Tacitus: Agricola 30.
De rede van Calgacus.
30 (1) Telkens wanneer ik de oorzaken van de oorlog en de hachelijke situatie overloop, heb ik er groot vertrouwen in dat de dag van vandaag en jullie eensgezindheid het begin van de vrijheid van geheel BritanniŽ zal zijn; want jullie zijn samengekomen van overal, vrij van slavernij, achter ons is er geen land, en zelfs de zee is niet meer veilig, omdat de Romeinse vloot ons bedreigt. (2) Zo zijn het gevecht en de wapens, die eervol zijn voor de dapperen, zelfs zeer veilig voor de lafaards. (3) Eerdere gevechten, waarin de Romeinse tegenstander met wisselend succes bestreden werd, lieten nog hoop en hulp in onze handen, omdat wij, de nobelsten van geheel BritanniŽ, daarom gevestigd in het binnenland zelf en geen enkele kust van slavernij aanschouwend, ook de ogen niet geschonden hadden door aanraking met de tirannie. (4) De afgelegen ligging zelf en de uithoek van bekendheid verdedigt ons tot op de dag van vandaag, als laatsten van de aarde en de vrijheid; en al het onbekende is prachtig; (5) maar nu staat het uiteinde van BritanniŽ open , er is al geen volk meer achter ons, niets behalve de golven en de rotsen, en de nog dreigendere Romeinen, wiens hoogmoed men tevergeefs ontvlucht door volgzaamheid en gehoorzaamheid. (6) Rovers van de wereld, ze onderzoeken de zee, nadat er voor hen die alles verwoesten geen land meer overblijft; als de vijand rijk is, zijn ze hebzuchtig, als hij arm is, zijn ze heerszuchtig, zij die noch het Oosten, noch het Westen zal verzadigd hebben; van allen begeren zij als enigen met gelijke hartstocht de rijkdommen en de armoede samen. (7) Stelen, moorden, plunderen noemen ze met valse namen een Rijk, en waar ze een woestenij maken, noemen ze het vrede.