delahaye genoemd (zie daar), helaas onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye zelf geschreven heeft. Het is kenmerkend voor feitelijk dit hele boek. Het is een onvolledig en een onjuist verhaal, met vaak tegenstrijdigheden van andere historici, ook al zijn de verwijzingen in noten naar 'gelijkgestemden'.
De grondfout van dit hele boek is dat men Nijmegen klakkeloos opvat als het Noviomagus uit zowel de Romeinse als de Karolingische periode. En daarvoor ontbreekt elk schriftelijk of archeologisch bewijs. Wie die bewijzen wel heeft, laat het alstublieft weten, want daarmee vervalt de visie van Albert Delahaye over Karolingisch Nijmegen.


We bespreken hieronder hoofdstuk 7, geschreven door Joep Hendriks en Michel Groothedde, met medewerking van Nico W.Willemse en Arjan de Braven. De bespreking is vrij uitvoerig aangezien er over bijna elke zin meerdere opmerkingen te maken zijn: niet alleen over de gehanteerde traditionele standpunten, maar ook over compleet onjuiste opvattingen. Maar toch! Soms geeft de auteurs eerlijk aan dat traditonele standpunten twijfelachtig of zelfs onjuist waren, zie onder punt 43 en 45, die ondaks adt niet gecorrigeerd worden. Voor het onafhankelijk publiek is niet te controleren of opvattingen gewijzigd zijn, omdat men die oude geschiedenis te weinig kent. Vandaar dat we dat steeds vermelden en toelichten.


Hoofdstuk 7: Aan de rand van de Merovingische wereld.

We bespreken hieronder de belangrijkste gegevens uit de Merovingische en Karolingische periode (hoofdstuk 7 in dit boek), die voor Nijmegen niet bestaan heeft. Lees daar alles over bij Neumaia.
In feite is het hele hoofdstuk het bespreken meer dan waard, aangezien er nogal veel onjuistheden worden vermeld. We noemen enkele punten die elk vragen oproepen waarbij een opmerking geplaats wordt, maar gaan tot slot wat dieper in op pagina 299-301 onder A en B, waar sprake is van echt verbijsterende opvattingen. Je vraagt je hierbij zelfs af of deze auteurs wel geschiedenis hebben gestudeerd, of beter, de geschiedenis hebben bestudeerd?

Hoofdstuk 7 doorlezend verbaas je jezelf over alle aangenomen opvattingen die nog steeds als vaststaande geschiedenis worden gepresenteerd. We geven ze hieronder puntsgewijs letterlijke citaten (met pagina vermelding) en plaatsen er in rood onze opmerkingen bij. Vanwege het tussenvoegen van nieuwe bevindingen kan de nummering hieronder wijzigen.
  1. In de 'inleiding van dit hoofdstuk' op p.241 wordt (als samenvattend intermezzo) het volgende geschreven:
    1. Over die periode zijn weinig geschreven bronnen beschikbaar.
    2. en dan vaak meer in de vorm van verhalen dan als feitelijke informatie.
    3. De meeste gegevens komen daarom uit opgegraven nederzettngen en grafvelden, maar ook die zijn schaars.
    4. In de achtste eeuw namen Karolingische machthebbers de positie van de Merovingers over.
    5. De Frankische Koning Karel de Grote bouwde een residentie (palts) in Nijmegen.
    6. De nieuwe orde stimuleerde de verspreiding van het Christendom.
    7. Er ontstonden grotere nederzettingen die de kiem vormden van latere steden, zoals Nijmegen, Tiel en Zutphen.
    8. De welvaart trok ook plunderaars aan: Vikingen zorgden lange tijd voor angst en instabiliteit.
    9. Omdat er steds meer op schrift werd gesteld hebben we beter inzich op de indeling van Gelderland (in gouwen) en adelijke families, zoals de graven van Hamaland.
    10. Kort na 1000 verschenen nieuwe machthebbers onder wie de eerste graven van Gelre.
    Over elk van de hierboven genoemde punten zijn meerdere opmerkingen te maken, die hieronder besproken worden. Het belangrijkste punt: 1-e is de hardnekkigste mythe. Van een palts van Karel de Grote is in Nijmegen nog nooit iets gevonden. Ook klassieke teksten die men ervoor gebruikte, blijken over Noyon te gaan, de plaats Noviomagus waar Karel de Grote tot koning van de Franken werd gekroond en een nieuw paleis bouwde.

  2. De kaart van Gelderland op p.242 bestaat voornamelijk uit de situatie van nà het jaar 1000. Van de hier getoonde plaatsen is helemaal niet zeker of bewezen dat deze al vóór het jaar 1000 bestonden, ook van Zutphen niet. Lees bijvoorbeeld meer over de geschiedenis van Zelhem dat als voorbeeld geldt voor al die andere plaatsen.

  3. Sommige van deze Germanen, onder meer bekend als Franken, trokken de grens over om in dienst te gaan van het Romeinse leger en zich gaandeweg definitief te vestigen binnen de grenzen van het tanende rijk. (p.243). De Germaanse stammen woonden allang binnen het Romeinse rijk wat de Romeinse provincies Germania Inferior en Germania Superior al aangeven. Welke legereenheden hadden Franken in dienst? Welke namen van legioenen wijzen daarop?

  4. Voor de overgebleven inwoners van het Rivierengebied - nazaten van geromaniseerde Bataven veranderde er veel (p.243). Nazaten van de Bataven? Welk bewijs is er voor deze veronderstelling. Tot heden was de traditie toch dat de Bataven verdwenen zijn en niemand weet waar naartoe? Op p.244 wordt deze stelling een beetje gecorrigeerd waar we lezen: In de Betuwe was de welvarende Bataafse samenleving zo goed als verdwenen. Wat is 'zo goed als'? Als wat? In het synoniemen-woordenboek lees je "bij zo goed als': 'praktisch of nagenoeg helemaal'. Hoeveel Bataven zijn er dan achtergebleven?

  5. De in deze periode ontstane Gelderse IJssel (p.243). In deze periode? Is dat ergens tussen 450 en 750? Welk bewijs heeft men daarvoor? Verschillende deskundigen noemen zeer uiteenlopende jaartallen tussen 350 en 950. Lees daar meer over bij de rivieren. Het was dan in elk geval niet de derde Rijnmond, zoals enkele 'deskundigen' (zoals B.Stolte) in het verleden steeds beweerden. Lees meer over de Gelderse IJssel. Let ook vooral op wanneer de -ij- als Nederlandse lettercombinatie is ontstaan. Zie daarvoor -y- of -ij-.

  6. Rond het jaar 400 veranderde deze situatie geleidelijk. De Romeinse grensbewaking langs de Rijn werd definitief opgegeven en Frankische groepen konden zich min of meer onbelemmerd heen en weer bewegen (p.243). Ten eerste was er geen enkele sprake van een grensbewaking, maar de Rijn was een transportroute. Ten tweede vertrokken de Romeinen circa 260 uit Nederland en niet rond 400. Ten derde woonden de 'Franken' al binnen het Romeinse Rijk en wel rond Doornik, waar het graf van hun koning Childerik gevonden is. Van belang is te onderzoeken waar de naam Franken vandaan kwam en wie die naam het eerst gebruikte voor bepaalde bewoners, die aanvankelijk beslist nog geen eenheid vormden.

  7. Het verhaal van Gelderland wordt op p.244 vervolgd met: lijken grotere groepen.... ze niet verdreven lijken.. past het beeld van zich verplaatsende gemeenschappen bij deze periode van 'volksverhuizingen'. In één zin worden hier dus de volksverhuizingen erkend en tegen gesproken, wat wel blijkt uit 'lijken'. Lijkt? Op wat of op wie? De Grote Volksverhuizing zoals die traditioneel gehandhaafd wordt, heeft nooit bestaan. Lees meer over de volksverhuizing. Het is een verzinsel van Duitse historici geweest die bevolkingsgroepen in de Romeinse tijd in Duitsland plaatsten, die plots toch in Frankrijk bleken te wonen. Ja, dan verhuis je die bevolking toch even? Archeologisch is van een volksverhuizing, of die nu groot of klein was, nooit iets gebleken, ook tekstueel blijkt daarvan geen enkele sprake te zijn geweest. Slecht in de hoofd van ondeskundige historici heeft die volksverhuizing plaats gevonden. Die zogenaamde volksverhuizing wordt ook door steeds meer deskundige hitorici en archeologen ontkend. Annemarieke Willemse heeft dat ook vastgesteld en verklaarde zelfs dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is".

  8. Het vroege deel van de middeleeuwen, tussen circa 500 en 900, wordt vaak betiteld als 'donker' of 'duister'. Uit deze periode zijn nauwelijks tekstuele bronnen nagelaten die gaan over de bewoners van Gelderse streken, laat staan dat zij die zelfhebben geschreven. (p.244/245). Dat er nauwelijks tekstuele bronnen zijn nagelaten is een misvatting! Het moet zijn er zijn GEEN tekstuele bronnen nagelaten over de bewoners van Gelderse streken. Alle hier bedoelde teksten gaan over Franse streken en gebeurtenissen, waar die vele teksten ook gevonden worden of vandaan komen, zoals de Annalen van Egmond en het Cartularium van Radboud en het Psalter van Utrecht: allemaal afkomstig uit Noord-Frankrijk.

  9. Desondanks kan op basis van het handjevol bronnen dat wel bekend is en de archeologische overblijfselen een redelijk beeld worden gevormd van dit tijdvak, waarin de basis werd gelegd voor de latere Gelderse samenleving (p.245). Op grond van een handjevol bronnen en archeologisch overblijfselen schrijft men dus geschiedenis, al noemt men het nog wel een redelijk beeld. Redelijk? Op grond waarvan? Volgens Van Dale betekent redelijk: 'in overeenstemming met'. Met wat? Met de aangenomen tradities? Wellicht slechts redelijk voor historici, die vastgeroest zitten in die onbewezen tratities.

  10. Het rivierengebied in beweging is een interessant onderwerp. (p.245/246). De afbeelding op p.245 over de "Chronologie van zeer zware overstromingen in het Rivierengebied in het eerste Millennium" opent perspectieven. Waarom blijven deze bronnen doorgaans verborgen? Trek deze zeer zware overstromingen eens door naar de rest van laag-Nederland. Dan blijft er van bewoonbaarheid toch weinig over? En dit is precies waarin Albert Delahaye zijn visie over de transgressies en bewoonbaarheid bevestigd ziet. Kon Willibrord gaan prediken in een land dat overstroomd was en waar zo goed als niemand woonde? Wat zocht Bonifatius in een overstroomd Friesland? Ziet U ook de opeenvolgende overstromingen rond het jaar 260? Die overstromingen noodzaakte de Romeinen ons land te verlaten, wat de algemeen geaccepteerde opvatting is. Lees meer over de transgressies.



  11. In hoofdstuk 7 "Aan de rand van de Merovingische Wereld" (van 450 tot 750) lezen we nog veel meer opvallende zaken, wat symbool staan voor meerdere hoofdstukken in dit boek: misvattingen, mythen, fabels en duimzuigerij. Er wordt van alles beweerd, dat vervolgens met verwijzingen naar noten al dan niet bevestigd moet worden. Maar wordt het ook bevestigd met die verwijzingen? Er is nogal veel sprake van aannamen en eigen opvattingen van de betreffende auteurs, zonder daadwerkelijke bewijzen te leveren. Enkele voorbeelden in het kader hieronder:

    Op p. 247 tot 249 wordt het ontstaan van de Gelderse IJssel genoemd. De in teksten genoemde Hislam zou de Gelderse IJssel zijn, met een verwijzing in noot 10, 11 en 12 naar de Lexicon van Künzel en Blok. We citeren hier de letterlijk tekst in de linker kolom; opmerkingen in de rechter kolom:

    De letterlijk citaten uit Verhaal van Gelderland p.247-249. Opmerkingen:
    Hoe het ook zij, de Rijn kreeg in de loop van de vroege middeleeuwen een nieuwe noordelijke verbinding met de Noordzee. Het hoe het ook zij betekent dat er geen enkel bewijs voor deze opvatting is. Die 'noordelijke verbinding' zou lange tijd de derde Rijnmond ofwel de IJssel geweest zijn, welke opvatting reeds door meerdere historici als achterhaald beschouwd is. Lees meer over de Gelderse IJssel.
    Ook historische bronnen maken melding van deze nieuwe rivier. De vroegste ondubbelzinnige vermelding dateert uit het jaar 797. Ze is afkomstig uit een oorkonde van de abdij van Werden, die gaan over de stichting van de Wichmondse kerk door missiepriester Liudger. Daarin staat dat Wichmond is gelegen iuxta Hislam, aan de IJssel, (noot 10). Eerst maar even kijken wat Blok vermeldt bij Hislam? Hij vermeldt hierbij de rivier die in zee uitmondt. Welke zee? Zuiderzee? Bestond de Zuiderzee al in 797? Het betreft, volgens Blok, een kopie uit 1170-1175. Dat is na 1170 wel mogelijk, immers de Zuiderzee ontstond pas na de Allerheiligenvloed van 1170, zoals elke historicus dient te weten. In deze zinnen is sprake van enkele aannamen: de abdij van Werden moet zijn de abdij van Werethina die aan het Kanaal lag; de kerk van Wichmond was de kerk van Withmundi dat Sangatte aan het Kanaal was en Ludger predikte in Frans-Vlaanderen, waar zijn familie landeigenaar was.
    Die vermelding verraadt ook iets over de stroomrichting van de rivier. Als de IJssel in dat jaar in zuidelijke richting zou hebben gestroomd, dus naar de Rijntakken in de Betuwe, zou de rivier bij Wichmond nooit IJssel zijn genoemd, maar eerder Berkel, Slinge of nog wat anders. . Die vermelding verraadt...en het 'zou hebben' in deze zinnen zeggen feitelijk meer dan genoeg. Het zijn fantasietjes van de auteurs (Hendriks, Groothedde e.a.) van deze tekst. De IJssel is overigens een getransplanteerde naam van de Isla (ook Isala) in Frans-Vlaanderen. Met die transplamtatie kwamen ook Lebuinus, Ludger, maar ook Plechelmus mee naar oost-Nederland.
    Er was immers al een IJssel (de huidige Oude IJssel] die naar de Rijn stroomde. De IJssel bij Wichmond was rond 800 dus stellig de naar het noorden stromende 'nieuwe' IJssel, die vernoemd was naar de 'oude' IJssel. Nergens in de bedoelde tekst is sprake van de stroomrichting van de rivier of van welke zee bedoeld is. Dat verzinnen Hendriks en Groothedde 'stellig' zelf maar om hun gelijk te kunnen krijgen. Bij de klassieke schrijvers was 'de zee' ook nooit een binnenmeer, dat was een laca denk aan Interlaca, maar de Noordzee of de Oceaan.
    Een absolute bevestiging van de stroomrichting komt uit een oorkonde uit 814-815, waarin sprake is van 'Salahom (= Salland) waar de rivier de IJssel in de zee stroomt. Dat moet dus om de noordwaarts stromende IJssel gaan. Als je Salahom vertaalt met Salland en dat aan de kust van de Zuiderzee plaatst, los je twee problemen op. Maar Salland was toch Zelhem, zoals de hier aangehaalde D.P.Blok verklaarde in zijn Lexicon? De Nederlandse naam Salland is pas vele eeuwen later ontstaan en is als doublure met de fabels rond St.Ludger hier terecht gekomen. Het echte Salland lag in Frankrijk: zie kader hieronder.
    Ook in de heiligenlevens van Liudger en Lebuïnus - die pas een halve tot een hele eeuw na hun dood werden opgetekend - speelt deze rivier een prominente rol. Let op die halve of hele eeuw die verlengd moet worden met nog wat meer eeuwen voordat dit opgetekend werd. Het zijn hier ontstane fabels. Lees hier alles over de predikers Liudger en Lebuinus die beiden in Frans-Vlaanderen thuis horen.
    Al ten tijde van Lebuïnus, in het derde kwart van de achtste eeuw, lijkt de IJssel langs Deventer te hebben gestroomd. Gelukkig staat hier 'lijkt', daar spreekt slechts twijfel uit, want meer is het niet. Het lijkt slechts zo te zijn geweest.
    Aan het eind van de achtste eeuw had de rivier zelfs haar naam gegeven aan een gouw: Hisloae, Hisloi, Isloi of Islo. Die gouw omvatte het gebied tussen Doetinchem, Wichmond, Oeken (bij Brummen) en Deventer, oftewel het gebied ten noorden van de Oude IJssel. Ook hier weer een verwijzing in noot 12 naar de Lexicon van Blok en Künzel. Het is de grondfout ofwel het onjuiste uitgangspunt van dit hele betoog, dat met Hisloa en andere variaties van de naam de IJssel bedoeld zou zijn. Daartegen pleiten alle teksten, tenminste als men ze juist leest en goed begrijpt.
    Een voorbeeld van het juist lezen blijkt uit de term Salland. Zie in het rode kader hieronder.
    Het wel zaak is te onderzoeken wanneer de Nederlandse naam Salland voor het eerste is gebruikt. Maar dit, de grondslag van gedegen naamkunde, is onbekend terrein voor Blok, die de Salische Franken in Nederland neerzet en van de Sale dan maar meteen de gouw Salland maakt. Het is en blijft onbegrijpelijk dat tegenwoordige historici klakkeloos de opvattingen van Blok blijven volgen, terwijl hij aantoonbaar honderden fouten gemaakt heeft en nog honderden andere namen overslaat of niet in Nederland weet te vinden en de vermelding "onbekend" krijgen. Lees meer bij prof.dr.D.P.Blok en over zijn boek de Franken in Nederland.

    Salland (ook Saland): de Salii worden de Franken genoemd, die ca. 358 na Chr. in de omgeving van de Sala gevestigd waren. Het heeft geen betrekking op een landstreek, maar op de rivier Sala dat de Selle is, die ten oosten van Kamerijk stroomt en ten zuiden van Valenciennes in de Schelde uitmondt. Het betreft hier de Franken aan of bij de Selle, voorheen Sala genoemd. Deze Franken verbleven dus helemaal niet in het Nederlandse Salland. We stoten hier op de zoveelste namen-doublure, waarbij de term Salische Franken, evenals die van de Ripuarische Franken, een zuiver geografisch en geen institutioneel begrip. Ten onrechte zijn de Franken onderscheiden in deze twee groepen, wat al zonder meer fout was daar het overgrote deel van de Franken niet onder een van deze twee noemers viel. Toen de Franse Salische Franken al vele eeuwen niet meer genoemd werden, werd de naam door alle onjuiste historische verplaatsingen, met alle andere deplacements hidtoriques, naar Nederland getransporteerd. Vanzelfsprekend heeft er in Nederland nooit een gouw Salland bestaan, dan slechts in de fantasie van historici, met name van dr.D.P.Blok. De bladzijden van Blok waar hij hierover schrijft, in zijn boek (p.11,15,16,17 en 19) dienen geschrapt te worden. Het was maar één van de vele blunders van Blok. Bovendien heeft Annemarieke Willemse onderzocht en vastgesteld dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is". Dan houdt toch ook dit hele verhaal op!
    De Salische Franken woonden allang binnen het Romeinse Rijk. Dat ze uit Salland (Gelderland) kwamen is een fabel. M.Gysseling noemt Brabant als de woonplaats van de Salische Franken (dat is dus al binnen het Romeinse Rijk) en noemt tussen neus en lippen door (dus onbewezen!) dat Tilburg hun hoofdstad was. In 358 noemt Ammianus Marcellinus (XI, 11, 8) de veldtocht van keizer Julianus tegen de Salische Franken. En hier hebben de historici de boot volledig gemist. Waarom zouden de Romeinen in een verlaten gebied gaan strijden tegen een volk waar ze totaal geen last van ondervonden? Die strijd vond ook niet plaats in Gelderland, maar in Noord-Frankrijkwaar de Romeinen nog aanwezig aren en de Franken woonden, aan de rivier de Sala, de Selle. Later heeft men de naam opgeblazen tot een apart volk. Toen er een Lex Salica en een Lex Ripuaria werden ontdekt, had je de poppen helemaal aan het dansen en werd de verwarring nog groter. Lees ook meer over de Lex Salica onder punt 25 (p.261).

    De Lex Salica.
    Traditioneel is de Lex Salica onze enige levende taal-bron die mogelijkerwijs in schriftelijke vorm uit de zesde eeuw zou stammen. Dat is niet erg waarschijnlijk omdat Latijn toen alom de gebruikte schrijftaal was. Het oudste fragment zou van rond 800 dateren en Karolingisch zijn, maar waarom het zo is, is moeilijk na te gaan. Het zijn de bekende algemene opvattingen die meestal voetstoots zijn aangenomen. Er zijn met handschriften uit de vroege middeleeuwen enkele problemen. Op de eerste plaats is vaak niet duidelijk waarop de datering is gebaseerd: gaat het over een natuurwetenschappelijk gedateerd materieel document of om een reconstructie van taalkundigen die werken op basis van hun model van een taalkundige ontwikkelingsgeschiedenis dat vanzelfsprekend gebaseerd is op de conventionele chronologie? Maar hoe zit dat bij Latijn? Latijn is een ideale taal om te vervalsen. En dat is dan ook in omvangrijke mate gebeurd. Het is namelijk niet mogelijk om veranderingen in het taalgebruik op te sporen, zoals die zich in een levende taal wel voordoen. Of de Latijnse drama's van Rosvita van Gandersheim in de tiende of zestiende eeuw zijn geschreven is taalkundig niet uit te maken. Bij levende talen ligt dat gezien het woordgebruik en de spelling van woorden inderdaad anders.
    Zo kun je de Lex Salica als voorbeeld nemen. We hebben geen tekst uit de zesde eeuw, maar uit de negende (of latere?) eeuw, aangenomen dat de herhaalde vermeldingen ook inderdaad kloppen. Met betrekking tot de merkwaardige en intrigerende tekst Muspilli (een christelijke versie van het gedicht Ragnarök) wordt gesteld dat de Lex Salica uit de bibliotheek van Lodewijk de Duitser zou komen en daarna in Lorsch terechtkwam, maar nergens is na te gaan hoe we kunnen weten dat dat zo gegaan is. Er is vaak een groot verschil tussen inhoudelijke datering (op historische en taalkundige gronden, wat veronderstellingen zijn) en natuurwetenschappelijke datering van het manuscript (als dat al mogelijk is). Zoals al vaker geschreven is, bestaat er een permanente bron van verwarring, maar de bereidheid om daar een eind aan te maken (bijvoorbeeld door betere verwijzingsregels in te voeren) is niet erg groot onder historici, en dat is natuurlijk in bepaald opzicht ook weer begrijpelijk. Waarom zou je algemeen geaccepteerde opvattingen ter discussie stellen? Dat deed Albert Delahaye dus wel en kreeg om die reden geen enkele (openbare) bijval. Feitelijk is het redelijk om als regel te hanteren dat een kopie dan pas een kopie is, als we zeker weten dat er een eerder orgineel bestaat. Dat is bij de Peutingerkaart bijvoorbeeld ook niet het geval. De oudste kopie die we hebben stamt uit de 15de of 16de eeuw. Zolang we geen eerdere kopie hebben, is dàt het origineel! Of de teruggevonden Lex Salica het oudste Nederlands dus 1500 jaar oud is, is meer een veronderstelling dan een gegeven feit, ook al wordt het overal als zodanig gepresenteerd. Het zou beter zijn om in plaats van Oudnederlands te spreken over Diets. Lees meer over het Diets en over de Lex Salica.

    Nog een voorbeeld van hoe belangrijk goed lezen is, blijkt uit de tekst uit 1059 (p.249).


    De relatie tussen Rijn en IJssel wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde die gedateerd is in 1059. Daarin is sprake van de aanwassen langs de Rijn in het gebied tussen Rhenen en Arnhem en langs de IJssel tussen Arnhem en Deventer. De oorkonde is weliswaar een vervalsing uit ca.1180-1200, maar aangenomen wordt dat deze geografische aanduiding is ontleend aan een eerder origineel (p.249).
    Let vooral op aangenomen wordt.... Het is dus slechts een aanname zonder feitelijk bewijs!
    In noot 13 wordt verwezen naar E.J. Harenberg (ed.) Oorkondenboek, dl.8. Wij pakken er hier maar het originele Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutfen van Mr. L.A.J.W. Baron Sloet uit 1872 bij, die het een 'merkwaardige oorkonde' noemt, die slechts bekend is door een uitgave van Lindeborn uit 1310 met verwijzingen naar 1339 en zelfs 1535. Van een eerder origineel is dus totaal geen sprake. De vraag bij dergelijke oude oorkonden waarvan geen originelen bekend zijn, slechts latere verwijzingen, wat er in de opeenvolgende jaren aan toegevoegd of gewijzigd is?
    We geven hier de letterlijke test van het betreffende deel van die oorkonde. Deze tekst luidt:
    "Nos quoque ad honorem Dei at beati Petri apostoli et sancte Walburgis ecclesia in Sutfenne iure perpetuo tenendam concedimus decimam insularum a Riinen usque Arnen et ab Arnen usque Daventriam, insularum dico, que etsi sint, nondum arantur et earum, que ex alluvione Reni et Isle adhuc congeri debent, sive in medio fluminis sint, sive ripam tangant"
    Vertaald is dat: 'Ook wij, tot eer van God, de gezegende Petrus de Apostel, en de kerk van St. Walburg in Sutfenne, verlenen voor eeuwig het tiende van de eilanden van Riinen tot Arnen en van Arnen tot Daventry, ik bedoel de eilanden die, zelfs als ze dat wel zijn, maar nog niet zijn gecultiveerd (omgeploegd), en de eilanden die nog liggen in de overstroming van de Rijn die nog gecultiveerd moeten worden, of ze nu midden in de rivier liggen of aan de oever'.

    Nog afgezien van de interpretaties van de genoemde plaatsen, wordt hier nergens over een stroomrichting gesproken, noch over het ontstaan van de Gelderse IJssel. Het gaat duidelijk over overstromingen van de Rijn, dus over transgressies. Lees meer over de IJssel. De hier genoemde Isla (Hisla en andere variaties; het is maar in welke taal of dialect een tekst geschreven werd!), was de Lys of Leie in Vlaanderen?

Nog even iets over St.Walburg.
Op de lijst van kerkelijke feestdagen in het bisdom Utrecht uit 1346 waarop wel het feest van Lebuinus vermeld wordt (op 12 november), komt het feest van St.Ludger niet voor. Er bestond in 1346 in Utrecht dus geen devotie tot St.Ludger. Dat is pas daarna ingevoerd. Het kan ook te maken hebben met het feit dat St.Ludger gezien werd als een heilige van het bisdom Münster en daarom niet op de lijst van Utrecht stond. Het blijft toch vreemd dat Ludger die in het bisdom Utrecht geboren zou zijn en een gevierde heilige zou zijn, op de heiligenkalender ontbreekt. De opvatting dat St.Ludger een gevierde heilige in Utrecht zou zijn wordt hiermee weerlegd. Overigens ontbreekt ook Sint Walburgis op deze lijst. Ook dit is een bewijs dat de devotie tot Sint Walburgis pas na 1346 is ingevoerd, wat dan wel weer kan kloppen met de oorkonde uit 1339 en later. Nu kan zo'n lijst van kerkelijke feestdagen wel enige tijd 'achterlopen' (enkele decennia?) maar beslist geen eeuwen.

  1. Op p.249/250 lezen we de volgende zeer veelzeggende beschrijvingen: Hoewel het ongelooflijk lastig is een goed beeld te krijgen van de demografische ontwikkeling tussen de vierde en achtste eeuw, wijst alles erop dat aan het begin van de Merovingische periode sprake was van een absolute neergang van de bevolkingsaantallen. Met veel slagen om de arm kan worden gesteld dat het aantal inwoners in het Rivierengebied daalde. Dan worden enkele aantallen genoemd in bepaalde streken, waarvan vermeldt wordt: 'Dergelijke schattingen kunnen getoetst worden wanneer een regio grondig archeologisch onderzocht is. In het grootste deel van Gelderland is dat voor deze periode niet het geval. Een bijkomend probleem is de herkenbaarheid van bewoningssporen. De plattegronden van boerderijen en bijgebouwen vertonen vooral in de vijfde en zesde eeuw gelijkenissen met die uit de late prehistorie, en dat geldt al helemaal voor het handgevormde aardewerk.
    Hier wordt dus klip en klaar geschreven dat veel archeologische interpretaties nergens op gebaseerd zijn. Is het dan verwonderlijk dat Albert Delahaye niet zo'n hoge pet ophad van de archeologie, zoals over de bevindingen van W.A.van Es in 'Dorestad'? Ziet U ook in deze beschrijving weer het gat tussen de vierde en achtste eeuw?

  2. Waar archeologische gegevens en historische bronnen ontbreken, kunnen andere bronnen soms licht op de zaak werpen, zoals de toponymie of plaatsnaamkunde (p.250).
    Hier komen bij de kern van de mystificaties: de plaatsnaamkunde. Als er geen teksten of archeologische vondsten bekend zijn, gaat men bewijzen halen uit de namen van tegenwoordige plaatsen. Gelukkig schrijven de auterus nog "soms'. Echter, blijkbaar hebben deze auteurs nog nooit gehoord van deplacements historiques, want met een plaatsnaam kun je zonder context NIETS bewijzen. Dat toont de naam van de nieuwe stad Almere wel aan. Lag het Almere dan in Nederland? Vergelijk ook de plaatsnaam van het nieuwe dorp Biddinghuizen in de Flevopolder dat in 1963 de naam kreeg van het klassieke Bidningahusem uit 790, wat een fantasietje van prof.Blok bleek te zijn.
    Kon men er vroeger begrip voor hebben, immers men wist niet beter, tegenwoordig is dit onacceptabel. Toch gebeurde dit wel vaker met veel plaaten in Nederland (en elders op de wereld) die nieuw gesticht, de naam van een voormalige plaats kregen, meegenomen door immigranten die zich er nieuw vestigden. Historici en vooral toponymisten moeten alert zijn op dit wereldwijd voorkomende hergebruik van plaatsnamen. De wereld ligt er vol mee. Met slechts een overeenkomstige naam valt niets te bewijzen. Als sprekend voorbeeld kunnen we Amersfoort nemen. Als er in een tekst gesproken wordt over sinaasappelteelt in Amersfoort, gaat het uiteraard niet over Amersfoort in Utrecht, maar over Amersfoort in Zuid-Afrika. De contekst is dan doorslaggevend. Voor veel plaatsen in Nederland die een oude naam kregen, geldt hetzelfde. Met de naam op zich valt niet te bewijzen.
    En juist op dit punt van plaatsnaamkunde gaan de bekende toponymisten als prof.dr.D.P.Blok en prof.dr.M.Gysseling steeds in de fout. Zij zoeken klassieke plaatsnamen steeds in Nederland waar deze nooit bestaan hebben. Vandaar dat zij zelfs tot 95 procent van plaatsen in bepaalde akten genoemd, in Nederland niet kunnen vinden. In Frankrijk liggen ze allemaal! Zie bij plaatsen.

  3. Plaatsnamen worden natuurlijk wel verbasterd in de klanken die gangbaar zijn in de nieuwe taal. Het bekendste voorbeeld is Noviomagus-Nijmegen, een naam met een Keltische achtergrond die met de nodige klankveranderingen tot de huidige plaatsnaam heeft geleid. Archeologisch is bewoningscontinuïteit in de stad nog steeds moeilijk aantoonbaar, maar de locatie was belangrijk genoeg om als plaatsnaam diep in het collectieve geheugen van de omwonenden verankerd te blijven (p.251).
    Dit betoog is toch tenenkrommend! Hoe kunnen bestudeerde historici dit schrijven? Welke nieuwe taal wordt hier bedoeld? Welk collectief geheugen? En van welke omwonenden? De geschatte bevolkingsdichtheid op beide kaartjes is uiteraard een slag in de luncht op grond van onjuiste veronderstellingen. MAAR, uiteindelijk wordt hier wel erkend dat de bewoningscontinuïteit van Nijmegen moeilijk aantoonbaar is. Beter is dat de bewoningscontinuïteit van Nijmegen totaal NIET aantoonbaar is. Dat bewoners, die er niet geweest zijn, die oude naam zouden zijn blijven herinneren is helemaal een gotspe. Pas in 1145 werd voor Neumaia (wat de echte naam van het oude Nijmegen was) de Latijnse naam Noviomagus gebruikt, een naam die in het Romeinse rijk wel 12 maal bij plaatsen voorkwam, zoals Neumagen maar ook NOYON. Dat Nijmegen ooit Noviomagus heeft geheten is dan wel altijd aangenomen, maar een tekstueel of archeologisch bewijs daarvoor ontbreekt tot heden. Ook het Bronnenboek van Nijmegen geeft daarvoor geen enkel concreet bewijs.

  4. Er wordt vervolgens een korte verhandeling geven over plaatsnamen en voor- of achter-voegsels als -apa en -ama, -lo-, -hem/heem, -berg e.d. (p.250/251). Maar hebben de auteurs ook in Vlaanderen gekeken, waar deze namen zelfs nog veelvuldiger voorkomen dan in Gelderland? Weten deze auteurs ook alles van de Dietse taal die aan de grondslag ligt van het Nederlands en het Fries?

  5. De pre-middeleeuwse plaatsnamen tonen aan dat van een ontvolkte periode kort na het begin van de vijfde eeuw geen sprake was. Maar de bewoning concentreerde zich vermoedelijk in kleine, sociaal samenhangende regio's in de westelijke Achterhoek, op de flanken van de hoge Veluwe en in het gebied rond Nijmegen (p.251/252). De auteurs schrijven dus dat het een vermoeden is, dus feitelijke bewijzen voor dit verhaal ontbreken blijkbaar. Het is ook duidelijk een voorbeeld van 'terug redeneren', waar in het Duits de term hineininterpretieren voor bestaat. Vanuit een later ontstane situatie kun je niets bewijzen voor de periode daaraan voorafgaand. Daarnaast doet zich de situatie voor dat al deze plaatsnamen helemaal niet in pre-middeleeuws Gelderland voorkwamen, maar pas in de late middeleeuwen en dat ze zijn geïmporteerd vanuit het zuiden waar vergelijkbare plaatsnamen bestaan/bestonden. Een sprekend voorbeeld daarvan zijn de 130 plaatsen in het bezit van de abdij van Lorsch, die in de Betuwe (dat was toch de Batua?) gelegen moeten hebben, maar daar onvindbaar blijken te zijn. Lees meer over de abdij van Lorsch en de 130 plaatsen. Lees daarover meer bij plaatsnamen en bij de toponymisten prof.dr.D.P.Bok en dr.M.Gysseling. Enkele leuke voorbeelden van het hergebruik van plaatsnamen vanuit het zuiden zijn de namen in Gelderland van Oosterhout, Etten en Roosendaal (Rozendaal), die ook in Brabant bestaan. Het geeft maar aan hoe plaatsnamen kunnen 'verhuizen', terwijl de oude plaatsnaam blijft bestaan.

  6. De bekendste nieuwkomers waren de 'Salische Franken', die vanuit onder andere oostelijk Gelderland door de Betuwe en Noord-Brabant richting het zuidwesten zouden zijn getrokken. Zij waren een van de vele Germaanse groepen die vanaf het midden van de vierde eeuw het rijk probeerden binnen te dringen (p.252). Hier is helaas weer sprake van een groot misverstand. De Salische Franken woonden reeds binnen het Romeinse Rijk. Dat zij uit oostelijk Gelderland kwamen is een nooit bewezen, slechts aangenomen opvattingen geweest op grond van het niet begrijpen van klassieke teksten (die overigens allemaal uit Frankrijk kwamen!). Lees meer over Salland onder punt 6, 7 en 11 hiervoor en punt 18 en 19 hierna.

  7. De Rijnfranken waren een verband van stammen in het stroomdal van de Rijn, het gebied ten oosten van de Maas en aan weerszijden van de Moezel. Met Keulen als machtsbasis stichtten zij een eigen 'koninkrijk'. In hoeverre deze Rijnfranken ook greep kregen op de streek rond Nijmegen en op de Betuwe is niet duidelijk (p.253/254). Niet alleen de greep op de streek rond Nijmegen en op de Betuwe is niet duidelijk, maar het hele verhaal over die Rijnfranken is onduidelijk en een typische vorm van duimzuigerij bij onjuiste toepassing van de geschreven bronnen. Zie verder onder punt 11 hiervoor. Het hier genoemde Keulen was in werkelijkheid Cologne, maar dat lag in Frans-Vlaanderen waar nu Calais ligt. Daar vond de strijd met Syagrius in het noorden van Gallië plaats en helemaal niet in Duitsland bij Keulen. Lag Keulen in het noorden van Gallië?

  8. Zo hield Clovis in 486 zijn bondgenootschap met de Gallo-Romeinse heerser Syagrius voor gezien en lijfde hij diens territorium in het noorden van Gallië in, waarna hij ook de Visigoten in zuidwestelijk Gallië versloeg. Hierna richtte hij zijn blik op het Rijnland: aanvankelijk vocht hij in de omgeving van Keulen (p.252). Het is interessant dat de auteurs hier Syagrius vermelden. Zouden zij de studie van B.Tierny en S.Pinter, Western Europe in the middl agend, 300-1475 (1977) werkelijk gelezen hebben? Clovis lijfde het gebied van Syagrius in! Lag dat gebied in Duitsland, waar Clovis nooit geweest is?

    De strijd tussen Clovis en Syagrius.
    Syagrius was de laatste consul van de Romeinen in Lutetia. In 485 vluchtte hij voor koning Clovis 1. De provincie Belgica - het land van de Seine en de Marne - ging daarna verder onder de naam Austrasia (het Oostland). De grenzen veranderden tijdens deze overgang niet, althans niet volgens Gregorius van Tours in zijn 'Historia Francorum', wat later bevestigd werd door M. Guérard in 'Des divisions Territoriales de la Gaule' (1830). De tweede provincie die de Romeinen moesten opgeven had de naam Celtica. Dat gebied ging verder onder de naam Neustria (Het Nieuwe Westen) en dat koninkrijk was, volgens dezelfde auteurs, 'het land tussen Seine en Loire'. De discussies over de drie koninkrijken van Francia hangen aan elkaar van fantasieën, leugens en halve waarheden. Het is te triest voor woorden, maar deze koninkrijken hebben te lang de geschiedenis van Europa bepaald. In Duitsland heeft men op hun grondgebied geen enkel bewijs kunnen vinden van de aanwezigheid van een Frankisch Rijk.
    De strijd tussen Clovis en Syagrius vond plaats in Frankrijk,met name rond Reims. Vanuit Doornik viel Clovis in 486 'Frankrijk' (dat bestond nog lang niet) binnen en had slechts één veldslag nodig om de restanten van het Romeins gezag weg te vagen en de chaos te bedwingen, waardoor hij het land tot aan de Loire in bezit kreeg waarvan Noyon het middelpunt werd. Voor Noyon zijn de banden met de Merovingers en de Karolingers aan te tonen; voor Nijmegen blijkt daarvan niets. Vanuit Doornik, Soissons en Reims oefenden de Merovingers hun macht uit. Uit dit gebied ontstonden nadien Austrasië en Neustrië (tussen de Seine en Loire). Lees meer over
    Neustrië en Austrasië. Daarbij werd nog vermeld dat de noordelijke Alamannen door Chlodowich (Clovis) verslagen werden bij Tolbiacum. Dat was niet Zülpich bij Keulen, maar Tolbiac in Picardië. Hier blijkt dat de Duitse historici niet alleen de Germanen naar Duitsland hebben getrokken, maar ook de Alamannen.
    De Alamanni woonden ten oosten van Germania, maar dan wel het Germania van Tacitus, in de streek tussen de Ardennen en Straatsburg, aan de westzijde van de Rijn. Hun belangrijkste steden waren Metz en Verdun. De Geograaf van Ravenna beschrijft hun streek nauwkeurig. De naam heeft helaas wel geleid tot de naam Allemagne voor Duitsland, tenminste zo noemen de Fransen Duitsland. In het Engels heet Duitsland Germany. In feite zijn beide namen onjuist en het gevolg van onjuiste plaatsing van deze bevolkingsgroepen, net zoals België, maar ook Denemarken een onjuiste naam hebben gekregen op basis van verkeerd geplaatste volkeren. Op de kaart op p.254 zijn niet alleen de Alamannen onjuist geplaats, maar ook de Rijnfranken en de Salische Franken. Het Kolenwoud is helaas ook onjuist geplaatst. Het Kolenwoud of ’’Silva Carbonaria”, strekte zich in die tijd onafgebroken uit van Luxemburg tot ver in het noorden van Frankrijk, zelfs tot in Vlaanderen, waar namen als Helketelbos en Galgebossen nog aan het ondoordringbare herinneren. Ook de 'foreesten' genoemd in de oorkonde van 777 moeten hier geplaatst worden en niet in Utrecht. Het Kolenwoud is het belangrijkste obstakel geweest voor de opmars van de Romeinen vanuit het zuiden. Julius Caesar schrijft al in 50 vóór Chr. over zijn vergeefse pogingen om er op verschillende plaatsen in door te dringen. Niet de Rijn en niet de Germanen, doch dit woud heeft de Romeinen ongeveer een eeuw in het noorden van Frankrijk de pas afgesneden. Het Kolenwoud blijft nog eeuwen in de bronnen voorkomen; in 1795 heeft het zelfs de naam gegeven aan het Franse departement ”Des Forets”.

    1. Het verhaal over het ontstaan van het Frankische rijk (p.255) is beschreven vanuit de traditionele opvattingen. Het zal echter opnieuw geschreven moeten worden, maar dan met de informatie zoals hier vermeldt. Duidelijk is wel dat Nederland in dit hele verhaal nergens voorkomt.

    2. Het verhaal over Hygelac en de Beowulf is eenzelfde misvatting (p.256). Dit verhaal is een Saksische epos en heeft niets te maken met Vikingen, Nederland of de Betuwe. Dit verhaal hoort thuis in Frans-Vlaanderen waar alle details uit dit verhaal ook te plaatsen zijn. Saxonia, Fresnaland, Francan, de Hattuarii, de Dani en Ingwinen, Cimbri en Teutones, de Brodingas, Finnas, Merowioingas, zijn (plaats-)namen die allemaal voorkomen in de Beowulf. Ze wijzen Noordelijke Frankrijk aan als enig de juiste streek waar dit allemaal te plaatsen is. Dit is ook onmogelijk in Engeland te plaatsen, waar men aanvankelijk meende dat de Beowulf daar plaats vond, omdat het handschrift daar gevonden werd. Het is evenmin in Duitsland te plaatsen. Lees meer over de Beowulf.

    3. De vele kleine onderzoeken op het Valkhof en de grotere opgravingen op het aanpalende Kelfkensbos, waarvan de laatste plaatsvonden in 1996 en 1998 voorafgaand aan de bouw van Museum Het Valkhof, hebben nauwelijks resten uit de Merovingische tijd opgeleverd (p.257). Lees voor dat 'nauwelijk' maar 'geen'. En zonder Merovingisch is Karolingisch Nijmegen uitgesloten. Het is een volgende (eerlijke) mededeling (na het vermelde in punt 14) dat Nijmegen nooit Noviomagus geheten heeft en er geen sprake is geweest van enige continuïteit. Het predikaat 'oudste stad' kan gemoedelijk geschrapt worden. Lees meer over Nijmegen als oudste stad van Nederland.

    4. In de tweede helft van de vijfde eeuwen in de decennia direct na 500 is de situatie in de streek tussen Maas en Rijn en op de zandgronden ten noorden daarvan verre van duidelijk. Veel nederzettingen op het voormalige Bataafse platteland waren al voor 450 definitief verlaten. En hoewel er wel degelijk plaatsen zijn waar gewoond werd, is het moeilijk een goede indruk van deze bewoning te krijgen. Nederzettingsresten uit de latere vijfde eeuw en de periode erna blijken moeilijk te traceren, maar gelukkig zijn er wel meerdere grafvelden uit deze periode bekend, die op grond van specifieke aardewerk- of metaalvondsten te dateren zijn. Op deze manier krijgen we toch een idee van de intensiteit van de bewoning. (p.257). Het gaat blijkbaar slechts om een idee, hoewel alles onduidelijk is en moeilijk te traceren blijkt! Schrijf dan gewoon 'we hebben niets gevonden' dus er zijn geen bewijzen voor ons verhaal, dat zou eerlijke taal zijn, waarmee ook dit verhaal ophoudt.

    5. Wie waren nu precies die bewoners van het Gelders grondgebied aan het begin van de middeleeuwen? Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Zo is onbekend hoe groot de Gallo-Romeinse en Bataafse restbevolking was ten zuiden van de limes, bijvoorbeeld rond Nijmegen. Omdat vanaf het midden van de vierde eeuw een gestage stroom van groepjes Germaanse immigranten de Rijngrens was gepasseerd Hoe weet men dit en wie waren het dan en waar kwamen zij vandaan? Zijn daar archeologische of tekstuele bewijzen voor?, kan het goed zijn dat de bevolking zowel ten noorden als ten zuiden van de rivier in de loop van de vijfde eeuw grotendeels uit Franken bestond (p.257/258). Als het onbekend is gaat ook dit verhaal niet op. Grotendeels Franken? Wie verbleven er dan verder nog dan Franken in die gebieden? Hoe zijn die Franken archeologisch te onderkennen? Daarover is Annemarieke Willemsen als archeologe wel duidelijk genoeg geweest: "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen". Dan houdt toch ook dit verhaal op!

    6. De naam 'Franken' lijkt gebruikt te zijn als containerbegrip voor deze kleinere stamverbanden, zo werd al in het vorige hoofdstuk beschreven. Het is aannemelijk dat de Romeinse auteurs hiermee verwezen naar de Germaanse inwoners van grofweg de Veluwe en de Achterhoek, Salland en Twente, maar daarvoor zijn geen directe bewijzen (p.258/259). Ondanks dat er geen directie bewijzen zijn -wel indirecte bewijzen?-, lijkt het de auteurs toch aannemelijk. Aannemelijke bevindingen zien we al genoeg in de Nederlandse historie. We hebben er hier weer nog eentje bij. Wat hier ook over de betekenis van Salii geschreven wordt (reisgenoot? of voor een stamnaam) is een volgende aanname, naast die van Franci voor 'aanvallers'. Tip: zoek de betekenis van Franken meer in de bekende uitdrukking 'frank en vrij'. Lees meer over de Salische Franken en Salland in het kader onder nummer 11. Lees ook wat D.P.Blok schrijft over "De Franken in Nederland". De auteurs zouden dit boek toch wel gelezen hebben? Het staat dan wel in de literatuurlijst, maar dat wil niet zeggen dat ze het gelezen hebben, in elk geval niet begrepen. Maar ook hier blijft er van het hele verhaal niets over en stopt het hierbij! Maar we gaan door, er zijn immers nog veel onjuiste opvattingen te vermelden, die steeds de visie van Albert Delahaye bewijzen.

    7. De plaats bij uitstek om de samenkomst van verschillende bevolkingsgroepen in vijfde-eeuws Gelderland waar te nemen, is het grote grafveld in de binnenstad van Nijmegen. De grafgiften kunnen gedateerd worden tussen 450 en 500. Over de begraven persoon in het centrale graf kunnen geen uitspraken gedaan worden (p.259). Met graven die gedateerd kunnen worden tussen 450 en 500 wil men de Merovingische periode aantonen. Maar zijn fragmenten van ijzeren wapens, zoals bijlen, een bijlblad, een grote speerpunt, drie kleine speerpunten of messen, een glazen beker en schaaltje, een kan van Eifel-aardewerk, een pincet, een vuurstaal met vuurstenen en hergebruikt riembeslag bewijzen voor deze periode? Bij de afbeeldingen op p.261 staat er 'mogelijk uit de tweede helft van de vijfde eeuw' bij, al zijn die grafgiften niet uit de Burchtstraat afkomstig. Ik zou dan graag het technisch onderzoek eens lezen. Eifel-aardewerk is feitelijk een nietszeggende term. Het kan namelijk net zo goed uit de eerste eeuw komen, als zelfs uit de tiende eeuw. Op de website van het Rijksmuseum van Oudheden is de term Eifel-aardewerk onbekend. In noot 32 wordt hier verwezen naar o.a.Hendriks en Den Braven. Het blijkt een verwijzing naar de uitgave Het Valkhof 2000 jaar hoofdstuk 2 te betreffen. Daar worden als jaartallen 440 en 480 (of 530) genoemd. In noot 16 wordt verwezen naar Nieveler & Siegmund 1999, p.9-10 (Rheinland Phase 2-3) en Uffink 2013, 75 en 84 (graf 16). In Nieveler & Siegmund The Merovingians chronology of the Lower Rhine area. Results and problems, in: J. Hines, K. Heilund Nielsen & E Siegmund (red.), The pace ofchange. Studies in early-medieval chronology, Oxford, 3-22. Uit deze studie blijkt dus duidelijk van problemen in de chronologye (datering) spake te zijn. Het artikel van Uffink blijkt een bachelorscriptie te zijn met als titel: Ontwaken van de doden. Een afstudeeronderzoek naar de graven uit de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen aan de Burcbtstraat in Nijmegen. In beide verwijzingen blijkt slechts sprake van twijfel en speculatie te zijn. Hoe zeker is dit verhaal dan?

    8. Het verhaal van een kies (p.260). In de zomer van 1996 stuitten archeologen van Zutphen op een Frankische crematiegraf met daarin een skelet, dat begraven was met zijn wapens: een speer, een werpbijl, een mesje en vuurslag met vuurstenen. Hij droeg een riemgordel met gesp. Het verhaal van de kies waaruit middels strontiumonderzoek (zie noot in de linker kolom hiernaast) blijkt dat hij zeker niet uit Nederland kwam, maar mogelijk uit Frankrijk. Het is een mooi verhaal, dat in dit boek een prominente plaats krijgt, maar vol zit met aannamen en veronderstellingen. De auteurs relativeren dit verhaal zelf ook als ze schrijven 'mogelijk', 'misschien', 'lastig te bepalen', 'het denkbaar is', 'we gaan er dan vanuit' en 'zullen hebben'. Op de vraag waarom men iemand uit een ander land hier in Zutphen in vol ornaat zou begraven, vindt men geen antwoord. Men vindt ook geen toelichting over de andere (?) crematiegraven of uitleg waarom de begravene aan de Litus Saxonicum is opgegroeid (geboren?) en zijn ouders uit Gelderland zouden komen en er terug gekeerd zouden zijn. Het zijn allemaal speculaties, waarmee het boek overigens vol zit. Vandaar dat dit verhaal er zo mooi in past, maar precies het probleem aangeeft, waar het feitelijk over zou moeten gaan. Hoe weet men dat het een FRANKISCHE hoofdman was? Aan grafgiften is toch geen etniciteit af te leiden? Lees meer over de Franken onder punt 24 en 25 hiervoor. Over de Litus Saxonicum is nog te vermelden dat het precies anders was dan hier vermeldt wordt. Het was de kust van de Saksen en niet de kust van de verdediging tegen de Saksen.

    9. In Nijmegen ging het mogelijk om een Frankische elite groep die zich hier vanuit het Rijnland vestigde in de laatste decennia van de vijfde eeuw, en die met een opvallend grafritueel zijn nieuwe positie claimde. Door zich te laten begraven in het oude, laat-Romeinse grafveld sloot de groep tegelijkertijd aan bij de reeds aanwezige gemeenschap. Een verandering van graf-rituelen hoeft niet per definitie te wijzen op de komst van een nieuwe groep, maar in dit geval lijkt het wel voor de hand te liggen. De grafgiften voeden het vermoeden dat zich in Nijmegen in deze tijd een nieuwe elite groep manifesteerde (p.261). Als de auteurs hun eigen teksten eens zouden teruglezen, dan blijken het slechts 'mogelijke voor de hand liggende vermoedens' te zijn. Wat bewijs je daarmee anders dan dat er slechts sprake is van heel veel onzekerheid?

    10. De Lex Salica was een Frankische wet , waarvan afschriften bewaard zijn uit de achtste en negende eeuw (p.261). De Salische wet hoort net zo min thuis in Nederland als Salland. Dat er 'Nederlandse' zinnen in staan is eenzelfde misvatting als het over Salland zou gaan. De taal van deze wet was naast Latijn ook Diets, de moedertaal van het Oud-Nederlands, het Fries, zelfs het Engels en het Duits. Lees meer over het Diets. Het gebied waar de Lex Salica is ontstaan, komt grotendeels overeen met het gebied waar nu nog Nederlands wordt gesproken, en zodoende kan deze Frankische zin als echt Oudnederlands worden beschouwd (p.262). Hier wordt helaas weer een halve waarheid geschreven. Weten de auteurs van deze zin ook dat in Frans-Vlaanderen (door de oudere bevolking) nog steeds Nederlands (Vlaams) wordt gesproken en dat dit deel van Frankrijk tot 1713 bij de Verenigde Nederlanden hoorde?
      Prof.dr.D.P.Blok, die de Salische Franken in Salland plaatst distantieert zich wel, en terecht, van de vroegere opvatting dat de Saliers en de Ripuariers twee grote groepen of volken van de Franken waren. De Ripuariers weet hij niet te plaatsen omdat hij Ribecourt (Nord, Oise en Aisne) niet kent. Wanneer de “Lex Ribuariorum” verschijnt, die in feite een verordening was voor een zeer beperkt gebied, en ook een “Lex Salica” gerekonstrueerd was, ofschoon deze nauwelijks in de geschreven bronnen naar boven komt, begon in de rechtshistorie een opgeblazen thesis te ontstaan, die zelfs ten grondslag werd gelegd aan de hele rechtskundige ontwikkeling van westelijk Europa. Die thesis is inmiddels (door de deskundigen) wel algemeen verlaten, maar daarvan afgeleide dedukties zijn nog lang niet opgeruimd. Als in latere teksten, bijvoorbeeld bij de verdelingen van het Frankische rijk, de pagus van de Ribuariërs genoemd wordt, is het duidelijk dat een landstreek in het noorden van Frankrijk bedoeld wordt. De term “terra salica” (zoutland of zoutpannen), wijst er tevens op dat aan zoutnering werd gedaan, een gegeven dat in het oosten van Nederland niet past, maar duidelijk aan de kust (De Panne?- op 90 km. van Doornik) gezocht moet worden. Lees meer over de Lex Salica bij nummer 11 hiervoor.

    11. Wat er in Nijmegen gebeurde na het begin van de zesde eeuw blijft een vraag. Merovingische bewoningssporen op en rond het Valkhof plateau ontbreken en het cluster met bijzondere graven aan de Burchtstraat lijkt na 500 geen vervolg te hebben gekregen (p.262). Zien we hier toch weer een voorzichtige erkenning van 'het gat van Nijmegen'?

    12. Noordelijk van de voormalige Romeinse limes is in Gelderland slechts één oude versterkte plaats bekend waarvan de functie niet duidelijk is: het pre-stedelijke Zutphen. Voor de aanleg van de ringwalburg, rond 890, lag hier al een omwalde plaats (p.263). Het verhaal over Zutphen komt zeker uit de koker van Michel Groothedde, verantwoordeljk archeoloog van de plaats. Met bewoordingen als: 'het is denkbaar', 'minder duidelijk', 'vondsten wijzen op', wordt het verhaal geschetst. Lees meer over Zutphen. De grote vraag is dus wat tussen 400 en 850 de status en functie van de omgrachte plaats was: een kleine nederzetting, een gerechtsplaats, een heilige plaats of een marktplaats? (p.265) Blijkbaar heeft Groothedde nooit gedacht aan een vluchtburg bij hoog water. Zie foto hiernaast van overstromingen bij Zutphen in 2023, want daar wijst het geheel op. Net als deze vluchtburgen in Zeeland bestonden. Daarin werd niet gewoond, maar trok de bevolking zich terug bij overstromingen. Dat het vluchtburgen ter verdediging tegen aanvallen van de Noormannen zouden zijn, is een farce. Alsof de Noormannen zich tegen lieten houden door een dijk van 1½ à 2 meter hoog. Wat viel daar overigens te plunderen, waar niemand woonde en geen rijke kloosters bestonden, waar toch het geliefde roofgoed van de Noormannen te vinden was. Er wordt op p.265 ook duidelijk gewezen op een bewoningshiaat in Zutphen tussen 400 en 850, wat dus 890 moet zijn. Op het jaartal 400 komt Groothedde vanwege Romeinse vondsten in Nijmegen. Maar die 'Romeinse' vondsten in Nijmegen staan danig ter discussie. Het betreft wat aardewerk en een enkele bijgift in een graf. En zoals elke archeoloog dient te weten zijn met (mogelijk) heropende of verspoelde graven in Arnhem, Valburg, Zetten of Bergharen geen bewijzen te leveren voor Nijmegen. Zolang er geen nederzetting gevonden is, alleen graven (p.266), is er van bewoning niets te bewijzen.

    13. Ten noorden van de Rijn concentreerde de bewoning zich in de late vijfde en zesde eeuw op een beperkt aantal plaatsen, die lastig te dateren zijn door het ontbreken van herkenbaar importaardewerk uit het Rijnland en de Eifel. Op de Veluwe is vooral het grafveld van Loenen, en mogelijk ook dat van Garderen, een bewijs voor bewoning vanaf de vijfde eeuw. Helaas betreft dit grafvelden die al in de negentiende eeuw zijn opgegraven, waardoor het moeilijk is een compleet beeld te krijgen van de chronologie. Toch kan ook oud onderzoek waardevol zijn wanneer het opnieuw wordt bekeken. Op die manier bleek bijvoorbeeld dat het jonger geschatte gehucht op de Braamberg bij Hoog Buurlo al aan het begin van de zesde eeuw was gestart met enkele kuilhutten (p.265). We geven deze tekst als voorbeeld hoe archeologen denken en werken en vondsten dateren met 'lastig' en 'mogelijk', waarbij vergelijkingen worden gemaakt met niet ter zake doende zaken. In noot 43 en 44 wordt verwezen naar Heidinga die onderzoek deed naar de 'elite in Kootwijk' (zie verder punt 56) en Jongeling die dat weerriep met zijn masterstudie over archeologisch onderzoek in Hoog-Buurlo. In hoeverre je de situatie in Loenen met die van Garderen kunt vergelijken is uiteraard de vraag.

    14. Dat ook de noordoever van de Rijn in deze dynamische tijd min of meer continu werd bewoond door Frankische groepen, toont onder andere het grafveld van Wageningen aan. Net als de grafvelden van het naburige Rhenen, de Nijmeegse binnenstad en Wijchen was het al vanaf de laat-Romeinse tijd in gebruik. De bijbehorende nederzetting, die helaas nog niet is gelokaliseerd, werd in de vijfde eeuw niet verlaten en zal nadien nog zijn uitgebreid, want van de naar schatting meer dan driehonderd graven stammen de meeste uit de zesde en zevende eeuw. (p.266). Zolang de bijbehorende nederzetting niet is gevonden, kun je niet over bewoning spreken. Hoe menen zij aan te tonen dat het om Franken gaat, die hier begraven zijn? Annemariek Willemsen (zie hierboven bij Salland, heeft juist aangetoond dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".

    15. Op de oostelijke zandgronden is het beeld eveneens fragmentarisch en verschilt het per plaats. Op regionale schaal gaan onderzoekers wel uit van een hoge mate van continuïteit, onder meer omdat zij geen breuk zien in de ontwikkeling van het aardewerk en de gebouwplattegronden (p.266). Wat is 'eveneens fragmentarisch'? Kun je daarmee iets aantonen? Ziet U hier ook de cirkelredenering? Gaan uit van een hoge mate van continuïteit omdat ze geen breuk zien! Hoe vaag kun je iets omschrijven. Wat wordt hiermee aangetoond, anders dan twijfel en onzekerheid? Het zijn speculaties om vooral de traditionele opvattingen in stand te houden. Vervolgens worden voorbeelden gegeven (Didam, Wehel, Twello) met 'zal hebben behoord' als bewijs, wat in het geheel niet voldoet aan de eerder gestelde opvatting.

    16. Er lijkt op bepaalde momenten sprake te zijn geweest van meerdere gelijktijdige boerderijen met enkele bijgebouwen (p.266). Elk erf lijkt zijn eigen waterput te hebben gehad. Iets verder naar het oosten, op de Leestense Enk, bevond zich een tweede nederzetting, uit globaal de vierde tot en met zesde eeuw, waarvan naast losse metaalvondsten en een kuilhut ook een klein grafveld uit de vierde en vijfde eeuw is ontdekt. Waarschijnlijk liep de bewoning door tot in de achtste eeuw, maar dit is niet meer aantoonbaar (p.267).
      Hier is dus slechts sprake van speculaties om vooral een continuïteit te kunnen volhouden. Wat bewijs je met 'het lijkt' en met 'globaal', wat met een klein grafveld (hoeveel graven zijn dat?) en wat bewijs je met er lijkt sprake te zijn geweest? Wat toon je aan met 'waarschijnlijk'? Die continuïteit is er beslist niet geweest, want die is niet meer aantoonbaar.

    17. Boeren, soldaten of elite? De zesde-eeuwse bevolkingsgroei in het Gelders rivierengebied kan vooral worden afgeleid uit de opkomst van nieuwe grafvelden of de duidelijke uitbreiding van bestaande begraafplaatsen. Er worden meer dan 300 graven geteld tussen de vierde en zesde eeuw. Aangenomen wordt dat zij leden waren van een lokale elite, maar het is onduidelijk of hun families hier al meerdere generaties woonden of dat ze zich begin zesde eeuw vanuit het Rijnland of Noord-Frankrijk in Wijchen hadden gevestigd, in het kielzog van Clovis' veroveringen. (p.267). Uit het vraagteken (door de auteurs zelf a; geplaatst) blijkt dat er enige toch een ruime onzekerheid bestaat. Meer dan 300 graven tussen de vierde en zesde eeuw? Dat is minder dan 1 per jaar! Waar gaat het dan om? De auteurs erkennen hun twijfel met 'aangenomen wordt' en 'het is onduidelijk'. Dat Clovis veroveringen in Nederland heeft gedaan, is eveneens een aangenomen opvatting. Daar is geen enkel schriftelijk of archeologisch bewijs voor. Ook niet enkele bijzondere grafgiften, zoals getoond en besproken op p.268-273. Het halssnoer op p. 273 geeft met de afbeelding op p.272 een mooi overzicht van de herkomsten en verspreiding van sieraden. Men komt tot de datering van de graven op grond van deze grafgiften. Feitelijk is dat een cirkelredenering. In hoeverre waren het geen verstoorde graven? (p.268). Op p.269 krijgen we meer zekerheid met opmerkingen als: "Het is verleidelijk te veronderstellen".... en "kan afkomstig zijn uit' en 'dit sluit aan bij de opvatting' en 'het ligt voor de hand' en 'het lijkt erop dat'.... en ook al is het niet ondenkbaar dat...(p.273). Hier wordt dus haarfijn aangegeven hoede archeologie 'zich aanpast' aan bestaande nooit bewezen opvattingen. Een duidelijker voorbeeld kunnen wij niet geven. Dat doen de archeologen in dit geval zelf veel beter.

    18. Merovingers en Pippiniden. Het toneel van deze familievetes lag hoofdzakelijk in de kern van het rijk, tussen de Loire en de Boven-Rijn. Wel is duidelijk dat de noordelijke streken langs de Maas en Beneden-Rijn deel uitmaakten van het Frankische handels- en elite netwerk. Dit blijkt onder andere uit de vondst van gouden munten. In het rivierengebied en het aangrenzende zandgebied bestonden geen wereldlijke en geestelijke structuren zoals in Gallië, waar het oude netwerk van Romeinse civitates en steden het voor de Frankische adel en de Gallo-Romeinse bisschoppen mogelijk maakte de organisatie van het nieuwe rijk op poten te zetten. Pas in de loop van de zevende eeuw breidde hun invloed zich met horten en stoten uit tot voorbij de Rijn, richting de Noordzeekust. (noot 57) (p.275). Hier wordt allereerst erken dat het rivierengebied niet tot Gallië hoorde, wat helemaal juist is. Verder is het zo dat de oude Romeinse civitates bisschopszetels werden en daar heeft Nijmegen of Utrecht nooit bij gehoord. Lees meer over de bisschop van Nijmegen en Willibrord bisschop van Utrecht. In noot 57 wordt verwezen naar Geary, P., Before France and Germany. The creation and transformation of the Merovingian world (Oxford 1988). Bij Patrick Geary lezen we slechts de traditionele aangenomen opvattingen die schrijft vanuit Gainesville, Florida. Dat hij geen juiste opvattingen heeft blijkt wel als hij de limes op een zer bijzonder wijze beschrijdt. De limes laat hij lopen van Schotland en Groot-Brittannia over het Kanaal en vanaf Franeker aan de monding van de Rijn en de Rijn volgend door Holland en Germany tot in de Zwitserse Alpen. Bij Geary wonen de Friezen aan de kust van Noord-Holland en in Frieslamd en de Saksen in Noord-Duitsland. Met een verwijzing zoals in noot 57, bewijs je eigen gelijk slechts met een gelijk gestemde die toch de nodige fouten maakt in zijn betoog. Met zijn verwijzingen naar "sources" en 'Suggestions for Further Reading' toont Geary slechts aan dat zijn hele werkstuk slechts gebaseerd is op de traditionele opvattingen.
      Maar als de Friezen in Friesland woonden en de Saksen in Noord-Duitsland, blijft de vraag waarom de Romeinen dan tegen hen streden in Noord-Frankrijk!


    19. De feitelijke macht in het deelrijk was echter in de handen komen te liggen van een hofmeier (dux), die aanvankelijk als lid van de adel aan het hoofd van de hofhouding stond. In datzelfde jaar 623 werd Pepijn van Landen in die functie aangesteld. Hij wordt gezien als de stamvader van de Pippiniden, een familie van grootgrondbezitters afkomstig uit de Midden Maasvallei, globaal tussen Namen en Maastricht. Pepijn was een verre voorvader van Karel de Grote. Onder het bewind van koning Dagobert I - in feite dus dat van Pepijn van Landen -lijken de rijksgroten hun aandacht ook op het noordelijk deel van het rijk te zijn gaan richten. Zo zou Dagobert, volgens een bron uit het midden van de achtste eeuw, het castellum van Utrecht met een daarin gelegen kerkje aan de bisschop van Keulen hebben geschonken, op voorwaarde dat van hieruit de christelijke missie onder de Friezen werd uitgevoerd (p.275).
      Om met dit laatste te beginnen: een kerkje van Dagobert is in Utrecht NOOIT gevonden. Lees er meer over in de opgravingsverslagen van Oud-Utrecht.
      Pepijn van Landen, de grootvader van Pepijn van Herstal (niet Herstal bij Luik, maar Heristelli aan de Aire, waar Karel de Grote een kamp had ingericht, dat volgens een tekst van 797 aan de Melde en de Lys gelegen was, is Thiennes op 5 km van Aire-sur-la-Lys. De Pippiniden waren hofmeijer in Austrasië, dat door de historici steeds te groot werd voorgesteld, aangezien ze onjuist gelocaliseerde plaatsen erin laten vallen. Lees meer over Austrasië.


    20. De expansie van de Franken wordt doorgaans ook afgelezen aan de opkomst van de handelsplaats (emporium) Dorestad, waarvan in Wijk bij Duurstede grote delen zijn opgegraven (p.276). Noot 60. De verwijzing in noot 60 naar Annemarieke Willemsen is erg opvallend. Er wordt namelijk niet verwezen naar W.A.van Es, de grote opgraver van Dorestad. Dat is wel begrijpelijk, aangezien Van Es zijn opvattingen heeft herzien en er geen bewijs overblijft dat Dorestad in of bij Wijk bij Duurstede gelegen heeft. Hebben de auteurs van dit hoofdstuk de opvattingen van Van Es ook laten vallen? Lees alles over Dorestad.

    21. Rond het midden van de zevende eeuw vielen de Friezen vanuit het noorden het rivierengebied binnen, waarbij niet alleen de Rijnmond, Utrecht en Dorestad, maar wellicht ook het Gelderse gebied tussen Rijn en Waal aan de Frankische macht werd onttrokken. De Friezen, die in de Hollandse, Friese en Groningse kuststreken woonden, waren volgens de bronnen vermaard vanwege hun handelsnetwerk, dat zich in de zevende eeuw over het hele Noordzeegebied uitstrekte. Tegelijkertijd zouden de Saksen ten oosten van de nog jonge Ilssel hun invloed hebben uitgebreid tot in het Münsterland en de Achterhoek. Zij lijken geprofiteerd te hebben van de strijd om de macht in de verschillende rijksdelen tussen de Merovingische koningen en hun hofmeiers (p.276). De auteurs van dit hoofdstuk volgen hier strak de traditionele opvattingen door slechts te verwijzen naar gelijkgestemden, zoals in noot 61 (Heidinga en Van Es) en noot 62 en 63 (Blok). Toch komt in dit hoofdstuk ook het woord 'wellicht' meer dan 10x voor. Zou het 'wellicht' ook anders geweest kunnen zijn? Lees meer over De Franken van Blok.

    22. Tussen 688 en 695 ondernam Pepijn enkele veldtochten om het Friese gebied ten zuiden van de Rijn, Frisia citerior, weer in te lijven. Hij versloeg Radbod uiteindelijk bij Dorestad en slaagde er zo in de streken langs de Rijn, en vermoedelijk ook het aangrenzende Gelderse gebied, weer onder Frankische invloed te brengen. Pepijn schonk nu uit naam van de koning stukken land, die voordien al in bezit van Merovingische vorsten zullen zijn geweest, aan vrije lieden (homines franci) en lokale adel om er zeker van te zijn dat zij de Frankische belangen zouden blijven steunen. (p.277).
      We moeten op dit citaat toch wat meer inhoudelijk ingaan, en wel met de volgende punten:
      1. Er is ook hier dus weer sprake van slechts een vermoeden en dat het wel zo geweest zal zijn. Dat land onder vrienden en aanhangers verdeeld werd, is een gebruik dat overal voorkwam en nog voorkomt. De Romeinen deden dat, Karel de Grote deed dat en in onze dagen wordt dat in dictaturen nog steeds gedaan.
      2. Een volgend probleem is “Citerior Fresia” dat door Beda vanuit Engeland geschreven werd. Het betekent bij hem gewoon “Fresia aan deze kant gelegen” (het dichtst bij Engeland gelegen dus) wat ook de betekenis van “citerior” is, en wat zeer juist is daar Frisia recht tegenover Engeland lag. Het Franse woord Citérieur heeft nog precies dezelfde betekenis: "Terme de Géographie. Qui est en deçà, de notre côté, plus près de nous". Noch bij Beda, noch bij enige andere schrijver stond daar een Frisia Superior tegenover; in dat geval zou het Inferior geweest moeten zijn. De term Frisia Superior is een uitvinding van prof D.P.Blok, een term die nergens in de bronnen voorkomt. Blok wist dat ook, getuige het feit dat hij geen enkele bron van zo'n vermelding geeft. Het heeft ook niet de minste bestuurlijke inhoud, vooral daar in verdere bronnen de term ontbreekt en zijn pendant ‘Frisia Ulterior’ ook nergens in de bronnen voorkomt, noch op een zodanige indeling van Fresia ook maar ergens gezinspeeld wordt. Blok legt dit Frisia in Zeeland, dat toen nog niet eens bestond. Ook andere historici, zoals in dit hoofdstuk blijkt, schermen met deze ‘alleenstaande’ term waarmee men dus twee ‘Frieslanden’ (compleet met een tweeëntwintig-stedentocht?) in Nederland legt, waar er toen zelfs nog niet eens één Friesland bestond.
      3. De tekst uit 690 waarin het 'citeriorem Fresiam' voorkomt, gaat over de prediking van Egbert en Wigbert die van Pepijn onder de Fresones mochten prediken, nadat Radboud verdreven was. Het was ook het jaar dat Willibrord aankwam op het vasteland. Egbert en Wigbert waren dus voorgangers van Willibrord bij de prediking onder de Friezen. In 695 vond de slag bij Dorestad plaats bij het Carbonarisch woud. Lag het Carbonarisch Woud (het beroemde Kolenwoud) in Nederland? Deze veldslag wordt in meerdere allemaal Franse bronnen genoemd. Koning Pepijn voerde een leger aan tegen de Fresones (Vlaanderen) en hun koning Radboud... Met zijn leger sloeg hij een kamp op bij de burcht van Dorestadum waar de Fresones, geleid door de hoogmoed van Radboud, hem aanvielen. Er ontstond een felle strijd, waarbij de Fresones in een grote nederlaag verslagen werden. Bronnen: Annales Francorum Mettenses, HdF, II, p. 681. Annales Mettenses, MGS, I, p. 321. Fredegarii chronicon, MGS, II, p. 172.
      4. Als bovendien de Geograaf van Ravenna Dorestadum in verband met de Friezen aan de Monding van de Renus noemt, kan het derhalve niet Wijk bij Duurstede zijn geweest. Nog afgezien wat hij onder de Renus begreep. Het was bij hem niet de Rijn, eerder de Schelde, die hij ook een keer als zofdanig noemt. Lees meer over de Geograaf van Ravenna.
      5. In 717 worden de Friezen door Karel Martel, de zoon van Pepijn (overleden in 714), definitief verslagen bij Vinciacum dat Inchy-en-Artois tussen Atrecht en Kamerijk is. Tevoren vond nog de veldslag bij Ambleteuse (ten noorden van Boulogne) plaats. Deze geografische aanduidingen laten niets aan klaarheid te wensen over. Het zou een onvoorstelbare zotheid zijn te veronderstellen, dat de Nederlandse Friezen zo ver in Frankrijk slag gingen leveren tegen de Franken, temeer omdat de bronnen niet het minste verhalen over de reis naar die buitenlandse wedstrijd, wat ten overvloede tot een top-absurditeit wordt gevoerd door het feit, dat de archeologie in Nederland geen bewoning van betekenis heeft aangetoond. Waar zijn in Nederland de relikten van dit grote volk van de Friezen, dat zich gedurende vier decennia gewapenderhand tegen de Franken verzette?
        De laatste veldslag van 734 moet funest voor de Friezen zijn geweest. Daarna wordt in de kronieken nauwelijks meer over hen gesproken. Bij de latere konflikten tussen Karel de Grote en de Saksen, Slavi en Vilten worden de Friezen slechts terloops genoemd, niet zozeer als volk, maar meer als een (voormalig) woongebied.


    23. In 690 meldde de Angelsaksische missionaris Willibrord zich bij Pepijn II om zendingswerk te gaan verrichten in deze streken. Hij werd in 695 door de paus tot aartsbisschop der Friezen gewijd en kreeg het oude Romeinse castellum van Utrecht, met daarin het vervallen kerkje, als uitvalsbasis voor zijn bisdom. Niet alleen het Rivierengebied, maar zeker ook de zuidelijke rand van de Veluwe zal tot het missiegebied van Willibrord hebben behoord (p.278). De afbeelding bij deze tekst op p.278 (Schoolplaat van Isings: zie hiernaast) is tekenend voor de onjuistheid van dit verhaal. Willibrord bezat als eenvoudige Benedictijn geen paard. Ook de afgebeelde kerk is in Utrecht nooit gevonden. De verwijzing in noot 63 naar prof.Blok is vanzelfsprekend. Het is het vasthouden aan achterhaalde tradities. In Utrecht is archeologisch NIETS gevonden uit de tijd van St.Willibrord. Lees er alles over in de opgravingsverslagen van Oud-Utrecht.

    24. Nijmegen als bruggenhoofd. Op zoek naar de invloed van de Merovingische elite wordt vaak naar Nijmegen gekeken, dat als een noordelijk bruggenhoofd gediend zou hebben voor het bereiken van het centrale rivierengebied, met plaatsen als Utrecht en Dorestad. Hoewel spaarzame laatzevende-eeuwse vondsten van aardewerk en zilveren munten (sceatta's) uit de Nijmeegse benedenstad wijzen op een nederzetting aan de Waal, bestaan voor een koninklijk of bisschoppelijk domeincentrum op het Valkhof vooralsnog alleen indirecte aanwijzingen (p.278/279). Eindelijk wordt hier het ongelijk in de traditionele geschiedenis van Nijmegen toegegeven, al probeert men dat met vondsten in Escharen te verhullen. In noot 65 wordt verwezen naar Hendriks (een van de auteurs van dit hoofdstuk, die dus naar zichzelf als bron verwijst -sic-!) en zijn artikel dat in Het Valkhof 2000 jaar te lezen is. Daaruit blijkt overduidelijk dat in Nijmegen geen enkele sprake is of is geweest van een Noordelijk Steunpunt. De gevonden munt met 'Niomago/Nionag' zijn geen bewijs voor Nijmegen, wat al erkend wordt met "men vermoedt dat 'Niomago' als Nijmegen mag worden geïnterpreteerd" (p.279: zie ook punt 44). Het is een drievoudige ontkenning: 1.vermoed, 2.mag worden en 3.geïnterpreteerd. Daar hoef ik niets aan toe te voegen.

    25. De solidus en de vier tremisses met op de voorzijde de naam 'Teledanus' kunnen wellicht ook aan Nijmegen worden toegeschreven, want op de keerzijde van de tremisses staat eveneens 'Niomago'. Als deze munten inderdaad in Nijmegen zijn geslagen, benadrukt dit het belang van de plaats als regionaal centrum (p.279). Het 'wellicht' en het 'als...dan' geven al de mate van speculatie aan. In noot 67 wordt hier nogmaal verwezen naar De Franken in Nederland van prof.Blok, hier eerder genoemd. Daar bewijs je dus niets mee ten gunste van Nijmegen. Ook de verwijzing naar W.Willems met 'Romans and Batavians: a regional study in the Dutch eastern river area II', Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 34 (1984) 39-331', met name genoemd p.168, vormt geen enkel bewijs ten gunste van Nijmegen. Bij Willems lezen we over deze muntschat: "Site 514. Escharen-Graafsche Raam. Hoard of 66 solidi and tremisses, found in 1897. Total gold weight c.108 grams. The hoard must have been buried around AD 600, the latest coins having been minted during the reign of the emperor Maurice (AD 582-602).395 The hoard contained two solidi and five tremisses of Magnia vico, minted in Niomago (fig. 92). Although not entirely certain, this Niomago can probably be identified as Noviomagus- Nijmegen, (noot 397) and contribute to the evaluation of the importance of sites 401/403 in post Roman times". In de hier genoemde noot 397 lezen we: The other possibility is Noviomagus-Neumagen (Blok 1979 25-7), but Nijmegen is generally accepted (also e.g. Ewig 1980,45). Hier ook een verwijzing naar Eugen Ewig, Rheinische Geschichte; Band I/II: Frühes Mittelalter. Is Ewig een volgend voorbeeld dat Duitse historici wel eens vertellen hoe de Nederlandse geschiedenis geweest zal zijn. We kennen Friedrich Gorissen al die Nijmegen een onjuiste Stedeatlas opdrong, naast de Monumenta Germaniae Historica, die veel van de geschiedenis van Frankrijk naar Duitsland verplaatste, inclusief Bonifatius, Karel de Grote, de Nibelungen, het Ludwigslied en de Gudrun-epos.
      Het kan dus ook Neumagen zijn, volgens Blok, maar Nijmegen is algemeen geaccepteerd. Wat was Blok hier dicht bij de waarheid.Welk bewijs is er voor Nijmegen anders dan deze algemeen geaccepteerde aanname?


    26. Er is nog een element dat een belangrijke rol speelt in de discussie of, en in welke mate, Nijmegen tijdens de vroege middeleeuwen voortdurend bewoond was: de stichting van de eerste kerk. Hoewel archeologische aanwijzingen voor bewoning in het centrum tijdens de zevende en vroege achtste eeuw zeer schaars zijn, kan op basis van historische bronnen wel een reconstructie worden gemaakt van de rol die deze plaats in deze periode speelde. Daarbij is het belangrijk op te merken dat Nijmegen geen continue christelijke traditie kent, zoals Maastricht. Het bestaan van een kerk met een laat-Romeinse oorsprong in Nijmegen is onwaarschijnlijk, ook al is in het verleden wel de mogelijkheid geopperd dat zo'n gebouw binnen de ommuring heeft gestaan van het laat-Romeinse castellum op het Valkhofplateau. Buiten twee laat-Romeinse graven uit de binnenstad, met grafgiften die christelijke symbolen dragen, ontbreken duidelijke aanwijzingen voor het bestaan van een christelijke gemeenschap vóór de zevende eeuw (p.279/280). Hier wordt dus nogmaals toegegeven dat de traditionele geschiedenis van Nijmegen vals is. Niet alleen kende Nijmegen geen continue Christelijke traditie, maar zelfs geen enkele continue traditie. Immers zonder kerk heeft er ook geen Merovingische of Karolingische palts bestaan. En dan de hier genoemde historische bronnen? Lees daarover alles in het Bronnenboek van Nijmegen.

    27. Inschattingen over de vroegste Nijmeegse kerkstichting zijn doorgaans gebaseerd op indirecte historische aanwijzingen. Uitgangspunt daarbij is de reconstructie van de grenzen van het bisdom Keulen, dat tot ver in het Nederlandse rivierengebied doorliep. Veel van de vroegmiddeleeuwse bezittingen van de Keulse bisschop lagen in de voormalige Romeinse castella langs de Rijn, waaronder waarschijnlijk ook Nijmegen. Als de uitbreiding van het bisschoppelijk bezit en de kerstening in het rivierengebied zich vanaf de vroege zevende eeuw vanuit Keulen voltrokken, kan Nijmegen daarbij als springplank richting het westen en noorden hebben gediend. (p.280).
      We komen hier op een belangrijk punt: de stichting van een kerk. Immers een Karolingische palts heeft zonder kerk niet bestaan. Er is in deze tekst en op deze pagina's enkele keren sprake van 'als... dan kan', met enkele verwijzingen naar het gefantaseer van prof.Blok. Het geeft evenzoveel keren slechts speculaties aan, ofwel aardig geprobeerd, maar bewijzen ontbreken. In tegenstelling met het hier geschetste dat Nijmegen onder Keulen viel, was dat niet waarschijnljk, maar geheel zeker. Zelfs in 1272 viel Nijmegen nog onder Keulen en niet onder Utrecht (sic!). Op 7 september 1272 werd door Albertus de Grote, wijbisschop van Keulen (let op: dus geen clericus van Utrecht!), de nieuwe parochiekerk van Nijmegen, de St.Stevenskerk ingewijd. Deze nieuwe kerk was, zoals blijkt uit de teksten, gebouwd op onbebouwde grond buiten de stad (Bron: M.P.M.Daniëls, p.46). Daarbij werd de parochie opgedragen jaarlijks een processie te houden naar de plaats van de oude kerk en het oude kerkhof. Die oude kerk was de St.Nicolaaskapel en het kerkhof lag op het Valkhof. Deze opdracht ter ere van de H.Maagd, werd de alom bekende Maria-Omdracht op Drievuldigheidszondag. In 1962, het jaar dat het Keizer Karelbeeld werd onthuld (sic!), is de Maria-Omdracht plotseling zonder enige uitleg van het programma geschrapt. Is hier sprake van toeval of gebeurde dit gepland?
      En let nog even op: deze Albertus de Grote consacreerde ook in 1276 de Kloosterkerk van Utrecht, waarmee duidelijk is dat zelfs Utrecht nog in 1276 tot het diocees van Keulen behoorde. Er bestond toen nog geen enkele relatie met of devotie tot St.Willibrord als aartsbisschop van Utrecht.


    28. Op basis van een brief van Bonifatius aan de paus uit 752/753 wordt aangenomen dat koning Dagobert I rond 630 het Utrechtse kerkje aan bisschop Kunibert van Keulen schonk. Betekent dit dat er rond deze tijd ook al een kerk in Nijmegen was gesticht? Concrete bewijzen zijn er niet. Zeker is wel dat de parochiekerk uit de volle middeleeuwen zich inderdaad binnen de muren van het oude castellum bevond, voor deze rond 1250 werd verplaatst naar de huidige locatie op de Hundisberg (p.280). Het is geen onlogische gedachte dat de bisschop zijn bezit in het Nijmeegse castellum met de kerk in de elfde of twaalfde eeuw aan dit Sankt Apostelnstift heeft geschonken. Maar of deze kerk al ruim vier tot vijf eeuwen eerder was gesticht, blijft vooralsnog onzeker (p.281). Deze nieuwe kerk was de St.Stevenskerk, die toen gebouwd werd op onberoerde maagdelijke grond, zoals dat in bouw- en opgravings-verslagen staat. Lees meer over de wijding en de verplichting tot de jaarlijkse processie in het vorige punt. De Hundisberg heet bij Daniëls (zie hiervoor) en in de Stede-atlas van F.Gorissen de Hundisburg. Klein detail, maar toch....! De hier genoemde onlogische gedachte over deze kerk, blijkt juist heel zeker te zijn. Er is geen enkele bewijs dat er in Nijmegen in de vier tot vijf eeuwen daarvoor al een kerk heeft bestaan. Zie ook het volgende punt waar dat ook erkend wordt.

    29. Archeologisch zijn er op het Valkhof dus geen sporen van een zevende-eeuws kerkgebouw, maar wel is bij opgravingen een aantal graven uit deze periode aangetroffen. Ter hoogte van de Sint-Maartenskapel vond men in 1910 zes skeletten, waarvan twee individuen met duidelijk zevende-eeuwse breitsaxen (dolken) zijn begraven. De siernieten van een van de dolkschedes kunnen gedateerd worden tussen 610 en 670. Koolstofdateringsonderzoek uit 2014 bevestigt dat de oudste graven bij de kapel teruggaan tot de zevende eeuwen dat hier zeker tot in de late achtste eeuw is begraven. Of deze vroegmiddeleeuwse graven tot het kerkhofbehoorden van een zevende-eeuwse kerk is moeilijk te zeggen. De locatie van de begravingen op een dermate prominente plek als het Valkhof is echter voldoende reden om te veronderstellen dat we hier met leden van de Merovingische elite te maken hebben, zoals die zich ook elders op het Gelderse platteland in de vroege zevende eeuw manifesteerde. Of men toen vanaf het Valkhofhet beheer van het koningsgoed ter hand nam, blijft nog in nevelen gehuld. (p.281) Naast geen sporen of in nevelen gehulde sporen bestaat dit verhaal over zes skeletten slechts uit veronderstellingen. Zes skeletten in 60 (610-670) jaar? Dat is één per 10 jaar! Wat bewijst een dolk uit de zevende eeuw in een graf uit (bijvoorbeeld) de 11de eeuw? Kostbare bezittingen kunnen ook eeuwen in de familie zijn gebleven, voordat ze in een graf raakten. Zie de vele voorbeelden over de hele wereld, zoals bij begravingen in het oude Egypte.

    30. In elk geval moesten de begraafplaats en de gebouwen van een eventueel koninklijk domeincentrum tegen het eind van de achtste eeuw wijken voor de bouw van een Karolingische palts (p.281). Hier komen we dan toch op het centrale en alles omvattende punt. Heeft er (eventueel?) een Karolingische palts bestaan in Nijmegen?Welke begraafplaats en welke gebouwen moesten er dan wijken?

    31. Het vaststellen van bewoningscontinuïteit is voor het Rivierengebied niet gemakkelijk door een gebrek aan samenhangende sporen van gebouwen en waterputten. Het zijn daarom niet de woonplaatsen of erven, maar vooral de grafvelden die inzicht geven in de duur van de bewoning en eventuele wisselingen in de samenstelling van de bevolking, zoals in Wijchen en Lent (p.281). Op zoek naar verklaringen is wel geopperd dat men hier al vroeg overging op het christelijk gebruik om de overledenen te begraven op het parochiekerkhof. Het is echter onwaarschijnlijk dat Wijchen even na 650 al over een kerk beschikte. Hoewel het mogelijk is dat de bewoners van Lent hun overledenen op die andere plek zijn gaan begraven, is het aannemelijker dat een (deels) nieuwe groep mensen zich hier vestigde en zijn doden er te ruste legde. Hoewel er geen direct bewijs bestaat, kan het grafritueel onder invloed van de op handen zijnde kerstening in het begin van de achtste eeuw zijn veranderd (p.283). De bewoningscontinuïteit moet blijkbaar aangetoond worden met grafvelden en met 'geopperde' opvattingen, ofwel suggesties, met 'mogelijk' en met 'aannemelijk'. Maar dit vormt bij elkaar geen enkel feitelijk bewijs. In noot 75 lezen we dat de oude dateringen ook hier iets bijgesteld kunnen worden. Hoeveel is iets? Over de verwijzing naar Hendriks e.a. 'Een noordelijk steunpunt' lezen we alles in hoofdstuk 2 in Het Valkhof 2000 jaar. Maar ook daar vinden we geen enkel feitelijk bewijs voor het bestaan van een palts van Karel de Grote, dan slechts de aloude aangenomen opvatting dat het paleis in Nijmegen bestaan heeft. Ga je af op de teksten waarin Nijmegen als Noviomagus genoemd wordt, dan blijf je steken op die ene medeling van Einhard. Maar deze ene medeling van Einhard is aantoonbaar vals. Alle andere teskten over het Karolingisch paleis Noviomgaus gaan onbetwist over Noyon, hoewel juist daar alle twist over gaat.

    32. Op deze pagina's (284/285) staan enkele afbeeldingen van grafvondsten, met name gordelbeslag. Van de bredere context van de graven is in beide gevallen helaas niets bekend, maar de beslagstukken behoorden zeker niet tot de doorsnee mode van de zevende eeuw. Onze kennis over nederzettingen en het uiterlijk van erven en boerderijen in het rivierengebied is vrij mager (p.284/285). De vondsten in graven in Wijchen, Lent, Rhenen, Wageningen, Ermelo en Putten, Didam en Aalten nemen we voor waarheid aan. Maar ze bewijzen niets voor Nijmegen. Niets? Ze bewijzen juist dat zulke vindsten niet in Nijmegen gevonden zijn, waarmee Nijmegen als oudste stad op de helling kan. De vondsten staan verder ook niet ter discussie, wel de interpretatie ervan. Zolang de interpretatie gebaseerd is op 'aangenomen', 'waarschijnlijk', 'wellicht', 'kan wijzen op', 'het is denkbaar' en 'mogelijk' (allemaal op p.284 in een halve pagina tekst) en op 'wijzen op', 'aanemelijk', 'moeten zijn' (p.285), bestaat het slechts uit veel speculatie. Ook de dateringen die gebasserd zijn op de traditonele opvattingen staan uiteraard ook ter discusse. Wat is het verschil tussen een 6de eeuwse vondst of een uit de 7de eeuw? Dateringen worden globaal verbonden aan bepaalde machthebbers. Wat is Karolingisch? Is dat precies uit 768 tot 814? Of is het iets uit de hele 8ste, zelfs de hele 9de en 10de eeuw?

    33. In de goed onderzochte nederzetting van Eme kan de ontwikkeling vanaf het ontstaan worden gevolgd. Dit geldt als een goed voorbeeld voor andere Gelderse nederzettingen boven de Rijn, waarvan slechts (kleine) delen zijn opgegraven maar wel een langere bewoningsduur wordt vermoed. Opgravingen tussen 1990 en 1999 in de nieuwbouwwijk Ooyerhoek toonden aan dat de nederzetting Eme moet zijn ontstaan in de eerste eeuw na Christus. Er was op dat moment sprake van slechts één boerderij met bijgebouwen. (p.280). Mogelijk is toen ook de naam Eme aan de woonplaats verbonden (p.287).Ook hier is bij dit voorbeeld sprake van een vermoeden en die ene zwaluw die nog geen zomer maakt. Van 'mogelijk' Eme, wordt in noot 78 verwezen naar Jeroen Bouwmeester, (BAAC rapport 98.045) die bij de dateringen nogal veel twijfel vermeldt en woorden als 'mogelijk' (90x), 'waarschijnlijk' (39x), 'vermoedelijk' (40x) en opmerkingen als 'De bewijzen zijn zeer mager, de enige aanwijzingen bestaan uit enkele kuilen waarin scherven aardewerk uit de Romeinse tijd zijn teruggevonden.', maar ook 'verder zijn er geen conclusies te verbinden aan de datering van de waterputten en de verhouding tussen handgevormde en gedraaide keramiek dat eruit komt'. Men trekt wel erg eenvoudig en snel zulke conclusies. Prof.dr.D.P.Blok kent Eme niet eens in zijn Lexicon.
      De vraag die blijft is: "Wat bewijs je hiermee ten gunste van Nijmegen?" Daar ging het toch om, gezien punt 49 hiervoor?


    34. Onder invloed van de overstromingen zagen de bewoners zich rond 350 genoodzaakt te verhuizen naar het hoogste deel van de zandrug, enkele honderden meters zuidelijker. Eme lag hier tussen 350 en 850. Interessant is dat midden in die nederzetting een grafveldje werd aangetroffen dat alleen tussen 350 en 400 is gebruikt. De nederzetting nam na 400 in omvang toe, maar de locatie van de jongere graven is onbekend. Vanaf die tijd lagen er twee tot vier erven, bestaande uit boerderijen, ingegraven hutten, opslaggebouwen en waterputten. Na circa 850 breidde de bewoning zich uit naar lagere delen van de zandrug - blijkbaar was de wateroverlast afgenomen. Drie erven uit de Karolingische tijd hebben hier tot in de late twintigste eeuw bestaan (p.287). Eme bestond dus tussen 350 en 850, maar het grafveld dateert tussen 350 en 400. Tussen 400 en 850 ging er blijkbaar niemand dood. Of is het veel logischer dat er tussen 400 en 850 niemand woonde? Ziet U ook hier dat gat tussen de 4de en 9de eeuw, met tussentijds meerdere eeuwen van wateroverlast.

    35. Een andere vermeldenswaardige vindplaats is Zelhem. Hoewel van de nederzettingsresten op de Zelhemse Enk maar een paar procent is opgegraven, valt de ontwikkeling van de bewoning daar redelijk goed te volgen (p.287). De vroege stichting van een kerk, rond 800, lijkt deze centrale positie te bevestigen (p.289).Toch zijn die archelogen knappe lui. Met slechts enkele procenten weet men toch verregaande conclusies te trekken. De twijfel wordt ook hier weer erkend met 'het is goed voorstelbaar' en 'het is aannemelijk' (p.289). Lees vooral meer over die 'vroege' kerk van Zelhem, dat zeker niet het Salahem uit de 8ste/9de eeuw was.

    36. Andere nieuwe nederzettingen vanaf de zevende eeuw zijn helaas slecht waarneembaar. Vindplaatsen die in Laren aan de Zutphenseweg en nabij Eibergen tijdens de aanleg van de N18 zijn aangetroffen, dateren uit de achtste eeuw of later (p.289). Wat is 'slecht waarneembaar'. Is er nu wel iets of niets te zien? Dat 'of later' is ook interessant. Hoeveel later dan wel? Twee eeuwen later?

    37. Al met al is er weinig bekend over de structuur van de bewoning op de zandgronden en de wijze waarop het landschap was ingericht; we kennen óf alleen de woonplaatsen óf alleen de grafvelden, maar de combinatie is nog altijd niet goed onder-zocht. Zo is het mogelijk dat een grafveld niet door één nederzetting werd gebruikt, maar door meerdere, dicht bij elkaar gelegen woonplaatsen. Hoewel nog veel onduidelijk is, lijken vanaf ongeveer 600 duidelijke verschillen te hebben bestaan in intensiteit van bewoning tussen enerzijds de Veluwe en de oostelijke rand van de Gelderse Vallei en anderzijds de Liemers en de Achterhoek. Maar het is de vraag of het zicht van onderzoekers op de oostelijke zandgronden daar niet door wordt belemmerd. Ook hier kan immers - net als in het Rivierengebied - de bewoning in de late Merovingische tijd zijn opgeschoven naar plekken waar later dorpen zijn gesticht, zodat de archeologische bronnen zich nu onder de dorpskernen bevinden. Het is denkbaar dat bepaalde families door grondbezit of economische activiteiten een bevoorrechte positie hadden verworven. De reconstructie van dergelijke verbanden en hun relatie met nederzettingen kan meestal niet verder terug worden gevolgd dan tot in de elfde eeuw. Voor het Rivierengebied en de Veluwe bieden historische bronnen na de zevende eeuw al meer zicht op de betekenis van bezitsverhoudingen voor de verdere integratie van Gelderland in het Frankische Rijk (p.295). Volgens noot 88 zijn de gebruikte historische bronnen te vinden bij Heidinga, From Kootwijk to Rhenen, p.32-36, dat opgenomen is in "Medieval Archaeology in the Netherlands. Studies presented to H.H. van Regteren Altena, Edited by J.C.Besteman, J.M.Bos, H.A.Heidinga. 1990".
      Dat is een erg interessante uitgave van de Universiteit van Amsterdam over Studies in Prae- en Protohistorie (nr.4). Het is zeker aan te raden het hele artikel van Heidinga te lezen en niet alleen p.32-36. Zwart is de letterlijk (vertaalde) tekst uit het artikel, rood mijn opmerkingen.
      Door mij onderstreept zijn de opvallende aandachtspunten in de tekst. In dit artikel van prof.dr. Hendrik Heidinga (p.9-40) lezen we over Koningen en aristocraten in de regio Rhenen: het historische bewijs, ondermeer het volgende:

      1. Een relatie werd gesuggereerd door Van Iterson en Halbertsma tussen het koninklijk landgoed zichtbaar in en rond Rhenen in de 9e eeuw en later en het koningschap waarnaar wordt verwezen in de legende van Cunera. Het eerder geloof van de stichting werd gelegd door Franks. Het hele bewijs is dus slechts gebaseerd op een suggestie, een legende en geloof. Zo'n bewijs vindt de historich wereld dus doorslaggevend? Is dit serieuse historische wetenschap te noemen?
      2. Geen van beide theorieën kan worden bewezen, maar het is waarschijnlijk dat er hier sprake was van een koninklijk landgoed of een belangrijk domein van vroegere datum dan die van de uiteindelijke vestiging van het Frankische gezag in deze delen door Karel Martel. Dan houdt het toch op als er slechts sprake is van 'waarschijnlijk'? Op p.32-36 komt het woord 'waarschijnlijk' liefst 16x voor, naast 'mogelijk' liefst 28x en 'kan' (22x) in samenstellingen als 'kan geweest zijn' en 'moet' (10x) als in 'moet geweest zijn'. Van wie moet dat? En dat op die paar bladzijden. Hoe stevig en zeker is dan het hele verhaal?
      3. Tussen 'Heimo' (om de koning van het goud koppels te geven van Achterberg een naam) en Wichman ligt een gat van meer dan vijfhonderd jaar. Vijf eeuwen met NIKS. Maar geen probleem: met suggesties, legenden en geloof wordt dat prima opgevuld.
      4. Het probleem is dat ze een ander aspect van de wereld van de eilte laat zien dan blijkt uit het historisch bewijsmateriaal. Hiermee wordt erkend dat de historische bronnen een ander verhaal vertellen dan de historici ons voorhouden. Dat is ook juist, immers het historisch bewijsmatriaal gaat ook niet over Nederland, maar over Noord-Frankrijk, waar het ook vandaan kwam, zoals uit Reims, Abbeville, St.Omaars en Amiens
      5. Het onderzoek vanuit de periferie, Kootwijk, naar de veronderstelde politiek en economische kern van de vroege middeleeuwen Hamaland in de omgeving van Rhenen heeft een fascinerend, maar speculatief beeld van wat er gebeurde tussen ca. 400 en 1100 na Christus. Het is dus slechts speculatief, ofwel denkbeeldig, een gissing of een vermoeden! Dat zegt voldoende! Een verdere discussie is dan overbodig, immers over speculaties valt niet te discussiëren.
      6. Dit beeld kan alleen gevormd worden door het integreren van de beschikbare archeologische, historische en ook literaire informatie op dit gebied en door het zo in te richten dat er een betekenisvol verslag zou kunnen zijn gecreëerd vanuit het perspectief van ontwikkelingen in soortgelijke gebieden elders. Zoals elke vergelijking mank gaat, valt ook met een vergelijking uit gebieden elders niets te bewijzen.
      7. Er moet worden vermeld dat de marges waarbinnen het bewijsmateriaal kan worden herschikt, zeer breed zijn zolang er niets bekend is van bijvoorbeeld de datering van het heuvelfort op de Heimenberg, de datering, omvang en rijkdom van de begraafplaats op de Laarse Berg en de context van het bestuur van Achterberg. Met brede marges en onbekendheid qua datering, valt ook hier geen uitsluitsel te geven.
      8. Om deze reden is dit artikel vooral bedoeld om de richting aan te geven van toekomstig onderzoek in het Centra Nederland. Het artikel blijkt dus geen bewijzen te leveren, maar slechts een richting aan te geven voor verder onderzoek.
      9. De positie van Hamalands elite is in deze periode helaas onzeker. Hamaland was een Franse landstreek die niet in Nederland lag.Lees meer over Hamaland.
      10. Als er nog steeds sprake lijkt te zijn van een sacraal koningschap in de 5e eeuw, tegen de 9e en 10e eeuw vinden we hier een aristocratie met wijdverbreid grondbezit en bestuur. Ook hier wordt over 4 of 5 eeuwen heen gesprongen. Gaat het over de 9de of over de 10de eeuw? Daar zit wel 100 jaar tussen, of zelfs 200 jaar als het gaat over begin 9de en eind 10de eeuw. De aristocratie die hier bedoeld wordt, woonde echter in Noord-Frankrijk en niet in Nederland. Zie verder hierna bij punt k en l.
      11. Vanaf nu speelde de bisschop van Utrecht de eerste viool in het Centraal Nederland, terwijl het grondbezit van de Hamaland-elite voornamelijk in handen was gekomen van kerkelijke instellingen. Zelfs het literaire erfenis van de elite van Rhenen werd toegeëigend door de kerk en bedekt met de mantel van vroomheid. De bisschop van Utrecht komt niet eerder in beeld dan de 10de eeuw. Alles daarvoor over Utrecht is speculatie. Lees meer over Willibrord en over Oud-Utrecht. Wat hier over de kerk en de mantel der vroomheid vermeld wordt is helemaal juist, hoewel de waarheid zelfs erger is dan de veronderstelde 'vroomheid'. Het was vaak gewoon diefstal. Lees meer over 'moeder de Heilige Kerk' en de claimcultuur van Echternach.
      12. In dit artikel passeren de bekende traditionele opvattingen de revue met Folker, Everhard, Meginhard en Wichman en zijn vermoedelijk vroegste traceerbare voorouders, Lebuinus, Flethitti, Hamaland, Elst, Dorestad, Werden inclusief de traditionele indeling van Friezen, Franken en Saksen. Annemarieke Willemsen is daar wel duidelijk over: die etnische indeling tussen Friezen, Franken en Saksen is archeologisch niet te bewijzen! Ook opvallend is waar Heidinga Hamaland plaats: in Utrecht en de Veluwe. Dat terwijl anderen Hamaland toch meer in Oost-Gelderland plaatsen. Lees meer over Hamaland. Het rechter kaartje van de vier hier getoonden is uit dit artikel van Heidinga (p.10).
      13. Enkele andere opvallende zaken zijn de vermelding van De Beowulf en de Nibelungen als Germaanse literatuur. Dat is helemaal juist, tenminste als men met Germania het Germania van Tacitus bedoeld, dat niet Duitsland was, zoals dat hier wel wordt voorgesteld. Lees meer over de Saksische literatuur, de Beowulf en de oude Dietse literatuur.
      14. Kunnen we historici als Blok en Halbertsma, waar enkele keren naar verwezen wordt, nog serieus blijven nemen. Zij stapelden fout op fout, ook hier. Halbertsma bijvoorbeeld kende het verschil tussen Klundert en Zundert als woonplaats van Albert Delahaye niet eens en meende dat 'Amer' de oude naam van de Eem bij Amersfoort was. Lees meer over Halbertsma. Blok kan teveel plaatsen uit de klassieke teksten in Nederland niet vinden. Van de ruim 1600 genoemde plaatsen, kan hij er zowiezo 1394 niet vinden. Zo maakt hij van 'Amorem' een onbekende rivier. En van de plaatsen die hij wel vindt is de vraag of die juist zijn. Van Sclusa als woonplaats van de Franken, maakt hij de "de Alpenpassen". Hoe kom je erop? Lees meer over Blok.
      15. Ook bij andere verwijzing is de vraag of Heidinga die artikelen wel goed en zorgvuldig gelezen heeft. Zo verwijst hij voor Oud-Leusden naar W.A.van Tent (1985). Maar wat schrijft Van Tent, anders dan enkele speculaties en veel twijfel en onzekerheid? Lees daar alles over bij Oud-Leusden.

        Met een lijst van 153 noten en 85 verwijzingen naar literatuur, blijkt prof.dr.Heidinga van de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geesteswetenschappen, volkomen vast te zitten in de traditionele opvattingen. Nadenken over zelfs door hem opgeworpen vragen en problemen is er niet bij. Hij blijft vasthouden aan de oude mythen.

        Hebben alle historici het dan fout, zou je kunnen vragen? Dat kan toch niet? Dat kan dus wel en het gebeurt ook, zolang ''naschrijverij'' standaard is in de historische wereld. Lees de literatuurlijsten in alle historische publicaties er maar op na. Men schrijft elkaar steeds klakkeloos na, inclusief alle fouten en blunders. In veel artikelen lees je te vaak exact hetzelfde en verwijzingen naar exact dezelfde voorgangers. Vergelijk enkele passagen in het Verhaal van Gelderland met wat er in Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis geschreven is (zie onder punt 63). Het is ook niet moeilijk je gelijk te vinden onder gelijkgestemden. In de historische wereld is het volgende gezegde ondubbelzinnig van toepassing: "Ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben!"
        Sorry dat het soms wat sarcastisch overkomt, maar met dit soort betogen wordt je dat vanzelf. Moeten we die 'naschrijverij' dan inderdaad serieus blijven nemen?


    38. De Friese handel. In geschreven bronnen wordt vanaf de achtste eeuw melding gemaakt van Friese handelaren. De grootste en bekendste (handelsplaats) is Dorestad, dat op de linkeroever van de Kromme Rijn lag, nabij de splitsing met de Lek. In de achtste eeuw zou Dorestad uitgroeien tot een van de belangrijkste handelsplaatsen in Noordwest-Europa. Deze vooraanstaande positie had zij vooral te danken aan haar gunstige ligging aan het begin van de uitgestrekte rivierdelta, in het grensgebied tussen de rijken van de Friezen en de Franken. Op basis van baggervondsten wordt aangenomen dat het zuidelijk deel van het vroegmiddeleeuwse Dorestad in en rondom (de resten van) een voormalig Romeins grensfort lag, in de uiterwaarden boven het huidige Gelderse Rijswijk. Op deze plek zou muntmeester Madelinus vanaf circa 630 de gouden munten hebben geslagen waarop Dorestad als muntplaats staat vermeld. Dit 'Gelderse' deel van Dorestad is later grotendeels door de rivier weggespoeld. Hoewel riviernederzettingen in de loop van de tijd steeds meer richting het oosten ontstonden - van Katwijk in de late vijfde eeuw tot Dorestad in de late zevende eeuw -, zijn ze voor het stroomgebied van de Neder-Rijn of Waal niet bekend. Het is moeilijk voor te stellen dat de inwoners van het Gelders rivierengebied geen graantje meepikten van de Friese Rijnhandel. (p.295/297). Hier wordt weer het gebruikelijke verhaal verteld over de Friese handel met Dorestad als bewijs. Er is geen enkele klassieke tekst die noemt dat Dorestad aan de splitsing van de Rijn en Lek lag. Dat de Lek al in de 8ste eeuw bestond is een veronderstelling, maar nooit bewezen. Lees meer over de Lek. De opgegraven nederzetting bij Wijk bij Duurstede was ook allerminst een stad, maar een boerendorp. Lees meer over Dorestad. Van muntmeester Madelinus weten we dat hij in Noyon woonde. Met weggespoelde resten wil men in Nederland te vaak tradities bewijzen en in stand houden. Dat het moeilijk voor te stellen is, blijkt niet zo moeilijk te zijn als men de Friese handel naar Vlaanderen verplaatst. Dààr woonden de Friezen en niet in Friesland (op die paar terpen?). Bovendien betekent niet elke gevonden munt dat er een handelsplaats was. Dat is wel iets te gemakkelijk gesteld. Was Domburg dan Dorestad? In Domburg zijn immers meer Madelinus-munten gevonden dan in Wijk bij Duurstede. Lees ook meer over de hier genoemde afgedankte wijnvatten als bekisting van waterputten.

    39. Hofmeiers en missionarissen. Tegen het eind van de zevende eeuw stonden de verhoudingen tussen de Merovingische vorsten en hun hofmeiers onder grote druk. Onder Pepijn II was het Frankisch gezag in onze streken verstevigd en met de komst van Willibrord en zijn gevolg kon ook buiten het Rivierengebied serieus werk worden gemaakt van de kerstening. Pepijn en zijn vrouw Plectrudis ondersteunden dit missiewerk door meerdere kerken en kloosters te stichten, en deze te schenken aan missionarissen als Willibrord. (p.297/298). Het hier beschreven verhaal is op zich wel juist, als je het maar niet in Nederland plaatst, maar in Noord-Frankrijk. Dat de Merovingische vorsten ooit in Nederland hebben geresideerd is een mythe. Daar is geen enkel archeologisch of tekstueel bewijs voor. Lees meer over Pepijn en Plectridis en over de brief van Bonifatius in het hoofdstuk over koning Dagobert en over de kloosters Susteren en Echternach.

    40. Op de drempel van een nieuw rijk.Archeologisch onderzoek naar de spaarzame nederzettingen uit de achtste eeuw leverde geen aanwijzingen op voor schermutselingen van Frankische troepen met Friezen in het noordwesten of met Saksen in het oosten. Dit is ook terug te lezen in vroege achtste-eeuwse bronnen, waaruit blijkt dat streken werden ingedeeld bij een pagus of gouw, zoals Testerventi (709, Teisterbant), Dublensis (721-722, De Duffelt) en Batuua (726, Over-Betuwe) (p.299). Nu zijn de teksten wel juist, alleen de toepassing in Nederland is njuist. De eerste zin geeft al aan dat er van schermutselingen tussen Franken en Friezen of met de Saksen in Nederland niets te vinden is. Zet dit naast de bevindingen van Annemarieke Willemsen die in haar boek over de Gouden Middeleeuwen al constateerde dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is (o.a. p.12 en 138)".
      Daarna vervalt men toch weer in de traditonele opvattingen met het noemen van de gebieden Teisterband, Dublensis en de Batua, dat allemaal landstreken waren in Frankrijk. Lees meer over Teisterbant, Dublensis en over de Batua.


    41. Uit Gelderse streken is tot de Karolingische tijd slechts één concreet voorbeeld bekend van de schenking van goederen. Het gaat om de villa EIst (Heliste) in de Over-Betuwe, waar in de Romeinse tijd een grote tempel stond, die mogelijk tot in de Merovingische tijd overeind is blijven staan. Het is dan ook denkbaar dat EIst, net als de voormalige Romeinse castelIa, oorspronkelijk tot het koningsgoed van de Merovingische vorsten behoorde. Een oorkonde van Karel Martel uit 726 vermeldt dat koning Childebert III in het verleden het domein EIst en andere goederen in de Betuwe van ene Everhardus had afgenomen, omdat hij ontrouw was geweest en zich had verbonden met 'heidenen' van buiten het rijk, waarschijnlijk Friezen of Saksen. Deze Everhardus wordt ook wel als een van de homines franci gezien, en zodoende als een lid van de lokale adel. Hij zal in de late zevende of vroege achtste eeuw begiftigd zijn met goederen in ruil voor zijn trouw en (krijgs)diensten. Het van hem afgenomen domein in EIst schonk Childebert III vervolgens aan zijn hofmeier Pepijn II. Via Pepijn kwamen de goederen in handen van zijn zoon Karel Martel, die ze op zijn beurt in 726 aan de kerk van EIst schonk. Het beheer van deze goederen, en daarmee de kerk van EIst, zou in handen zijn gegeven van Willibrord, die er zijn volgeling Werenfried naartoe zond. Deze zou de kerk - misschien het oude tempelgebouw - opnieuw gewijd hebben en als uitvalsbasis voor zijn eigen missiewerk hebben ingericht. Werenfried kon daarbij steunen op inkomsten uit het ruime domeingoed in de Betuwe. Hij stichtte onder andere een kerkje in Westervoort, ten noorden van de Rijn (noot 94). De weinige overgeleverde teksten en fysieke sporen van bewoning uit het begin van de achtste eeuw, zoals bij Eme, Putten en Laren of langs het tracé van de N18 bij Eibergen, wekken de indruk van een langzaam groeiende bevolking (p.299-300).

      Werenfried en diens Betuwse legende: ca. 726.
      De traditonele 'vertaling' luidt als volgt:
      Willibrord, die door Gods wil de zetel van Traiectum bezette... vertrouwde hem (Werenfried) een zekere plaats in zijn bisdom toe, Elst genaamd, die hij kort tevoren van Karel (Martel) ontvangen had, om daar het heilig geloof te prediken. Er is een zeker eiland, zeer bevolkt, dat Batua heet, dat omgeven wordt door de rivieren van de Renus... Hij bouwde ook een kerk te Westervoort, zoals bekend gelegen op de oever van dezelfde Renus... Hij overleed te Westervoort... en werd in Elst begraven.
      Bron: Vita S.Werenfridi, AS, aug. IV, p. 102.

      Nota: Het Leven van Werenfried is alleen bekend uit een 14e eeuws verhaal, dat in Utrecht geschreven is. Maar in de 8ste eeuw bestond de stad Utrecht niet. Trajectum is ook niet Utrecht, maar Tournehem, Batua is het land van Béthune en de rivieren van de Renus is de Schelde met haar zijrivieren. Toch bevat het document enige oudere elementen die naar de authentieke streek verwijzen. Opmerkelijk is dat de tekst in het meervoud spreekt over de rivieren van de Renus. Voorts noemt hij de Batua "zeer bevolkt", wat al per definitie de Betuwe uitsluit, alwaar uit deze periode geen archeologisch bewoningsrelict van betekenis gevonden is, wat ook erkend wordt in het Verhaal van Gelderland (p.300). Westervoert heeft in de oorspronkelijke tekst ongetwijfeld gedoeld op Westbecourt, thans Acquin-Westbecourt op 9 km zuid van Tournehem. Op 6 km zuid-oost hiervan lag Elste, nu Elnes, dat hier dus als begraafplaats eerder in aanmerking komt dan het door de Vita-schrijver gesuggereerde 90 km zuidelijker gelegen Helisthe-Marithaime van Karel Martel.
      De problematische interpretatie die hiernaast genoemd wordt, levert in Frankrijk geen enkel probleem op. Elk puzzelstukje past daar feilloos.

      In dit citaat komen een aantal wetenswaardige zaken samen. Het is gewoon weer het traditionele verhaal gebaseerd op de traditionele opvattingen. De auteurs blijken toch ook hier weer niet op de hoogte van de juiste feiten.
      1. Allereerst de veronderstelling dat Heliste Elst geweest zou zijn. Heliste is echter slechts de helft van de genoemde plaats en met een halve waarheid bewijs je niets. Het ging om de plaats Heliste-Marithaim dat Oust-Marest was in Frans-Vlaanderen. In noot 94 worden Bogaers, Niermeyer en Blok genoemd, waarbij opgemerkt wordt dat 'de interpretatie van de schenking uit 726 enigszins problematisch is' Dit is inderdaad een zeer terechte opmerking. Immers, de toepassing van deze akte op Elst in de Betuwe is al onjuist om het simpele feit dat in 726 de Betuwe inclusief Elst niet bestond en voorlopig nog minstens twee eeuwen onder water zou liggen. Dat daar ook van Marithaime nooit enig spoor teruggevonden is, doet de deur dicht. Ook in noot 26, 37, 59, 62, 63, 70, 92 en 93 wordt verwezen naar het boek 'De Franken' van Blok. Hebben de auteurs dit boek wel eens gelezen? Of liever, bestudeerd? Blok schrijft in dit boek toch zelf dat er veel (teveel) verzonnen is. Blok noemt dat uitweidingen die op zijn hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden bieden. Lees meer over het boek De Franken van prof.dr.D.P.Blok.

      2. Vervolgens wordt de prediker Werenfried genoemd, die slechts door een legende over een ossenwagen in Elst terecht is gekomen. Zie kader hiernaast. Maar dat gebeurde pas in de 14de eeuw. Dat vermeldde dr.R.Post al in zijn boek over de 'Kerkgeschiedenis van Nederland', waarin hij schreef dat over Werenfried wel een vita geschreven is, maar die zó laat en zó arm is, dat wij er weinig houvast aan hebben. Maar ja, dit boek van Post staat niet in de literatuurlijst, dus is bij de auteurs van dit hoofdstuk niet bekend en door hen ook niet gelezen want dan hadden ze vast iets anders geschreven.

      3. Wat ook een opvallende vermelding is de 'weinig overgeleverde teksten' en 'weinig fysieke sporen van bewoning' uit de 8ste eeuw. Het is dus duidelijk dat er in die periode zo goed als niemand woonden in genoemd gebied. Dat betekent dat het verhaal van Gelderland hier een groot hiaat laat zien, dat men slechts probeert op te vullen met oorkonden die niet over Nederland gaan, maar over Frankrijk (waar die oorkonden ook vandaan komen!). Het is vergelijkbaar met 'het gat van Nijmegen' dat men met enkele scherven en een onduidelijk graf denkt op te kunnen vullen.


    42. Het verhaal op pagina 300 en 301 is zo onvoorstelbaar, dat je toch gaat twijfelen of het door deskundigen is geschreven. Dat personen die zich historicus noemen dit 'zonder met de ogen te knipperen' (dat is een aanname!) durven te schrijven. En dat dit door de redactie en mede auteurs werd goedgekeurd, is onvoorstelbaar. Of hebben die wel met de ogen geknipperd? Immers in de introductie wordt vermeld dat het een gezamelijke inspanning is geweest en de auteurs ondersteund werden door anderen. Dat er 'weinig of geen tijd was voor aanvullend onderzoek' wat we ook lezen, blijkt al te duidelijk. Dat bibliotheken of archieven gesloten waren kan geen excuus zijn bij het uitgeven van een dergerlijk omvangrijk werk. Daarbij waren de auteurs vooral aangewezen op alle beschikbare literatuur, durven ze ook nog te schrijven. Maar die beschikbare literatuur vind je ook op internet en dat was toch niet gesloten? We lichten er enkele (deel-)citaten uit.
      1. Voor Arnhem, bijvoorbeeld, wordt vermoed....
      2. het feit dat grafvelden in de achtste en negende eeuw ophielden te bestaan, wil niet zeggen dat dit ook gold voor de bijbehorende nederzettingen.
      3. het is goed voorstelbaar dat de overledenen vanaf die tijd bij een nieuw kerkje werden begraven.
      4. Of Werenfried daarin een rol speelde is onbekend.
      5. Wellicht waren de nieuwe gebruiken en ideeën afkomstig..... de Keulse bisschop vermoedelijk al eerder ....
      6. Het enige regionale 'centrum' in Gelderland zal rond 700, net als in de eeuwen daarvoor, in Nijmegen hebben gelegen.
      7. Hoewel duidelijke sporen ontbreken, zou men aan de vooravond van de bouw van de Karolingische palts op het Valkhofplateau inmiddels toch een kerkje en een eventueel bescheiden domeincentrum mogen verwachten.
      8. Naast enkele verspreide graven op het Valkhof en het Kelfkensbos kan een deel van de graven zonder grafgiften aan deze periode worden toegeschreven.
      9. Hierin zou dan het christelijke gebruik om geen grafgiften meer mee te geven tot uiting komen.
      10. Spaarzame vondsten uit de Benedenstad wijzen op de aanwezigheid van bewoning, maar deze nederzetting zal een stuk bescheidener zijn geweest dan handelsplaatsen als Dorestad of Oegstgeest in het westen van het land. (noot 98),
      11. Een belangrijke aanwijzing voor het feit dat Nijmegen in de Iaat-Merovingische tijd een regionale centrumfunctie had, is de vondst van oranje- tot roodkleurig aardewerk is niet alleen aangetroffen in de Nijmeegse binnenstad, maar ook in Lent, Oosterhout en Malden. Men vermoedt dat het vervaardigd is in Ubbergen.
      12. Hier vond men naast scherven van misbaksels ook afvalslak, afkomstig van de ijzerproductie uit in de omgeving verzamelde klapperstenen. (noot 99).
      13. Het Ubbergse atelier produceerde misschien voor een regionale afzetmarkt, De vindplaats ligt bij een gebied dat waarschijnlijk behoorde tot de villa Bechi (Beek). Deze is bekend uit een oorkonde uit 826.
      14. Het is aannemelijk dat de ambachtelijke productie van aardewerk en ijzer hier rond 700 plaatsvond op het oorspronkelijke koningsgoed van Nijmegen,
      15. Het ligt voor de hand dat die elite verantwoordelijk was voor de productie en verspreiding....


      Algemene opmerking over p.300 en 301: De dikgedrukte worden geven duidelijk aan dat er nogal vaak sprake is van speculatie en onbewezen aannamen. In hoofdstuk 7 (p.242-301) wordt 27x het woord zou gebruikt en 26x zal. Nou, dat zal best, denk je dan, maar of het zo geweest zou kunnen zijn, is toch telkens speculatie.
      In dit hele verhaal gaan de auteurs nog steeds uit van de aanwezigheid van een Karolingische Palts in Nijmegen. Die palts stond in Noyon! Lees het Bronnenboek van Nijmegen er eens op na. Het staat dan wel in de literatuurlijst, dus dat was beschikbaar! Maar heeft men dat bestudeerd op feiten en fictie? Heeft men de kritiek van Albert Delahaye op dat Bronnenboek gelezen? Of was dat niet beschikbaar? Men heeft blijkbaar alles klakkeloos als waarheid aangenomen! Maar is dit historisch bronnenonderzoek, dat je van Universitair geschoolden toch mag verwachten?

      Over de villa Bechi is het verhaal gelijkluidend. Dit was niet Beek, zoals Leupen in het Bronnenboek beweerde, maar Behericourt, op 4 km noord-oost van Noyon, dat Numaga was.
      Leupen citeert een oorkonde van Lodewijk de Vrome uit 826, waarin sprake is van een goed Bechi, bij het domein van Numaga gelegen. Leupen maakte er op volledig bij elkaar gefantaseerde gronden, onder andere een 19-eeuwse kadasterkaart, Beek bij Nijmegen van en had zo weer een bewijs voor de Karolingische palts te Nijmegen. Auici, dat in hetzelfde verband wordt genoemd, plaatste hij te Ooy of te Ewijk (wie van de twee?), maar omdat hij dit niet kon bewijzen, heeft hij dit in het Bronnenboek maar weggelaten.
      Frans onderzoek heeft duidelijk aangetoond dat het Bechi Behericourt was, waarbij de toevoeging -court (curtis - hof) nog aanduidt dat de plaats een Karolingisch domein is geweest. Voor Behericourt staat dit ook historisch vast, daar de plaats nog lang na de Karolingische periode leenroerig is gebleven aan de prins-bisschop van Noyon, die vanaf de 7e eeuw de titel voerde van comes Noviomagensis, een direkt voortvloeisel uit het Merovingische graafschap, dat vanouds aan de bisschopszetel van Noyon verbonden was en dat onder St. Eloy gestalte gekregen had. Auici is Auchy-la-Montagne, op 16 km noord van Beauvais. We weten inmiddels wel, dat Leupen ook hier geografisch en stratigrafisch staat te duimzuigen, daar Beek, Ooy en Ewijk qua bestaan en qua naam pas eeuwen later verschijnen.


    43. In noot 98 en 99 wordt verwezen naar Thijssen 'Nijmegen', Hendriks en Den Braven 'Nijmegen', en Van Enckevort en Thijssen 'Graven met beleid', en nogmaals Thijssen 'Ubbergse potten'; Harmsen, Hendriks en Den Braven, Archeologisch onderzoek, 69. Feitelijk weten we dan al dat al deze 'Nijmeegse' auteurs die hun 'eigen publicaties' moeten keuren, niet onbevooroordeeld zijn. Is hier sprake van de slager die zijn eigen vlees keurt? Het was ook Jan Thijssen die 'ontdekte' en stevig promootte dat Nijmegen de oudste stad van Nederland was. Hij was alleen Maastricht even vergeten en ging de gaten van Nijmegen dichten met enkele scherven van oranje-rood aardewerk, dat ook elders gevonden is en waarmee je ten aanzien van Nijmegen dan ook niets bewijst. Zou dat ook op een andere wijze er terecht gekomen kunnen zijn? Zie hierboven onder 33 en 36, waarbij gesteld wordt dat, hoewel grafvelden ontbreken, er toch wel bewoning geweest zou kunnen zijn. Waar begroeven deze bewoners dan hun overledenen of 'flikkerden ze die de Waal in'? Dit naar analogie van een opmerking die Albert Delahaye eens naar zijn hoofd geslingerd kreeg. Tijdens de opnamen voor de T.V. (Tros Aktua 16 juli 1981) stapte een werkman van de gemeente, de vakman!, die kennelijk zijn broodwinning in gevaar zag komen, op Albert Delahaye af en zei: "Nou moede gij eens ophouwe met die flauwekul, anders flikker ik oe de Waal in." Jammer genoeg wilde hij het voor de camera niet herhalen.
      Opvallend is dat oranje-rode baksel, die zogenoemde Ubbergse potten, zowel bij
      A.Verhoeven als in de opgravingsverslagen van Dorestad niet genoemd wordt.

    44. Zoekt men op internet naar de betreffende literatuur, dan lezen we in 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' onder redactie van Dolly Verhoeven: "Het (Ubbergse baksel) sluit qua kleur eerder aan bij de oudere, overwegend oxiderend gebakken producten uit de Romeinse tijd dan bij de traditioneel grijze Frankische knikwandpotten. Waarschijnlijk is in dezelfde periode in Wijchen vergelijkbaar rood aardewerk vervaardigd; andere productieplaatsen hiervan in de regio zijn gelegen in of nabij de laat-Romeinse castella van Cuijk en Krefeld-Gellep. Het Ubbergse atelier produceerde mogelijk ook voor een regionale afzetmarkt, wat past bij de activiteiten die doorgaans op een koningsgoed uitgevoerd werden. Soortgelijke scherven zijn op meerdere plaatsen in en nabij Lent in bewoningskernen aangetroffen". Bijna letterlijk dezelfde tekst als op p.301, met dit verschil dat verwezen wordt naar de Romeinse periode en niet naar de Merovingische periode.

      Zoek je wat verder op internet dan vind je het volgende: Het grijze en rode aardewerk wordt van dezelfde klei gemaakt. Als je het in de oven zonder zuurstof bakt, wordt het grijs. Voeg je wel zuurstof (lucht) toe in de oven, dan oxydeert de klei en varieert de kleur van lichtbruin, beige, fel rood tot oranje. In Vlaanderen blijkt dit oranje-rode aardewerk veelvuldig voor te komen, maar wordt daar wel gedateert vanaf de tweede helft van de 12de eeuw. Heeft men in Nijmegen ook buiten Gelderland gekeken? Wat bewijst het dan voor Nijmegen?

    45. In Archeologische Berichten Nijmegen - Briefrapport 121 lezen we:
      1. Typerend voor Nijmegen is de aanwezigheid van een tweede linie van dubbele grachten, waarvan de resten onder andere op de Eiermarkt en St. Josephhof aangetroffen zijn. Of er tussen deze twee verdedigingslinies bewoning plaats heeft gevonden, is onbekend. Wel weten we dat er in de eerste helft van de 4e eeuw nog aan de Waalkade gewoond werd. Daarnaast zijn op enige afstand buiten de tweede grachtenlinie aan de St. Canisiussingel aanwijzingen voor een vermoedelijk 'Frankische' nederzetting aangetroffen. De vondst van een hutkom en munten uit het midden van de 4e eeuw wijzen hierop. Het zijn dus slechts aanwijzingen voor een vermoeden, ofwel dubbele onzekerheid.
      2. De laat-Romeinse versterking op het Valkhof zou in de vroege middeleeuwen voor Nijmegen en omstreken voortgezet worden als een machtsbasis van de Merovingische en Karolingische vorsten. Van een bijbehorende nederzetting uit de 7e tot met 9e eeuw zijn tot op het heden nog maar weinig aanwijzingen gevonden, al wijzen vondstconcentraties in de Benedenstad wel in die richting. Uit latere eeuwen zijn er in de jaren tachtig van de vorige eeuw gebouwstructuren en aanzienlijke hoeveelheden scherven aangetroffen die dateren vanaf de 10e/11e eeuw. Vondsten en vooral structuren uit de gevorderde vroege en volle middeleeuwen in het hoger gelegen deel van de binnenstad – die geassocieerd kunnen worden met de palts op het Valkhof – zijn daarentegen schaars. In welke mate rondom het Valkhof in deze periode activiteiten zijn ontplooid is onduidelijk, maar gelet op parallellen met andere paltsen in Duitsland ligt dit in Nijmegen wel de lijn der verwachting. Tot nieuwe vondsten gedaan worden, zal de ontwikkeling van de laat-middeleeuwse stad uit pre-stedelijke bewoningskernen in het centrum van Nijmegen voorlopig ter discussie blijven staan. Hier geeft men toch gewoon toe dat er op het Valkhof geen Karolingische palts heeft gestaan of bestaan!

    De auteurs van deze publicaties zijn Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort en Jan Thijssen. In het Valkhof 2000 jaar wordt door hen hetzelfde geschreven, wat ook niet anders kan als je jezelf als bron opgeeft. Zoek je wat verder in deze teksten dan wordt nergens aangegeven hoe ze tot de dateringen en conclusies komen. Het blijken 'vermoedens in de lijn van verwachtingen' te zijn, zoals ze zelf schrijven.

    Over Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247 schrijft Bert Thissen (mede-auteur van Het Bronnenboek!) een artikel over de aanwezigheid van een Palts van Karel de Grote. Waarom blijven deze zich 'geschiedkundige' noemende personen zo vasthouden aan onbewezen mythen? Het Paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus of Numaga stond in Noyon, de stad waar hij ook gekroond werd tot Koning van de Franken. Karel de Grote is NOOIT in Nederland geweest. Er bestaat voor de opvatting van zijn aanwezigheid in Nederland geen enkel schriftelijk noch archeologisch bewijs. Nu kun je wel blijven zwaaien met oorkonden waarin Noviomagus genoemd wordt, maar met die naam alleen bewijs je niets, zoals het Bronnenboek van Nijmegen steeds doet, maar daarmee ontegenzeggelijk door de mand valt. "Ja, met Noviomagus uit de oorkonde uit 777 wordt Nijmegen bedoeld", stelde prof.dr.Post eens, "omdat het zo dicht bij Utrecht ligt". 'Dus alle plaatsen genoemd in de bullen van de Paus liggen dan in de buurt van Rome?' was de toepasselijke reactie van Albert Delahaye op Kerkhistoricus Post. Nu archeologisch is vastgesteld dat Utrecht in 777 niet eens bestond, valt het hele betoog van Post in het water, wat spreekwoordelijk is, aangezien Utrecht toen onder water lag. Transgressies weet je nog?

    Het was in 1956 dat de Nijmeegse oudheidkundige en classicus prof. F.J.de Waele in De Gelderlander van 8 december de mogelijkheid opende dat de eerste palts, die van Karel de Grote, niet en nooit op het Valkhof had gestaan, gezien het ontbreken van bevestigende archeologische resultaten. Gelijktijdig wees hij er ook op dat het Valkhof begin 1944, in verband met de geplande Duitse bunkerbouw ter plekke, diepgaand was omgespit. En al dat graafwerk had geen enkel Karolingisch spoor, rest of scherf opgeleverd. Wat hem betrof was de kwestie overduidelijk: op het Valkhof had Karel de Grote nooit zijn residentie neergezet.


Tot zover de bespreking van hoofdstuk 7. Het vervolg van het Verhaal van Gelderland vindt U in Hoofdstuk 8 : Het Karolingische en Ottoonse Rijk.


Wilt U meer weten over de ware geschiedenis van Nederland? Bestel het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!


Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.