Het Valkhof te Nijmegen p.11-13.
Graven op het Valkhof
Aanleiding tot deze bijdrage vormde de hernieuwde bestudering van de vondsten welke door J.J. Weve tijdens zijn opgravingen in 1910-1911 op het Valkhof werden gedaan. De collectie is over twee musea verspreid; het aardewerk bevindt zich in het Rijksmuseum G.M. Kam, de overige vondsten bevinden zich in het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint Jan'. Door deze studie is een eerste heroriëntatie op het archeologisch onderzoek van het Valkhof mogelijk geworden. Het accent zal hierbij komen te liggen op de laat-Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen.

Met de opgravingen op de Valkhofheuvel is de naam van Weve (1852-1942) onverbrekelijk verbonden. Hij was als stadsarchitect, later als directeur van de dienst Gemeentewerken nauw betrokken bij de plannen voor de restauratie van de Karolingische kapel en de Barbarossa-ruïne. Toen K. Plath in 1894 een onderzoek instelde naar de funderingen van de Karolingische kapel, was ook Weve aanwezig; hij maakte zelfs een diepgaande studie van het gehele bouwwerk. In 1895 kon onder zijn toezicht de noordwest-hoek van de Barbarossa-ruïne ontgraven worden, Hierbij trof men muurwerk aan, dat in aanleg voor Romeins werd gehouden. Tijdens het blootleggen van de binnenzijde van de absis in 1910 bleek de gehele westzijde door dit tufstenen muurwerk te worden afgesloten. Bij de bouw was witte specie gebruikt, bij het opgaande werk was dit rood gekleurd ten gevolge van het gebruik van baksteenpoeder. Op dit fundament bleken nog de resten aanwezig van twee zuiltjes, die met twee andere, meer naar het oosten geplaatste zuiltjes het kruisgewelf van de Barbarossa-kapel hadden gedragen. Dit gewelf werd eerst na de sloop van de Valkhofburcht in 1796-1797 verwijderd. Op stratigrafische gronden kon toen een datering van het metselwerk in de Romeinse tijd niet worden gehandhaafd. In Weve's uiteindelijk opgravingsverslag werd de fundering dan ook als een restant van de Merovingische palts beschouwd, terwijl het opgaande metselwerk (met rode specie) in de Karolingische tijd werd gedateerd. Bij de opgraving werd naast een aantal loden penningen een zestal skeletten aangetroffen, waarop later teruggekomen zal worden.

In het daarop volgende jaar (1911) zette men het onderzoek naar de muurresten van de burcht voort. Voor het bepalen van de plaats van de opgravingsputten werd hierbij uitgegaan van het dakenplan van 1725. De resultaten waren in grote lijnen negatief: de funderingen bleken vrijwel overal volledig te zijn uitgebroken. Toch kreeg Weve genoeg gegevens in handen om de plattegrond van de Valkhofburcht met behulp van bestaande afbeeldingen op verantwoorde wijze te reconstrueren. Bij de verbouwing van de voormalige sociëteit Burgerlust in 1920 deed men voorlopig de laatste waarnemingen; het betrof hier toen een bakstenen steunbeer van een niet exact dateerbare toren van de ommuring. De archeologische activiteiten van F.J. de Waele tijdens de oorlogsjaren komen later ter sprake. De opgraving van H. Brunsting in 1946, direct ten westen van de Barbarossa-ruïne leverde niets opzienbarends op, zodat zij hier slechts volledigheidshalve vermeld wordt.

Na dit beknopte overzicht kan worden overgegaan tot bespreking van de vondsten. De door Weve gevonden overblijfselen, meest scherven, zijn door M. Daniëls uitvoerig bestudeerd en door hem aan twee duidelijk gescheiden perioden toegeschreven. Een deel van het materiaal is afkomstig uit ongeschonden of verspitte brandkuilen, die behoord moeten hebben tot een grote burgelijke nederzetting, waarvan men momenteel aanneemt dat deze de naam Batavodurum heeft gedragen. Tot 70 na Christus was dit de hoofdplaats van het stamgebied der Bataven. Het andere deel der vondsten moet zijn achtergelaten door de bewoners van een laat-Romeins castellum. Het vermoeden dat op het Valkhof een Romeinse vesting zou hebben gelegen, bestond al langer. Duidelijke aanwijzigingen in deze richting werden voor het eerst aangetroffen bij de bouw van het cultureel centrum 'De Lindenberg' in 1969. Ter plaatse werd een deel van een laat-Romeinse gracht aangetroffen, die de westelijke begrenzing van een militair kamp kon hebben gevormd. Meer zekerheid leverden de opgravingen van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek voorjaar 1980 aan de zuidzijde van de Ridderstraat en op het parkeerterrein van het Kelfkensbos.

Plattegrond van de Barbarossaruïne met de door Weve gevonden skeletten (I); doorsnede noord-zuid met de hoogteligging van de skeletten en daarboven een brandlaag (2); doorsnede over de MerovingischKarolingische muur, die de absis afsluit (3); doorsnede absismuur (4) (Tekening gemaakt als plaat XXX voor J.J. Weve, De Valkhojburcht, 1925). Klik op de afbeelding voor een vergroting.

Hier werd in aansluiting op het eerder genoemde grachttracé de voortzetting in oostelijke richting blootgelegd. Het castellum lag dus op een groter terrein dan het huidige Valkhof. De Voerweg moet in de zuidwestelijke hoek van dat castellum zijn ingegraven en is dus van latere, na-Romeinse datum. Dit toont aan dat de Valkhofheuvel in de Romeinse tijd nog één geheel moet hebben gevormd met de oostelijke heuvelrug. Reeds Weve vermoedde dat de Voerweg door grondvergraving 'in een ons nog onbekende tijd' ontstaan was, echter zonder hiervoor argumenten aan te voeren. Voor de bewoningsgeschiedenis van het laat-antieke castellum is verder van belang dat de gracht op de Lindenberg in 350 of kort daarna, buiten gebruik moet zijn geraakt, hetgeen zou kunnen wijzen op een onderbreking in of beëindiging van de militaire bezetting. De op het Valkhof en in de onmiddellijke omgeving gevonden munten tonen evenwel aan dat daar tot kort na 400 een nederzetting bleef bestaan. De vraag of deze nog van hetzelfde karakter was als haar voorgangster, is bij de huidige stand van onderzoek niet te beantwoorden.

Tijdens de opgraving binnen de Barbarossa-ruïne werden door Weve de resten ontdekt van (de resten van) een zestal skeletten (zie afbeelding, romeinse cijfers). Opmerkelijk genoeg werd in vijf waarneembare gevallen het, gezicht naar beneden aangetroffen. Deze resten waren min of meer west-oost (dat wil zeggen met het hoofd naar het westen) georiënteerd. Een zesde skelet, waarvan het bovenste deel door de aanleg van het Barbarossa-halfrond verdwenen was, moet zuid-noord hebben gelegen. In enkele gevallen werden bij het gebeente andere vondsten gedaan: in twee gevallen resten van zwaarden; één keer een bronzen ring met een doorsnede van 5 cm alsmede drie bronzen muntjes; eenmaal twee bronzen muntstukjes en één, mogelijk twee kralen. Bij twee skeletten werd niets opgemerkt. Aan deze vondsten werd door Weve en Daniëls weinig aandacht besteed. De munten werden al snel met andere munten vermengd, de kralen zijn inmiddels onvindbaar. Wel zijn resten bewaard gebleven van de twee zwaarden. Een voorlopig onderzoek van het best bewaarde fragment leidde tot de conclusie dat het hier gaat om een deel van een zogenaamde 'Breitsax', welke gerekend kan worden tot 'Stufe IV' naar de indeling van Böhner. Een datering in de zevende eeuw ligt hierdoor vrijwel vast. Dat ligt dus helemaal niet vast. Archeologen dateren deze 'Saxen' van de 5e tot de 11e eeuw in het gebied van Ierland, Scandinavië tot Noord-Italië.

Zowel Weve als Daniëls hadden ter verklaring voor de aanwezigheid van de skeletten catastrofale gebeurtenissen in de vierde eeuw voor ogen. Weve zelf dacht aan Franken, die bij een bestorming van de burcht waren gesneuveld. Deze theorie is mede ingegeven door de veronderstelling dat de skeletten met het' gezicht' naar beneden, , op de buik', waren aangetroffen. Aan deze waarneming kan sterk getwijfeld worden, gezien de toestand waarin skeletten meestal worden aangetroffen. Daniëls dacht aan bewoners van een huis, die onder een door brand instortend pannendak bedolven werden. Waarschijnlijk liet hij zich leiden door de vondstomstandigheden, zoals die binnen de Barbarossa-ruïne werden aangetroffen. Daar was een ongestoord lagenpakket aanwezig, waarvan het bovenste deel veel dakpanmateriaal en stukken houtskool ('van daksparren') bevatte." Uit het door Weve weergegeven profiel blijkt dat niet alle geraamten door deze laag worden afgedekt, een reden te meer, om Daniëls bewering te wantrouwen.

De voor de hand liggende conclusie dat een aantal graven werd blootgelegd, werd noch door Weve noch door Daniëls getrokken. Tijdens de opgraving van 1910-1911 moet men vrijwel zeker op resten van een grafveld zijn gestoten, dat op grond van de datering van het eerder genoemde zwaard in elk geval reeds in de zevende eeuw in gebruik was. Omdat er (te) weinig gegevens voorhanden zijn, kan noch de grootte noch het tijdstip van ontstaan van dit grafveld nader bepaald worden. Verdere aanwijzingen voor een grafveld leverden de waarnemingen op van De Waele in 1943.29 Tijdens grondwerkzaamheden voor de bouw van een bunker ten oosten van de Barbarossa-ruïne trof hij een west-oost georiënteerd skelet aan. In tegenstelling tot de waarnemingen van Weve lag dit skelet in de gebruikelijke houding, 'op de rug'. Bij dit geraamte werden geen vondsten gedaan. Ook vlak ten zuiden van de absis vond men bij grondwerk een skelet.

Door de datering en situering van deze graven is een relatie met andere grafvelden in Nijmegen uit te sluiten. We moeten dan ook de vraag stellen wat de aard van dit grafveld is. De oriëntering van de graven en het voorkomen van grafgiften hoeven een christelijk karakter zeker niet uit te sluiten. Het kersteningsproces in onze gebieden voltrok zich samen met de Merovingische rijksvorming. Dit proces geschiedde vanuit Keulen langs de Rijn stroomafwaarts; in het eerste kwart van de zevende eeuw was de christianisering reeds gevorderd tot in Utrecht. Het is daarom aannemelijk dat Nijmegen al eerder, in het begin van de zevende eeuw, gekerstend werd. Leupen plaatst daarom ook de stichting van de Nijmeegse parochiekerk in het eerste kwart van de zevende eeuw. De Nijmeegse kerk was een bisschoppelijke eigenkerk; de Keulse bisschoppen hadden in de meeste voormalige castra langs de Rijn de kerken in bezit. Zij hadden deze kerken gekregen van de Merovingische vorsten, die in de rechten van de Romeinse keizers waren getreden en zich de staatseigendommen, waaronder de castelIa, toegeëigend hadden. Analoog hieraan kan worden verondersteld dat ook de Nijmeegse kerk binnen het laat-Romeinse castellum lag. Het is niet onwaarschijnlijk dat de voornoemde graven deel hebben uitgemaakt van een bij deze oudste parochiekerk behorend kerkhof.

Wanneer aangenomen wordt dat de door De Waele waargenomen graven aan de westzijde van het Belvedère" eveneens deel uitmaakten van dit kerkhof wordt het zeer waarschijnlijk dat de oude parochiekerk ter hoogte van de huidige Voerweg was gelegen. Uit historische bronnen is bekend dat de oude parochiekerk bij de aanleg van een novum fossatum in 1249 afgebroken is. Als de bovengenoemde veronderstellingen juist zijn, kan met novum fossatum enkel de gracht bedoeld zijn die ter versterking van de Valkhofburcht werd aangelegd. Dit in tegenstelling tot de bewering van Willem van Berchen, die van een nieuwe stadsgracht (novum fossatum civitatis) spreekt. In de eigentijdse oorkonden wordt echter alleen van een novum fossatum gesproken. Deze gracht moet de kiem hebben gevormd van de latere Voerweg. Ook Verkerk is de mening toegedaan dat de in 1249 vermelde gracht niet bij de stad maar bij de burcht behoorde. Bij de aanleg van deze gracht verdween de oude parochiekerk alsmede de woning van de pastoor en waarschijnlijk ook een aanzienlijk deel van het kerkhof.

Conclusie
De skeletten die in het verleden op het zuid-oostelijk deel van het Valkhof werden aangetroffen, maakten deel uit van het kerkhof dat behoorde bij de oudste Nijmeegse parochiekerk, welke in het eerste kwart van de zevende eeuw gesticht is. Deze werd in het midden van de 13de eeuw afgebroken bij de aanleg van de nieuwe gracht rond het Valkhof. de latere Voerweg.

Mijn conclusie is dat er sprake is van een dubbele cirkelredenering. Bovendien zijn die 3 volledige en de 3 gedeeltelijke skeletten zo slordig en onsamenhangend en met het gezicht naar beneden begraven zijn, dat er van enige Christelijke begraafplaats geen enkele sprake kan zijn geweest.