De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Zij wisten niet beter.


Men komt regelmatig aan met het schijnheilig verwijt dat Albert Delahaye de historici hoont. Schijnheilig omdat er nooit een woord van protest werd gehoord toen hij met veel ergere strijdmiddelen dan hoon, onderuit werd gehaald. Zelfs zo erg dat hij met zijn gezin met jonge kinderen Nijmegen moest verlaten en naar elders vertrok. Jazeker hoon ik hen, met recht en uit volle overtuiging, zegt Delahaye, omdat ze bewezen hebben de materie niet te beheersen en het doen voorkomen dat ze er wel alles van weten. En dan mij, zonder op mijn argumenten in te gaan, met hoon en verwijten dat ik er geen verstand van heb en te weinig niveau heb om erover te kunnen discussiëren, van repliek menen te kunnen dienen.

Gedurende 25 jaren zijn zij blijven blaffen om tenslotte door een proefwerk van studenten op een aan dilettantisme grenzende manier erin werden geluisd. Zelfs dit hebben ze niet begrepen, zo weinig wisten ze af van de kwestie. Het is volledig ongepast dat een streekarchivaris hen als onbenullen moet neerzetten. Het was de taak en de plicht van elke integere historici om dit erbarmelijk Bronnenboek weg te honen, waarvan de fraudes, de misleidingen en de vervalsingen afdruipen, maar nu er in Nederland geen deskundige en integere historicus blijkt te bestaan, moest Delahaye het doen. Als archivaris deed hij dat natuurlijk met geduld en nauwgezetheid, zodat Delahaye liefst 2100 vlooien (fouten) van het zere hoofd van de Nijmeegse Alma Mater moest halen.



Kijk eens, je behoeft niet persé Delahaye te heten om te constateren dat de vaderlandse geschiedenis van vóór pakweg het jaar 1000 steunt op een aantal losse feiten en feitjes die uit hun verband werden gerukt en met veel fantasie en duimzuigerij tot een min of meer passend verhaal zijn samengeklutst, waarbij alles wat niet paste onder het vloerkleed werd geveegd.
Het is de verdienst van Albert Delahaye dat hij al die gegevens in hun textueel verband uitstalt en tal van nieuwe gegevens toevoegt. Bovendien werpt hij een aantal zinnige vragen op en signaleert hij zoveel absurditeiten in de vaderlandse geschiedschrijving, dat alleen al daarom zijn boeken het onderwerp van serieus onderzoek zouden behoren te zijn.

Bovendien, om dit werk te kunnen doen heeft Delahaye een diepgaande studie gemaakt van de latijnse paleografie, oorkondenleer, oud-frans, historische geografie, taal- en naamkunde en archeologie. Over deze laatste drie wetenschappen plaatst hij opmerkingen, die elke wetenschapper zich ter harte kan en moet nemen. Ook al is van zijn historische conclusies geen woord waar, dan nog heeft hij op grond van bovenstaande kwalificaties een ere-doctoraat volkomen verdiend.

Om dat Ere-doctoraat heeft Albert Delahaye ook nooit gevraagd. Immers de Universiteiten die hem dat Ere-doctoraat zouden hebben kunnen verlenen, achtte hij onvoldoende kapabel om de onderhavige materie te kunnen beoordelen.
Dat de geleerde heren historici, die van 'niveau' niet beter wisten is af te leiden uit de volgende feiten:
  • Albert Delahaye ontdekte bij zijn naspeuringen in Frankrijk teksten die in Nederland en onder de historici onbekend waren. Hoe deskundige waren zij dan?
  • Van veel teksten die niet op Nederland toepasbaar blijken te zijn, wordt gemakshalve verklaard dat 'de schrijver zich hier vergist moet hebben'. Niet de schrijver heeft zich hier vergist, maar de historici die deze teksten op Nederland willen toepassen.
  • In het Bronnenboek gaven Leupen c.s. aan dat zij alle bekende bronnen hadden opgenomen. "We hebben alle bronnen gezien" verklaarde Leupen.
    1. Als we aannemen dat Leupen hier de waarheid spreekt, blijkt dat hij niet alle teksten kent en dus niet beter wist.
    2. Toch blijken er aanvullingen te bestaan. In de herdruk van het Bronnenboek een jaar later, wordt aangegeven dat er nieuwe bronnen zijn toegevoegd, met dank aan de inzenders. Die bronnen waren dus onbekend.
    3. Vervolgens roepen de auteurs op: "Wij hopen dat ontdekkers van nieuwe vermeldingen de weg naar ons zullen weten te vinden". Echt uitputtend is de zaak dus niet behandeld, immers men twijfelt zelf al aan de volledigheid van het eigen onderzoek. Men wist niet beter dan wat nu gepubliceerd was.
    4. In het Bronnenboek worden 190 teksten genoemd waarvan de auteurs vermelden dat ze ervan overtuigd zijn dat deze over Nijmegen gaan.
    5. Albert Delahaye noemt in zijn boeken ruim 253 teksten over Noviomagus die niet in het Bronnenboek zijn opgenomen. Waarom slaan de auteurs van het Bronnenboek deze over? Kenden ze deze teksten niet?
    6. Maar kennen de samenstellers van het Bronnenboek dan niet de teksten die de oude Nijmeegse schrijvers noemen? Hebben ze deze niet gezien? Zo noemen Johannes in de Betouw in Annales Noviomagi (1790) en Johannes Smetius in de Chronijk (1784) verschillende jaartallen en teksten die sinds de 18e eeuw op Nijmegen werden toegepast. Echter, in het Bronnenboek ontbreken ze. Waarom zijn ze weggelaten? We noemen de jaartallen: 700, 713, 735, 768, 776, 779, 796, 799, 817, 829, 831, 835, 838, 841, 851, 875, 885, 900, 902, 925, 947, 948, 965, 968, 974, 990, 997, 1002, 1026, 1064, 1082, 1099, 1147, 1150. In al deze teksten is sprake van het verblijf van een der keizers of een andere gebeurtenis in Noviomagi/us.
    7. Ook uit de Romeinse periode slaat Het Bronnenboek (c.q.Leupen) teksten over waarin Noviomagus of het Eiland der Bataven genoemd worden. Zowel bij Julius Caesar, als bij Tacitus en die uit het jaar 70, 105, 176, 200, 262, 268, 286, 300, 310, 351, 360, 410 en 500. Deze staat Leupen dus af aan Noyon.
    8. Ook een tweetal teksten waarin Bata(v)us U[l]pi[a] / [Noviomagi genoemd wordt (CIL06,32860, 173 3n 144) worden overgeslagen! Waren deze bij de auteurs van het Bronnenboek niet bekend?

  • Wat de historici van professie ook niet bleken te weten zijn de transgressies en de west-oriëntatie. Evenmin hielden zij rekening met de taalgrens en de plek in Europa waar je 'de overkant ziet'.

    Toch misleiding?
    Er bestaat een hele reeks teksten van de kroning van Karel de Grote dat in 768 onbetwist in Noyon plaats vond. Het bericht komt tientallen malen in de kronieken voor met de namen Noviomagus, Numaga en andere varianten. Men moet toch aannemen, dat bij de vraag, waar de residentie Noviomagus van Karel de Grote lag, uitgegaan moet worden van diens eerste vermelding met Noviomagus. Wanneer men dan in de eerstvolgende tekst, na de verzwijging van deze eerste, met de interpretatie Nijmegen op de proppen komt, dan wisten de auteurs van het Bronnenboek terdege dat zij aan het misleiden waren. Het is naderhand gezien geen raadsel, waarom het Bronnenboek al deze teksten over de kroning gemist heeft. Kende men deze gebeurtenis niet? Kende men de teksten niet? Neen, ze hebben deze teksten opzettelijk 'gemist'. Immers bij het vermelden van de kroning van Karel de Grote dat in Noyon plaats vond, zouden ze op grove en opzettelijke misleiding betrapt zijn met hun indicaties Noviomagus=Nijmegen.

    De visie van Albert Delahaye.
    Veel teksten blijken bij de Nederlandse historici die zo prat gaan op hun 'niveau' onbekend te zijn. Ze schermt historisch Nederland (te) vaak maar met een halve tekst en niet eens met het belangrijkste deel van de tekst, dat juist (te) vaak de Nederlandse traditie tegenspreekt. Zo wordt over de onderste weg door de Patavia op de Peutingerkaart nauwelijks gesproken.
    De Duitse en Nederlandse bibliotheken puilen uit van kletspraat. Het wordt de hoogste tijd dat het etiket “onbetrouwbaar” van Ptolemeus en andere klassieke schrijvers wordt afgenomen en dat dit geplakt wordt op publikaties, die niet eens zo’n klare en gemakkelijk te ontdekken zaak als de west-oriëntatie wisten op te merken, die in veel opzichten de sleutel tot de mythen is. Het gaat natuurlijk helemaal niet aan een schrijver uit de eerste eeuw voor onbetrouwbaar te verklaren, wanneer men zijn teksten niet eens begrepen heeft.


    De Nederlandse historici...
    ....zijn uiteraard een product van hun genoten opleidingen. Tijdens die opleidingen hebben ze blijkbaar het nodige gemist, wat blijkt uit hun opmerkingen en verwijten die ze aan Delahaye richtte. Blijkbaar hadden ze nog nooit gehoord van de deplacements historiques, van de West-oriëntatie, van transgressies, van een zuidelijke traditie van St.Willibord, van twijfel die altijd bestaan heeft, van hoe de geschiedenis tot stand kwam, zij wisten niets van de consequenties van de taalgrens, ze wisten (naar het blijkt) niets van achtergronden, ze wisten niet dat men het onderling vaak oneens is (er bestaan in Nederland niet voor niets 24 locaties van Castra Herculis) en zo kunnen we nog wel even doorgaan.
    Men had geen weet.....
    .....van de ware geschiedenis. Was het naïviteit, kwam het voort uit de eeuwige naschijverij, kende men de bronnen wel? Heeft men ooit gelezen wat anderen schreven? Heeft men ook de eigen teksten ooit nagelezen en bestudeerd en de consequenties daarvan doorzien? Of was het zo dat men alles terdege wist, maar vanwege eigen reputatieschade het niet openbaar wilde maken? Immers Delahaye gelijk geven betekende het einde van hun titels, professoraten en aanzien als historicus. Dan waren hun proefschriften in één klap waardeloos. Of was het ook jaloezie? Immers wat Delahaye ontdekte hadden zij als geleerde heren willen ontdekken, maar daarvoor ontbrak het hen aan benodigde kennis omdat ze teveel gefocust waren op wat ze ooit geleerd hadden.


    Wat weten we uit de verschillende publicaties en klassieke teksten?


    Het is allemaal begonnen met een artikel in de Nijmeegse krant, waarin Albert Delahaye alleen maar de vraag opwierp of het nu wel zo zeker was dat het paleis van Karel de Grote te Nijmegen had gestaan. Er stak meteen een storm van verontwaardiging op en hij werd door een aantal Nijmeegse hoogleraren bestreden met een felheid, die hem niet alleen verbaasde, maar waarvan hij helemaal beduusd was. Later bleek hem dat het voorstel om de Nijmeegse universiteit de "Carolus Magnus-Universiteit" te dopen -wat door de bisschoppen werd afgewezen, blijkbaar hadden zij wel in de gaten wat voor moordzuchtige keizer het was- juist van een van die hoogleraren afkomstig was, zodat hij kennelijk tegen een paar zere schenen had aangetrapt.
  • De geleerde heren van het 'niveau' zouden het bestaan van 262 bewijzen moeten kennen, dat het bisdom van St.Willibrord geheel iets anders was, en in een geheel andere streek lag dan het bisdom Utrecht.
  • Zij weten dat de historici, die zich met deze kwestie bemoeiden, dit verpletterend namenmateriaal niet kennen, doch zij lieten hen hun onbevoegde gang gaan, omdat elke bestrijding van Delahaye, rijp of groen of volslagen onbenullig, hun onwetendheid telkens verder toedekte.
  • Maar het beste weten zij dat het gewone publiek geen notie heeft van de 262 frans-vlaamse plaatsen in de dokumentatie over St. Willibrord, zodat zij ook hun gang konden gaan.
  • Zij weten ook, dat Delahaye dat weet. Vandaar is te verklaren waarom zo angstvallig vermeden werd een diskussie over St.Willibrord of diens bisdom te beginnen want dan, en dat wisten zij ook, gaat het deksel van het Cartularium van Egmond af.
  • Zij wisten ook, dat dit toch eens zou komen. Daarom moest Delahaye op alle mogelijke onfrisse manieren belachelijk en monddood worden gemaakt.

  • Laten ze niet afliegen dat zij dit allemaal niet geweten hebben, want als zij dit foefje willen proberen, is er maar één alternatief: dan zijn ze onbenullen in bronnen-onderzoek. Maar dat zijn zij niet, menen ze zelf. Het Cartularium van Egmond, de bron bij uitstek over het bisdom van Willibrord, behoren zij te kennen als hun broekzak.

  • Er blijft dus maar een konklusie over: zij hebben bewust wetenschappelijke fraude gepleegd, en of ze nu met hun tienen of twintigen zijn - we gaan ze niet eens tellen - als integere historici hebben ze afgedaan, omdat zij met een naam uit een bron staan te pochen en er 261 uit diezelfde bron als niet ter zake doende overslaan. Bovendien zijn zij schaamteloos door het publiek de onwaarheid op de mouw te spelden dat Delahaye dingen oversla (wat o.a. H.Jansen riep), terwijl zij dat zelf zo'n tweeduizend maal doen!

    De historici zijn verdronken in hun eigen brei aan leugens, malversaties, bedrog en fraude. Hun wetenschappelijke verdienste heeft afgedaan.



    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.