| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |

![]() ![]() ![]() Ir. Joh. van Veen.
|
![]() De recente herdenking van de Watersnoodramp uit 1953 en de daarover uitgezonden serie "Het water komt", bevestigen de eeuwige strijd van de Lage Landen tegen het water. Ondanks de aanleg van dijken overstroomde een groot gedeelte van Zeeland, Zuid-Holland en westelijk Noord-Brabant. Er was door ir.Joh. van Veen al tevoren voor gewaarschuwd, maar de autoriteiten sloegen deze waarschuwingen in de wind. Het resultaat is bekend. Zijn bevindingen hebben geleid tot de Deltawerken, die juist deze gebieden verder moesten beschermen tegen toekomstige overstromingen. Maar de Deltawerken blijven steeds aandacht vragen voor actuele ontwikkelingen, zoals klimaatveranderingen en verhoging van de zeespiegel.
De visie van Albert Delahaye.
![]() Wat weten we uit het verleden? In de nacht van de 31e januari op de 1e februari 1953 vinden overstromingen plaats in Engeland, België en Frankrijk tot aan Calais en Nederland, die de hoogste prijs betaalt met meer dan 1.800 doden. Wat Frankrijk betreft, daar zijn geen slachtoffers gevallen, maar bezweek de dijk van Duinkerke op twee plaatsen, waardoor zeewater het kanaal binnendrong en er overstromingen waren in de stad van 46 cm tot zelfs 2m40. Bray Dunes had ook te maken met indringing door de zee. Men was er dicht bij een ramp. Men was geschokt door de onzorgvuldigheid van de Franse Météo die verkondigde dat deze storm niets uitzonderlijks was. Onze Belgische buren daarentegen sloegen wel alarm, klaar om in te grijpen, en men had bijna 2.000 mensen geëvacueerd naar Bredene. In Engeland werd 1.600 kilometer kust getroffen en kilometers dijk beschadigd, waardoor 1.000 vierkante kilometer aan land overstroomde. Dertigduizend mensen moesten geëvacueerd worden. Na de watersnood werden ook in Engeland plannen gemaakt die verdere overstromingen moesten voorkomen en onder andere resulteerden in de Thames Barrier. In het noorden van Frankrijk en in Vlaanderen is dank zij enkele gelukkige omstandigheden veel historisch en archeologisch materiaal bewaard bleven. Met volstrekte zekerheid is vast te stellen, dat een hoeveel geweldige veranderingen de transgressies in het landschap hebben veroorzaakt. Daar dacht men aanvankelijk, dat de Romeinse wegen ophielden aan de oever van het vroegere Almere, dat zich van Calais tot bij Brugge uitstrekte, tot men ze terugvond onder een pakket overslaggronden van 4 tot 6 meter. Aan de hand van de bewoningsgeschiedenis kunnen de perioden in de op- en neergang van de transgressies vrij nauwkeurig worden vastgesteld, waarbij als voornaamste conclusie naar voren komt, dat tussen 250 en 900 waterstanden zijn geweest tot meters boven het middelbare zeeniveau, niet een enkele maal bij wijze van ramp of eenmalige stormvloed, maar over een langere periode als permanente waterstand. Aan de hand van even vaststaande gegevens kan in die streek eveneens worden geconcludeerd, dat de gronden boven 3-5 meter pas omstreeks 870 vrij waren en weer bewoonbaar werden, precies als in laag-Nederland was. Er is geen enkeI motief of argument denkbaar, dat het laagland van Nederland een ander zeeniveau zou hebben gehad als Vlaanderen en Noord-Frankrijk, en men moet zeker niet vooropstellen, dat de opstuwing van de zee daar heviger zou zijn geweest dan aan onze kust. Tussen ca.260 na Chr. en 900 stond het laagland van Nederland totaal onder water. De duinen zijn pas in de 10e eeuw gevormd I sommige deskundigen neigen zelfs naar een later tijdstip, natuurlijk pas tot het water zover teruggetrokken was dat de storm en de wind de kans kregen om uit het ondieper geworden water de duinen op te blazen. Op een van de hoogtepunten van de transgressies plaatst men St. Willibrord in Utrecht, dat toen overstroomd was en zet men het grote volk van de Friezen op enkele terpen, dat merkwaardigerwijs ongeveer vier van de zes transgressie-eeuwen bij voortduring verwikkeld is geweest in een verbeten strijd tegen de Merovingers en de Karolingers.
Het laagland van Nederland ontbreekt totaal in de historische bronnen en is niet bij machte geweest, achteraf een volkomen begrijpelijke zaak, ook maar één historisch of archeologisch bewijs van zijn bestaan in deze periode te leveren. De Romeinse vondsten worden gedaan op 2 tot 4 meter onder het maaiveld, wat ten eerste een bewijs levert dat het Holland uit de Romeinse periode bedolven werd onder eenzelfde pakket transgressie-gronden als het echte Almere, ten tweede dat de omstandigheden toch niet gelijk waren omdat in Vlaanderen dat pakket veel dikker is, waarschijnlijk hieraan te wijten dat het transgressie-gebied van Nederland veel breder was. De Nederlandse bodemkundigen zijn er al lang achter, dat de rivieren in jonger gronden stromen dan uit de Romeinse periode. Als in de 10e eeuw het bisdom Utrecht en het graafschap Holland ongeveer gelijktijdig verschijnen, vertoont de gangbare reconstructie een grote absurditeit. Het bisdom zou al een voorgeschiedenis gehad hebben van ruim twee eeuwen, terwijl er niets blijkt dat er een graafschap met welke vorm van wereldlijk bestuur bestond in die periode.
Niet alleen heeft de bodem ontbroken en is ook geen enkele institutionele ondergrond geweest, wat bij een bisdom bij het volk van de Friezen en de 200 plaatsen van Trajectum volstrekt onaanvaardbaar is. Als Utrecht en Holland opkomen, waren de omliggende gebieden door Munster, Gelre, Brabant en Vlaanderen bezet. Hetzelfde ziet men op kerkelijk gebied. Het bisdom Munster had het noord-oosten van het land in bezit; het bisdom Keulen had Gelre en een deel van het land van Maas en Waal; Luik zat in Brabant en Zeeland. Utrecht en Holland hebben alleen nieuwe, alluviale gronden in bezit kunnen nemen. Ditzelfde beeld geldt natuurlijk voor grote gebieden van Duitsland, vooral het uiterste noorden, waar de transgressies ook ver zijn doorgedrongen, en waar enorme nieuwe lappen grond, geheel logisch iets vroeger dan in Nederland, tegen het einde van de 8e eeuw vrij kwamen zodat, om terug te komen op het uitgangspunt, de Elbe, de Eems en de Weser evenmin ten tijde van de transgressies hebben bestaan. Ook hier valt het in bezit nemen van het land samen met een nieuwe institutionele organisatie en met de stichting van nieuwe bisdommen. De bisdommen Hamburg en Munster vormen een zeer betrouwbare tijdsbepaling, daar die geen legendarische voorgeschiedenis hebben en het absoluut vast staat, dat zij pas in het begin van de 9e eeuw zijn gesticht. Volkomen te begrijpen valt nu ook, waarom alle Nederlandse historische tradities, ga ze maar stuk voor stuk na, pas vier tot acht eeuwen nà de feiten voor de eerste keer zijn neergeschreven. Het was geen onaantastbare historie; het zijn integendeel zeer doorzichtige mythen, tenminste als men die tradities eens met kritische zin benadert.Delahaye heeft geen hyperkritiek toegepast; integendeel, slechts vragen en opmerkingen aan de orde gesteld, die volkomen normaal zijn, maar die wel ongenadig signaleren dat een kritiekloos naschrijven van amateurs en dilettanten de diepste oorzaak van de ellende was. Zo hebben wij stof genoeg om een paar maanden te discussiëren, en ik ben blij dat ondanks alle pertinente afwijzing van mijn zienswijze die discussie toch op gang lijkt te komen. Nog één opmerking: Het gaat niet om mijn persoon; ik ben degene die deze zaak toevallig heeft ontdekt. Was ik het niet geweest, dan zou zonder de minste twijfel een ander er achter gekomen zijn. De historische wetenschap kan zich wel eens vergissen, maar komt uiteindelijk toch achter de waarheid. Het gaat nog minder om mijn gelijk; laat mijn persoon er maar helemaal buiten, als men aan een nieuw onderzoek begint. Er moet op de bal gespeeld worden, niet op de man. Want als men alleen naar bewijzen en argumenten gaat zoeken onder gelijk gestemden om het ongelijk van Delahaye aan te tonen, zal men de ware geschiedenis nóg niet zien zitten, wat al een paar malen gebleken is. |
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |