De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het verhaal van Gelderland: hoofdstuk 8 Het Karolingische en Ottonse Rijk. (p.302-369).

De rijke geschiedenis van Gelderland is uitgegeven in een compleet en prachtig geïllustreerd overzicht, schrijft de uitgever.
In vier boeken behandelt Verhaal van Gelderland (2022) alle belangrijke thema's uit het Gelderse verleden, van de vroegste tijden tot nu. Van de mysterieuze grafheuvels op de Veluwe tot de machtige hertogen van Gelre. Van ordelijke Romeinse legerkampen tot weelderige adellijke landgoederen. Van de gewelddadige verovering van Grollo tot de mislukte slag om Arnhem.

Bij die rijke geschiedenis kunnen we toch heel wat vraagtekens zetten. Veel is een geschiedenis die niet van Gelderland is, maar van elders komt en allerminst rijk was, juist armoedig en betreurenswaardig.



Op de voorzijde van deel 1 prijkt pontificaal een afbeelding van (een deel van) de Peutingerkaart. Zie afbeelding rechts. Maar deze kaart is al net zo fout als veel van de inhoud van dit boek. Lees meer over de Peutingerkaart ofwel de Tabula Peutingeriana, dat aantoonbaar een falsum is.

Het Verhaal van Gelderland staat onder redactie van Dolly Verhoeven, Maarten Gubbels en Michel Melenhorst. De auteurs van de voor ons van belang zijnde hoofdstukken 4 t/m 8 in deel 1, zijn Paul van der Heijden, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Michel Groothedde en Nico W.Willlemse.
Het Verhaal van Gelderland biedt als het goed is ruimte voor debat en reflectie, schrijft Dolly Verhoeven in de introductie.
We hebben op 21 juli 2023 het verhaal van p.334 (zie hier) aan alle auteurs (voor zover te vinden op internet) gestuurd, maar tot heden slechts twee reacties gehad in een 'automatic reply'.
Wanneer begint dat debat en die reflectie? Van een debat of reflectie is tot heden nog maar weinig sprake!

Het is onbegrijpelijk dat 'professionele' historici waarvan je toch mag verwachten dat ze geschiedenis hebben gestudeerd, zoveel onjuistheden bij elkaar weten te schrijven. Het is vergelijkbaar met de wijze waarop ze de opvattingen van Albert Delahaye op pagina 334 hebben beschreven: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met de werkelijkheid.

Maar gelukkig geven ze ook zelf hun twijfel toe en erkennen ze regelmatig dat er problemen zijn in de traditionele opvattingen. Daarbij blijkt dat ze feitelijk te weinig kennis van zaken en deskundigheid bezitten, om de door henzelf opgeworpen problemen op te lossen. Vandaar dat wij hen helpen de twijfel en problemen op te lossen, vandaar dat deze besprekingen en opmerkingen over de geschreven teksten in hoofstuk 4 t/m 8 erg uitvoerig is geworden.

Wat in dit Verhaal van Gelderland beschreven wordt raakt de kern van de mystificaties van de fundamentele verwarring in het eerste Millennium. Alle benodigde correcties die we ook noemen zijn al te lezen in de boeken van Albert Delahaye. Dat deze boeken in de literatuurlijst van het Verhaal van Gelderland ontbreken, is dan ook veelzeggend en 'vanzelfsprekend' (voor deze auteurs), maar niet voor de historische waarheid. Deze auteurs moeten nu eens erkennen dat ze het altijd fout gehad hebben. Maar ja, erkennen van eigen ondeskundigheid gaat niet gebeuren, zoals de geschiedenis leert. Wij kunnen slechts adviseren eigen artikelen nog eens na te lezen en te vergelijken met mijn opmerkingen. Ik wens hen daar succes mee en verneem graag wat hun bevindingen zijn.

Er zijn ook anderen die twijfelen aan de juistheid en historiciteit van deze uitgave van het Verhaal van Gelderland. Zie daarvoor bijvoorbeeld het commentaar van J.Brouwer samengevat aan het eind van dit hoofdstuk 8.

Lees meer over:
Hoofdstuk 4, De Romeinen komen.
Hoofdstuk 5, Bloeitijd van Romeins Gelderland.
Hoofdstuk 6, Germanisering van de samenleving.
Hoofdstuk 7, Aan de rand van de Merovingische wereld.
De visie van Albert Delahaye.

We gaan bij de besprekingen van de hoofdstukken 4 t/m 6 zeker niet ontkennen dat de Romeinen in Nederland zijn geweest, zoals de auteurs beweren dat Delahaye dat gezegd zou hebben. Ze zijn er zeker geweest. Maar hun aanwezigheid was allerminst van internationele allure, zoals W.van Es dat al eens constateerde. Het bleek meer te zijn zoals Tacitus de Agri Decumates beschreef. Helaas weiden de auteurs graag uit met allerlei verhalen die nergens op gebaseerd zijn dan op eigen fantasie. We zullen maar denken dat de verkoopcijfers hier debet aan zijn, immers aansprekende verhalen verkopen beter dan de nuchtere feiten. Maar ging het slechts om de verkoopcijfers? Of was de bedoeling van deze uitgave eens op een rijtje te zetten hoe ver de historische wetenschap tot dusver gevorderd is? Is het slechts herhalen wat traditioneel ooit aangenomen is? Daar blijkt toch heel wat op aan te merken te zijn: zie de rode teksten.
Toch zijn de auteurs regelmatig heel eerlijk en spreken ze hun twijfel uit. Dat kan ook niiet anders, want twijfel is er altijd geweest in de geschiedenis van Nederland. Die twijfel blijkt wel door het gebruik van woorden als 'mogelijk' (iets blijkt mogelijk te zijn, 'misschien' (was het misschien zo?), 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk'. Ook het woord 'lijkt' komt ruim 100x voor in de teksten van hoofdstuk 4 t/m 8. Die twijfel spreekt ook uit het veelvuldig gebruik van het hulpwerkwoord 'zullen' (zal en zou). Dat komt in de hoofdstukken 4 t/m 8 meer dan 200 keer voor, zoals in zinnen als 'er zullen wel mensen gewoond hebben' en 'de ware toedracht zal ongewis blijven'. Lees je al deze zinnen achter elkaar, dan blijft er van het Verhaal van Gelderland weinig over.
Dat wordt ook beeldend weergegeven in 'De oorprong van de naam Gelre' (p.352). Het zou een drakenverhaal zijn geweest. Beter is het 'een draak van een verhaal' te noemen. Een spannend verhaal, maar zonder bewijs is het niet meer dan een nieuw ontstane mythe, schrijven de auteurs. Hetzelfde geldt voor meer verhalen in dit boek. Het zijn -zonder bewijs- inderdaad 'draken van verhalen'.



De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

De deplacement historiques beginnen met St.Ludger en de Saksen.
Het is onmiskenbaar dat de verhuizing van St.Ludger naar het oosten van Nederland en het westen van Duitsland werkelijk heeft plaatsgevonden. Het was het begin van alle andere verplaatsingen die NIET hebben plaatsgevonden maar als gevolg van de aanwezigheid van St.Ludger zijn getransporteerd. Het gaat daarbij om volkeren als Friezen en Saksen en predikers als St.Willibrord, St.Bonifatius, St.Lebuinus, St.Plechelmus, St.Ansgarius, St.Amandus en St.Adelbertus.


St.Ludger, stichter van kerken, sprak eens vermanend enkele ganzen toe. Frans-Vlaanderen is nog steeds bekend om de ganzenteelt.

Ludger werd geboren in Suabsna, wat Zouafques in Frans-Vlaanderen is. De opvatting dat het hier om Zwesen, Zuilen of Oud-Zuilen zou gaan (er is nog keus?), is een nooit bewezen opvatting van een verdwaasde historicus. In de tijd van St.Ludger (742-809) bestonden Zwesen, Zuilen of Oud-Zuilen niet eens. Dat staat archeologisch wel volkomen vast. St.Ludger was bisschop in de omgeving van Atrecht (=Arras). En dat ligt toch echt niet in Nederland. Zijn broer Hildgrinus, eveneens afkomstig uit Frans Vlaanderen, was bisschop van Châlons-sur-Marne, wat weer een aanwijzing is over welke streek het gaat. Zijn verblijf onder de Saksen vond plaats in Frankrijk langs de Kanaalkust, waar de Litus Saxonicum lag. De Saksen zijn pas na 793 door Karel de Grote naar Noord-Duitsland gedeporteerd, waarmee de traditie van St.Ludger ook in Duitsland en Oost-Nederland terecht kwam. Aannemelijk is dat Ludger met de gedeporteerde Saksen mee reisde en zo in de omgeving van Werden terecht kwam. Daarbij is de naam van het klooster van Werethina of Wethina die men ook meenam en doubleerde, verduitst tot Werden, net zoals dat gebeurde met de naam Epternacum tot Echternach. Het klooster van Werethina lag aan de kust, (zie Vita S.Ludgeri MGS II, p.412) dus kan nooit Werden geweest zijn. Het verblijf van Ludger in Utrecht en omgeving is net zo legendarisch als dat van St.Willibrord. Zowel tekstueel als archeologisch is daarvan ook nooit iets aangetoond. Twee voorbeelden mogen dat verduidelijken. Zie de hele lijst van ruim 200 plaatsen bekend uit de teksten over het klooster Werethina.

Het is veelzeggend dat Blok in zijn Lexicon (zie daar) Zuilen of Oud-Zuilen NIET noemt. Wel noemt hij Swesen, waarvan hij vermeldt dat het waarschijnlijk de oude naam van Zuilen is. Blijkbaar is Blok ook niet erg overtuigd van die locaties. Van Berkel en Samplonius vermelden deze locaties niet eens: (zie daar). Voor hen heeft de mythe van St.Ludger te Zuilen dus al afgedaan. Gysseling noemt Zwesen/Zuilen als het Suabsna van St.Ludger, maar bij Zuilen vermeldt hij Sulen (1200-1204).

Uit een oorkonde uit ca.804 waarin 14 plaatsnamen worden genoemd, proberen de Nederlandse historici met één plaatsnaam (Helewyrd zou Helwerd zijn) te bewijzen dat het hier over Nederland zou gaan. De overige 13 plaatsen (zie hiernaast) slaat men gemakshalve maar over. Een tekst vermeldt: "Een andere keer was de zalige Ludger bij de zee op de plaats die Werdina heet". Wie van dit Werdina het Duitse Werden wil maken, moet toch echt eens een atlas aanschaffen. Werdina was de plaats Werthina (spreek uit Fertina), wat nu Fréthun aan de Kanaalkust is, precies daar waar de Litus Saxonicum lag. Het was dus niet Saksen in Duitsland.

Het aantal overslagen is overigens tekenend voor de geschiedenis van de Lage Landen (les Pays-Bas in het eerste millennium. Het is nog steeds niet te verklaren dat Nederlandse historici, die zomaar locaties uit hun mouw schudden alsof het niets is, er toch niet in slagen de overige 99% van de plaatsen uit de oude kronieken in Nederland te localiseren en deze maar overslaan, ook alsof het ook niets is. Alle overgeslagen namen tonen elke keer aan, dat men in de verkeerde streek aan het zoeken is. In Noord-Frankrijk liggen ze allemaal.

De bevindingen van prof.dr. L.J.Rogier sluiten hier feilloos op aan: vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets..

Als de historici de levensloop (Vita) van St.Liudger eens secuur zouden lezen, was een groot deel van de deplacements historiques al opgelost.




Afbeelding van keizerin Theophanu en haar levensloop verstopt op de zijmuur van het casino in Nijmegen (eigen foto).



De Vita Ludgeri en in de akten genoemde schenkingen.
In het Vita S. Liudgert, en in de akten van schenkingen aan St. Ludger en de oudste oorkonden van het klooster Werden komen enige toponiemen voor, waarbij het de moeite loont, de juiste lokalisatie in Noord-Frankrijk te geven. Hierdoor kan afdoende worden aangetoond, dat de locaties van deze schenkingen geenszins in Nederland liggen, waar zij trouwens nooit zijn aangewezen, doch in Noord-Frankrijk. Tevens blijkt, dat de zogenaamde oorkonden van Werden evenzeer transcripties zijn als de oorkonden van de kerk van Vetus Trajeetum, op Utrecht toegepast. Enkele plaatsen zijn niet aan te wijzen'omdat er meerdere mogelijkheden bestaan van overeenkomstige namen, zoals bij nr.10. De plaatsen zijn:
1. Berilsi = Brailly, gehucht onder de gemeente Quesniy; Brally 1352.
2. Seaewald of Suifterbant.
3. Bidningahem of Bidinghahem = Boisdinghem, gemeente in het canton Lumbres; Bodningahem 844. Meerdere akten zijn hier uitgegeven.
4. Thornspic = Tournepuits.
5. Blidgeringmada = verm. een verschrijving van nr. 3.
6. Ad Os Amnis; door de klassieken in geografisch verband genoemd met de monden van de Renus.
7. Hisloi = pagus Isla, het land van Lijzei of de plaats Lyze.
8. Ocanni = st. Léonard,
9. Tuianti = niet aan te wijzen.
10. Huleri, kan zijn Hulluch, Huluz, Hulut, Huluce, Huclier, Huclers of Hukeliers.
11. Hrenheri = niet aan te wijzen.
12. Werethinum = Weretha, nabij Sangatte. Een andere tekst zegt: "Ad Rheni ostia",
13. Diapenbeci sive Werethina, nabij Weretha. Mogelijk is een der beide Dippendale bedoeld.
14. Hasungen = Hazuingue, leengoed onder de gemeente Réty.
15. Helmissi = Hermies, gemeente in het canton Bertincourt.
16. Actum Brimmum = Brimeux, gemeente in het canton Campagne-lez Hesdin. Brivennacum 1042. In 1153 nog bekend als Brimaeus.
17. Quarsingseli = Questelingues,
18. Berngtanscotan = Bertincourt, gemeente in het canton Arras; Bertinocurtis 799. (Er zijn nog andere mogelijkheden).
19. Bochursti, kan zijn Buissiere, Buxeria of Bucki.
20. Telgus = Tilloy-les-Mofflaines, gemeente in het canton Arras-Sud: Tilgidum 680.
21. Englandi = niet aan te wijzen.
22. Braclog = Brouxolles, leengoed onder de gemeente Moringhem of Brouxolles, onder de gemeente Landrethun-le-Nord.
23. Felum = FIennes , gemeente in het canton Guînes.

In deel 1 van de vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt in de hoofdstukken 4 t/m 8 de geschiedenis beschreven zoals die traditioneel is vastgesteld. In hoofdstuk 8 dat hier besproken wordt komt de hele Karoligische mythevorming aan de orde. Het was juist het ontbreken van het Karolingische palts in Nijmegen die Albert Delahaye op het spoor van de mystificaties zette. In dit hoofdstuk wordt op pagina 334 ook de visie van Albert Delahaye genoemd (zie daar), helaas onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat Delahaye zelf geschreven heeft. Het is kenmerkend voor meer in dit boek: onvolledig, onjuist en in tegenspraak met wat andere historici schrijven.

Hoofdstuk 8 Het Karolingische en Ottoonse Rijk is geschreven door Michel Groothedde alleen (volgens pag.7), maar ook door Joep Hendriks met medewerking van Nico W.Willemse en Arjan de Braven (volgens opgave op p.4).
De grondfout van dit hoofdstuk is dat men Nijmegen klakkeloos opvat als het Noviomagus uit zowel de Romeinse als de Karolingische tijd. Daarvoor ontbreekt elk schriftelijk of archeologisch bewijs. Nijmegen bleek meerdere tradities te hebben, maar geen bewijzen voor die tradities, of zoals prof.dr.F.Hugenholtz dat eens stelde: "dat Karel de Grote een paleis in Nijmegen had, dat hoeven we toch niet te bewijzen? Dat weet toch iedereen? Het bleek nog nooit met bewijzen aangetoond te zijn. Op zoek naar die bewijzen, kwam Delahaye tot een volledig andere conclusie: het Noviomagus uit de bronnen bleek de Franse stad Noyon te zijn, de stad waar Karel de Grote in 768 gekroond werd tot Koning van de Franken.
De hiermee aangetoonde fundamentele verwarring tussen Nijmegen en Noyon bleek meer Nederlandse plaatsen te betreffen. De historische verplaatsingen van plaatsnamen, predikers en enkele volkeren, zoals de Saksen, komen in dit hoofdstuk ook duidelijk aan de orde. We geven steeds letterlijke citaten uit de tekst en plaatsen er in rood onze opmerkingen bij. Belangrijk vragen bij dit hoofdstuk zijn steeds "Hoe komt men tot deze opvattingen of schrijft men slechts gelijkgestemden na? en "Welke tekstuele of archeologische bewijzen heeft men voor deze opvattingen?"


Vanwege het tussenvoegen van nieuwe bevindingen kan de nummering hieronder wijzigen.

  1. Het kaartje op p.302 toont "Gelderland in de Karolingische tijd" (750-925). Zie afbeelding hiernaast. Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw scherm.

    De legenda op deze kaart vermeldt het volgende: "Als gevolg van de incorporatie in het Karolingische Rijk neemt het aantal nederzettingen, kerken en handelsplaatsen fors toe" Inderdaad zou dat zo zijn, als je deze kaart moet geloven.
    Volgens de legenda van deze kaart had Nijmegen een palts (wat al onjuist is), waren er in Gelderland 5 versterkte centra (wat is een versterkt centrum: een stad?), waren er 32 nederzettingen/domeinen en 5 kleine versterkingen. Tussen 700 en 1000 zouden er liefst 8 handelsplaatsen zijn geweest (inclusief Deventer, Utrecht en Dorestad, die toch niet in Gelderland liggen?) en zouden er 22 kerken zijn geweest in Gelderland (ook weer inclusief Utrecht, Dorestad en Deventer). Nu is de vraag op grond waarvan de auteur van dit hoofdstuk (Groothedde) tot deze aantallen komen.

    We gaan ze allemaal bespreken in de loop van dit hoofdstuk, ook die niet in Gelderland liggen, zoals Asselt of Elsloo? en Duisburg. Duidelijk is al dat van een palts in Nijmegen geen spoor is gevonden. Het heeft er niet bestaan vóór de 12de eeuw. Alle teksten die men in het Bronnenboek voor Nijmegen gebruikt, gaan over Noyon en enkele andere plaatsen die in de Romeinse tijd ook Noviomagus heetten. Van een kerk is in Dorestad archeologisch ook al geen spoor gevonden, terwijl er volgens de geschreven bronnen meerdere geweest moeten zijn. De oudste kerk in Utrecht is van nà het jaar 1000, net als die in Deventer. Over het kerkje in Zelhem kunnen we net zo kort zijn. De oudste archeologische sporen zijn van in de 10de eeuw. De tekst uit 801 waarin Salahem genoemd wordt, gaat dan ook niet over Zelhem, dat in 800 nog lang niet bestond. Er bestond daar in elk geval nog geen kerkje dat door Ludger gesticht zou zijn. Salahem was Escalles in Frans-Vlaanderen, waar St.Ludger predikte onder de Saxones en waar ook zijn voorouders vandaan kwamen. Het Nederlandse Zuilen waar hij geboren zou zijn, is een farce. Lees meer over Zelhem.

    Dit voorbeeld over Zelhem geeft duidelijk aan dat de ene mythe onherroepelijk met de andere verbonden is. Plaatst men eenmaal één gebeurtenis fout, dan dient de rest te volgen. Andersom: als die ene gebeurtenis onjuist geplaatst is, dan dient ook de rest te vervallen! Prof.dr.F.Hugenholtz had dat ook goed begrepen toen hij stelde: "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker." En Delahayer kreeg niet op één onderdeel gelijk, maar op honderden onderdelen. Lees zijn boeken er maar op na en bekijk wat er van zijn visie al stilzwijgend is overgenomen, zoals over de naamkunde, de taalgrens, de transgressies, de grote volksverhuizing, de Bataven in de Betuwe?, de Noormannen in Nederland?, het bestaan van Utrecht in de tijd van Willibrord? en het bestaan van Dokkum in de tijd van Bonifatius?

  2. In het vorige hoofdstuk werd duidelijk dat heel veel (nog) onbekend is door een schaarste aan bronnen en archeologische vondsten. En boven de grond is er uit die tijd al helemaal niets meer te zien in Gelderland (p.303). Deze auteurs geven hiermee feilloos aan dat van het verhaal in hoofdstuk 7 weinig juist is. Er wordt veel beweerd, maar er is niets van te vinden of te zien.

  3. Dat verandert in de tweede helft van de vroege middeleeuwen: de Karolingische en Ottoonse tijd (ca. 750-ca. 1025). Er komt 'licht in de duisternis'. (p.303).Deze auteurs hebben het nog over de 'duisternis', de donkere tijd van de Middeleeuwen die ten einde kwam in de Karolingische tijd. Hiermee blijken deze auteurs nog steeds achterhaalde opvatting te hanteren. Zie ondermeer het boek 'De Gouden Middeleeuwen' van Annemarieke Willemsen, die toch geschreven heeft dat er geen duistere tijd heeft bestaan. Haar boek staat ook in de literatuurlijst. Hebben ze dat boek niet gelezen? Die duistere tijd komt voort uit de gedachten van enkele historici die over die tijd weinig wisten te melden.

  4. Het aantal geschreven bronnen wordt nu behoorlijk groter. Vooral kerken en kloosters schreven veel op in de vorm van oorkonden of goederenlijsten, maar ook in levensbeschrijvingen en annalen (p.303).Hier komen we precies terecht bij de grootste misvattingen in de historische tradities. Alleereerst was het aantal geschreven bronnen al langer heel groot, maar die vond men niet in Nederland maar in Frankrijk. Welke kerk en welk klooster bestond er in Nederland al in de 8ste eeuw? Het oudste klooster van Utrecht werd pas in 1050 gesticht. Egmond dan? Helaas ook pas in de 12de eeuw gesticht en niet in 950 wat de traditionele opvatting is. De geschreven bronnen die men in Nederland hanteert kwamen uit het zuiden. De oorkonde uit 777 is een sprekend voorbeeld van een misverstane akte. Deze gaat over Frankrijk en niet over Utrecht, dat toen nog onbewoond was. Van goederenlijsten zijn enkele voorbeelden te geven dat die niet in Nederland te plaatsen zijn, maar in Frankrijk thuishoren. Het Psalter van Utrecht kwam uit Reims, oorspronkelijk uit Abbeville, de Annalen van Egmond kwamen via Gent oorspronkelijk uit St.Omaars. Lees meer over de Oorkonde uit 777. Lees meer over de goederenlijst uit 870, de goederenlijst van het klooster van Werden en over het klooster van Egmond. Blijkbaar heeft Groothedde nooit de boeken van prof.dr.R.R.Post gelezen over de 'Kerkgeschiedenis in Nederland in de Middeleeuwen'. Dan zou hij immers geweten hebben dat al die 'oude' kerken in Nederland nooit bestaan hebben. Lees meer over Kerken in Holland, Kerken in Brabant en Kerken in het Oosten en Kerken en Goederen in Friesland. Lees meer over levenbeschrijvingen van Heiligen.

    Over Nederlands geschreven bronnen blijft de uitspraak van Jacob van Oudenhoven van toepassing. Jacob van Oudenhoven schreef al in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.

  5. Ook de archeologische informatie is omvangrijker en veelzijdiger dan die van de voorafgaande periode. En er zijn nog sporen terug te vinden in het landschap (p.303).Welke sporen betreft dat? Hier kan nogmaals herhaald worden wat onder punt 2 al genoemd is: voor het verhaal in hoofdstuk 7 bestaat is dus weinig archeologisch bewijs te vinden.

  6. De Frankische koningen streefden er ook naar om de oude Romeinse glans te herstellen in bestuur, cultuur en religie. Terugverwijzend naar de Romeinse tijd spreekt men ook wel van de Karolingische renaissance. Er is voor Gelderland een verschil. Anders dan in de Romeinse tijd maakte de huidige provincie nu volledig deel uit van het imperium. (p.303).Ben toch benieuwd waaruit dat zou blijken. Met Annemariek Willemsen kunnen we concluderen dat "archeologisch de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden zijn. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".
    En als dan het paleis van Karel de Grote in Nijmegen niet te vinden is (zie in de linker kolom de Fundamentele verwarring) en Utrecht in 800 nog niet bestond, houdt toch ook dit hele verhaal op!


  7. Het centrum van de macht verschoof daarmee van Centraal- en Noord-Frankrijk (Neustrië), waar de Merovingische koningen hun machtsbasis hadden gehad, naar het noordoosten van Frankrijk, Luxemburg, Wallonië en aangrenzend Duitsland (Austrasië), het machtsgebied van de hofmeiers (p.304).Hier wordt Duitsland abusievelijk Austrasië genoemd. Het is de gebruikelijke onjuiste opvatting, afgebeeld in zowat alle historische atlassen. Austrasië lag tussen de Somme en Seine en had als belangrijkste steden Reims, Metz en Soissons. Daar zit geen meter Duitsland bij. Ook Neustrië was kleiner dan hier wordt voorgesteld. Neutrië lag tussen de Seine/Marne en de Loire en had als belangrijkste steden Noyon, Angers, Le Mans, Tours, Blois, Sens en Parijs (St.Denis). Lees meer over Austrasië en Neustrië.

    In deze eerste pagina's van dit hoofdstuk blijkt dat de auteur uitgaat van enkele traditionele en hardnekkinge onjuiste opvattingen, die zelfs deels algemeen als achterhaald gelden. En als de premisse onjuist is, zijn ook alle daarvan afgeleide deducties onjuist, wat uit het vervolg van dit hoofdstuk ook blijkt.
    Daarnaast viert ook hier de 'naschrijverij' hoogtij. Men verwijst naar anderen, zonder de bron te controleren. Een voorbeeld: op p.306 worden de oudste nederzetting Zelhem, Lochem, Lievelde en Verden genoemd. In noot 6 wordt verwezen naar Roy van Beek, die weer verwijst naar Sloet (1872-1876). Echter dit boek van Mr.L.A.J.W. Baron Sloet ("Oorkondenboek der Graafschappen Gelre en Zutfen") ontbreekt in de literatuurlijst. De auteur van dit hoofdstuk heeft dus niet even bij Sloet gecheckt of wat Van Beek stelt, wel juist is. Sloet vermeldt dit overigens nergens. Zie verder punt 15.

    Het is overigens zeer interessant en leerzaam om te lezen wat Sloet schrijft in dit Oorkondenboek. Je leest er hoe bepaalde opvattingen tot stand kwamen (het worden vaak gissingen genoemd) en dat er de nodige discussie bestond, discussies die tot heden nog voort zouden moeten duren, maar door de redactie van Verhaal van Gelderland worden afgehouden.


  8. De directe koninklijke aandacht kwam dichter bij het huidige Gelderse gebied te liggen. Zo dichtbij zelfs, dat men de streek rond Nijmegen tot dit Austrasische kerngebied zou moeten rekenen. Tenminste, als Einhard, de biograafvan Karel de Grote, op zijn woord geloofd mag worden. De bouw van dat laatste paleis moet kort voor 777 hebben plaatsgevonden, want in dat jaar is het bezoek van Karel de Grote aan de palts te Niumaga in een oorkonde van 8 juni opgetekend. Eerder dat jaar zou hij er al geweest zijn om Pasen te vieren (p.304). Men kan niet langer de tekst van Einhard serieus nemen. Er staan meerdere onjuistheden en fouten in, zoals dat Karel de Grote al deel genomen zou hebben aan een Kruistocht. In de 8ste en 9de eeuw was daarvan nog geen enkele sprake. Toch is het een interessante bron, ondanks alle fouten. Zie ook punt 18. Lees meer over Einhard. Op het jaar 777 komt de traditie vanwege de oorkonde uit dat jaar, die altijd onjuist is toegepast op Nedeerland. Historici gingen uit van de onbewezen opvatting dat het paleis Noviomagus in Nijmegen zou hebben gestaan en deze oorkonde over een schenking aan het bisdom van Willibrord (die in 739 overleden was) er geschreven zou zijn. Hier is dus duidelijk sprake van een cirkelredenering.

  9. Het rivierenland was voor de Franken net zo belangrijk als het voor de Romeinen was geweest. Maar ook Utrecht, bisschopszetel en missiecentrum, lag aan de Rijn (p.305).In de tijd van Karel de Grote bestond Utrecht niet en was dus ook geen bisschopszetel of missiecentrum. De Fresones die Willibrord bekeerde woonden in Vlaanderen. Lees meer over de Fresones. Lees over de Franken ook punt 6 hiervoor.

  10. De Rijn werd een Frankische rivier en Dorestad groeide in de achtste eeuw uit tot een langgerekt handelscentrum, dat zich meerdere kilometers langs de Rijnoever uitstrekte. Feitelijk was Dorestad daarmee de kern van een veel groter nederzettingsgebied dat betrokken was bij de uitwisseling van luxegoederen in het Frankische Rijk. Daar bevond zich ook een administratief centrum van het Frankische gezag (p.305).Wat hier over Dorestad verhaald wordt is volkomen onjuist. De opgegraven nederzetting bij Wijk bij Duurstede was allerminst een stad, maar een dorp van jagers en vissers met een lint bebouwing. Het was de plaats Munna, zoals vermeld in de Kroniek van Kamerijk. Over handel met of vanuit deze boeren nederzetting bestaan geen archeologische bewijzen, zoals Arno Verhoeven duidelijk heeft aangetoond. Lees meer over Dorestad en vooral dat opgraver W.van Es zijn vergissing heeft gecorrigeerd in een bijeenkomst in Hedeby/Schleswig van de Stockholms Universitet in 1998.

  11. Het Gelderse rivierenland bleef vanaf Arnhem en Nijmegen tot aan de kust bij Katwijk verhoudingsgewijs intensief bewoond. Niet de nederzettingen bepaalden echter de geografie van de handel, dat deed de rivier, of beter gezegd het stelsel van rivieren: de Rijn, Waal, Linge en IJssel (p.305).Ben benieuwd welke nederzettingen hier bedoeld worden (die op het kaartje op p.302?) en welke handel en met wie? Lees meer over de rivieren, met name de Waal en de IJssel.

  12. Verder naar het noorden was het land van de Friezen al door Karel Martel aan het rijk toegevoegd. Het bleef er onrustig en de Friezen kwamen herhaaldelijk in opstand tegen het Frankisch gezag. Behalve de schattingen (belastingen) die de Franken aan de Friezen oplegden, was hun kersteningsdrang een blijvende bron van conflicten. Met als hoogtepunt de moord op Bonifatius in Dokkum in 754 (p.305). Noem die laffe moord maar een 'hoogtepunt'. Ja, Dokkum vaart er wel bij vanwege het toerisme, maar de plaats van die moord was toch bij Dockynchirica, wat Duinkerke in Frans-Vlaanderen was. Daar woonden de Friezen en niet in Nederlands Friesland. Dat Karel Martel het land van de Friezen al aan zijn rijk had toegevoegd is juist, alleen lag dat land van de Friezen (Fresones) al sinds de Romeinse tijd in Vlaanderen. Alle veldslagen tussen de Fresones en de Romeinen, Merovingiërs en Franken, vonden plaats in Frankrijk. Lees meer over de Fresones en over Dokkum.

  13. Meer oostelijk was sprake van het 'land van de Saksen', al is dat een rekkelijk begrip. Het is niet ondenkbaar dat er ook Saksen woonden op de Veluwe en in het IJsseldal, maar die laten zich archeologisch moeilijk onderscheiden. In de grafvelden van Rhenen en Wageningen zijn weliswaar Saksische urnen aangetroffen, maar in de nederzettingen op de Veluwe en in de westelijke Achterhoek komt typisch Saksisch aardewerk nauwelijks voor (p.306).Het was archeologe Annemarieke Willemse die vast stelde en verklaarde dat "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland archeologisch niet te bewijzen is". En dan lezen hier toch weer dat het niet ondenkbaar, maar toch archeologisch moeilijk te bewijzen zou zijn.

  14. Deze vrij dunbevolkte, natuurlijke buffer moet de bewoners in het Frankische westen de indruk hebben gegeven dat daarachter het land van de Saksen lag. Dat gebied strekte zich uit tot voorbij de Elbe en omvatte de hele Nederduitse laagvlakte (p.306).Hoe weet Groothedde dat het de Franken de indruk zou hebben gegeven? Ook hier gaat men uit van de onjuiste opvatting dat de Saksen in het oosten van Nederland en in Noord-Duitsland woonden. Dat was in de 10de eeuw en later wel zo, maar beslist nog niet in de 7de en begin van 8ste eeuw. Pas vanaf 782 werde de Saksen door Karel de Grote gedeporteerd buiten het Frankische Rijk en kwamen in oost-Nederland en Noordelijk Duitsland terecht. Met hen kwamen ook de predikers Amandus, Lebuinus, Plechelmus er tercht en kwam de deplacements historiques pas goed op gang met verplaatsing van honderden plaatsnamen, zoals: Brêmes werd Bremen, Hames-Boucres werd Hamburg, Werethina werd Werden. De Saksen woonden aan het Kanaal aan de Litus Saxonicum. Lees meer over de Saksen.

  15. Op de rivierduinen en dekzandruggen, en aan de voet van de stuwwallen die deze rivieren begeleidden, lagen veel nederzettingen. Van een aantal is vastgesteld dat ze een Karolingische of zelfs oudere oorsprong hebben, zoals Zelhem, Lochem, Lievelde en Vreden. Het is onmogelijk te bepalen of deze nederzettingen 'Frankisch' of 'Saksisch' waren (p.306).Hoewel het onmogelijk te bepalen is, worden deze plaatsen Karolingisch genoemd. Blijkbaar heeft Groothedde nooit gelezen wat archeologe Annemarieke Willemsen daarover geschreven heeft, hoewel haar boek wel in de literatuurlijst staat. Haar conclusie was toch wel heel duidelijk: zie hiervoor punt 13.
    Deze vier plaatsen worden bij elkaar genoemd alsof ze een eenheid vormden en daarmee overtuigend bewijs wordt geleverd van een Karolingische oorsprong, die dus niet te bepalen is (sic?). In noot 6 wordt als bron verwezen naar Roy van Beek en Henk van der Velde die beiden een dissertatie (een proefschrift ter verkrijging van de graad van 'dokter') schreven over de oude bewoningskernen. Van Beek verwijst in zijn dissertatie voor het merendeel van zijn betoog naar Van der Velde, Verlinde en Groenewoudt. Van der Velde verwijst op zijn beurt weer naar Verlinde en Groenewoudt. 'naschrijverij' ten top. Van Beek en Van der Velde noemen deze plaatsen niet in een samenhangend verband. Wat schrijven beiden over de plaatsen Zelhem. Lochem, Lievelde en Vreden? We zetten het even op een rijtje:

    Wat schrijft:
    Zelhem
    Lochem
    Lievelde
    Vreden
    Roy van Beek:
    verwijst in zijn proefschrift steeds naar Van der Velde (73x), Verlinde (meer dan 900x) en Groenewoudt (ruim 450x). Hij verwijst slechts 5x naar Sloet als bron.
    In Zelhem is vastgesteld, dat de oudste herkenbare bouwfase van de kerk bestaat uit een rechthoekig gebouw met afmetingen van vier bij zes meter en een fundering van ijzeroerbrokken. Op enkele plekken werden onder dit fundament menselijke skeletresten gevonden, die echter niet gedateerd zijn. De stichting van de kerk door de missionaris Liudger wordt omstreeks 800 gedateerd. Omdat dergelijk onderzoek voor de Achterhoek ontbreekt, is bijvoorbeeld niet bekend of steden als Doesburg, Lochem en Doetinchem net als Deventer en Zutphen een oorsprong in de Karolingische tijd hebben. Noemt een urnenveld, de Erve-Kots en de vindplaatsen van Enter, Lievelde en Eefde illustreren dat de locatiekeuze van een deel van de vroegmiddeleeuwse grafvelden in Oost-Nederland geðrienteerd was op laat-prehistorische begravingslandschappen. Vermeldt slechts de late ijzertijd en vroeg-Romeinse tijd. Niets over de Karolingische tijd.
    Henk van der Velde:
    verwijst in deel 1 van zijn proefschrift meerdere keren naar Verlinde (74x) en Groenewoudt (42x), maar ook 76x naar Van Beek. In deel 2 nogmaals 45x naar Van Beek, 95x naar Groenewoudt en 68x naar Verlinde.
    Sloet noemt hij nergens, ook in deel 2 niet.
    Hoewel de resultaten van al deze onderzoeken gepubliceerd zijn, betreft het 'slechts' opgravingsverslagen die een geringe verspreiding kennen en dikwijls worden aangeduid als 'grijze literatuur'. De naam wordt in 801 genoemd wordt in verband met het bezoek van Liudger aan de plaats. Vanaf die periode stond ter hoogte van de huidige kerk een kleine kapel die in de loop van de 9e/10e eeuw uitgroeide tot de kerk van de moederparochie Zelhem. Over Lochem schrijft hij niets. Bij Lievelde werd een 13e-eeuws boerenerf blootgelegd. Verder schrift hij niets over Livelde. Hoewel Vreden net over de grens ligt, vertoont de constructie van een daar opgegraven boerderijplattegrond uit de Vroeg-Romeinse tijd overeenkomsten met die van onder andere Losser en Borculo. De plattegrond is niet volledig opgegraven. Verder schrijft hij niet over Verden.

    Het hele verhaal is dus gedateerd naar Liudger, die rond 800 in Zelhem een kerk gesticht zou hebben. Maar Liudger hoort thuis in Frans-Vlaanderen, waar hij geboren is en zijn (groot-)ouders woonden en het Salahem uit de oude akte ligt.


    Overigens is de inhoud van de hele dissertatie van Roy van Beek nogal twijfelachtig. Liefst 614 keer noemt hij iets '(on-)mogelijk', 22x schrijft hij 'wellicht', 35x is iets 'onzeker' of 'niet zeker', 82x is het een 'aanname' of is het 'aangenomen', 38x schrijft hij 'zonder twijfel' en 25x 'ongetijfeld'. Van Beek geeft hiermee dus duidelijk aan dat er nogal veel twijfel bestaat over meerdere aangenomen tradities. Hoeveel zekerheid blijft er dan nog over?

  16. Maar de Saksen vielen regelmatig de Frankische gebieden binnen, plunderden domeinen en verwoestten kerken. De bronnen erover zijn uitsluitend Frankisch en dat kleurt het beeld van deze periode, die bekendstaat als de tijd van de Saksenoorlogen, nogal in het voordeel van de Franken. In elk geval gebruikte Karel de Grote de opstanden in Oost-Friesland en de Saksische plunderingen als aanleiding om de Saksen in het hart te treffen. In 772 vielen de Franken het Saksenland binnen en verwoestten de Irminsul, een belangrijk Saksisch heiligdom waar ook recht gesproken werd. Dit was het begin van een langdurige oorlog, die ook voor het Gelderse gebied grote gevolgen zou hebben (p.306/307).Dat de bronnen uitsluitend Frankisch zijn en gekleurd, geeft aan dat men die omzichtig dient te behandelen. Daarnaast bestaan van al die bronnen alleen maar kopieën, waarvan we niet weten wat er allemaal is aangepast aan later ontstane opvattingen. Die 'aanpassingen' blijken bijvoorbeeld al uit de verschillende schrijfwijzen van plaatsnamen en diverse 'leesfouten'.
    In noot 7 wordt terecht vermeld dat over de locatie van de Irminsul (en er waren vermoedelijk meerdere Irminsuls, volgens Groothedde) geen zekerheid bestaat. Vaak wordt Eresburg bij Sauerland als plaats van handeling aangewezen. Die meerdere Irminsuls hebben niet bestaan. Dat is slechts een uitvlucht om teksten passend te maken met eigen opvattingen. Er spreekt in elk geval twijfel uit. De vraag is waarom de Saksen vanuit Noord-Duitsland in Frankrijk zouden gaan plunderen, zoals in Inchy-en-Artois, een plaats die met name genoemd wordt? In 772 nam Karel de Grote in de strijd tegen de Saksen hun vestingen Aresbuch (Aremberg op 8 km noord-west van Valenciennes) en Sigiburg (Simberg op 10 km noord-oost van Boulogne) in en hun bolwerk en trots Irminsul (Zermezeele op 4 km noord-west van Cassel). Van de overzijde van de Wisera (niet de Wezer -ook een gedoubeelrde naam- maar de Wimereux) kwamen andere Saksen hun onderwerping aanbieden. De vesting Irminsul lag dus bij Zermezeel op 4 km noordwest van Cassel (niet Kassel (sic!). Karel de Grote heeft bij deze gelegenheid 4200 gevangen genomen Saksen laten vermoorden. Het is een oorlogsmisdaad, ook in die tijd al! Het getuigt eveneens van een weinig Christelijke installingen van Karel de Grote. Zie ook het verhaal over Einhard hierna.
    De bronnen zijn inderdaad uitsluitend 'Frankisch' en wel: de Annales Laurissenses, MGS, I, p. 117. Chronicon Moissiacense, MGS, I, p. 295. Annales Pataviani, MGS, I, p. 16. Chronicon Vedastinum, MGS, XIII, p. 703. Sigiberti chronicon, MGS, VI, p. 334. Einhardi annales, MGS, I, p. 151.


  17. Ook in het IJsseldal woonden christenen. Vanuit Utrecht kwamen missionarissen om de gelovigen aan de IJssel bij te staan. In de periode 765-768 stichtte de in Utrecht gestationeerde Engelse missionaris Lebuinus kerken in Wilp en Deventer. Hij trok verder naar het land van de Saksen, maar haalde zich de woede van de Saksische stamhoofden op de hals toen hij hun de les las tijdens een Saksenvergadering in Marklo, aan de Weser. Lebuinus wist ternauwernood te ontkomen en keerde terug naar Deventer. Rond 773 stierfhij, waarna hij in Deventer werd begraven (p.307).Wat er over de prediking van het Christendom geschreven wordt, is in Nederland volkomen misplaatst. Utrecht bestond niet eens in de 8ste eeuw. Lees daar alles over in het Jaarboek Oud-Utrecht. Het vond allemaal plaats in Frankrijk waar de Saksen en Lebuinus geplaats moeten worden. De plaatsen die in de Latijnse teksten genoemd worden lagen in Frankrijk. Daventre, waar koning Zwentibold in 896 de immuniteit van het bisdom bevestigt, is Devres op 17 km zuidoost van Boulogne. De plaats wordt ook Daventre genoemd in de oorkonde van het St. Bertijns-klooster te St.-Omaars, samen met de naburige plaats Frechana (Ferques) op 5 km noordoost van Marquise. Wilp (ook geschreven als Wilpa) waar de inwoners voor St. Lebuinus een kerk bouwden, is Oppy op 10 km noordoost van Atrecht in het gebied van de Isla (de Lys). De plaats is in regionale bronnen bekend als Wilpi en Vulpi (Let Op: W in handschriften is VV en wordt gelezen als Vu). Marklo, waarvan in het Leven van St. Lebuinus wordt gezegd dat hij er een vergadering van Saksen verstoorde, wordt door D.P.Blok als Markelo (Ov.) opgevat. Het is Merck-Saint-Liévin op 16 km zuidwest van St.-Omaars, dat heden nog de heilige (Liévin is dezelfde heilige als Lebuinus) in zijn naam draagt. In de tekst staat dat de plaats gelegen was aan de Wisura. Dit is een schrijffout voor Withea (witte rivier), onder welke naam de Albis of Aa ook in andere vroegmiddeleeuwse teksten voorkomt. De Nederlandse rivier IJssel is een doublure van de Isla en is de Lys of de Lijzel bij St.-Omaars. Lees meer over Lebuinus, die in Frankrijk St.Liévin heet en in België St.Lieven. Lees meer over de IJssel.

    Hier komt het fenomeen van de historische verplaatsing perfect tot uiting: St.Lebuinus, de IJssel, Deventer, Wilp, Marklo horen allemaal in Frankrijk thuis, maar daar heeft Groothedde, de auteur van dit hoofdstuk (maar ook andere historici) geen weet van. Zij volgen braaf de traditie die dit in de 13de eeuw en later allemaal in Overijssel plaatste, waar in die tijd vanuit het toen wel bestaande bisdom Utrecht, deze tradities werden ingevoerd. 'Schuldig' aan die misplaatsingen zijn met name Johannes de Beka en Wilhelmus Heda. Echt schuldig zijn de latere historici die de valsheid van hun geschrijf niet door hadden. Die historisch verplaatsingen worden bewezen door de abdij van Lorsch die tussen 776 en 1024 ruim 130 plaatsen in de Batua bezat. Die 130 plaatsen zijn in de Nederlandse Betuwe onvindbaar, op een enkeling na. Albert Delahaye heeft al die plaatsen wèl gelocaliseerd, niet in de Betuwe, maar in het land van Béthune in Frankrijk. Daarmee wordt ook precies bewezen dat de Batua niet de Betuwe was, maar een landstreek in Noord-Frankrijk. Ook de Veluwe bestaat in Frankrijk en wordt daar als de Romaanse Felua geïdentificeerd, maar is zeker niet de naamgever van de Germaanse naam van Veluwe. De Nederlandse naam Veluwe komt voor het eerst nieuw op in de 11e/12e eeuw en is een simpele tegenhanger van Betuwe. “Slechte (vileine) aarde” (Veluwe) en “goede aarde” (Bet-uwe, denk aan beter).

  18. Wat keizer Augustus niet was gelukt, kreeg Karel de Grote voor elkaar: de 'grens' van het Frankische Rijk verschoof van het IJsselgebied naar de Elbe. En daarmee kwam voor het eerst de hele latere provincie Gelderland binnen een groot rijk te liggen, nadat het gedurende de eerste 800 jaar van onze jaartellingvooral aan de randen ervan had gelegen (p.307). Dit hele verhaal is vooral gebaseerd op de aanwezigheid van een paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Het heeft er nooit bestaan. De hier genoemde Elbe was de Albis in Frans-Vlaanderen. Het rijk van Karel de Grote wordt in alle historische atlassen onwaarschijnlijk groot afgebeeld. Het beperkte zich tot Frankrijk en niet eens tot heel Frankrijk. Lees meer over Karel de Grote die nog steeds als een vredelievend vorst wordt voorgesteld. Hij was echter de Dzjengiz Khan van de 8ste eeuw. Weigering om je te bekeren leidde niet zelden tot de dood, schrijft Groothedde (p.307). Niet zelden? Altijd. Het was immers de keus tussen de doop of de dood. Slechts de laatste letter werd een halve slag gedraaid. Het Christendom werd slechts gebruikt om de bevolking aan de Karolingen onderhorig te maken. Met het aanvaarden van de gosdsdient van de Franken, erkende men de onderwerping aan de macht van de Franken. Daarom is de moord op Bonifatius ook een politieke moord en geen godsdienstige. Het ging niet om de godsdienst op zich, maar Bonifatius werd door de Friezen gezien als de vertegenwoordiger van de Frankische macht en hun godsdienst. Lees meer over Bonifatius, die voorzitter was van de synode van Frankische bisschoppen. De godsdienst was een politiek 'wapen' en werd ingezet als rechtvaardiging en legitimering van de misstanden die plaats vonden, precies wat in tegenwoordige oorlogen nog steeds het geval is. Karel de Grote gedroeg zich zelf overigens weinig Christelijk. Door kerkelijke instanties (ook de paus) is hem daar meermaals op gewezen, maar daar trok Karel zich weinig van aan. Lees alles over dictator Karel de Grote.

  19. Vanuit Utrecht kreeg de Friese missionaris Liudger de taak orde op zaken te stellen aan de IJssel. Hij herbouwde in Deventer de kerk van Lebuinus, maar de verwoesting was zo grondig uitgevoerd, dat hij het graf van de missionaris niet meer kon vinden. In een droom wees Lebuinus hem de plek (p.307).De traditie van Deventer blijkt gebaseerd op een droom en onjuist vertaalde plaatsnamen. Aangezien in 800 geen bisdom Utrecht bestond is het hele verhaal dus een vrome legende.

  20. Utrecht werd de uitvalsbasis voorbasis zijn missie in het Westfaalse Saksenland. Zijn kerkstichtingen geven een idee van de routes die hij aflegde, al is het van lang niet alle kerken zeker dat hij ze daadwerkelijk zelf stichtte: Wichmond 794-797, Hall (?), Zelhem (801), Groenlo (?), Billerbeck en Mimigernafort, dat vanaf dat moment Münster ging heten (p.308). Aangezien er geen bron wordt vermeld, is niet te controleren wie ze hier nageschreven hebben. Is het een eigen bedenksel van Groothedde? Volgens D.P.Blok is Grünlo (oudste vermelding 12de eeuw) in zijn Lexicon niet Groenlo maar Grollo. Volgens Gysseling heette Groenlo in zijn Toponymisch Woordenboek Gronlo, waarvan de oudste vermelding uit 1188 is. Dat is bijna 4 eeuwen ná Ludger! Nu staan beide boeken van Blok/Kunzel en Gysseling wel in de literatuurlijst, maar blijkbaar heeft Groothedde dat niet even nagezocht. Hij blijkt dus niet zo deskundig te zijn als door hoofdredactrice prof.dr.Dolly Verhoeven wordt gesteld met de 'inhoudelijke specialisten' op hun gebied (Introductie, p.13). Met Groenlo vallen deze 'inhoudelijke specialisten' in elk geval door de mand. Het is hun complete afgang, een blamage van ondeskundigheid!

    We komen hier wel in de periode dat de mythen van deze 'onzekere' kerkstichtingen (de vraagtekens staan er terecht) zich gaan vermengen met ware geschiedenis. Die vindt U in het kader hieronder!
    Lees meer over Wichmond en over Zelhem. Lees ook meer over Ludger met wie de historische verplaatsingen begonnen. Lees daarover meer in de linker kolom. Lees in het kader hieronder over de plaatsen, genoemd in de Vita Lugeri.

    De tekst uit de Vita S.Ludgeri, AS, maart III, waarvan hier slechts enkele plaatsen worden genoemd, bestaat uit veel meer geografische aanduidingen, waarvan alle localisaties, voor zover men er een locatie voor vond, door de Nederlandse toponymisten (o.a. D.P.Blok) foutief zijn toegepast.
    Hugmerthi, elders Hugumarchi genoemd, is Valhuon op 7 km noord van St.Pol-sur-Ternoise, voorheen bekend als Vallis Hugonis of Urbs Hugonis. —Hunusga is Hinges op 5 km noord van Bethune. — Fivelga is Fiefs op 23 km west van Bethune. — Emisga is Les Amusoires op 10 km noord van Bethune. - Federitga is Vaudricourt op 4 km zuid-west van Bethune. — Bant(= broekland) is als plaatsnaam niet aan te wijzen; het wordt een eiland genoemd en was misschien onderdeel van Ostrachia, ook Osterban geheten, waaruit Ostrevant is ontstaan.
    — Het Fositesland is hetzelfde waar Willibrord verbleef, nl. Le Fosse op 39 km noord-oost van Rouaan. — De Sudergo lag ten zuid-westen van Atrecht. — Mimigernaford is een verdraaiing-achteraf van de toenmalige naam voor Mingoval op 17 km oost van St.Pol-sur-Ternoise. — Het klooster van Lotusa bevond zich te Leuze op 16 km oost van Doornik. Ludger kreeg het bij zijn aanstelling tot bisschop, niet om daar als abt te fungeren, doch om daaruit de nodige inkomsten te verwerven waartoe zijn missiebisdom ontoereikend was. Opmerking verdient het feit, dat Ludger vrij dicht bij de zetel van Tournehem werd aangesteld, zij het ook in overwegend Saksisch gebied. Deze handelwijze was onderdeel van Karel de Grote’s voornemen tot christianisering van de Saksen en verbergt nauwelijks dat hij zich distantieerde van de zetel van Tournehem, gelegen in de noordwesthoek van Frankrijk, waar de Vilti, de Slavi en de Saksen hem onophoudelijk hadden uitgedaagd.
    Mimigernaford is (evenals de oudere variant Mimigardvurdensis) een maakwoord en betekent ‘Pseudo-Werden’. Het ontstond toen, 40 jaar na Ludgers dood, diens Werethina-abdij voor de Noormannen was uitgeweken naar Westfalen. En de nieuwe naam was een 'antidoubluremiddel’, eerlijk verwijzend naar het Franse origineel, doch die door latere generates niet meer werd begrepen en daarom tot een tekstverdraaiing kon leiden. Het verdraaien namelijk van een in de oorkonden der eerste abdij aangetroffen plaatsnaam (thans Mingoval), met daarbij de toevoeging: “waar Ludger een klooster bouwde”. Deze 12e-13e-eeuwse verdraaiing en toevoeging maakt de verwarring nagenoeg onontwarbaar. Men moet er zelfs maar naar raden, of de Vita-kopiist echt niet meer wist dat dit maak-toponiem op de verhuisde abdij sloeg (en hij dus doelde op nog een abdij van Ludger), dan wel wilde documenteren dat Ludger de abdij Werden in Duitsland gegrondvest zou hebben. Als bij deze aanrijdingen tussen de eerste, tweede of zelfs derde abdij, waarvan de verschillende namen dan ook nog dooreen gebruikt worden, het de lezer gaat tollen (zoals met name bij het verslag van Ludgers dood en begrafenis: dan hoeft hij zich niet te schamen. In elk geval zal hij uit dit voorbeeld, waarbij de ontwikkelingen zich nog vrijwel aan de oppervlakte afspeelden, kunnen concluderen hoezeer tijdens en na de hele Noordwesteuropese volksverschuivingsperiode (9e t/m 11e eeuw) in het algemeen de kabels der historische continuiteit moeten zijn beschadigd of zelfs radicaal gekapt.

    Ook andere namen uit de Vita S.Ludgeri zijn in Nederland niet te vinden, laat staan daar aan te treffen in een onderlinge samenhang die enigszins bij de contekst past. Het eenzame lachertje Helwerd van Blok waar Ludger een blinde zanger ontmoette, toont alleen aan dat ook Blok slechtziende is als hij 13 van de 14 namen overslaat, die we hier laten volgen. — Helewyrd is Helfaut op 5 km zuid van St.-Omaars. — Werfhem is Wavrans-sur-lAa op 11 km zuid-west van St.-Omaars. — Wiicswird is Wisques op 5 km zuid-west van St.-Omaars. — De plaats Werethina, die bij de zee lag en dus het Duitse Werden niet kan zijn, is Frethun op 4 km zuid-west van Calais. — Billurbeki is Bellebrune op 11 km oost van Boulogne. De naam heeft men wat aangepast omdat op 21 km west van Munster een Billerbeck ligt. - Hleri is Lieres op 16 km west van Bethune. — Lade, een algemene naam voor rivier, duidt hier de Guarbecque aan. — De Nordgo is een landstreek ten noorden van Atrecht. — Werina was Weringhem, een thans verdwenen plaats bij Boulogne. — Asnaloh is Acheville op 13 km noord-oost van Atrecht. — De Ripuarii zaten bij Ribecourt-la-Tour, 11 km zuid-west van Kamerijk. — De Sudergo lag ten zuiden en westelijk van Atrecht. — Aina is Elnes op 11 km zuidwest van St.-Omaars. - Hassi is Achiet op 18 km zuid van Atrecht....
    Laat ik het maar heel helder zeggen: om op één in het verhaal volslagen onplaatsbare naam (die van een gehucht bij het Groningse dorpje Rottum) Ludger te verheffen tot apostel van Groningen en daarbij met de andere namen doen alsof die er niet waren, is geen handige ‘verdwijntruc’ doch gewoonweg boerenbedrog.


  21. De vroege middeleeuwen worden van oudsher gezien als de tijd van de kerstening door missionarissen als Willibrord, Bonifatius, Lebuinus en Liudger (p.308).Van oudsher? Sinds wanneer is dat? De meeste van die opvattingen stammen pas uit de 19de eeuw. We herhalen hier nog maar eens de conclusie van prof.dr. L.J.Rogier uit zijn ruim 1500 pagina's (3 delen) tellende studie: vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de middeleeuwen niets". Maar ja, dat kon Groothedde ook niet weten, wat ook deze boeken van prof.Rogier ontbreken in de literatuurlijst. Als je dan schrijft over de kerstening dien je toch de belangrijkste bronnen daarover te onderzoeken. En juist die boeken van prof.dr. L.J.Rogier en prof.dr.R.Post ontbreken in de literatuurlijst. Hoe deskundig of specialistische is er dan bronnenonderzoek gedaan?

  22. In Gelderland speelt daarbij een rol dat het zuiden - het voormalige Romeinse limesgebied en Nijmegen - veel eerder in contact kwam met het christendom dan het noorden. Het Romeinse Rijk was tussen grofweg 100 en 400 steeds meer onder invloed van die religie gekomen en ze werd op het eind van de vierde eeuw zelfs tot staatsgodsdienst verheven. In de Betuwe waren er stellig christenen in de laat-Romeinse tijd, maar hun aantal was nog zo gering dat ze weinig sporen in de bodem en in de geschriften hebben nagelaten (p.308).Weer een onzorgvuldigheid ofwel een duidelijk onjuistheid. In het Romeinse Rijk was het Christendom tot in de 4de eeuw (Keizer Constatijn) verboden en werden Christenen vervolgd. Dat er rond 100 al Christenen in de Betuwe of in Nijmegen geweest zijn is volslagen onzin. Ze zijn er ook nooit gevonden. Het is pure fantasie. De eerste Christenen waren te vinden in Zuid-Limburg (Maastricht, St.Servatius en St.Lambertus) en dan gaat het over de 6de en 7de eeuw. Het eerder gestelde wordt door Groothedde gecorrigeerd met: Toch toont archeologisch onderzoek aan dat prechristelijke rituelen en cultusplaatsen nog tot ver in de twaalfde eeuw in gebruik bleven, maar tot in 'Romeins' Gelderland reikte die invloed niet meer. Het christendom raakte verinnerlijkt in de hele samenleving, maar dat stadium lijkt pas in de elfde en twaalfde eeuw bereikt te zijn (p.309). Romeins Gelderland? Dat was dus de Betuwe en Nijmegen! De hier genoemde 'verinnerlijking' werd niet bereikt in de 11de of 12de eeuw, maar pas in de 16de eeuw. Zie de conclusie uit de studie van prof.Rogier. Afbeelding hierboven.

  23. De eerste schriftelijke bewijzen van het kersteningsproces in Gelderland stammen uit 721 en 726. In 721 blijkt Millingen al over een kerk te beschikken, evenals het naburige Rindern. Graaf Ebroin (zie noot hieronder) schonk toen goederen aan de kerk te Rindern, waaronder een tweetal lijfeigenen te Millingen, met hun vrouw en kinderen en een door hemzelf gestichte kerk te Millingen, gewijd aan Maria. Dit is een bijzonder gegeven, want het is de oudst bekende vermelding van een kerkstichting door een adellijke heer (p.309). In noot 12 wordt verwezen naar Muller/Bouwman, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht dl.1 nr.31, waarin Rindern en Milligen worden genoemd en Dubla als de gouw Duffel wordt opgevat.Hier worden de traditionele opvattingen gevolgd van Muller en Bouwman uit 1920, maar helaas ten dele onjuist. In nr.31 wordt de kerk van Rindern genoemd, maar die had volgens deze tekst het patronaal van Petrus en Johannes de Doper en niet van Maria. Dat betrof wel de kerk van Millingen. Dit zijn zeker zeer bijzondere gegevens, zeker omdat Willibrord en de kerk van Rome het bezit van lijfeigenen had verboden.
    Volgens M.Gysseling is Rindern het Rinharim, Rinhari, Rinharos of het Rinharum uit 721-722, maar daarvan bestaat geen originele oorkonde, slechts kopieën uit 1191. Let speciaal op de verschillende schrijfwijzen in die kopieën. Millingen was het Millingi of Millinga uit 721-722, maar ook hiervan bestaan slechts kopieën uit 1191. Volgens D.P.Blok was Millingen (Gelderland) het Millingi uit 721-722 waarvan de kopie uit 1191 is: in villa ... Millingi basilicam (met verwijzing naar Wampach en Thiofrid van Echternach). Details uit die bronnen zijn: "in pago Dubla in uilla uel marca Millinga hobam (CodLauresh 1 99)". en "tradita ... in Millinga ... basilica (Thiofrid, VitaWillibr c. 12 AASS Nov. 111, p. 468)". Vreemd is het dan dat Echternach i.c. Thiofrid van Echternach) deze basilica (kerk) in Millingen nooit geclaimd heeft als voormalig bezit van St.Willibrord. Rindern (D) noemt Blok niet. Millinga lag in pago Dubla. Gysseling kent deze pagus niet. Blok komt met Dubla niet verder dan 'verdronken tijdens de St. Elisabethsvloed onI. munde "monding" met waternaam Dubbel (te lezen *Dubla)'.), wat niet juist kan zijn aangezien dat volgens Blok bij Dordrecht was. De kerk van Millingen wordt een basilica gemoemd, dus was zeker geen houten kerkje maar een stenen gebouw. In Millingen zijn naast Romeins archeologisch twee bewoningsfasen te onderscheiden: eind 7e eeuw - 9e eeuw, en: 12e-13e eeuw. Enige Romeinse vondsten (munten, glas, brons) wijzen niet op bewoning ter plaatse, maar in de nabijheid. Het ontstaan van de vroeg-middeleeuwse bewoning lijkt samen te hangen met de laat-Merovingische ontginningsgolf. (Bron: Westerheem 1977). In 1887 een Frankisch drinkglas, scramasax en een schedel, opgegraven uit een begraafplaats van 15 graven in een weiland, de 'Eversberg'. (Bron: ROBulletin 1959 p.108).

    Noot: N.L. van Dinthe heeft in 2013 een interessant artikel geschreven over 'De oudste generaties van de graven-heren van Megen'. Hierin komt de volgende passage voor: "In deze bijdrage over de oudste graven/heren van Megen zullen we ons beperken tot het moment dat het graafschap overgaat in handen van het geslacht Dicbier. In 721/722 schenkt een zekere graaf Ebroin, aan de kerk te Rinderen in de gouw Duffel die onder het beheer staat van Willebrordus, goederen en horigen o.a. "….in loco Meginum Walamunt….", waarmee we Megen mogen identificeren. Eerst op 31 maart 1139 treffen we weer Megen in de bronnen aan. Paus Innocentius II bevestigd alle schenkingen gedaan aan de St. Servaaskerk te Maastricht en Megen wordt hier vermeld o.a. samen met Oye, Appeltern en Dinther. Geschonken werd de kerk. Hoe de kerk van Megen in het bezit van de St. Servaaskerk is gekomen is niet duidelijk, mogelijk gaat dit bezit terug op een schenking van een Karolingisch domein, zoals bekend van Lith en Oyen. Het toponiem Megen is mogelijk afgeleid van het Keltische woord "Magos", wat "doorwaadbare plaats" betekent."
    Wie die graaf Ebroin was en waar hij vandaan kwam is een vraagteken. In de genealogie van de graven van Hamaland (p.4 e.v. van dit artikel), die ca. 860 begint, komt hij niet voor. Er is ook geen enkele nazaat naar hem vernoemd, wat zeker opvallend is. Er is wel een hofmeijer Ebroin bekend in Neustrië, maar die overleed in 680 of 681, dus kan deze graaf niet geweest zijn. Hij staat bekend als een gewelddadig en despotisch heerser die er naar streefde om zijn machtspositie uit te breiden naar Bourgondië en Austrasië. Hij voerde ook strijd met de Friese koning Aldgisl. Dit hele verhaal hoort in elk geval in Frankrijk thuis, ook de Friese koning Aldgisl. Is misschien deze Ebroin als nazaat naar die hofmeijer vernoemd? Ziet U hier ook weer het gat tussen 8ste en 12de eeuw? De (door mij) onderstreepte worden geven wel aan dat er de nodige onzekerheid bestaat.

    De geschiedenis van Millingen is interessant en geven we hier als een treffend voorbeeld van hoe archeologische vondsten naar tekstuele bronnen worden toegeschreven. Er is nogal veel sprake van veronderstellingen (de onderstreepte woorden) en de cirkelredenering om vondsten aan een datering te koppelen die in teksten genoemd wordt. We citeren hier uit enkele publicaties. Duidelijk is wel dat omtrent de kerk van Millingen geen harde bewijzen bestaan. Lees ook hierboven de opvattingen van de professoren Blok en Gysseling.

    Aangaande de ligging van Rindern (vermoedelijk Arenacum), Düffelward, Millingen en Herwen, waar nogal wat Romeinsche oudheden zijn gevonden, merkt men op, dat deze plaatsen in het dal van de rivier liggen, terwijl de andere Romeinse nederzettingen van Xanten af benedenwaarts steeds tegen den voet van de heuvels waren aangelegd om geen last te hebben van hoog opperwater. De veronderstelling ligt nu voor de hand, dat men den dijk van Drusus moet zoeken langs deze plaatsen als een verhoogden dam, en inderdaad bevindt zich daar zulk een dam, lopende ongeveer van Kleef over Spijk naar Rindern en verder in de richting van Düffelward, de „Rindersche Deich", dien men al vroeger als een overblijfsel van het werk van Drusus heeft verklaard. (Bron: KNOB; 1941 nr.10,p.5)
    Waarschijnlijk heeft de Romeinse weg zich noordelijk van Düffelward in de richting van de Bijlandse Waard voortgezet, maar in dit gebied hebben middeleeuwse en latere rivierverleggingen dusdanig huisgehouden, dat er weinig met zekerheid over te zeggen is. Wel zijn in de Bijlandse Waard talrijke Romeinse voorwerpen opgebaggerd, maar de betekenis daarvan is omstreden (SCHONFELD 1940, GORISSEN 1966, BOGAERS en RüGER 1974).
    Er zijn aanwijzingen, dat de bewoners van de stroomruggronden zich vanaf de 8e eeuw al tegen het water begonnen te beschermen door de aanleg van ringdijkjes rond de nederzettingen (GORISSEN 1949, 1954). Niet altijd mocht dat baten. "Der Kirchturm von Millingen ist Point-de- Vue für zwei Straßen: einmal für die Straße von der Bosse Brücke nach Niel, sodann für die - wahrscheinlich 1307 angelegte Straße von Zeeland nach Millingen (Bron: Gorissen 1954).

    De bewoning uit de Vroege Middeleeuwen heeft zich zo blijkt uit de verspreiding van de vondsten in mindere mate tot de noordrand van het terrein beperkt dan de aktiviteiten uit de 12de en 13de eeuw. Toch blijft de strook waarbinnen deze bewoning zich bevindt vrij smal te noemen, nl. ruim 50 m. Deze ruimte lijkt juist voldoende voor één woon- of boerderijerf. Zou men voor één boerderij een kerk gebouwd hebben? Zolang wij echter niet zeker weten of de bovenbeschreven depressie in die tijd nu wel of niet aanwezig was, heeft deze vaststelling niet meer dan een veronderstellende waarde. Hetzelfde geldt m.m. natuurlijk ook voor de 12de en 13de eeuw. Vroeg-Middeleeuwse vondsten zijn ten westen van de opgraving ook elders op het terrein niet gedaan. De vindplaats van een bijna gave knikpot suggereert dat hier - 100m ten noord-westen van de kerk van Millingen - wel eens een grafveld zou kunnen zijn aangesneden. Duidelijke aanwijzingen in die richting bleven tot heden echter uit. Indien de oudste, uit 721-722 bekende kerk van Millingen op dezelfde plaats heeft gestaan als de Laat-Middeleeuwse en huidige, herhaaldelijk verbouwde kerk, lijkt aldus een aansluitende strook van bewoning zich in bedoelde periode te hebben voorgedaan, waarvan de tegenwoordige dorpskom misschien ook toen reeds de kern vormde en waarvan in allen gevalle op het terrein van de Paverskamp de westelijke begrenzing lag.
    Hoe dient nu de Vroeg-Middeleeuwse bewoning gedateerd te worden? Afgezien van een 6de eeuwse munt, in de vorige eeuw in de omgeving van de kerk gevonden, zijn geen vondsten bekend die rechtvaardigen de aanvang van de bewoning voor de 7de eeuw te stellen. Integendeel, het zwaartepunt wordt door de vondsten duidelijk naar de tweede helft, liever nog het einde van de 7de eeuw en de eerste helft van de 8st eeuw verschoven. Ook daarna, in de tweede helft van de 8ste eeuw en in de 9de eeuw, de Karolingische periode, loopt de bewoning door, maar het aantal vondsten is dan beduidend geringer. Op de Paverskamp lijkt de bewoning derhalve in de Laat-Merovingische tijd haar grootste uitbreiding te hebben gekend. Midden in dit tijdvak valt ook de schenking van de kerk van Millingen. Wellicht behoorden de in de schenkingsoorkonde genoemde en aan de kerk verbonden servi Folcharius en Eodfrid met hun gezinnen tot degenen die onze nederzetting in 721-722 bevolkten. Tenslotte, uit de datering der vondsten krijgt men voorlopig de indruk dat het ontstaan van Millingen in de Frankische tijd nauw verbonden is aan de Laat-Merovingische ontginningsgolf, die zich ook in het Nederrijnse heeft voorgedaan. (Bron: drs.R. S. HULST, Numaga 1975 p.200).

    Volgens Albert Delahaye is de naam van het dorp Millingen geen enkel bewijs voor de juistheid van de opvatting dat het klassieke Milinga wellicht Millingen was. Vraag is immers wanneer Millingen haar naam kreeg en -belangrijker- van wie? Was het Theofried van Echternach die vanuit Echternach met het Gouden Boek overal kerken en goederen ging claimen? Of was het een doublure, het hergebruik van plaatsnamen door immigranten die vanuit het zuiden kwamen? Millinga of Millingi, genoemd in een akte van 721, Millonfosse, op 12 km noordwest van Valenciennes. Millingen (Gld.) kan niet identiek zijn met Millingi uit 722, daar de Gelderse plaats die dan wel een Romeins verleden heeft gehad, pas vijf eeuwen later is gesticht en nimmer enige relatie met St. Willibrord of met Echternach heeft gehad. Echternach heeft in de 12de eeuw deze kerk, noch die van Rindern ooit geclaimd en dan is het wel duidelijk dat er geen enkele relatie met St.Willibrord heeft bestaan.
    Rindern is altijd voor het Arenatio (of Harenacium) van de Peutingerkaart gehouden, terwijl de afstanden tot ander plaatsen niet kloppen. De afstand van 10 mijl (15 km) tot Nijmegen is in werkelijkheid 21,5 km. is. De andere kant op is de afstand van Rindern tot Keulen ook onjuist. Die bedraagt volgens de Peutingerkaart (94 mijl) 140 km bij omrekening in Romeinse mijlen of zelfs 206 km bij omrekening naar Leuga, terwijl de werkelijk afstand ca.120 km is. Arenacium was de plaats Antoing 7 km ten zuid-oosten van Doornik in België, waar de afstanden tot Noyon en Cologne met 140 km beter uitkomen, Antoing en Millinfossa liggen op 18 km van elkaar.

  24. De toen al bestaande kerk van EIst kreeg in datzelfde jaar goederen in de Betuwe in bezit. Opgravingen in 1946 lieten zien dat deze kerk is gebouwd op de resten van een Romeinse tempel. Letterlijker kan het verlaten van de oude Romeinse godencultus ten faveure van de christelijke religie niet worden aangetroffen. Wanneer die verandering plaatshad, is niet bekend. Mogelijk werd de vervallen maar nog bruikbare tempel eerst zelf als kerk gebruikt. Pas in de achtste of negende eeuw is een nieuw kerkgebouw over de tempelresten heen gebouwd (p.309/310).Ook hier weer veel speculatie en weinig bewijzen. Wat wel duidelijk wordt aangetoond is dat het Middeleeuws pal bovenop het Romeins is gebouwd. Er zit dus een gat tussen van vele eeuwen. En of dat in de 8ste of 9de eeuw al was is ook speculatie. Het patronaat van Werenfried geeft dat al aan dat pas ontstond na de 14de eeuw. Lees meer over Werenfried in de Legenda Aurea onder punt c en f. Lees meer over Elst.

  25. Het lijkt erop dat de Betuwe iets eerder onder invloed van het christendom kwam dan de gebieden ten noorden van de Rijn. Toch zijn ook daar aanwijzingen voor de aanwezigheid van christenen in een overwegend pre-christelijke samenleving. In Deventer en Zutphen zijn lijkbegravingen uit de late zevende eeuw en vroege achtste eeuw gevonden met typisch christelijke kenmerken: oost-west georiënteerd en zonder grafgiften (p.310).Deze 'typisch' genoemde kenmerken zijn slechts veronderstellingen, gebaseerd op de algemeen aangenomen opvatting dat rond 739 de verspreiding van het Christendom in Nederland voltooid zou zijn geweest. Zie de studie van prof.R.Post. De waarheid is verre van dat. Oost-west orientatie bij begravingen komt bij alle volkeren over de hele wereld voor. In het oosten komt de zon op en begint de nieuwe dag. Voor 'gelovige' volkeren was het oosten het begin van de dag en van het nieuwe leven. Vergelijk de Pyramides in Egypte en de Newgrange graftombe in Ierland e.d. Wel of geen grafgiften is ook geen aanknopingspunt. Zelfs onder Christelijke volkeren komen grafgiften voor, zoals onder de Karolingen. Karel de Grote had zelfs zijn troon in zijn graf (volgens de 'overlevering'). Ook de vondst van het graf van 'de ruiter van Borne' (ca.794) spreekt dit tegen. Deze, hier 'Frankisch' genoemde hoofd(?)-man, was begraven met meerdere grafgiften (p.318).

  26. Een ander teken dat op de aanwezigheid van christenen duidt, is de levensbeschrijving van de heilige Lebuinus. Daarin staat dat hij naar Wilp en Deventer kwam om de mensen aldaar bij te staan in hun geloof en dat hij er kerken stichtte (p.310). In de levenbeschrijving van Lebuinus staat nergens dat hij naar Wilp en Deventer kwam. Dat zijn onjuiste 'vertalingen' van Uulpa' en 'Daventria'. Lebuinus missioneerde in Vlaanderen, waar hij echter St.Lieven heet. Lees meer over Lebuinus.

  27. Over de oudste kerken in Gelderland (vanaf de tiende eeuw gesticht) is uit archeologisch en bouwhistorisch onderzoek weinig bekend, maar genoeg om te constateren dat ze doorgaans niet van hout waren, zoals vaak wordt beweerd, maar van steen. Men gebruikte Romeins bouwpuin, veldkeien en brokken moerasijzererts om eenvoudige zaalkerkjes te bouwen, met soms een iets smaller rechthoekig koor, zoals in Tiel (Sint-Maartenskerk), Angerlo (Sint-Gallus], Zelhem (Sint-Lambertus) en EIst (Sint-Werenfried) (p.311).Uit dat bouwhistorisch onderzoek dat niet bekend is, zou dus moeten blijken dat de oudste kerkjes uit de 10de eeuw stammen, zoals het kerkje van Zelhem. Dat is dan wel 3 eeuwen te laat om er St.Lambertus te kunnen laten optreden. Over Elst en Werenfried lees je meer onder punt 24 hiervoor.

  28. Door relieken van belangrijke heiligen over te brengen naar de kerken werd het aanzien van de plaats en zijn heer verder vergroot. Ook in onze streken waren de oudste kerken, zoals die in Nijmegen (Sint-Stephanus), Tiel (Sint-Walburgis) en Zutphen (Sint-Walburgis), verbonden met de aanwezigheid van een adellijk machtscentrum (p.311).Waar relieken een rol gaan spelen om historische feiten te bewijzen, dienen historici zeer argwanend te worden. Lees meer over St.Walburgis in hoofdstuk 7.

  29. In de Karolingische tijd neemt het aantal geschreven bronnen toe. Deze kunnen een beter beeld geven van de samenleving en van de inrichting en exploitatie van het land. (p.311). Probleem bij al die geschreven bronnen is dat ze over Frankrijk gaan en ook daar geschreven zijn. In Nederland hebben we geen snipper papier van vóór de 11de eeuw en komt men volgens prof.dr.W.Jappe Alberts uit bij Alpertus Mettensis. Maar ook hier blijft de opvatting van Jacob van Oudenhoven overeind staan: "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven. Het geeft geen pas zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was".Jacob had het prima begrepen en duidelijk geformuleerd.

  30. Ook de kerken en kloosters beschikten door schenkingen over steeds meer, veelal ver verspreid, grondbezit. In het Gelders gebied lagen al veel koninklijke bezittingen, vooral in het Betuwse deel waar de Frankische koningen de resten van Romeinse forten, steden, villa's en tempels beschouwden als legitiem bezit dat ze van het oude Romeinse gezag hadden overgenomen. Ten noorden van de Rijn bevonden zich eveneens konings goederen, maar hier was ook de regionale elite sterk vertegenwoordigd met grondbezit. Daarnaast had de Utrechtse kerk bezittingen in het Gelderse. Tot slot hadden enkele ver weg gelegen kloosters goederen in Gelderland (Prüm, Lorsch, Echternach, Corvey, Werden) (p.312). Hier komen we midden in het probleem van de deplacements historiques terecht. De hier genoemde kloosters Echternach, Corvey en Werden waren de verplaatste kloosters Epternacum, Corbie en Weretha. Met die verplaatsingen gingen ook de oude oorkonden mee, die later, soms eeuwen later, werden toegepast in het nieuwe gebied, waar ondertussen vanwege diezelfde verplaatsingen en de immigratie plaatsen met vergelijkbare namen waren ontstaan. Hier speelde de muze Clio een zeer controversiële rol en heeft de historici zand in de ogen gestrooid. Als je geen weet heb van die verplaatsingen en van het bestaan van dezelfde plaatsnamen in Frans-Vlaanderen, hou je slechts de in het tweede millennium ontstane situatie als waarheid aan. Het is daarbij wel erg opvallend dat bijna alle plaatsen die voorkomen in de oorkonden van deze kloosters in Nederland niet te vinden zijn. In Frankrijk liggen ze allemaal, ook -als voorbeeld- de 206 plaatsen van Werethina en de 130 plaatsen van het klooster Lorsch, die allemaal in de Betuwe zouden moeten liggen.

  31. Ook edelen schonken domeinen aan kloosters; daarmee bedongen ze dat in het betreffende klooster eeuwig voor hun zielenheil zou worden gebeden. Voorbeelden zijn de domeinen in Putten en Brummen, die in de negende en tiende eeuw in eigendom waren van de graven van Hamaland. Op beide domeinen hadden de graven een kerk gesticht, gewijd aan Sint-Pancratius (p.312). Wat er over domeinen geschreven wordt, gaat over de situatie in het tweede millennium en niet over de tijd van de hiervoor genoemde predikers. Het ultieme voorbeeld van onjuist toegepaste domeinen en schenkingen, is de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777 over een schenking aan het bisdom van St.Willibrord. Een zevental plaatsen uit deze oorkonde weet men in Nederland nog steeds niet te vinden. De locatie van enkele andere plaatsnamen is zeer discutabel, met name die van Dorestad. Wat bij de identificatie en bewijsvoering belangrijk is, hoe men dezelfde plaatsnamen in andere oorkonden toepast. "Wie de plaatsnamen uit het land van Boulogne en St.Omer in Noord-Frankrijk niet kent, zal nooit op de gedachte komen om de schenkingen van St.Willibrord in die streek te localiseren". Zie de voorbeelden van de kloosters Werethina en Lorsch bij het vorige punt. Lees meer over de graven van Hamaland.

  32. In de hoofdstukken over de Nederzettingen op het platteland blijkt nogal veel onzeker te zijn (p.313 e.v.). Rond 800 werd in Zelhem een kerk gesticht, waarschijnlijk door Liudger. (p.315).Dat blijkt uit bewoordingen als 'waarschijnlijk', 'vermoedelijk', 'kunnen zijn geweest'. Lees meer over St.Liudger en over Zelhem.

  33. In Voorst lag naast de kerk een belangrijke centrale domein hof van de abdij Prüm. Hier zat een vertegenwoordiger ('meier') van het klooster die het beheer voerde over negentien hoeves, aldus een goederenlijst uit 893 - de 'Prümer Urbar', die bewaard is gebleven in de vorm van een afschrift uit 1222. Deze hoeves lagen in Voorst, Brummen, Steenderen, Vorden, Warnsveld, Gorssel, Loenen en Epse. De locatie van de hof in Voorst is op grond van vondsten bekend, maar deze is niet archeologisch opgegraven (p.315). Ook hier weer veel onzekerheid, eveneens over de goederenlijst uit 893. Deze goederenlijst van de abdij van Prüm is op het jaar 893 gesteld, maar deze datering is discutabel. Uit een dubbelbron (Beyer: Urkundenbuch, I, p. 190. en Sloet, Oorkondenboek enz. nr. 65/66) blijkt namelijk een gewichtige merkwaardigheid, die niet onvermeld mag blijven.
    Caesarius, de vroegere abt van Prüm, schreef in het jaar 1222 een oude goederenlijst der abdij over, die uit het jaar 893 dateerde. Hij amuseerde zich, zoals hij zelfs meedeelt, over de „ellendige en ongehoorde antieke stijl” van het geschrift, dat niemand ooit had gelezen. Dat heeft hij, weer naar hij zelf schrijft, onveranderd heeft overgenomen, maar voegde aan de opsommingen uit dat boek eigen bemerkingen en uitleg toe. Dit heeft een merkwaardige dubbelbron opgeleverd: een tekst uit 893 en een tekst uit 1222, welk soort dubbelbronnen uiterst zeldzaam is en waarvoor een rechtgeaard historicus op de knieën valt en de grond kust. En juist de verschillen maken deze teksten interessant. In de oude tekst wordt niet gesproken over een paleis te Nijmegen; in die van 1222 wel. Die bijzonderheid zou de eerste schrijver ook vermeld hebben als zij toen bestond, temeer daar de abdij van Prüum nauwe banden met de koningen en keizers had, omdat zij rijksabdij was. Het jaartal 893 duidt niet aan dat Prüm toen al bezittingen had in het land van Maas en Waal, doch alleen dat de oudste akte in het boek van 893 dateerde. Het is wel duidelijk waarom het Bronnenboek van Nijmegen dat toch zo driftig “Nijmegen’s” verzamelt, deze aardige dubbelbron overslaat. Wel, omdat eenieder dan dezelfde konklusie trekt, namelijk dat de tekst een zwaar tegenbewijs voor Nijmegen betekent.
    De binnenpret van de oude abt heeft ons een prachtig gegeven bewaard; er is een relaas uit 893 en een uit 1222. In het eerste worden goederen van de abdij onder Dreumel en Wamel genoemd. Daar staan nog enige bijzonderheden bij over grootte en opbrengst, die hier niet terzake doen. Verder niets; geen vermelding van noch toespeling op Nijmegen of het koninklijk paleis aldaar. Maar Caesarius schrijft in 1222: let wel, Dreumel en de volgende curia, die Wamel heet, liggen bij „Numagen”, het koninklijk paleis aan de rivier, die „der Vayl” wordt genoemd, en deze curiae zijn vrij dicht bij de stad „Tyle” gelegen. Zou de eerste schrijver van 893 de nadere aanduiding van de ligging der curiae hebben voorbijgezien, als hem een zo algemeen bekend richtpunt als de stad Nijmegen of een koninklijk paleis ter beschikking had gestaan? Het is moeilijk aan te nemen. Zeker niet, als men in beschouwing neemt, dat er een geruime afstand ligt tussen Prüm, op ongeveer 60 km. ten zuiden van Aken gelegen, en het uiterste westpunt van het Land tussen Maas en Waal, en een nadere geografische precisering geenszins overbodig was. Die brengt Caesarius dan ook prompt aan met de verwijzing naar het paleis van Nijmegen. Dit detail sprak Caesarius aan; de eerste schrijver had het niet kunnen aanspreken, omdat het er toen nog niet was. Nijmegen is in geen enkele vroege bron vermeld.

    Waar het hier echter om gaat of de in de oorkonde uit 893 genoemde plaatsen wel in Gelderland lagen? Ja, wel in 1222, maar we weten ondertussen meer over de deplacements historiques. In de tekst uit 1222 (!) worden 21 plaatsen genoemd en wel Vamele, Sandewihc, Ratheheim, Retherdorpht, Wadenoy, Huyve, Wediche, Vuorst, Willipe, Velide, Munihchusen, Adalem, Tremele, Tyle, Asperen, Wediche, Sinewenne, Testrebant, Linguini, Rogationes en Denventre. Wat bewijs je dan met 8 plaatsen met vergelijkbare namen, als je er 13 overslaat? Sloet vermeldt nog: vroeger meende ik dat Dusburhg in het registe vermeld, Doesburg aan de IJssel was en Embrike de tegenwoordige stad op de grens van Gelderland. Ik kom daarvan terug en houd de plaats voor Duisburg aan de Rijn en Embrike voor een daarbij gelegen dorp. Zie U ook weer de deplacements historiques? In hoeverre geldt dat voor meer hiervoor genoemde plaatsen? Lees bijvoorbeeld meer over Testrebant dat een landstreek in Frankrijk was.


  34. Uit de geschreven bronnen valt op te maken dat de graven van Teisterbant en de Utrechtse kerk grondbezit hadden in de Neder-Betuwe. Overasselt neemt een bijzondere plek in, want de benedictijnerabdij van Saint-Valery-sur-Somme, in Picardië, kreeg van Karel de Grote het tiendrecht van het domeingoed in deze plaats. Verder is er geen plaats in Gelderland bekend waar een Frans klooster bezittingen had (p.316). De Franse kloosters hadden slechts bezit in Frankrijk, in de buurt van hun klooster. Wat heb je aan een bosperceel 'om varkens te hoeden' op honderden kilometers afstand? De problematiek van een koningsgoed ligt voor gelderland en Nijmegen zeer eigenaardig. Vóór de 12e eeuw blijkt de aanwezigheid ervan niet. Tot heden meende men in de verdere omgeving van Nijmegen koningsgoederen te kunnen localiseren. Als zodanig zijn genoemd: de goederen in de Betuwe, die van St.-Walrick te Overasselt en die van Heerewaarden. Of Heerewaarden identiek is met het in de oudste bronnen genoemde „Herivurde” staat na de ophelderingen met betrekking tot het karolingisch paleis en de transplantatie van de toponiem Batua volledig wankel. Wordt een koningsgoed in de Batua aangenomen, dan behoeft het geen betoog meer, dat dit vóór de 12e eeuw in Frankrijk lag en niet in de Betuwe. Overigens blijkt wel dat St.-Walrick te Overasselt ongeveer hetzelfde mysterie bevat als Nijmegen, Elst en de Batua. Sancti Walarici, in de berichten over de Noormannen vlakbij de Batua genoemd, is Saint-Valery-sur-Somme, op 17 km noord-west van Abbeville. Men moet het natuurlijk als een ongepast grapje beschouwen, dat sommigen dit gegeven hebben toegepast op de St. Walrick-kapel bij Overasselt. Het was kanunnik Willem van Berchen die al voldoende inzicht had om de schijn van de waarheid te onderscheiden. Die schijn was namelijk, dat de abdij van St. Valery-sur-Somme, de abdij van St. Walarikus, in het diocees van Amiens gelegen, goederen zou hebben gehad in Overasselt, 10 km zuid-west van Nijmegen. Daar was een devotie tot de heilige ontstaan, die gestalte kreeg in een kapel en bedevaartsoord; de heilige werd aangeroepen tegen alle soorten koortsen. Het is hoogst twijfelachtig of er ooit werkelijk een relatie heeft bestaan tussen St.Valery-sur-Somme en Overasselt. Maar ja, dat kon Groothedde ook niet weten, want ook de boeken van Willem van Berchen ontbreken in de literatuurlijst.

    De geschiedenis van St.Walrik is in St.Valery overbekend.
    In 611 vestigde de monnik Gualaric (beter bekend als Walricus, let op G=W, vergelijk Guillaume en Willem) zich als kluizenaar op Le Cap Hornu in de baai van de Somme. Zijn leerlingen bouwden er een eenvoudige abdij. In 628 werd een kapel opgericht op de plek waar Walricus in 622 was begraven. In 627 legde koning Chlotarius II de basis voor een nieuwe abdij. Dankzij de relikwieën van de heilige Walricus trok de abdij (die bekend werd onder de naam Saint-Valery, Walri=Valry) een grote schare pelgrims aan. In de 8e en 9e eeuw werden de abdij en het dorp verschillende keren geplunderd en verwoest door de Noormannen.
    In de 10e en 11e eeuw groeide het dorp weer. Op 27 september 1066 vertrok hertog Willem de Veroveraar van hieruit met zijn invasievloot naar de kust van Pevensey, nabij de stad Hastings in Engeland. Eerst was hij met zijn vloot vertrokken van de rivier de Dives in Normandië, maar door tegenwind en herfststormen op Het Kanaal, moest hij schuilen in de baai van de Somme en beter weer afwachten.
    In de volgende eeuwen was de plaats afwisselend in Frans, Engels of Bourgondisch bezit. De Engelsen verwoestten de abdij zodat ze het kasteel met die stenen van de abdij konden versterken. In 1431 werd Jeanne D'Arc gevangen gehouden in de gevangenis van Saint-Valery. De cel waarin ze verbleef, is nog te zien nabij de oude vestingwerken. In de 15e, 16e en 17e eeuw kwam Saint-Valery in rustiger vaarwater. De abdij werd hersteld, en dankzij de haringindustrie en de export van wijn floreerde de haven. In 1568 echter werd Saint-Valery-sur-Somme ingenomen door de Hugenotenkapitein Coqueville maar op 18 juni van dat jaar werd hij in de Slag bij Saint-Valery verslagen door de troepen van Timoléon de Cossé, die gouverneur van Picardië was. De troepen van de Cossé moordden daaropvolgend de hugenoten, die niet wisten te vluchten, uit. Zie afbeelding van de moord op de Hugenoten hiernaast. (Klik op de afbeelding voor een vergroting, zodat de Dietse tekst goed leesbaar is).
    De Sint-Walrickkapel in Overasselt werd in de 15de eeu gebouwd en was in gebruik door monniken van de abdij van Saint-Valery-sur-Somme die in het gebied een priorij hadden. Een priorij is een nevenstichting van een klooster. Zo'n nevenstichting kan verschillende oorzaken hebben gehad: als vluchtplaats (Noormannen, Hugenoten!), hulp bij ontginningen, ziekenzorg (denk aan koortsen) of als extra inkomsten vanwege pelgrims (zie opmerking prof.Rogier hierna). Een relatie van de St.Walrickkapel in Overasselt met Valery-sur-Somme gaat niet verder terug dan de 15de eeuw en zeker niet tot de 10de of zelfs 8ste eeuw. Prof.dr.R.R.Post besteedt er in zijn 'Kerkgeschiedenis van Nederland' geen aandacht aan. Walrick komt bij hem niet voor. Prof.dr.L.J.Rogier, een andere grootheid op het gebied van Kerkgeschiedenis, noemt St.Walricu te Overasselt wel, maar schrijft er slechts over: 'dat de inkomsten van een dubieus karakter waren'. Het waren stichtingen van kloosters in de nieuwe bisdommen, slechts vanwege 'de inkomsten'. Het nieuwe bisdom Den Bosch, waartoe Overasselt behoorde, maakte deel uit van het bisdom Antwerpen en dan gaat het over de periode na 1561. Vóór 1561 had Antwerpen tot het aartsbisdom Kamerijk gehoord (Latijn: Archidioecesis Cameracensis voorheen dioecesis nerviorum; Frans: Archidiocèse de Cambrai). Ziet U ook hier weer de connectie vanuit het zuiden! Blijkbaar hadden beide professoren de mythe al door.
    Het is wel duidelijk dat de relatie van St.Valery-sur-Somme met Overasselt vanouds niet heeft bestaan, wel met St.Walricus. Ook dit is een duidelijk voorbeeld van historische verplaatsingen.

  35. Het Utrecht Psalter, een manuscript in de Universiteits bibIiotheek van Utrecht, geeft een goed beeld van het leven in de negende eeuw. Hier is een afbeelding van een smidse te zien. (p.321). Het Psalter wordt wel 'Utrechts' genoemd, maar kwam oorspronkelijk uit Frankrijk. Het is een volgend voorbeeld van verplaatste geschiedenis. Zie afbeelding in het kader hieronder.

    Een intermezzo: het Utrechts Psalterium: 9e - 11e eeuw.
    De Universiteits-bibliotheek van Utrecht bezit een Psalterium, een boek van de psalmen, dat afkomstig is uit de abdij van Hautvillers bij Reims. Waarschijnlijk moet het veeleer tot de school van Saint-Riquier (Centula) bij Abbeville gerekend worden. Het boek werd allereerst in Engeland gesignaleerd, waar het ca.1000 te Canterbury aanwezig was. Daarna is het in particuliere handen terecht gekomen, namelijk bij de graaf van Arundel. Via diens weduwe en kleinzoon William Stafford, die afwisselend in Antwerpen, Alkmaar, Amersfoort en Amsterdam woonden en voortdurend in geldnood verkeerden, kwam het naar Holland. De volgende bezitter was Willem de Ridder, commies militaire zaken der Staten van Utrecht, die het handschrift in 1716 aan de Universiteit vermaakte.
    De geschiedenis van het handschrift is duidelijk. Het is niet in en niet voor Utrecht gemaakt en daar ook nooit aanwezig geweest voordat het door een toeval via een Engelse familie bij de Universiteit van Utrecht terecht kwam. De naam “Utrechts Psalterium” is onjuist en zwaar misleidend. Niemand durft natuurlijk met zoveel woorden te zeggen dat het boek ca.830 in Utrecht aanwezig was, maar deze gedachte wordt wel sterk gesuggereerd, ook door de Engelsen, die over het schrift en de miniaturen van een “Utrechtse School” spreken. Dit volkomen onjuiste denkbeeld wordt dan ook niet tegengesproken, wanneer het door sommigen als een vanzelfsprekendheid wordt voorgesteld. Het “Psalterium van Canterbury” (om de juiste titel te gebruiken) illustreert treffend, op hoe subtiele wijze zelfs de meest onschuldige aangelegenheden nog wel lang, als verborgen verleidsters, zullen proberen ons in de sleur van de ‘traditie’ te doen terugvallen. Ook hier in 'Het Verhaal van Gelderland' duikt het weer op (blijkbaar) ter bevestiging van een inheems gebruik van ijzerwinning.


  36. Koningen, graven en hertogen. In sommige van deze plaatsen liet de koning een vorstelijk verblijf bouwen, een palts. Karel vierde een aantal maal Pasen in zijn palts te Nijmegen. Geregeld hield hij in zijn paltsen rijksdagen, waar de aristocratie en hooggeplaatste geestelijken, zoals bisschoppen, bijeenkwamen om met de koning bestuurlijke, politieke, militaire en kerkelijke zaken te bespreken. Behalve aan Nijmegen zijn in de negende en tiende eeuw koningsbezoeken bekend aan Tiel, Elten, Deventer en Utrecht. (p.324 e.v.).
    Het eerste bezoek van Karel de Grote aan Nijmegen is gedocumenteerd in het jaar 777. Karel bezocht zijn palts met Pasen en vaardigde er later dat jaar een oorkonde uit (Actum Niumaga palacio publico). (p.325).
    We komen hier op het punt waar de onderzoekingen van Albert Delahaye mee begonnen, namelijk met de vermeende aanwezigheid van een palts van Karel de Grote in Nijmegen. Daarover is alles te lezen in Het Bronnenboek van Nijmegen en de reactie van Delahaye daarop in De Bisschop van Nijmegen. Wie dergelijke miskleunen maakt om de bisschop Harduinus van Noyon in Nijmegen te laten resideren, heeft als historicus afgedaan. De verwijzing in de noten naar Leupen, Thissen en Gysseling is uiteraard een farce. Het zijn achterhaalde opvattingen. Lees meer over de oorkonde uit het jaar 777, waarin verschillende plaatsen genoemd worden die in Nederland onvindbaar blijken.

  37. Einhard noemde de Nijmeegse palts in één adem met die van Ingelheim en Aken, paleizen met een volgens hem indrukwekkende architectuur, schrijft Groothedde (p.326).
    Afbeelding hiernaast: Schoolplaat van Karel de Grote in zijn paleis in Aken.

    Wat hier op p.326 beweerd wordt is een flagrante leugen. Einhard noemt nergens in één adem de paleizen van Nijmegen, Ingelheim en Aken. Nu schrijft Einhard zowiezo al nergens Nijmegen of Aken, maar de Latijnse namen Noviomagus en Aquisgrani. Of Aquisgrani wel Aken is, moet nog bewezen worden. Het is net zo onzeker als Nijmegen. Lees meer over
    Aken/Aachen. Dat het paleizen met een indrukwekkende architectuur zijn, wordt met een 'houten boerderijtje' in Nijmegen niet bevestigd. Dit in navolging van prof.dr.F.Hugenholtz, die dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen eens zo kwalificeerder, omdat het vergaan was. Immers hout blijft niet bewaard in de bodem, was zijn uitvlucht toen het archeologisch maar niet gevonden werd. Hoe infantiel kun je het stellen, professor! Wat Einhard wel schrijft (al is op het waarheidsgehalte van zijn geschrijf heel wat aan te merken) lees je hieronder per vers (alinea) genoemd, met de interpretaties van plaatsnamen volgens de traditionele opvattingen. Slechts vier keer noemt Einhard Aquisgrani, waarvan het 2x gaat over de Mariakerk en slechts 2x noemt hij het paleis, maar nergens in één adem (samen?) met Nijmegen.
    1. in vers 17: Als een van de belangrijkste bouwwerken kan de basiliek van de heilige moeder Gods in Aken gezien worden. In vers 17 wordt ook de 2 paleizen die hij liet bouwen in Ingilenheim en Noviomagi 'super Vahalem Fluvium, qui Batavorum insulam a parte meridiana praeterfluit'. In vers 17 wordt in regel 6 of 7 -afhankelijk van de uitgave van het boekje van Einhard- de basiliek genoemd, dan de brug over de Rheno, en in regel 13 en 14 de 2 paleizen. Pas in vers 22 -dat is enkele pagina's verder- wordt het paleis in Aken genoemd. In andere uitgaven is het Engìlenheim (A1.P.) of Ingilenhem (A2).
    2. in vers 22: Om deze reden bouwde hij ook een paleis in Aken, en woonde daar de laatste jaren van zijn leven tot aan zijn dood.
    3. in vers 26: Daarom bouwde hij de wonderschone kerk in Aken, die hij met goud en zilver, met lampen en koper, met ballustraden en enorme deuren versierde.
    4. in vers 30: Hij stuurde zijn zoon Lodewijk naar Aquitanië en Karel ging ondanks zijn ver gevorderde leeftijd zoals gewoonlijk op jacht en wel niet ver van zijn paleis in Aken.
    Slechts 2x noemt Einhard het paleis in Aken, namelijk in vers 22 en 30 en beide keren niet in relatie met Nijmegen. In vers 17 noemt hij wel Nijmegen en Ingelheim, maar tussen vers 17 en 22 zitten meerdere pagina's. Er is dus in totaal geen sprake van in één adem. Dat is vals citeren om indruk te maken en het 'eigen gelijk' te kunnen bevestigen. Het is vergelijkbaar met het vals citeren zoals op pagina 334 is gedaan. Maar met vals citeren geef je slechts zwakte aan en het eigen ongelijk. Als je geen andere uitvluchten kunt bedenken, zeg dan niets!

  38. In enkele kleine opgravingsputten op het Valkhof zijn sporen van uitgebroken muren gevonden die mogelijk uit de eerste helft van de achtste eeuw dateren. Dit zou het gebouw geweest kunnen zijn dat Karel in 777 bezocht en dat hij kort erna liet slopen om uiteindelijk een palacium regium, een koninklijk privépaleis te bouwen. Tussen 777 en 814 is Karel zeker vier keer in Nijmegen geweest om Pasen te vieren (p.326). Let vooral op het 'mogelijk' en 'zou kunnen zijn'. In de oorkonden waarover hier gesproken wordt staat helemaal niet Nijmegen, maar Noviomagus. Vraag is dus welke plaats was Noviomagus? Nijmegen kan geen enkele tekst opvoeren waarin Noviomagus beslist met Nijmegen vereenzelfigd moet worden, dan die ene tekst van Einhard (zie vorige punt). Voor Noyon zijn talrijke teksten aan te voeren waarin Noviomagus genoemd wordt, die onmiskenbaar betrekking hebben op Noyon, waarvan overbekend is dat Karel de Grote dáár gekroond is tot Koning van de Franken.

  39. Wat er verder over Nijmegen en de palts van Karel de Grote wordt geschreven is achterhaalde geschiedenis, die allerminst door de archeologie wordt bevestigd ook al schrijft Groothedde dat hier wel (p.326-329). Lees daar meer over bij Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis.We citeren uit deze drie pagina's (met slechts 65 regels tekst, naast meerdere afbeeldingen) de woorden 'wellicht', 'in ieder geval', 'het is onduidelijk', 'het kan zijn geweest', 'lijken nog', 'moet zijn geweest', 'is weinig bekend', 'mogelijk', 'maken het aannemelijk', 'werd gedacht', 'zou hebben', 'beargumenteerd', 'zou hebben', ofwel slechts wishful thinking: het interpreteren van feiten, verslagen, gebeurtenissen, waarnemingen, volgens wat men graag zou willen dat het geval is en niet volgens de werkelijke bewijzen.

  40. Recente studies maken het aannemelijk dat de ruïne van de in het Valkhofpark gelegen Sint-Maartenskapel resten bevat van een Karolingische bouwfase. Lang werd gedacht dat die kapel rond 1155 geheel door keizer Frederik Barbarossa was gebouwd. De keizerlijke opdrachtgever zou daarbij enkele losse bouwelementen, zoals de marmeren Karolingische kapitelen, hebben opgenomen in de vrijwel nieuw opgetrokken Valkhofburcht. Nu bekend is dat de Sint-Maartenskapel inderdaad authentiek Karolingisch metselwerk bevat, kan ook worden vastgesteld dat Barbarossa de ruïnes van de oude palts niet geheel sloopte maar er juist op voortborduurde. Daarmee zette hij zichzelf in de traditie van de Romeinen (men dacht ten onrechte dat Julius Caesar er gebouwd had) en Karel de Grote (p.329). Men verzint in Nijmegen steeds nieuwe opvattingen om vooral de bestaande mythen maar in stand te kunnen houden. Lees meer over dat metselwerek in Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis, waar blijkt dat het een totale mythe is.
    Lees meer over de gedenksteen van Frederik Barbarossa en wat Albert Delahaye daarover geschreven heeft. Delahaye heeft duidelijk aangetoond dat rederik Barbarossa op die gedenksteen niet naar Karel de Grote, zijn grote voorbeeld, verwijst, maar naar de Romeinen.
    Deze gedenksteen is een blok graniet die de continuïteit van Nijmegen en het bestaan van een paleis van Karel de Grote radikaal tegenspreekt en een letterlijk keiharde bevestiging van het gelijk van Delahaye.


  41. Over de elfde-eeuwse bouwfase is wat meer bekend door de bewaard gebleven paltskapel, de Sint-Nicolaaskapel. Er is beargumenteerd dat dit gebouw dateert van rond het jaar 1000. De bouwen de wijding aan de - destijds in het Byzantijnse Rijk vereerde - heilige Nicolaas zouden in verband staan met het overlijden te Nijmegen van de uit Byzantium afkomstige keizerin Theophano in 991. Haar zoon, keizer Otto III, zou de kapel hebben gebouwd als grafkapel voor Theophano's hart en ingewanden. De rest van haar lichaam werd bijgezet in de kerk van Sint-Pantaleon in Keulen. Andere onderzoekers plaatsen de bouw van de kapel rond 1030 (p.329). Lees meer over de Karolingische Kapel die tegenwoordig de Ottoonse Kapel heet. Deze naamswijziging toont het gelijk van Delahaye aan. Het was prof.dr.F.Hugenholtz die in een interview eens zei: "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker". En Hugenholtz kon het weten en heeft helemaal gelijk gekregen. Immers op dat ene onderdeel heeft Albert Delahaye overtuigend gelijk gekregen. En bij dat ene onderdeel is het niet gebleven! De kapel op Het Valkhof in Nijmegen heette aanvankelijk Heidense kapel, nadien Karolingische Kapel, maar heet nu officieel Ottoonse kapel. De kapel is niet uit de 8ste eeuw, maar ook niet uit 1030, maar van ná 1085 wat het patronaat van St.Nicolaas aantoont. Vóór 1085 was St.Nicolaas als heilige in Westelijk Europa nog niet bekend. Lees meer over het gelijk van Albert Delahaye.

    Voor Keizerin Theophano kunnen we verwijzen naar de studie van Rudolf Janssen, die aantoonde dat zij alles met Neomagum te maken heeft gehad, niets met Nijmegen. Rudolf Janssen heeft aangetoond dat er geen enkel bewijs te vinden is voor haar aanwezigheid in Nijmegen. Het zal U niet verbazen: het Neomagum waar zij gestorven is bleek Noyon te zijn. Wat had ze in Nijmegen te zoeken? Er was geen paleis, er was niets, ook al heeft men in Nijmegen nu een (weggestopt) mozaïek van deze keizerin op de zijgevel van het casino (zie afbeelding in de linker kolom). Het is symbolisch: in Nijmegen houdt men er in de geschiedenis wel vaker een 'gokje' op na. En als er dan geen reactie uit de historische hoek komt, is het 'gokje' meteen al vastgestelde geschiedenis. Het verhaal van de Zwaanridder en Beatrijs is net zo'n mythe, die men dan wel al te duidelijk doorziet, want die mythe ligt er ook te dik bovenop. Dat hebben ze zelfs in Nijmegen wel door. Ook het verhaal van Marike van Nimwegen is niet meer dan een vrome legende en beslist geen historisch waar gebeurd verhaal, al zit er wel het katholiek vermanende vingertje in om je niet in te laten met alles 'wat des duivels' is.

  42. Tot in de eerste helft van de elfde eeuw stond de Nijmeegse palts in elk geval geregeld in de belangstelling van de vorsten. In 1047 viel het Valkhof ten prooi aan brandstichting door opstandige edelen onder leiding van hertog Godfried 'met de Baard'. De ruïnes waren na 1047 onbruikbaar voor een koninklijk verblijf en de palts werd ook niet hersteld. Dat maakte voor langere tijd een eind aan de koninklijke interesse (p.329). Een volgende onwaarheid is de verwoesting van het paleis in Nijmegen in 1047. Het is dan wel waar dat de verwoesting van dat paleis plaats vond, maar dat gebeurde in Noyon en niet In Nijmegen waar immers geen paleis bestond. Vraag is ook door wie werd die verwoesting gedaan? Was het de baardige hertog Godfried van Lotharingen of Boudewijn van Vlaanderen?

    Om een juist beeld van de verwikkelingen te krijgen is het zaak de geschiedenis even te volgen volgens de klassieke teksten. Wat was de aanleiding voor die verwoesting van het paleis van Neomagus?
    De aanleding lag geheel bij Boudewijn, graaf van Vlaanderen, die een versterking had aangelegd te Oudenaarde, en een er tegenover te Eichem, waardoor hij een deel van het rijk van Lotharius tot aan de Dender onrechtmatig in bezit nam. De stroom van de Schelde is immers vanaf zijn oorsprong tot aan de zee de grens tussen Lotharingen en het graafschap Vlaanderen, dat tot het rijk van Francië behoort. Keizer Hendrik III, die tevens koning van Lotharingen was, trad met een leger tegen graaf Boudewijn op en rukte op tot voor de poorten van Atrecht, waarbinnen Boudewijn zich bevond en die zijn leger achter de gesloten poorten kon houden. Vandaar trok de keizer naar Arques, de stad van St. Bertijns (vlakbij St. Omaars), in de verkeerde veronderstelling, dat hij daar beter Vlaanderen kon binnendringen. Graaf Boudewijn had zich echter daar en overal waar een droge doortocht naar Vlaanderen mogelijk was, door wallen en palissaden tegen hem versterkt. De keizer, vermoeid door de veldtocht, keerde terug zoals hij gekomen was. De graaf meende dat hij op de vlucht was geslagen, achtervolgde hem tot aan diens edel paleis van Neomagus en stak dat in brand. Daarna keerde hij met een ongeschonden leger terug. De keizer, die terecht rood van kwaadheid was, viel na zeven dagen de graaf opnieuw aan. Onverwacht verscheen hij bij de versterking van Boulenrieu (ten oosten van Doornik), nam Doornik in en bereikte met de andere edelen spoedig Annoeullin(16 km zuid-west van Rijssel), terwijl niemand van de Vlamingen weerstand bood en gevangen werden. Daarna traden gezanten op om vrede te sluiten; de keizer gaf de gevangenen aan de graaf terug en verleende hem (het deel van) Brabant in leen, na zijn hulde aanvaard te hebben. Uit deze tekst blijkt duidelijk dat Boudewijn graaf van Vlaanderen de brandstichter was. In andere teksten (zie hierna) wordt Godfried van Lotharingen als dader genoemd. In werkelijk traden ze samen op en hadden hetzelfde belang, namelijk onvrede met de Duitse Keizer Hendrik III. Godfried was immers hertog van Lotharingen, maar kreeg geen zeggenschap over het hem toebedeelde deel van Lotharingen, wat hem erfrechtelijk toekwam (meende hij).

    Er bestaan negen klassieke teksten die over de verwoesting van het paleis Neomagus handelen. In het Bronnenboek van Nijmegen (van P.Leupen en B.Thissen!) zijn er slechts drie opgenomen (de nummers 1, 2 en 3 hieronder). Waarom Leupen de zes andere teksten die over hetzelfde handelen overslaat, is wel duidelijk. Daaruit blijkt al te duidelijk dat het hele gebeuren in Frankrijk plaats vond en dat Nijmegen daarin een dislocatie is.

    Voor de negen teksten verwijzen we naar de Ware Kijk Op deel 1. p.220-222. We noemen hier wel even de bronnen:
    1. Annales S. Jacobi Minoris, MGS, XVI, p. 638 en Annales Leodienses, MGS, V, p. 19. (Bronnenboek nr 134).
    2. Annales Altahenses, MGS, XX, p. 804. (Bronnenboek nr 135)
    3. Lamperti Hersfordiensis Annales, MGS, V, p. 154; HdF, XI, p. 60.6. (Bronnenboek nr 136, slechts gedeeltelijk geciteerd).
    4. Lamberti Hersfordiensis Annales, MGS, V, p. 154; HdF, XI, p. 60.
    5. Genealogiae comitum Flandriae, MGS, IX, p. 320.
    6. Johannis Longi Chronicon, MGS, XXV, p. 781. MGS, XI, p. 381.
    7. Rogeri de Hoveden Annales, HdF, XI, p. 310.
    8. Historia episcoporum Virdunensium, H dF , XI, p. 250.
    9. Bron: Sigeberti Chronicon, MGS, VI, p. 358.

      Van de laatste twee bronnen geven we hier de letterlijke tekst:
      1. "Godfried stak het paleis van Neomagus in brand en verwoestte het onherstelbaar. Ook de stad van de Clabi, die Verdun heet, met de grote kerk van St.Maria stak hij in brand." (Sigeberti Chronicon, MGS, VI, p. 358.)
      2. "Toen hij (Godfried van Lotharingen) zeer kwaadaardig tegenover de keizer het paleis van Neomagus, een werk van wondere pracht, in de oorlog onherstelbaar vernield had... verwoestte hij heel Lotharingen met moord, brand en roof. Toch is hij gedurende de 22 jaren, die hij daarna leefde, tamelijk welwillend geweest voor de mensen van Verdun. (Historia episcoporum Virdunensium, HdF , XI, p. 250).

      Opmerking: De nevenschikking van Neomagus (Noyon) met Verdun in één zin is eigenlijk al een afdoende bewijs dat de interpretatie Nijmegen vals is. Hoewel in de tekst duidelijk Neomagus genoemd wordt, vindt ook Leupen dat het hier niet over Nijmegen gaat, immers deze tekst neemt hij niet op in het Bronnenboek. Dat is des te opvallender omdat Leupen in zijn inleiding beweert dat hij alle bronnen opgenomen heeft.

      Het ligt enigszins voor de hand dat Lotharingse schrijvers de “heldendaad” van de verwoesting van de duitse residentie te Noyon aan de hertog van Lotharingen toeschrijven, Andere kronieken, die bovendien zulke nauwkeurige geografische aanduidingen bevatten dat de interpretatie Noyon dwingend is, geven een soms afwijkend beeld van de gebeurtenissen. Wanneer het Bronnenboek het met dat beeld niet eens is, dient het die mededelingen op een afdoende wijze te weerleggen. Het doet dat niet; integendeel, het slaat die teksten zonder commentaar over en staat ze dus af aan Noyon. In feite is het een wetenschappelijk vergrijp ze zonder uitleg te verzwijgen.

      Boudewijn was vanuit Vlaanderen op weg naar Verdun en verwoeste behalve Verdun, onderweg ook 'even' het paleis van Neomagus. Hij heeft met zijn gevolg en leger vanuit Vlaanderen echt niet een omweg gemaakt via Nijmegen om daarna Verdun te plunderen en plat te branden. De teksten zijn daarover nogal duidelijk. De opvatting dat het genoemde Neomagus Nijmegen was, maakt van dit verhaal een lachwekkende vertoning. Waarom zou je vanuit Atrecht, Doornik, en Annoeulin plots naar Nijmegen (op meer dan 300 km) uitwijken? Nogmaals de vraag: "Hebben historici geen aardrijkskundige atlas (niet een historische atlas want daarin staan heel wat onjuistheden)?" De kroniek van Kamerijk geeft op verschillende plaatsen uitvoerige berichten over de verwikkelingen tussen Lotharingen en de Duitse keizers, die uiteindelijk zelfs leidden tot de verwoesting van het paleis van Noyon in 1047. Verschillende bisschoppen waren in deze kwestie gemoeid, omdat de meeste van hen tevens als wereldlijk heer optraden en zij door de keizer in hun bisschopsambt waren gesteld, wat hen dubbel onderworpen maakte aan het gezag van de keizer. De hierbij genoemde bisschoppen (Noyon/Doornik, Reims, Kamerijk) resideerden allemaal in Frankrijk. In Nijmegen zetelde geen enkele bisschop, toen niet en lang daarvoor of daarna ook niet. Nijmegen is nooit een bisschopsstad geweest. Dat wist pauselijk kamerheer prof.dr.R.Post ook, die Delahaye daarin dus gelijk gaf. Maar ja, dat boek van Post ontbreekt ook veelzeggend in de literatuurlijst.

  43. Het verhaal van de Vikingen. Het is interessant dat verhaal te volgen aan de hand van citaten uit dit boek. We geven steeds in rood onze opmerkingen, want tegen dit verhaal is weer heel wat in te brengen.
    De Vikingen kwamen, hoe ironisch, met Frankische zwaarden naar Frankisch Europa om daar met geweld koloniën te stichten (p.319). IJzeren sikkel, in Zutphen gevonden tussen de brand resten van de Vikingaanval van 882. Lees meer over Zutphen. De Vikingen namen niet de moeite om de agrarische gebruiksvoorwerpen mee te nemen (p.320). Als zodanig is Deventer te beschouwen als een voorhaven van de Rijnhandel richting het noorden, het land van de Friezen en Vikingen (p.335). Lees meer over Deventer.De opkomst van Tiel is goed verklaarbaar door de ondergang van Dorestad. Lees meer over Tiel en over Dorestad. Deze befaamde handelsplaats kreeg te maken met een Rijn die sterk meanderde en minder water kreeg dan de Waal. Dorestad was in de loop van de negende eeuw bovendien diverse malen geplunderd door Vikingen. De stad was zelfs enige decennia in leen gegeven aan Vikingkoning Rorik. Die beheerste als 'graaf van Dorestad' vermoedelijk niet alleen de plaats zelf, maar een groot deel van de Rijnmond (p.336). Lees nog meer over Dorestad. Omdat in Dorestad veel kooplieden woonden die andere heren dienden dan Rorik, verplaatste de handel zich naar bijvoorbeeld Tiel en Deventer. Deze plaatsen lagen ook aan andere rivieren, zodat de door verzanding en meandering geplaagde Rijn vermeden kon worden. De verhuizing van groepen kooplieden komt duidelijk tot uiting in een oorkonde van koning Zwentibold uit 896. Hierin bevestigde de koning aan de Utrechtse bisschop het bezit van een tiende deel van de koninklijke domeinen te Deventer en Tiel. Daarbij liet de bisschop wel apart vermelden dat 'zijn' koopmannen [Sint-Maartens-mannen genoemd, naar de Domkerk waar de bis-schop zetelde) dezelfde rechten kregen als zij eertijds in Dorestad hadden genoten. Die rechten betroffen onder meer tolvrijheden (p.338). Lees meer over Utrecht, dat in 896 nog niet eens bestond.

    De eerst vermelde 'graaf van Hamaland' was Wichman I in 855. Hij was zeer waarschijnlijk de vader van de in 881 genoemde graaf Meginhard. Meginhards zoon Everhard I, bijgenaamd 'de Saks', speelde een belangrijke rol in de bestrijding van de Vikingen (p.345). Lees meer over Hamaland. Vijftien kilometer ten noorden van Zutphen lag Deventer, een kerkelijk centrum en handelsplaats. Beide plaatsen werden in 882 door Vikingen aangevallen en verwoest. De aanval op Deventer, waar veel slachtoffers vielen, werd expliciet door een kroniekschrijver uit Fulda genoemd, omdat hier het graf van de heilige Lebuinus in het geding was (p.347). Lees meer over Lebuinus. Maar wie waren deze plunderaars? In 879 kwamen grote groepen Vikingen vanuit Engeland de Noordzee over. Zij maakten deel uit van een zeer groot Deens leger, 'the Great Heathen Army' (Mycel Haethen Here), dat in 866 naar Engeland was overgestoken. Dat immense leger rolde tot 874 het ene na het andere Engelse koninkrijk op (p.349). Lees meer over de Noormannen. Over het wel en wee van het Vikingleger in Vlaanderen en de Scheldemond verschaft het werk van vele kroniekschrijvers uit die regio informatie. Hun aanwezigheid in de Rijnstreek is beduidend minder goed beschreven. Kroniekschrijver Regino van Prüm is onze belangrijkste inforrnant. Hij beschrijft hoe de Vikingen onder leiding van Godfried hun winterkamp in de koningspalts van Nijmegen inrichtten en tijdens een schermutseling de Hamalandse graaf Everhard 'de Saks' gevangen namen. De Frankische koning trachtte tevergeefs de palts, en Everhard, te ontzetten. Everhard werd uiteindelijk door zijn moeder Evesa tegen een hoge som losgeld vrijgekocht. De Vikingen bliezen daarna de aftocht en lieten Nijmegen verwoest achter. Lees meer over de verwoesting van NIjmegen in 880/881 die nooit plaats vond. De Franse historici plaatsen dit gebeuren al vanouds in Noyon. In 881-882 sloegen ze een winterkamp op in Ascloa (ergens aan de Maas). Ook daar lukte het de Franken niet de Vikingen te verslaan. (p.349/351). Lees meer over ergens aan de Maas. Dat de plunderaars van Zutphen inderdaad Deens-Engelse Vikingen waren, wordt bevestigd door de vondst van de Engelse styca, het bronzen muntje uit York dat door de Vikingen in Engeland als kleingeld werd gebruikt en dat in Frankisch Europa niet circuleerde. De muntvondst, uitgerekend naast een van de skeletten aangetroffen, blijkt een smoking gun te zijn (p.351). Lees meer over de Vikingaanval op Zutphen.

    Het is bij elkaar wel duidelijk dat op elke bewering over Vikingaanvallen in Nederland de nodige opmerkingen te maken zijn. Allereerst wordt er in de klassieke bronnen nergens geschreven over Vikingen of Denen. Dat zijn onjuiste interpretaties. In de bronnen worden de Northmanni en Dania mark genoemd. Daarnaast worden nergens de plaatsen Deventer, Zutphen, Tiel of Nijmegen genoemd. Ook dat zijn onjuiste interpretaties van de plaatsen Taventria (=Desvres), Tyla (=Tilques) en Noviomagus (=Noyon). Zutphen wordt zowiezo al nergens genoemd, wel de Isla, maar dat was niet de IJssel, maar de Lys/Leie in (Frans-)Vlaanderen. Lees meer over de Gelderse IJssel. De vaak aangehaalde koning Zwentibold had niets te vertellen in het middenrijk, waar Tiel en het 'Nederlandse Dorestad' toe behoorden. Het is onderdeel van de klassieke grondfout in de historische geografie. In 896 bestond 'Nederlands Dorestad' niet meer. Dat was in 863 ten onder gegaan, volgens opgraver W.van Es. Lees meer over de oorkonde van koning Zwentibold die hier bedoeld wordt, dat er één is uit een hele serie oorkonden tussen 895 en 898. Daarin gaat het steeds over Frankrijk. Wie het hier niet mee eens is, dient aan te tonen dat Zwentibold koning van het middenrijk was of moet aantonen dat Dorestad in de Betuwe lag, of (een andere optie! -er zijn nog meer opties te geven!) dat Doornik in Nederland lag. Ook hier blijkt weer dat de traditionele indeling van de verdeling van Verdun in 843, zoals afgebeeld in alle historische atlassen en ook in dit boek op p.341, onjuist is. Lees meer over het Verdrag van Verdun, maar let daarbij vooral ook op de verdelingen van 'Meerssen' en Ribemont.

  44. Een alternatieve kijk op vroegmiddeleeuws Gelderland (p.334). Hier komen we dan, na alle vorige misvattingen, op de grootste misvatting in dit boek: de visie van Albert Delahaye. Precies naast het verhaal over de mythe over Dorestad. Is deze fantasietekening "Dorestad in Vogelvlucht" van Wim Euverman opzettelijk naast de visie van Albert Delahaye geplaatst? Maar Wijk bij Duurstede is toch geen Gelderland? Wat hier over de visie van Albert Delahaye geschreven wordt, wat niet slechts over Gelderland maar over heel Nederland gaat, is onvolledig, onjuist en zelfs leugenachtig. Het is ongegronde en onterechte stemmingmakerij om te proberen de visie van Albert Delahaye belachelijk te maken, zonder op zijn argumenten in te gaan. Veel van die argumenten hebben we hiervoor in de verschillende opmerkingen ook genoemd. Als de schrijvers van dit hoofdstuk menen hiermee de visie van Delahaye weerlegd te hebben, is dat faliekant mislukt. Dat lukt immers niet met leugens en verzwijgen.

    Maar op dezelfde pagina 335 krijgt Delahaye toch ook weer gelijk. Bij het onderschrift van "Dorestad in Vogelvlucht" (zie afbeelding hiernaast: klik op de afbeelding voor meer informatie) staat: Impressie van Dorestad in de Karolingische tijd. Op de in de Rijn uitgebouwde steigers staan her en der pakhuizen. De meningen zijn lang verdeeld geweest over de vraag of wellicht de hele handelsplaats feitelijk op palen in de rivier stond. Op het vasteland staan huizen en boerderijen. Dat de hele handelsplaats op die palen stond is een uitvlucht, omdat van een handelsplaats niets is terugevonden of gebleken. Op die palen stonden gebouwtjes en hutjes van vissers. Het was ook de vissersplaats Munna die in de Kroniek van Kamerijk vermeld wordt in de streek Merewido.
    Opgraver W.A. van Es heeft over die huizen en boerderijen ook geschreven dat de huisplattegronden zo vaag waren dat die niet als voorbeeld voor de herbouwde Middeleeuwse Boerderij in Schothorst (Amersfoort) konden worden gebruikt. Men heeft toen een huisplattegrond uit Kootwijk als voorbeeld gebruikt. Overigens wilde Wijk bij Duurstede deze nagebouwde boerderij ook niet op haar grondgebied hebben, vandaar dat die in Amersfoort terecht kwam, de plaats van de R.O.B., nu de RCE (Rijksdient voor Cultureel Erfgoed). Lees meer over de Middeleeuwse Boerderij.


  45. In het boek De diversitate temporum ('Gebeurtenissen van deze tijd') van Alpertus van Metz, geschreven omstreeks 1020, staat een opvallende passage. Daaruit blijkt dat de Tielenaren bijzondere sociale voorrechten bezaten, zoals vrijstelling van belasting en een vorm van rechtspraak die sterk verschilde van die op het domaniale platteland. De afwijkende rechtspositie van deze groep handelaren was in de tijd van Alpertus, die overigens opgroeide in het Gelderse gebied, uitzonderlijk. Van een stedelijke cultuur was in Gelderland nog lang geen sprake, maar in Tiel is een voorbode ervan wel zichtbaar. De moralistisch ingestelde geestelijke Alpertus kon weinig sympathie opbrengen voor deze 'stadse fratsen'. De Tielenaren gedroegen zich in zijn ogen dan ook bandeloos (p.339/340). Over de 'Diversitate Temporum' va Alpertus Mettensis bestaan al net zoveel misverstanden als over de hele geschiedenis van Nederland in het eerste millennium. Alpertus kwam, zoals zijn naam al aangeeft, uit Metz, of verbleef er in elke geval toen hij dit boek schreef. Dat hij opgroeide of verbleef in het Gelders gebied is dan wel altijd aangenomen, hij schrijft immers over Tyle (Tylia), maar meer dan een aanname dat het Tiel zou zijn, is het niet. Het is Alpertus die de juiste naam van de nederzetting te Wijk bij Duurstede noemt. Het bleek de naam Munna te dragen en helemaal niet Dorestadum, waarvan de naam Duurstede (sterke stede, sterke plaats) was toen de bisschop van Utrecht er in de 13e eeuw een buitenverblijf bouwde. De naam Duurstede waaraan Wijk gekoppeld werd, leidde pas in de 19de eeuw tot de lokalisatie van Dorestadum, een naam die men overigens vergeefs bij de eerste Hollandse schrijvers zal zoeken. Bij Alpertus lezen we ook dat 'een deel van de Friezen zijn woonplaatsen had verlaten en in het bos Meriwido (Merwede) woningen gebouwd en zich gevestigd. Zij namen rovers bij zich op en berokkenden veel schade aan de handelaars. De rovers, die zij daarna aan zich onderwierpen, kregen ieder voor zich een stuk nieuwland aangewezen'. De handelaars van Tiel, 'die overigens zelf, in vergelijking met anderen, gemakkelijk twisten wisten uit te lokken', richtten zich tot de koning met het verzoek dat hij hen, voor zijn eigen bestwil, tegen deze beledigingen zou beschermen. De keizer, die de handelswegen van de handelaars (o.a. naar Engeland) open wilde houden, gaf bisschop Adelbold en hertog Godfried (van Lotharingen) opdracht om naar de Friezen te gaan, hen van deze plaats, die zij onrechtmatig ingenomen hadden, te verdrijven en de rovers te verwijderen. Na deze bevelen ontvangen te hebben, brachtenzij een groot leger bijeen van voortreffelijke mannen, vooral in de krijgsdienst geoefend, die echter heel hun leven als ruiters gediend hadden maar op een schip niets konden beginnen. Toen zij zich verzameld hadden, scheepten zij het hele leger in en begaven zich naar de plaats waarvan zij vernomen hadden dat de Friezen zich met hun gedwongen troepen (de rovers) ophielden. Maar zij, die het bos bezet hadden, verlieten hun huizen toen zij door verkenners de komst van het leger vernomen hadden en zij trokken zich door de vlucht terug tussen hen, voor wie de rovers een kleine versterking hadden gebouwd. Op een te Noviomago belegde rijksdag, waar velen heen gekomen waren, heeft de keizer bevolen Munna te verwoesten, opdat vanuit die streek geen schade of plundering meer zou komen. Hij zond aartsbisschop Heribert (van Keulen) en Gerard van de Moezel en vele anderen uit om de verwoesting te gaan doen. Zij hebben alle gebouwen met de grond gelijk gemaakt en verbrand en iedereen de hoop ontnomen daar ooit nog een nederzetting te bouwen. Deze verwoesting vond plaats in het jaar 1018.

    De volgende passage lezen we zowel bij Alpertus Mettensis als bij Thietmar van Mersenburg: "Deze gehele streek, die gebrek had aan een sterke verdediger, vreest elke dag door zeerovers overvallen te worden... Dirk (van Holland), de goddeloze, was voorheen vazal van de genoemde bisschop. Hij had in een zeker bos, Mirwidu (Merwede) genaamd, een grote nederzetting, die hem (de bisschop) door hem (Dirk van Holland) onrechtmatig ontnomen was. Alle streekgenoten kwamen zich in Niumagum bij de keizer beklagen. Daarom beval de keizer op advies van de rijksgroten aan de bisschop van Utrecht (Trajectum), dat hij deze plaatsen in brand moest steken en aan de protesterenden teruggeven. Deze tekst waarin Niumagum wordt genoemd staat opvallend ook al niet in het Bronnenboek van Nijmegen. Leupen had toch (met zijn studenten!) alle bronnen verzameld? Deze bron hadden zij dus gemist of werd hier toch onmiskenbaar Noyon bedoeld? Lees meer over Alpertus Mettensis.


  46. Voor een goed beeld van de geografische positie van Gelderland in de laatste anderhalve eeuw voor het jaar 1000, is het noodzakelijk uit te zoomen naar een Europese schaal (p.340). Het Nederlandse, en dus ook Gelderse, gebied viel vanaf 925 onder het Duitse Rijk en dat zou formeel zo blijven tot de Vrede van Westfalen in 1648. Een groot deel van wat nu de provincie Gelderland is, heette ooit Hamaland. Het was een groot gebied, dat in de bronnen voorkomt van de negende tot in de elfde eeuw. Maar lang niet altijd is duidelijk hoe de grenzen liepen en welk gebied er wel of niet toe werd gerekend (p.342). Wat in dit citaat geschreven wordt, is een juiste constatering van Groothedde. Helaas doet hij dit zelf niet! Hij geeft bijvoorbeeld geen verklaring waarom alles wat over de Nederlandse geschiedenis wordt verhaald, slechts in buitenlandse, voornamelijk Franse bronnen staat. Dat zou betekennen dat de Franse kroniekschrijvers wel het verhaal van een ver land zouden hebben beschreven, maar die van hun eigen land onbeschreven zouden hebben gelaten.

  47. Lokale schrijvers hebben doorgaans een betere kijk op de topografie dan schrijvers op grote afstand. Eenzelfde probleem doet zich voor met 'Friesland', dat in de bronnen soms 'ons' Westerlauwers en Oosterlauwers Friesland is, maar dat soms ook een veel groter gebied omvatte, van Vlaanderen tot de Deense westkust. (p.342/343). Niet alleen voor Friesland, maar ook voor andere gebieden geldt dat. Zo wordt Taxandria altijd geïdentificeerd met Brabant en Teisterbant met het gebied tussen Rijn en Maas, terwijl het twee namen waren voor hetzelfde gebied. Lees meer over Friesland dat in het eerste millennium in Vlaanderen lag, precies zoals Tacitus, Plinius, Beda en de Geograaf van Ravenna schrijven. Lees meer over Taxandria/Teisterbant.

  48. Daar komt bij dat Hamaland in de loop van de tijd ook verschoof. Dat wil zeggen: wat men in de achtste eeuw Hamaland noemde, kon in de tiende eeuw op een deels ander (groter ofkleiner) territorium slaan. De naam 'Hamaland' is afgeleid van de Frankische stam der Chamaven. De eh-klank werd in het Germaans vaak uitgesproken als een H, en later ook zo opgeschreven. Hamaland in ruimere zin strekte zich ver naar het westen uit en omvatte de Veluwe en de Utrechtse heuvelrug tot in het Gooi. De uitgestrekte bossen en veengebieden in de Achterhoek zouden een voor de hand liggende oostgrens zijn, maar het gebied rond Winterswijk en Vreden wordt ook wel als 'Saksisch' Hamaland aangeduid (p.343).
    Dat de naam Hamaland afgeleid zou zijn van de Chamaven is wat genoemd wordt "etymologie van de kouwe grond", ofwel totale onzin. De Chamaven verbleven niet in Nederland, maar sinds de eerste eeuw (zie Tacitus) al binnen het Romeinse rijk in Noord-Frankrijk. In Frankrijk vinden we nog enkele plaatsnamen die duidelijk naar de Chamavi verwijzen, zoals Camphin-en-Carembault, op 16 km noordoost van Lens, en Camphin-en-Pévèle, op 14 km zuidoost van Rijsel. Spreek Camphin vooral op zijn Frans uit. Dan staat er fonetisch [Sjam-fein]. De Geograaf van Ravenna noemt dit volk de Chamabes. Let hier weer op de uitspraak en schrijfwijze van -b- en -v- in klassieke bronnen.
    In 358 na Chr. (bron: Ammianus Marcellinus, XVII, 9), wordt verhaald dat Julianus drie versterkingen langs de Mosa liet herstellen, die door de Germanen waren vernield en die hij bevoorraadde vanuit de bouwlanden van de Chamavi. Er is geen schijn van kans om dit gegeven ergens in Nederland te plaatsen. De Romeinen waren toen al meer dan een eeuw uit Nederland vertrokken. De samen met hen op de Peutingerkaar genoemde Cherustini, waren de bewoners van Cherisy. In meerdere teksten (Tacitus, Ravenna, Ptolemeus, Plinius, Chronica Monasterii Guatinensis, Ermenrici Elwangensis epistola ad Grimaldum, zelfs op de Peutingerkaart) worden de Chamavi genoemd samen met, of in relatie tot, de Fresones, Chauci, Tubantes, Usipi, Bructeri, Tencteri, Chatti en de Cherusci. Deze teksten geven duidelijke een nabijheid van deze stammen aan. Het is een complete farce deze te verspreiden of half Duitsland en Oostelijk-Nederland.
    Het 'graafschap' Hamaland, dat alleen voorkomt in Franse bronnen, is een landstreek in Frankrijk, dat samen met de misverstane Isla (als IJssel opgevat) in Nederland terecht kwam. In de bronnen is een duidelijke relatie aan te wijzen met Franse vorsten, vorstendommen en Franse plaatsen. In Nederland is Hamaland een geïmporteerde naam. Op de Peutingerkaart die men in Nederland traditioneel letterlijk volgt, staat duidelijk vermeldt dat de 'Chamavi qui et Franci' ofwel de Chamaven die Franken zijn. In de Nederlandse traditie plaats men de Chamaven in Overijssel en westelijk Duitsland, waar men toch doorgaans de Saksen plaatst. Lees meer over de Chamaven en over Hamaland.

  49. Op p.342 en 343 staan 2 kaartjes van de traditionele indelingen van Nederland en Gelderland. Groothedde schuift met Hamaland naar gelang het hem uitkomt. Hij laat het zelfs doorlopen tot ver in Utrecht en ver in de Achterhoek, hoewel het daar wel problemen oplevert. Amersfoort ligt dan plots ook in Hamaland en niet meer in Flehite, zoals historici traditioneel menen. Flehite moet dan ook een beetje opschuiven, net als Nifterlake elders geplaatst moet worden, nu ten oosten van Utrecht, terwijl de traditie het toch altijd in Holland ten westen van Utrecht plaatst, soms zelfs in Zuid-Holland (zoals Luit van der Tuuk en H.A.Heidinga). Dorestad komt zo in Nifeterlake te liggen, terwijl het traditioneel in het land van de Friezen zou moeten liggen. Als je zo schuift met die landstreken, kun je het altijd passend maken met je eigen opvattingen, maar dat vormt geen enkel bewijs voor de juistheid van die opvattingen. Lees meer over Nifterlake. Lees meer over Hamaland dat in Nederland onvindbaar blijft zoals de AWN concludeerde. Uit al dat geschuif met landstreken blijkt dat de traditionele historici feitelijk niet weten waar die landstreek lag, maar vooral blijkt dat het niet in Nederland past. Lees ook nog even wat Annemarieke Willemsen over de traditionele indeling Friezen Franken en Saksen schreef.
    Bij de traditonele indelingen van het gebied van Friezen, Franken en Saksen, is het ook van belang de verdragen van Verdun in 843, van Marsna (om de juiste naam te gebruiken) in 870 en van Ribemont in 880 te volgen. Als je deze 3 verdelingen van het Rijk met elkaar vergelijkt, krijg je toch een geheel ander beeld dan wat in de historische atlassen is afgebeeld. Daarnaast blijft het opvallend dat de meer dan 1600 plaatsnamen in oorkonden genoemd, in Nederland onvindbaar zijn. In Frankrijk liggen ze allemaal. Lees meer over Verdun en over de plaatsnamen.


  50. De 'Karolingische' Gouwen. Binnen het Hamalandse gebied lagen in de Karolingische periode diverse gouwen (pagi). Dat waren gebieden met clusters van nederzettingen die min of meer bij elkaar hoorden en waarvan de bevolking een grote mate van saamhorigheid voelde. De gouwen hadden een dermate sterke identiteit, dat ze gingen fungeren als administratieve en soms ook bestuurlijke eenheden, oftewel graafschappen. In het Gelderse gebied worden in de Betuwe, ten zuiden van Hamaland dus, de gouwen Hettergouw (Nijmegen-Kleef), Betua (Over-Betuwe), Teisterbant (centrale Betuwe, Lingegebied) en Niftarlake (noordwest-Betuwe en Kromme Rijn) genoemd. Binnen het 'Gelderse' Hamaland zijn dat Swifterbant (noordwest-Veluwe en een deel van de Flevopolder), Felua (centrale Veluwe), Flehite (Gelderse Vallei), Isloa (Oude Ilssel- en IJsseldal tot Deventer) en Leomericke (Liemers). En om het extra ingewikkeld te maken wordt ook Hamaland zelf in de bronnen regelmatig een gouw genoemd. Dat slaat dan op het kerngebied in de IJsselstreek, dat liep van Elten tot boven Deventer. (p.343-346).
    Met de gouwen stuiten we allereerst op twee problemen. Van meerdere landstreken die 'gouw' genoemd worden, blijken geen enkel schriftelijk bewijs te bestaan. Het tweede probleem is dat de benaming 'gouw' een bestuurlijke indeling veronderstelt (volgens prof.dr.D.P.Blok en ook hier genoemd). Dat veronderstelt weer bestuurlijke handelingen, maar ook die zijn onbekend. In welke plaatsen waren die bestuurders gevestigd? En wie waren dat dan? Wel zijn de 'missie dominici' bekend waarbij rondreizende gezanten van de koning, op regelmatige tijden de verschillende gebieden in naam van de koning moesten bezoeken en controleren. Merkwaardig daarbij is dat daarbij alleen de “missi dominici” van de bisdommen Noyon, Doornik en Atrecht onder aanvoering van bisschop Immo van Noyon in de teksten bekend zijn. Merkwaardig is dat feitelijke geenszins, daar alle 30 gouwen die de traditie in Nederland plaatst, juist in de bisdommen Noyon/Doornik en Atrecht bleken te liggen. Andere zijn niet bekend, evenmin een glimp van enige overheids-controle op de zogenaamde 30 “Karolingische” gouwen in Nederland.

    De 'Nederlandse gouwen' verschijnen soms pas vele eeuwen later in de bronnen. De namen van de gouwen Oostergo en Westergo in Friesland staan in geen enkel verband met de oude namen, die reeds door de Geograaf van Ravenna in de 7e eeuw genoemd zijn. Zij zijn niet eens doublures van de eerdere. In de bronnen worden de Sudergo, ten zuiden van Atrecht, en de Northgo in de omgeving van Doornik ook genoemd, niet in Friesland, maar wel in het klassieke Frisia. In het Vita van Ludger, prediker bij het volk van de Fresones worden vijf gouwen genoemd waarvan de namen zijn: Hugmerthi, Hunusga, Fivelga, Emisga, Federitga en een eiland Bant. Bij de onjuiste plaatsing van Ludger aan de IJssel, gingen die gouwen dus mee, maar kwamen net als Ludger, op de verkeerde plek terecht.

    1. Het Latijnse “pagus” betekent in de meeste gevallen gewoon “plaats”. In de vroegmiddeleeuwse teksten betekent “pagus” zelden streek in geografische zin en nog zeldzamer gouw of district in bestuurlijke zin. Wanneer de schrijvers de plaats zelf bedoelen, schrijven zij meestal “in loco” = in de plaats. Met “pagus”, gevolgd door een plaatsnaam, duiden ze het gehele grondgebied aan, ongeveer zoals wij onderscheid maken tussen de bebouwde kom en de gehele gemeente van een plaats. Wanneer zij “pagus” als landstreek of district bedoelen, blijkt dit vrijwel altijd uit de samenhang of uit de naam die als streek bekend is.
    2. De reconstructie die prof.dr.D.P.Blok geeft in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden is als reconstructie voor ongeveer de helft te aanvaarden, namelijk ruwweg genomen in Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en de Ardennen. Alles wat ten noorden daarvan ligt, is foutief benoemd en foutief gelokaliseerd: het zou precies ten zuiden van de hier genoemde streken moeten liggen. Dat in Nederland geen “Karolingische gouwen” hebben bestaanwat wordt bevestigd door het gemis van een paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Op historisch-geografisch terrein staat het al voldoende vast door het feit, dat de Geograaf van Ravenna (ca. 670) Holland niet vermeldt en hij alles in het noorden 'onbewoonbaar zand en moeras' noemt, wat exact klopt met de landelijke gesteldheid en Het Lege Land, zoals Auke van der Woud dat schetste.
    3. Op historisch en archivalisch terrein ligt de zaak nog duidelijker, daar de geschreven bronnen uit de Karolingische periode geen enkel woord bevatten om de bewering te staven dat Nederland deel uitmaakte van het Karolingische Rijk, tevens geen enkel woord over enige bestuurshandeling van een vorst of over enigerlei beschikking op bestuurlijk gebied, wat onaanvaardbaar is bij het zogenaamd bestaan van een dertigtal “pagus” of gouwen, die toch een bestuurlijke indeling veronderstellen. Daarbij komt dat Bloks “gouwen” door geen enkele klassieke tekst worden onderbouwd. Bewijzen voert Blok ook niet aan wat al de onjuistheid van zijn opvattingen bewijst. Het is slechts speculatie.
    4. Als grootste mankement valt op, dat er geen enkel verband blijkt tussen de 30 gouwen en de zogenaamde Karolingische residentie van Nijmegen. Immers: wanneer deze op waarheid had berust, had het toch voor de hand gelegen dat zij zowel het geografisch als het bestuurlijk middelpunt van “Karolingisch” Nederland had gevormd. Maar Nijmegen speelt geen enkele rol bij en tussen deze gouwen, wat op afdoende manier bewezen wordt door het “Bronnenboek van Nijmegen” dat naarstig de activiteiten van de keizers en koningen heeft doorgespit, en wel reizen en jachtpartijen tot ver in Frankrijk vermeldt, maar geen enkel Nederlands raakpunt heeft kunnen vinden.
    5. Een reden om Bloks reconstructie te verwerpen is dat al zijn aangehaalde namen doublures of schijn-doublures zijn van plaatsen en streken in Frans-Vlaanderen, en dat al deze namen behoren bij het agglomeraat van ca. 3000 plaatsnamen, die een bij elkaar horend complex vormen maar nooit in het noorden zijn teruggevonden. Een plukje daarvan, waarvan het merendeel bestaat uit de in de 11e eeuw getransplanteerde namen van Frans-Vlaanderen, vormt zijn “gouwen”.
    6. Een volgende reden om de visie van Blok af te wijzen is, dat er tussen de 30 “gouwen”, die hij in Nederland situeert, een groot aantal schuilt dat in de échte streek helemaal geen bestuurlijke gouw was, doch waar “pagus” gewoon plaats betekent of als de naam van een landschap is gebruikt zonder de minste bestuurlijke ondergrond. De pagus Ostrachia duidt vanzelfsprekend de landstreek aan, doch de “pagus Nifterlaca” was een plaats en wel Eperlecques, waarvan soms enige onderdelen worden genoemd. Wanneer men dan, zoals prof.dr.D.P.Blok systematisch doet, van “pagus” een landstreek maakt, krijgt men wel lekker het land vol gelegd met daar niet bestaan hebbende streken. Dit heeft ook tot gevolg gehad, dat van een klein onderdeel van die gemeente, soms bestaande uit één met name genoemd perceel, meteen maar een plaatsnaam met dorp wordt gemaakt, want de niet-reële streek moet toch ook worden opgevuld. Men zie in de namenlijst van Traiectum op het woord Nifterlaca, hoe het primaire misverstand met “pagus” tot een halssnoer van valse deducties leidt. Met dit onderwerp kunnen we gevoeglijk naar Frankrijk overstappen.
    7. H.Halbertsma schrijft in ROB-1955-VII: 'Enige merkwaardige gebruiken in het Friesland in de 13de eeuw' dat men 'gouwen' beschouwde als eilanden met het achtervoegsel '-go', 'oche' en '-oog', zoals Schiermonnik-oog en Rottermer-oog. Verder wordt er in de R.O.B.berichten weinig over gouwen geschreven.
    8. In KNOB bericht uit 1922-3-01 lezen we: 'Graaf Wichman had bezittingen in de Veluwe en in Flethite, dus deze gouwen zal men voor Saksisch mogen houden? Och, diezelfde graaf Wichman was volgens oorkonden van 970 en 996 ook gegoed geweest „onder de Friezen .... in de vier graafschappen Hunsego, Fivelgo, de Marne en Middag. En dienzelfden Sakser — hij was getrouwd geweest met een Vlaamsche gravendochter — kennen wij ook als eigenaar van landgoederen in Vlaanderen'. Ziet U hier de relatie met Vlaanderen? In de artikelen in KNOB komt men verder slechts een traditioneel artikel tegen van Frans Vermeuelen uit 1938, die vermeldt dat in de 13de eeuw de 'gouwen' werden opgelost in de graafschappen'.
    9. In KNOB bericht 1970-069 schrijft H.Halbertsma over Dokkum: Het valt moeilijk uit te maken of de „pagus" Oostergo hetzelfde gebied besloeg als de „pagus" Dokkum. Waarschijnlijk is dit echter niet, gezien de grote uitgestrektheid van Oostergo. Veeleer zal de „pagus" Dokkum slechts een deel van de „pagus" Oostergo hebben uitgemaakt en lagen de vermelde nederzettingen in dat gedeelte van Oostergo dat vanuit Dokkum werd bestierd, gelijk zich rondom Staveren ook een „pagus" uitkristalliseerde welke onder het veel uitgestrektere Westergo ressorteerde. Naarmate de tijden voortschreden werden de eigenlijke gouwen van Friesland immers opgedeeld in „districten", en deze tenslotte weer in „delen" of grietenijen, waarvan de tegenwoordige Friese plattelandsgemeenten de regelrechte voortzetting vormen'. Het is overigens een onteressant artikel over Dokkum waaruit duidelijk de later ontstane fabels over Bonifatius blijken. Halbertsma besluit dit artikel met "Er is geen spoor gevonden van een kerk die kort na 754 gebouwd zou zijn".


  51. In deze oorkonde van de abdij van Werden uit 794 worden de missiewerker Liudger ('Liudgero') en de plaats Wichmond ('Withmundi') genoemd (p.345). Zie afbeelding hiernaast. In de vita van St.Luger lezen we: "Een andere keer, toen de zalige Ludger bij de zee was, op een plaats die Werethina heet...". We kunnen hieruit dus concluderen dat Werethina aan zee lag. Dat gaat voor Wichmond in het geheel niet op. Het klooster in Werethina werd door de Noormannen geplunderd, waardoor het moest vluchten en verplaatst werd naar Werden. Van een klooster of plunderingen door de Noormannen is in Wichmond ook al geen enkele sprake of ooit geweest. De kloosterlingen die met Ludger vertrokken, herstichtten hun klooster onder dezelfde naam in Duitsland, waar geen gevaar voor de Noormannen bestond. Die herstichting onder dezelfde naam heeft de nodige misverstanden opgeleverd, niet alleen bij Werden. Die vlucht voor de Noormannen en de herstichting van het klooster elders onder dezelfde naam is bij elke deskundige historicus uiteraard bekend. Vergelijk de herstichtingen van de kloosters van Souastre dat Susteren (NL) werd, Werethina werd Werden (D) en niet Wichmond, Corbie werd Corvey (D) en Epternacum werd Echternach (Lux). De kloosterlingen namen hun bezittingen en oude oorkonden mee, waarmee men later, soms véél later bezittingen ging claimen op plaatsen die ondertussen door migranten onder een vergelijkbare naam waren gesticht. Talrijke plaatsen in het oosten hebben een vergelijkbare plaatsnaam in Frans-Vlaanderen, zoals de Duitse plaatsen Bremen en Hamburg, dat in Frans-Vlaanderen Brêmes en Hames-Boucres zijn! Overigens is de plaatsnaam Wichmond dan wel een 'vertaling' van Withmundi. Echter: Wichmond ligt niet aan de monding van een rivier die in zee uitstroomt, maar ook niet in een gebied met wit zand, wat de letterlijke betekenis van Wit-mond is. Lees ook meer over kloostars.

    Het kan niet genoeg benadrukt worden, maar met de verhuizing van St.Ludger en de deportaties van de Saksen door Karel de Grote, begonnen de deplacement historiques die hier besproken worden. Het is onmiskenbaar dat de verhuizing van St.Ludger naar het oosten van Nederland en het westen van Duitsland werkelijk heeft plaatsgevonden. Het was het begin van alle andere vermeende verplaatsingen die NIET hebben plaatsgevonden, maar als gevolg van de aanwezigheid van St.Ludger zijn getransporteerd. Het gaat daarbij om volkeren als Friezen, Franken en Saksen en predikers als St.Willibrord, St.Bonifatius, St.Lebuinus, St.Plechelmus, St.Ansgarius, St.Amandus en St.Adelbertus. Historici hebben deze verplaatsingen nooit opgemerkt en vervolgens altijd ontkend. Veel van deze 'Hollandse' predikers hebben in Vlaanderen kerken, altaren en zelfs plaatsen met hun naam.


  52. De oudste vermelding van een gravengeslacht in de IJsselstreek die met de graven van Hamaland in verband gebracht kan worden, dateert van 794. In dat jaar schonk graaf Wrachari, zoon van Brunhar, een stuk land in Withmundi (Wichmond), even ten zuiden van Zutphen, aan de missionaris Liudger. De schenking vond plaats in zijn hofgoed (villa) Brimnum (Brummen). De gouw waarin de vermelde goederen liggen, wordt pagus Hisloi genoemd en de grond voor de kerkstichting ligt iuxta Hislam (aan de Ilssel]. Er lijkt hier dus sprake te zijn van een IJsselgouw waar Wrachari de grafelijke functie vervulde. Mogelijk was zijn vader Brunhar aan die positie gekomen door zijn rol in de Saksenoorlogen. De twijfel die uit de (door mij) onderstreepte woorden blijkt is terecht. Lees meer over Wichmond in punt 20, 43, 50 en 51. Bij het onjuist plaatsen van St.Ludgar zullen de plaatsnamen volgen. Nu wordt Zutphen zowiezo al in geen enkele klassieke oorkonde gnoemd en was de hier genoemd pagus Hisloa niet aan de IJssel gelegen, maar was de Hisla, of Isla (796) een rivier dat de Lys in Frankrijk en de Leie in Vlaanderen is, waaraan inderdaad de plaatsen liggen, in de akten van Werden aan de rivier genoemd. Af en toe is sprake van de “ Pagus Hisloi” (794, 796, 799). De naam Isla of Isloi komt meer in de streek voor, bijvoorbeeld te Lijzel nabij St. Omaars, een rivier en een plaats, dat in 866 Insula super Agnionem heet, daarna Isel. De vermeldingen van Isla of pagus Isloi mogen dus niet automatisch met de Lys verbonden worden. De naam van de Nederlandse IJssel heeft dan wel dezelfde afleiding, maar heeft te maken met de historische verplaatsingen, een in Nederland uit Frankrijk geïmporteerde naam. De Hisla in de tekst ”waar de Hisla in de zee stroomt”, heeft betrekking op de rivier de Lyzel, Lysel of Ysla aan, die bij St. Omaars in het Almere stroomde, dat nog eeuwen na de verlanding Almere, La Meer of Meere is blijven heten. Lees meer over het Almere. Het hier genoemd Brimnum of Brimmum (uit 794) was niet Brummen, maar was Brimeux, op 16 km zuid-oost van Etaples, in 1153 nog als Brimaeus vermeld. Zie in de linker kolom de namen van de schenkingen genoemd in de Vita S.Ludgeri.

  53. De Vikingen en de aanval op Zutphen. Wanneer het aantal opgegraven hutten (twaalf stuks) wordt afgezet tegen het percentage van de opgegraven nederzetting (nog geen 5 procent) dan hebben in deze nederzetting mogelijk enkele honderden hutten gestaan. Ook lagen er boerderijen van horigen en er moet al een kerk van tufsteen zijn geweest; een voorganger van de Sint-Walburgiskerk (p.346). Die berekening op grond van 5% is pure speculatie en daar bewijs je zelfs niets van je eigen opvattingen mee. Lees hierna meer over die inval en plundering door de 'Vikingen'.

  54. Vijftien kilometer ten noorden van Zutphen lag Deventer, een kerkelijk centrum en handelsplaats. Beide plaatsen werden in 882 door Vikingen aangevallen en verwoest. De aanval op Deventer, waar veel slachtoffers vielen, werd expliciet door een kroniekschrijver uit Fulda genoemd, omdat hier het graf van de heilige Lebuinus in het geding was. Tussen 1997 en 2004 werden bij diverse opgravingen in Zutphen de macabere resten gevonden van vermoedelijk deze plundering, die de hele centrale IJsselstreek zal hebben geteisterd. Zij vormen de eerste archeologische bewijzen van een Vikingaanval op het vasteland van Europa (p.347).

      In dit citaat van p.347 staan meerdere onjuistheden.
    1. Er bestaan liefst negen (9!) teksten over invallen van de Noormannen in 882, te weten: Annales Fuldenses, MGH. in usum scholarum, p.99 en p107, Hincmari Remensis Annales, MGS, I, p. 514 en 515, Annales Vedastini, MGS, I, p. 520 (2 teksten), de Annales Bertiniani, HDF, VII, p. 92 en MGS, I, p. 514 en Sigiberti Gemblacensis chronicon, MGS, VI, p. 342. Deze laatste tekst willen we U niet onthouden: "De Northmanni, die zich met Dani verenigd hadden, zwervend door Francia en Lotharingia, verwoestten te vuur en te zwaard Ambianis (Amiens), Atrebates (Atrecht), Corbeia (Corbie), Cameracum (Kamerijk), Tervenna (Terwaan), de gebieden van de Morini, van de Menapii en van de Bracbatenses (zie kader hieronder), en heel het land rond de rivier de Scaldus, alsmede de kloosters van de heiligen Walaricus (Saint-Valéry-sur-Somme) en Richarius (Saint-Riquier)" Het is overduidelijk in welke regio Sigeberti Gemblacenis de expeditie van de Noormannen plaatst: Noordwest-Frankrijk en het Schelde-gebied. Let op de vermelding van Bracbatenses, in één adem met de Morini (Terwaan) en de Menapii (Casselberg) genoemd in het Schelde-gebied, wat dus geen enkel betrekking heeft op Brabant zoals historici nogal eens menen.

    2. Geen enkele van deze negen teksten is opgenomen in het Bronnenboek van Nijmegen, hoewel ook Noviomagus erin wordt genoemd. In de tekst uit de Hincmari Remensis Annales (p515) staat dat de Noormannen bij de burcht van Laon alles roofden en vernielden. Zij wilden naar Reims gaan; vandaar trokken zij over Soissons en Noviomagus om dit kasteel te veroveren en aan hun rijk toe te voegen. Begrijpelijk dat het Bronnenboek dit overslaat waarin het duidelijk over Frankrijk gaat. Noviomagus is hier overduidelijk Noyon, de kroningsstad van Karel de Grote.

    3. In 882 werden Zutphen en Deventer ook helemaal niet verwoest. De schrijver van Fulda noemt nergens Zutphen of Deventer, maar slechts de plaats Taventri en dan is het de vraag of dat dan wel Deventer was of was het Desvres dat in de streek ligt waar de Noormannen toen aan het plundeen waren? Wat viel er in Zutphen te plunderen? Er was geen kerk, geen klooster: er was niets, geen enkele rijkdom!

    4. In de tekst van 882 wordt ook Lebuinus niet genoemd, zoals Groothedde stelt, maar in die tekst staat de onbekende heilige Liobomus (Annales Fuldenses, MGH, p.99).

    5. Overigens is onbekend waar het graf van Lebuinus is. Dat hij in Deventer begraven zou zijn, is een aanname op grond van onjuiste veronderstellingen. Lees meer over Lebuinus die in Vlaanderen missioneerde waar zelfs enkele plaatsen naar hem zijn genoemd.

    6. De resten in Zutphen betrof slechts een enkel skelet (van een vrouw) en van een kind en nog wat onduidelijke skeletdelen. Waren dat die grootschalige plunderingen die in liefst negen Franse! kronieken (ook de kroniek van Fulda komt van oorsprong uit Frankrijk!) worden genoemd?

    7. De plunderingen van de Noormannen in 882 betroffen de streek van de Isla. De Isla was niet de IJssel, maar de Lys/Leie in Vlaanderen, wat uit andere teksten blijkt.

    8. In geen enkele klassieke tekst worden deze invallers Vikingen genoemd, maar Northmani of Dania. Vikingen is een door historici bedachte benaming op grond van 11de eeuwse teksten. Dat heeft dus niets te maken met de Noormannen uit de 9de eeuw.

    9. Het zijn zoals gesteld, allerminst de eerste archeologische bewijzen van aanvallen van Vikingen op het vasteland van Europa. Deze aanvallen en plunderingen zijn al beschreven vanaf 502 (inval in Frisia, niet Friesland, maar Frisia in Vlaanderen) en vanaf 804 vonden er meerdere invallen plaats in Frankrijk. Karel de Grote liet in 811 vlootstations bouwen te Boulogne-sur-Mer tegen invallende Noormannen. Vanaf 809 tot 925 worden in de Jaarberichten zowat elk jaar invallen en plunderinegn van de Noormannen vermeld. Echter die betroffen NOOIT Nederland, maar steeds Frankrijk en Vlaanderen.

    10. Archeologische bewijzen bestaan er in Frankrijk genoeg, zoals van de plundering en verwoesting van de abij van Jumiège in 838, waarvan de ruïnes nog steeds bestaan (zie foto hiernaast). Lees meer over de Noormannen.

      Ook uit deze tekst blijkt weer dat Grootheddede klassieke teksten niet kent, maar dat hoeft hij ook niet te weten. Hij is archeoloog en geen historicus. Het onjuist citeren uit slechts één tekst van de negen die over hetzelfde gaan, is kenmerkend voor het gemeengoed van 'het overslaan van zaken die niet uitkomen'.


    Bracbatenses wordt genoemd in de berichten over de Noormannen in nauw verband met de Batua, de Menapiers (Cassel) en de Schelde, soms gebruikt als geheel of gedeeltelijk synoniem van Taxandria. Het duidde een landstreek aan ten noorden en ten westen van Doornik. De naam is afgeleid van het romaanse "bracca" (broek). Enige oude schrijvers meenden, dat de Galliers broeken droegen vanwege het klimaat; Alcuinus spreekt dan ook van "Gallia Braccata" ; anderen van "Braccae Gallicae" . Het was dus een streek in Gallia. De naam Bracbante komt pas in de 9e eeuw in gebruik, slechts in overdrachtelijke zin van "bracca" afgeleid en dat gewoon "broekland" betekent, maar dan in de betekenis van 'moerasland'. De hertogen van Brabant noemden zich eerst hertogen van Leuven, pas in de 11e eeuw hertogen van Brabant, waardoor de naam, die tevoren al een verwijding had gehad, een geweldige territoriale en ideologische explosie onderging.
    De naam van de Nederlandse provincie Brabant is vanzelfsprekend fataal geweest voor het historisch denken, daar er met verve zaken naar toe getrokken werden, die in werkelijkheid honderden kilometers verder plaats vonden. Sommige historici plaatsen met een stalen gezicht de Menapiers in Brabant, zoals W.A.van Es (De Romeinen in Nederland, 1981, p. 23). Toen op die begripsverwijding van Brabant de dislocatie van Taxandria werd gestapeld, met als voornaamste gevolg een hoop gedaas over de missie-arbeid van St. Willibrord in Noord Brabant, was het helemaal fini met het gedegen historisch onderzoek.
    Uit meerdere teksten blijkt dat Bracbante in Vlaanderen lag. Karel de Grote schonk aan St. Ludger in de pagus van Bracbante het klooster van St. Petrus op een plaats die Lothusa wordt genoemd, waarmee zonder twijfel Leuse is bedoeld, tussen Authun en Doornik, wat de situering van St. Ludger in Groningen tot een absurditeit maakt.
    De Noormannen die in 890 in Noviomo gebleven waren, zetten hun leger in beweging en verwoestten de gehele streek tot aan de Maas. Vandaar keerden zij over Bracbante terug, trokken de Schelde over en wilden langs sluipwegen naar hun versterkingen terugkeren. Koning Eudes achtervolgde hen en greep hen aan bij Wallers (bij Valenciennes), maar slaagde niet volledig, want na hun buit weggeworpen te hebben, ontkwamen zij in de bossen en keerden zo naar hun burchten terug. (Bron: Dehaisnes, Annales Vedastini, p. 339.) ook dez tekst ontbreekt in het Bronnenboek waarmee Leupen dus erkent dat Noviomo niet Nijmegen is. Het is ook Noyon. Zou je er Nijmegen van maken, dan wordt het een zeer onlogisch verhaal, wat zelfs Leupen al begreep. Vandaar dat hij deze tekst maar weg liet.
  55. Er zijn resten van meerdere individuen aangetroffen, maar slechts in twee gevallen gaat het om min of meer complete skeletten, liggend op de bodem van twee ingestorte hutten. Het gaat om een kind van ongeveer 12 jaar en een volwassen vrouw van 30 tot 40 jaar (p.347). Uitzonderlijk was de vondst van een bronzen muntje in de hut waar het kind is aangetroffen; een styca van koning Aethelred II van Northumbria, geslagen door muntmeester Eanred in York tussen 840 en 844. De vondst van dit muntje bleek van groot belang om de daders van het drama te identificeren. Het gaat hier blijkbaar om twee slachtoffers uit ca.840-844! Bewezen met één munt. Die munt en die skeletten hebben dan ruim 40 jaar in dat graf gelegen en hebben dus niets te maken met de inval in 882. In noot 54 wordt verwezen naar het boek van Groothedde 'Een vorstelijke Palts te Zutphen?' (met vraagteken!). Groothedde verwijst als bron naar zichzelf, waarbij hij zichzelf inderdaad gelijk geeft. Daarin lezen we: 'Deze paragraaf schetst de archeologische context in relatie tot de historische gegevens aan de hand van reeds uitgewerkt en gepubliceerd onderzoek'. Dat betekent dus dat de dateringen van de archeologische vondsten gedaan zijn op grond van de historische gegevens. Echter, juist die historische gegevens hebben geen betrekking op Zutphen, maar op de Isla dat de Lys/Lyzel in Frans-Vlaanderen is. De tekst in het Verhaal van Gelderland blijkt letterlijk overgenomen te zijn uit dit boek van Groothedde, inclusief drie afbeeldingen. Heeft de redactie dit niet even gecontroleerd? Op de 12 pagina's (inclusief veel afbeeldingen) tussen pagina 65-70 en 106-112, waarnaar verwezen wordt, komen we toch weer 10x het woord 'waarschijnlijk' tegen en 13x 'mogelijk'. Groothedde schrijft ook nog: "De datering maakt het waarschijnlijk dat de verwoesting en uitmoording van het laat 9de-eeuwse Zutphen toegeschreven moet worden aan een Vikingaanval in de roerige periode van 879 tot 885." Het dus dus slechts waarschijnlijk, terwijl die roerige periode helemaal in Frankrijk plaats vond. Lees punt 54 hiervoor! Lees meer over Zutphen.

    Het hele verhaal over Zutphen en de Vikingaanvallen kunnen we naar het rijk der fabelen verwijzen. Er is geen enkel bewijs voor. Het is eenzelfde fabel als op p.352 wordt verhaald over 'De oorsprong van de naam Gelre'. Zie hieronder. Het is inderdaad 'een draak van een verhaal'.


  56. De oorsprong van de naam Gelre. Er bestaan veel varianten van dit Gelders drakenverhaal. Het werd voor het eerste opgetekend door de vijftiende eeuwse kroniekschrijver Willem van Berchen. Sommige latere versies situeren het in het jaar 878, maar veel elementen gaan terug op de 12de eeuw (p.352). Het is toch leuk dat hier de Nijmeegse fantast Willem van Berchen genoemd wordt, die Nijmegen heeft opgezadeld met een aantal mythen. Maar hoe Groothedde aan die wijsheid komt blijft een vraag. Immers, zoals eerder vermeld, ook de boeken van Willem van Berchen ontbreken in de literatuurlijst. Zoals aangegeven zijn deze fabels niet ouder dan de 14de eeuw. Een mooi verhaal, maar zonder bewijs, schrijft Groothedde zelf al. Maar dat 'zonder bewijs' geldt voor meer in dit boek: mooie verhalen, maar zolang bewijs ontbreekt, blijft het een fantasietje. Het is inderdaad 'een draak van een verhaal', zoals ook op p.334 de draak gestoken wordt met de visie van Albert Delahaye.


    Het zal toch voor elke historicus duidelijk moeten zijn waar de naam Gelre vandaan komt: uit Vlaanderen, waar ook de eerste graven van Gelre vandaan kwamen, maar toen heetten zij niet "van Gelre". Het 'Gelre' wijst eerder op de legerplaats Gelduba, door Plinius al genoemd. Ook Tacitus vermeldt de plaats Gelduba bij de Opstand van de Bataven. Gellep bij Krefeld, op 20 km noordwest van Düsseldorf, werd ook wel opgevat als Gelduba, maar de plaats Gelduba lag volgens het Itinerariumm Antonini tussen Feignies en Calonne. De plaats komt op de Peutingerkaart niet voor. De plaats Calone is zonder de minste twijfel Calonne ten zuiden van Doornik, wat bewijst dat Gelduba in Frankrijk lag en niet in Duitsland. Het was de plaats Elouges aan de Schelde. Volgens M.Gysseling is de oudste attestatie van Gelre uit 1067 en komt het van het Germaanse 'gelb' dat betrekking had op de 'zanderige heuvelrug'. Het is dan wel de vraag over de graven van Gelre zich naar die zandvlakte van de Veuwe lieten vernoemen.
    Als je dan niet kunt vinden waar de gravan van Gelre vandaan kwamen, zoek je met wie ze trouwden of waar ze begraven zijn. Zo was Wichman II, graaf van Hamaland, getrouwd met Lutgardis van Vlaanderen. Dat wijst duidelijk op Vlaanderen, ook al hebben in de 16de eeuw opgemaakte genealogieën voor veel verwarriing gezorgd. Iedereen wilde toen van Karel de Grote afstammen wat met een afstammingslijst wel even geregeld werd.
    Lees ook meer over het Diets, de taal van Vlaanderen en van de graven van Gelre.

  57. Over genealogieën gesproken: in het artikel over Teisterbant (p.364) worden enkele graven genoemd, zoals Waltger, zoon van Gerulf. Gerulf had, net als Everhard 'de Saks', een groot aandeel gehad in het verdrijven van de Vikingen in 885. Hij werd daarvoor door Karel de Dikke beloond met de schenking van diverse goederen in het Betuwse gebied. Teisterbant was, in tegenstelling met de uitleg hier, dezelfde streek als Taxandria. Bij de 'uitleg' over 'bant' wordt Brabant maar overgeslagen. Is dat opzettelijk gedaan? Immers Brabant haalt dit verhaal overhoop, want daaruit blijkt maar al te duidelijk dat die naam in het zuiden thuis hoort. Of hebben deze historici en Groothedde toch minder deskundigheid dan gewenst zou zijn? Uit de klassieke teksten blijkt het Bracbatenses een 'broekland' (drassig moerasland) te zijn, een naam waaruit Brabant is ontstaan. Zie hiervoor punt 54.1, de tekst van Sigibert Gemblacensis) en het kader hierboven. In de klassieke Latijnse teksten staat ook nergens Betuwe, maar Batua. Beide landstreken lagen in Frankrijk. In 885 werden de Vikingen ook niet verdreven uit Gelderland. Deze tekst uit de Annales Mettensis noemt de plaatsen Confluentes (Conflains-St. Honorine), Andrenacum (Andresy), Sinchica (Sinceny) en Gondreville (op 25 km zuid-oost van Compiegne) waar de strijd zich afspeelde. Het in deze tekst genoemde Herispich is Quiercy en niet Spijk, wat de traditie in Nederland ervan gemaakt heeft. Het detail in de tekst waar gesproken wordt over 'waar de Renus en Wal samenvloeien' (waar 'confuentes' al op wijst) heeft men in Nederland vertaald met "waar de Rijn en Waal zich scheiden". Zo kom je wel op spich=Spijk, dat daar in de buurt ligt. Maar in de Latijnse tekst staat letterlijk 'UNO ALVEO SE RESOLVUNT' wat samenvloeien is en niet scheiden. Renus is hier ook niet de Rijn, maar de Schelde en Wal is niet de Waal, maar de Gouelle. Lees meer over de Renus en over de Waal en over Vertalen is verdwalen. Ook hier blijkt weer dat Groothedde de bronnen niet controleren en de onjuiste vertaling klakkeloos volgen.

  58. De vermelding van het jaar 878 heeft wel aanleiding gegeven tot speculaties over een connectie met de Vikingen. Hun drakenschepen (drakkars) plunderden rond deze tijd de Maasvallei, waarna de Vikingen er een winterkamp opsloegen. Over de exacte locatie bestaat discussie. De historisch vermelde plaats Ascloa is met Elsloo, Asselt en Hasselt geïdentificeerd (p.352). Hier wordt dan toch wel een discussie vermeld, die over meer in dit boek zou moeten gaan. De hier gegeven locaties zijn alledrie onjuist. Ascloa was het Frans Hasnon. Lees meer over Ascloa. In Nederland is overigens al vastgesteld dat 'het roemruchte Vikingverleden van Asselt en/of Elsloo de prullenbak in kan. Er is nooit een kamp van Noormannen gevonden' Dat geldt ook voor Zutphen, waar niets van invallen van de Noormannen is gevonden, net zo min als in Nijmegen, Utrecht of Wijk bij Duurstede Zie volgende punt.


  59. Op p.355 wordt de Vikingaanval op Zutphen vermeld. Zoals hiervoor onder punt 54 al is aangetoond, heeft die aanval niet bestaan. De tekst uit 882 gaat helemaal niet over Zutphen. Groothedde voert als bewijs voor deze aanval de ringwal van Zutphen en de vorm van de huidige binnenstad op. Zie afbeeldingen hierboven. Die ronde vorm moet dus het bewijs van Vikingaanvallen vormen. Zijn de Vikingen dan ook in Breda, Bergen op Zoom of Amersfoort geweest, waarbij de oude binnenstad dezelfde ronde vorm heeft? Zijn de Vikingen dan ook in een dorp als Coevorden geweest, dat zoals zoveel dorpen een ronde vorm heeft? Men ging graag rondom het midden van een dorp, vaak de kerk, wonen. Dat vormt dus geen enkel bewijs. Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond, schrijft Groothedde ook nog. Let op de door mij onderstreepte woorden in dit citaat, waaruit slechts twijfel blijkt.

    En die ringwal? Die bestond ook in de eerste aanleg van Amersfoort en daar zijn de Vikingen nooit geweest! Alsof de Vikingen zich lieten tegenhouden door een hellinkje van 1,5 meter hoog. Die Vikingen hebben wel voor hetere vuren gestaan. Zo wil de traditie dat ze ook het paleis van Karel de Grote in Nijmegen hebben geplunderd. Dat lag toch ruim 20 meter hoger dan de Waal. Daar klommen ze blijkbaar zo naartoe. Maar die ringwal in Zutphen werd pas aangelegd, nadat de Vikingen er geplunderd hadden stelt Groothedde (p.355 en p.374). Welk nut had die ringwal dan nog?
    De werkelijke functie van die ringwal was de strijd tegen overstromingen, zoals die te regelmatig voorkwamen (p.318) en gewijzigde rivierlopen (p.336 en 359), zoals ook de eerste aarden wal in Amersfoort die functie had. Ook in Zeeland zijn enkele aarden wallen bekend, waarbinnen niet gewoond werd, slechts gevlucht. Voor wie of wat? Voor Vikingen waarvan geen spoor is gevonden, of voor overstromingen, die tot 1953 nog voorkwamen? Overigens? Wat viel er te plunderen in Zutphen?
    Ook hier wijst de logica de werkelijke functie aan.

  60. Adela van Hamaland wordt in de vaderlandse geschiedenis weleens betiteld als de lady Macbeth van de Lage Landen. Die slechte naam - de intrigante lady Macbeth zette onder meer aan tot moord om politieke doelen te bereiken - heeft Adela niet alleen te danken aan een reeks gebeurtenissen die in de geschreven bronnen te volgen zijn, maar vooral aan de inkleuring die enkele middeleeuwse geschiedschrijvers eraan gaven. Twee van hen waren tijdgenoten van Adela: Thietmar van Merseburg en Alpertus van Metz. De laatste deed in zijn 'Gebeurtenissen van deze tijd' (De diversitate temporum) uitvoerig verslag van Adela's handelen. Alpertus had bijzondere interesse in alles wat zich in de Gelderse gebieden afspeelde, omdat hij er was geboren en getogen. Toch moet van Alpertus en van Thietmar worden gezegd dat zij hun teksten op grote afstand van Gelderland schreven, zodat zij de informatie indirect hebben verkregen. Ook hadden ze als geestelijken sterke vooroordelen jegens adellijke lieden waaraan enige smet kleefde. De neiging tot overdrijven en uitvergroten ligt dan op de loer (p.365/366). Wat hier geschreven wordt is meer dan waar: teksten konden 'gekleurd' zijn, zeker niet altijd onbevooroordeeld, niet altijd zuiver historisch en veel van 'horen zeggen'. Als historici daar eens wat meer op zouden letten, zouden veel historische gebeurtenissen die slechts op legenden gebaseerd zijn, kunnen verdwijnen. Er staan toch ook weer enkele aannamen in dit citaat. Het is niet bekend waar Alpertus geboren en getogen is. Evenmin dat hij bijzondere interesse zou hebben gehad voor het Gelderse. De plaatsing van Alpertus in Tiel is een misvatting. Ook wat hij over het klooster van Hohorst schrijft zijn fabels. Historisch geografisch klopt er niets van. Lees meer over Alpertus Mettenses en over het klooster Hohorst.

  61. De boedelscheidingskwestie tussen Lutgardis en Adela is goed te volgen in de bronnen. Adela bracht de kwestie meermalen aan de orde bij de keizer en uiteindelijk werd ze in 996 tijdens een hoorzitting in de palts van Nijmegen door keizer Otto III grotendeels in het gelijk gesteld (p.367). Wat hier geschreven is zal onmogelijk waar geweest kunnen zijn, immers in 996 bestond er geen palts in Nijmegen. Leupen neemt een deel van de Latijns tekst dan wel op in het Bronnenboek, maar geeft er geen vertaling bij. Deze tekst volgt meteen op die over het overlijden van keizerin Theophanu, een feit dat in Noyon geplaats moet worden (zie punt 41 hiervoor). Leupen past nog een handige truc toe. Het feit dat Elten dicht bij Nijmegen ligt, en het feit dat Alpertus Mettensis, die vermoedelijk in Tiel leefde en schreef, zijn vanzelfsprekend geen bewijzen om te doen besluiten dat deze rijksdag in Nijmegen is gehouden. Het Bronnenboek past overigens nog een handige true toe door de tekst zo te vertalen dat de indruk wordt gewekt alsof de keizer voor deze zaak van Elten een aparte rijksdag met slechts één agendapunt in Nijmegen had vastgesteld. Dat daar 'velen van overal vandaan' naar toe gekomen waren, spreekt dit reeds kategorisch tegen. Op de synode van 1018 te Noyon, waarover Alpertus ook verhaalt, stonden eveneens andere zaken op de rol, zoals voorschriften voor het celebreren van de Mis. Hieruit blijkt dat de rijksdag samenviel met een synode van de kerk, wat in die tijd normaal was. Dit laatste heeft dan ook tot de vermakelijke bijzonderheid geleid, dat sommige historici de rijksdag van 1018 te Nijmegen plaatsen en de kerkvergadering te Noyon. Het spreekt vanzelf dat de hieruit gevolgde oorkonde voor het klooster van Elten “Actum in palacio Novimagii” (Noyon) evenmin te Nijmegen is uitgegeven.
    Groothedde vermeldt dat de oorspronkelijke abdijkerk rond het jaar 1000 is gebouwd. Adela en haar echtgenoot Immed van Saksen die in 983 (?) al overleden was, hadden recht op een groot deel van de voormalige privé goederen en rijkslenen die aan de abdij Elten waren toebedeeld. Het klooster van Elten bleek dus veel eerder (al in 983?) te bestaan dan de kerk. Een klooster zonder kerk is een historische gotspe.

  62. In de TERUGBLIK (p.370-374) laten de auteurs de traditionele historische opvattingen nog even de revue passeren. Er worden nogmaals talrijke opvattingen herhaald, die onbewezen zijn en ook nooit te bewijzen zijn. Kun je de enorme verschillen in karakter en cultuur tussen de noordelijke en zuiderlijke helft van Gelderland met bewijzen aantonen? Ik heb nergens kunnen lezen waaruit die verschillen in karakter of cultuur dan bestonden. De grootte van nederzettingen? Maar waren die in het zuidelijk deel van Gelderland dan anders? En over welke nederzettingen gaat het dan? Is de voertaal algemeen Latijn geweest? Hoe weet men dat? Lag daar dan de taalgrens? Over welke Germaanse dialecten gaat het dan en hoe weet men dat? Heeft men ooit opschriften in Germaanse dialecten teruggevonden? Toch is niet alles een vraagteken. Er wordt toch ook erkend dat er extreme overstromingen hebben plaats gevonden en dat rivieren een andere loop kregen. Dat uit plaatsnamenonderzoek zou blijken dat de bevolking niet sterk afnam, is een aanname op grond van het toepassen van Franse plaatsnamen op Nederland. Van enkele plaatsen worden de gegevens wat beter genuanceerd, zoals dat in Nijmegen bewoningssporen uit de zesde eeuw ontbreken. Zutphen bleef na de Romeinse tijd eeuwenlang een onbewoonde enclave. Een onbewoonde encave is een contradictie! Toch blijft men stellig in de overtuiging dat Karel de Grote in Nijmegen een palts liet bouwen. Aan de grens van zijn rijk? En kwam hij dan niet meer in zijn kroningsstad Noyon? We hebben aan de hand van het Bronnenboek van Nijmegen, maar ook archeologisch (zie ook het Valkhof 2000 jaar) kunnen vaststellen dat de palts Noviomagus in Nijmegen nooit bestaan heeft. En als de traditionele opvattingen, de premisse onjuist is, dan zijn alle daarvan afgeleide deducties ook onjuist en dan verdwijnt heel wat geschiedenis uit Nederland.
    De taalgrens , 'waar je de overkant ziet' en de Kroning van Karel de Grote in Noviomagus zijn keiharde en onweerlegbare bewijzen van het ongelijk van de traditionele geschiedenis.
    De geschiedenis zal herschreven moeten worden. De eerste voorstellen zijn hier in alle opmerkingen al gegeven.

Tot zover de bespreking van hoofdstuk 8. Het vervolg van het Verhaal van Gelderland vindt U hier: Het verhaal van Albert Delahaye.



We geven hieronder een ander voorbeeld over onjuistheden in het Verhaal van Gelderland en wel uit deel IV van deze serie. Op de blog van kritischhistoricus.nl (i.c.Jan Brouwer) lezen we, met de aanbeveling deze pagina te delen (waarvan akte), het volgende:

Inhoudelijk zeer slecht hoofdstuk Oorlog in Gelderland. Het gaat hier dus om zeer recente geschiedenis die al veel onjuistheden bevat. We hebben ze voor U geteld met de volgende nummering: (1). We kwamen tot meer dan 40 onjuistheden en reeds lang achterhaalde opvattingen, op slechts 17 pagina's. Hoe is het dan gesteld met de rest van dit boek?

Het Verhaal van Gelderland van 1795 tot 2020 ziet er fraai uit: goede vorm, rijk geïllustreerd (zwart-wit en kleur), met notenapparaat, tijdbalken, geraadpleegde bronnen en literatuur, beeldverantwoording, personenregister, geografisch register en colofon, maar de schijn van de vorm bedriegt. Mijn belangstelling ging vooral uit naar Oorlog in Gelderland, p. 251-268, een achteraf gezien niet zo'n gelukkige keuze omdat daarna mij de lust is ontgaan om meer te lezen. De auteur heeft onvoldoende kennis, zeker de laatste tien jaar de literatuur over dit onderwerp niet bijgehouden en bovendien achterhaalde en bij voorbaat 'verdachte' literatuur gekozen. Je houdt het niet voor mogelijk dat men na 77 jaar nog veel onjuistheden en zelfs onzin en prietpraat schrijft over gebeurtenissen in 1945, zelfs bij algemeen bekende feiten. Ik voel me net een onderwijzer die slecht gemaakt huiswerk nakijkt. Taalkundig storend is het veelvuldig onjuist gebruik van 'vanaf' in plaats van 'sinds' en soms 'daarvan' in plaats van 'van hen'.

Iedereen weet dat generaal Winkelman op 15 mei 1940 niet de capitulatie van Nederland ondertekende, maar van de Nederlandse krijgsmacht (niet het Nederlandse leger dus) met uitzondering van de troepen in Zeeland (p. 254). (1) Het Duitse leger is onjuist, omdat Duitsland beschikte over verscheidene legers.(2) De oostelijke Betuwe heet sinds 1327 de Over-Betuwe.(3) De kaart op p. 260 (4) is onjuist vanwege de onjuiste data voor de frontlinies (juist: 25 september en 7 december), het ontbreken van de benaming geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd, het nota bene opnemen van het nabij de Rijnbrug gelegen Elden binnen dit bruggenhoofd en de frontlijn van 7 december niet plaatsen nabij de Linge en de Betuwelijn (5) . Algemeen bekende feiten zijn ook, dat de geallieerde frontlinie van 25 september liep van Andelst over Zetten naar Randwijk en vandaar langs de dijk naar de spoorbrug en via de westzijde van de spoorlijn Arnhem-Elst naar de zuidzijde van de Linge tot Bemmel en daarna naar de Waal. Anders hadden de Britten immers de Britse troepen uit Oosterbeek niet via Elst kunnen terugtrekken naar Nijmegen (6). De door Duitsers veroorzaakte dijkdoorbraak nabij de spoorbrug op 2 december 1944 leidde tot een wateroorlog (7). Een willekeurige frontlijn trekken met een willekeurige datum is weliswaar fantasierijk maar historisch onverantwoord (8). Daarna volgt een oude onjuiste opvatting met veel onzin over operatie Market Garden, later kritiekloos aangeduid met de geschiedvervalsing ''Slag om Arnhem'' (p. 268, er was geen slag en Arnhem was geen doel) (9). Die operatie was niet ''het langverwachte offensief op Nederlands grondgebied'', maar pas op 2 september door Montgomery gekozen (10). Het strategische doel van operatie Market Garden was na de Rijnoversteek bij Arnhem de vestiging van een sterk bruggenhoofd tussen Arnhem en het IJsselmeer met diepe uitlopers over de IJssel bij Zwolle, Deventer en Zutphen als opstelplaats voor het Britse XXX Corps. Het tactische doel was het afsnijden van de Duitsers en hun V2-lanceerbases in het westen van Nederland. Meer niet, zeker geen poging om West-Nederland te bevrijden. Montgomery moest wachten op bevel van generaal Eisenhower om over een breed front op te rukken naar het oosten; niet zoals Montgomery droomde naar Berlijn (11). De taak van de Britse 1ste Luchtlandingsdivisie was niet de Rijnbruggen bij Arnhem veroveren (p. 262), maar het vestigen van een bruggenhoofd tussen de Westerbouwing en de spoorbrug bij Westervoort met tenminste een van de drie oeververbindingen als opstelplaats voor de beide flankkorpsen (12). Duitsers bliezen de spoorbrug op en maakten de pontonbrug onbruikbaar (13). Troepen onder bevel van luitenant-kolonel Frost bereikten 17 september niet de noordzijde van de verkeersbrug, maar vestigden defensieve posities in gebouwen aan weerszijden van de noordelijke oprit naar de brug (14). Andere Britse eenheden lieten hun oorspronkelijke doelen - opbouw van het bruggenhoofd van zuid naar noord - varen om Frost te hulp te komen (15). Hun pogingen, straat-, huis-aan-huis- en man-tegen-mangevechten mislukten en daardoor mislukte ook luchtlandingsoperatie Market al op 19 september ten noorden van de Neder-Rijn. Dit was echter geen kwestie van niet tijdig kunnen bereiken (16). De Britten moesten vluchten naar of zich terugtrekken op defensieve posities in een perimeter rond hotel Hartenstein in Oosterbeek (17). Onzin is ook dat Amerikanen 21 september vanuit Nijmegen met een Brits legerkorps oprukten in de richting van Arnhem (18). De opmars van uitsluitend de Irish Guards strandde op een Duitse blokkade bij Oosterhout (19). Grondoperatie Garden mislukte dan ook op 21 september ten zuiden van Elst. Montgomery koos de volgende dag voor een Rijnoversteek met Amerikanen bij Wesel en Keulen (operatie Gatwick) (20). Nonsens is dat in de weken die volgden de Britten het grootste deel van de Over-Betuwe in bezit kregen. Dat gebied hadden ze immers al op 25 september(21). Nonsens is ook dat operatie Market Garden gedeeltelijk is mislukt (p. 263) (22).

Dan volgt een tekst over vluchtelingen te beginnen met de evacuatie van burgers in Arnhem, Elden en de Veluwezoom zonder de reden te vermelden (23). De Duitsers vreesden een offensief uit de Over-Betuwe na de inname van Elst en Bemmel, de luchtlandingen bij Overasselt en troepenverplaatsingen bij Nijmegen in verband met operatie Gatwick. De auteur wekt de indruk dat de inwoners van het geallieerde Over-Betuwse bruggenhoofd ook naar de Veluwe vluchtten. Die moesten echter in oktober en november - uiteraard niet in december - evacueren naar Noord-Brabant en België (24). In het Manneiland in en om Lent bleven duizend mannen achter voor het verzorgen van het vee en de landbouwgewassen. (25) Zij hoefden niet te vertrekken toen de Over-Betuwe voor een deel onder water kwam te staan (26). Algemeen bekende feiten zijn ook dat het Militair Gezag onder leiding stond van chef-staf generaal-majoor H.J. Kruls en niet Provinciaal Militair Commissaris majoor H. van Everdingen uit Tiel en dat niet dit Militair Gezag de macht in handen had (27), maar de Britse of Canadese bevelhebber van de troepen die in het bruggenhoofd gelegerd waren en dat grondig plunderden en leegroofden. District Militair Commissaris in het bruggenhoofd was majoor H. Pierson (28).

Van een lang verwachte opmars naar Noord-Nederland was ook geen sprake (29). Na de Rijnoversteek en vestiging van een bruggenhoofd bij Wesel (operatie Plunder en niet Veritable) op en na 23 maart 1945 trok het Britse Tweede Leger op de geallieerde linkerflank naar het noordoosten Westfalen in richting Hamburg en uiteindelijk tot de Elbe, niet Berlijn (30). Het Eerste Canadese Leger en de Britse 43ste infanteriedivisie die sinds eind november 1944 het Over-Betuwse bruggenhoofd had verdedigd en het Pannerdensch kanaal en de IJssel was overgestoken, hadden duidelijke taken: flankdekking bieden aan het Britse Tweede Leger en een verbindings- en bevoorradingsroute over Arnhem en Zutphen naar het noorden en noordoosten veiligstellen in het kader waarvan ze uiteraard uiteraard baileybruggen bouwden bij Arnhem en Zutphen en vijandelijke troepen moesten vernietigen. De auteur zeurt over bevrijding van Nederland, maar beschrijft die niet vanuit de bevrijde plaatsen (31). Het doel van de geallieerden was immers Full Victory on Germany, de volledige overwinning op Duitsland, niet bevrijding van West-Europa of delen daarvan (32). Het middel was vernietiging van vijandelijke troepen, industriecentra en steden. Zij waren dan ook geen bevrijders, maar werden door inwoners van plaatsen die gezuiverd waren van vijandelijke troepen zo gezien (33). Een bevrijding van Oost-Nederland is dan ook onzin evenals een Rijnoversteek bij Driel door Canadese troepen (kaart p. 266) (34).

Tenslotte spreekt de auteur - men houdt het niet voor mogelijk - over het tekenen van een 'machtsoverdracht in Nederland' (zonder dat er sprake was van een coup of machtswisseling) op 5 mei 1945 (35). De Duitse troepen in Nederland hadden zich als onderdeel van de Noord-Duitse legergroep Nordwest op 4 mei 1945 onvoorwaardelijk overgegeven aan Montgomery op de Luneburger Heide (36). Het Document van Overgave was op 5 mei 1945 om 08.00 uur in werking getreden. Nederland was dus op dat tijdstip vrij (37). De gecapituleerde Duitse bevelhebber ondertekende op 5 mei 1945 om 16.30 uur in Wageningen ter implementatie van het Document van Overgave bevelen tot het verstrekken van zeer gedetailleerde militaire informatie, onder andere waar mijnen in dijken lagen, waarvoor hij desgevraagd 24 uur uitstel kreeg tot 6 mei 's middags in de aula (38) . Daarop volgde met ingang van maandag 7 mei 1945 de ontwapening van de Duitse troepen in Nederland en hun terugtocht naar Duitsland in krijgsgevangenschap (39). Ook hiervan heeft de auteur niets begrepen. Ze neemt kritiekloos de beruchte geschiedvervalsing van een soort capitulatie in Wageningen over met een Duitse generaal die weigerde zijn handtekening te zetten en dat pas op 6 mei deed (40). Schande voor deze prietpraat! Onbegrijpelijk dat men zo'n prutswerk durft te publiceren. En zo iemand durft te beginnen over een museum voor de Gelderse geschiedenis!

De inhoud van de volgende pagina's is beter al omvatte in 1966 de uitbreiding van Arnhem niet alleen Malburgen, maar ook De Praets, Meinerswijk, het Elderveld en het dorp Elden (p. 280, 328; (41) is het onjuist na de invoering van de Wet op het Voortgezet Onderwijs in 1968 nog te spreken over middelbaar onderwijs (p. 298, 318) (42); is niet Rijkerswoerd, maar Schuytgraaf de Vinex-wijk van Arnhem (321) (43)en trokken niet Nijmegen en Arnhem, maar Nijmegen en Overbetuwe zich terug uit het MTC (p. 346) (44).

Deel deze pagina. Waarvan akte.


Wilt U meer weten over de ware geschiedenis van Nederland? Bestel het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!


Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.