| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |


Niet alle fouten en onjuistheden in het Bronnenboek zijn de Nederlandse historici te verwijten. Wel verwijtbaar is de klakkeloze naschrijverij van de Duitse historici zonder de bronnen te controleren. Waar verbleven de vorsten, zoals de Ottonen en de Hendriken, als het paleis van Karel de Grote in Nijmegen niet bestaan heeft.
Prof.P.Leupen en de Club van Nijmegen komen in het Bronnenboek op de proppen met een Bisschop van Nijmegen, laten Floris IV sneuvelen op een toernooi in Picardië dat ze in Nijmegen plaatsen en verwarren met Novillare in Italië, met Neumagen bij Trier en met Neuville-en-Condroz bij Luik met Nijmegen. Het zijn blunders van de grootste orde: Hoe deskundig zijn zij dan?
Het Bronnenboek is een aanfluiting van historische wetenschap. En dat weten ze in Nijmegen ook! Maar het wordt angstvallig verzwegen, vooral om eigen onkunde te verbergen. Het Bronnenboek mist meer dan 250 bronnen tot het jaar 1047 waarin Noviomagus genoemd wordt. Waarom slaat men die over? Omdat dàt Noviomagus niet Nijmegen was, maar deze teksten overduidelijk over Noyon of andere Noviomagi gaan.|
In Bronnenboek 1 lezen we: Over de verdrijving van Balderik en de verwoesting van Munna. In Bronnenboek 2 staat: Balderik wordt verdreven en Monterberg wordt verwoest. . Munna wordt ook genoemd door Alpertis Mettensis. Hierbij kan sprake zijn van dezelfde misvatting als met het klooster Hohorst te Leusden. |
Met het weerleggen van Het Bronnenboek door de Bisschop van Nijmegen, wordt ook de geschiedenis weerlegd die van Karolingisch Nijmegen is afgeleid, zoals de geschiedenis van Utrecht, Deventer, Zutphen, Wijk bij Duurstede en andere plaatsen, maar ook de geschiedenis die gebaseerd is op de predikers Willibrord, Bonifatius, Ludger, Lebuinus, Amandus, Ansfridus, Plechelmus en talrijke andere personages. Zie het boek van Luit van der Tuuk over de Middeleeuwers, die 41 Middeleeuwers noemt, waarvan er niet één in Nederland te plaatsen is, op fantasiefiguur Beitske na misschien.
Wat in het kranteknipsel (hierboven links) door prof.Leupen beweerd wordt is helemaal juist geformuleerd. Inderdaad beantwoord deze lijst in hoofdzaak (in welke zaak dan niet?) aan de huidige stand van de wetenschap. Dat die stand van de wetenschap enkele decennia achterloopt, hebben Leupen en Bogaers niet geweten. Zij blijven immers vasthouden aan mythen die vele eeuwen geleden ontstaan zijn en allang achterhaald zijn. Het is precies zoals Jona Lendering stelde: "honderden misverstanden komen voort uit het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel".
Alle volledig onderzocht? Er wordt toch heel wat overgeslagen en niet genoemd.
Het gemis aan continuïteit wordt vooral aangetoond met wat wordt overgeslagen en dus NIET in het Bronnenboek staat. P.Leupen en B.Thissen (en hun studenten die feitelijk de samenstellers zijn geweest) schrijven in de inleiding van het Bronnenboek dat ze alle bronnen hebben verzameld waarin het over Nijmegen gaat. Maar het Bronnenboek slaat over de Romeinse periode al 13 teksten over waarin Noviomagus of het Eiland der Bataven genoemd wordt. En over de periode tussen 227 tot 725 vermeldt het Bronnenboek geen enkele tekst en die tekst uit 725 gaat niet eens over Nijmegen. Zie de tekst uit 725. Dat is een hiaat van 5 eeuwen! Maar er bestaan uit deze periode liefst 28, vooral Franse bronnen waarin Noviomagus of een variatie daarop, zoals Numaga, genoemd wordt. Het Bronnenboek slaat ook de kroning van Karel de Grote in Noviomagus over! Uiteraard zul je zeggen, immers deze tekst waarin Noviomagus genoemd wordt, gaat onbetwist over Noyon. Daarover zijn alle historici het volkomen eens dat het in de bisschopsstad Noviomagus gaat, waar de Frankische heersers een Paleis hadden. Over de periode na 700 slaat het Bronnenboek nog eens 225 teksten over waarin Noviomagus of een variatie wordt genoemd en die dus worden afgestaan aan Noyon. In totaal zijn dat al 266! (tweehonderd zes-en-zestig!) teksten die het Bronnenboek overslaat. Daar kunnen we nog meerdere teksten of bronnen aan toevoegen (zie bij 'het complete materiaal' hieronder).
In het Bronnenboek worden naast "Noviomagi" vanaf 98 n.Chr. ook de volgende namen voor Nijmegen opgeëist: "Civitas Batavorum", "Batavodurum" en "Oppidum Batavorum" en inscripties met "M.B(at)." (door prof.Bogaers uitgelegd als "Municipiurn Batavorurn"). Van deze inscripties is er geen enkele in of bij Nijmegen gevonden. Een verband met Nijmegen is daaruit dan ook niet af te leiden.
Er is uit de periode van 770 tot in de 11e eeuw, geen archeologisch bewijs gevonden voor wat in de bronnen over Noviomagus wordt vermeld. Sarfatij schrijft (in Verleden land): "Het archeologische beeld van de vroege Middeleeuwen is in vergelijking met het historische even schimmig" en: "Voor de Karolingische tijd is men dus altijd uitgegaan van de palts. Toch is van het burchtterrein [ ... ] archeologisch niets van deze eerste palts, uit de Karolingische tijd bekend".
|
Wat staat er als eerste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen? De eerstgenoemde en oudste tekst in het Bronnenboek van Nijmegen dateert uit 50 na Chr. Hoewel deze tekst (over de Civitates Batavorum) een nog nooit bewezen opvatting is dat het over Nijmegen gaat, erkent het Bronnenboek hiermee wel, dat alles wat daarvoor ligt, niet bij Nijmegen hoort! Het Bronnenboek vermeldt Julius Caesar en zijn beschrijving van het Eiland van de Bataven niet. De tekst van Willem van Berchen zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek, ofwel men erkent hiervan de valsheid en men erkent dat het hier niet over Nijmegen of de Betuwe gaat. Het Bronnenboek, uitgegeven door de Universiteit van Nijmegen, laat de Romeinse periode in Nijmegen dus beginnen in 50 n.Chr. en eindigen in 227 na Chr. Dit is helemaal juist! De eerstvolgende tekst in het Bronnenboek is uit 700-725, waarin het echter niet over Noviomagus gaat maar over Noita. Uit andere teksten (zie de Ware Kijk op blijkt het over de plaats Nemetacum te gaan, wat Atrecht is. De plaats in ander teksten omschreven als Nocdac, Noirda, Nonmodica en ligt in Gallia Belgica. Deze tekst uit 700-725 zoals het Bronnenboek jet jaartal (onjuist) aangeeft, gaat dus helemaal niet over Nijmegen. Daarna volgt de tekst is uit het jaar 777 die over de bekende oorkonde uit 777 gaat, waarin Nijmegen ook al niet genoemd wordt. Derhalve vertoont het Bronnenboek van Nijmegen tussen de 3e en 8e eeuw een gat van 5 eeuwen, waarmee bewezen is dat er nooit enige continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen bestaan heeft. Dat gat van Nijmegen zal allengs groter worden, nu aangetoond is (zie de boeken van Albert Delahaye) en andere historici dit bevestigen: zie hoofdstuk 6 van Citaten) dat Karolingisch Nijmegen nooit bestaan heeft. |
|
De teksten uit 880 en 881 over de Noormannen die men in Nijmegen gebruikt om hun aanwezigheid aan te tonen, gaan duidelijk over Frankrijk. Het Bronnenboek geeft 2 teksten, maar slaat er 7 (zeven!) over. In die 7 teksten blijkt duidelijk waar de Noormannen in de jaren 880 en 881 aan het plunderen waren. We noemen de plaatsen die in deze teksten genoemd worden: Doornik, Boulogne-sur-Mer, Bourbourg, Esquelbecq, Wormhoudt, Watten, Hesdin, Auchy-les-Moines, St.Martin-de-Fauquembergues, Gronemberghe, Bailleul, Veurne, Poperingen, Blangy, Renty, St. Pierre-de-Vendôme, St. Martin-de-Fauquembergues, de abdijen van ViIIiers en van Samer, Sangatte (pas 2 eeuwen later herbouwd) en Noviomagus. Was dit Nijmegen? De inwoners van Arras vluchtten naar Beauvais: die van Doornik naar Noviomagus (=Noyon), vanwaar zij pas 30 jaren later terugkeerden. Wie de tekst uit 880 in Nijmegen wil plaatsen, moet met meer bewijzen komen dan slechts met de 'vertaling' van Noviomagus in Nijmegen, zonder verdere toelichting! Lees meer over deze jaren in hoofdstuk 3 van Het Valkhof 2000 jaar. |
In Het Valkhof 2000 jaar wordt in hoofdstuk 4 de kroniek van Otto van Freising genoemd met een verwijzing naar het Bronnenboek teksten 147 en 148 uit 1155. Die tekst wordt (bij uitzondering) nu eens wel vertaald. Daarin lezen we ''Noviomagum et iuxta villam Inglinheim" (nageschreven van Einhard?). Hier wordt wetenschappelijke fraude gepleegd. Zie kader hieronder. Tekst 147 gaat over de de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die verwijst naar Julius Caesar en opvallend helemaal niet naar Karel de Grote, dat toch het grote voorbeeld van Frederik Barbarossa was en hem in zowat alles navolgde en hem zelfs heilig heeft laten verklaren (sic!). Van de tekst op deze gedenksteen wordt geen vertaling gegeven, anders hadden Leupen en Thissen hun misvatting over tekst 148 wel ingezien en alsnog kunnen corrigeren. |
Wetenschappelijke fraude!
Hier blijkt voor heel Nederland en alle historici het bewijs van wetenschappelijke fraude en valsheid in geschrifte gepleegd door Leupen en Thissen. Daaruit zou onmiddellijk ontslag moeten volgen, maar dus niet aan de Universiteit van Nijmegen! Daar is fraude blijkbaar toegestaan als het maar ten goede komt aan het behoud van mythen in Nijmegen! In tekst 147 in het Bronnenboek wordt de Latijnse tekst van de gedenksteen van Frederik Barbarossa, (met opzet?) niet vertaald, omdat iedereen dan zou lezen dat het de volgende tekst (nr.148) categorisch tegenspreekt. En dan plegen Leupen & Thissen een tekstvervalsing in de kroniek van Otto van Freising door in deze tekst het woordje "et" tussen te voegen. Nu zult U denken? Slechts één woordje: "et". Maar door dat ene woordje wordt de inhoud geheel anders en wordt die enkele plaats die Otto van Freising bedoelt, plots twee plaatsen. In alIe bronnenuitgaven, zowel de Monumenta Germanica Historica als in de Histoire de France, zelfs bij de amateur-historicus L.A.J.W. Baron Sloet uit de 19de eeuw, staat de tekst correct als "Noviomagus iuxta villam Inglinheim":'iuxta betekent 'nabij'. Het gaat dus over Noviomagus bij Inglinheim. De Nijmeegse vervalsers hebben ervan gemaakt : "Noviomagum, et iuxta villam Inglinheim", waardoor de vertaling wordt: te Nijmegen en bij Inglinheim. De bedoeling van deze vervalsing is duidelijk. De juiste betekenis van de zin van Otto van Freising spreekt over een Noviomagus bij Inglinheim gelegen, waarmee onmiskenbaar Neustadt bedoeld wordt en niet Nijmegen.
De Universiteit en de Club van Nijmegen kunnen dit niet straffeloos laten passeren, indien zij er nog prijs op stellen door de historische wereld serieus genomen te worden.
Nu is de vraag gerechtvaardigd of deze valsheid ook al is gepleegd in de tekst van Einhard, die over hetzelfde schrijft. Bedoelde Einhard ook Neustadt en niet Nijmegen? Van de tekst van Einhard bezitten we geen originelen, slechts kopieën uit de 10de (?) en uit de 12de eeuw. In hoeverre zijn die kopieën ongewijzigd overgeleverd?
|
Zijn de historici wel deskundig genoeg? Met het Bronnenboek wordt precies bewezen wat niet de bedoeling was, namelijk dat de Nijmeegse traditie vals is. Het Bronnenboek van Nijmegen erkent hiermee het gelijk van Albert Delahaye. De belangrijkste jaartallen uit de regeerperiode van Karel de Grote 768 en 814 slaat Het Bronnenboek over, net als meerdere jaartallen waarin Noviomagus genoemd wordt. In 768 werd Karel de Grote in Noviomagus gekroond tot Koning van de Franken. Het is wel duidelijk waarom Het Bronnenboek dit overslaat. Dit Noviomagus was onbetwist Noyon. Daarmee vervalt het uitgangspunt van Het Bronnenboek waarin Noviomagus steeds als Nijmegen wordt opgevat. En in 814 overleed Karel de Grote en werd begraven in Aquis Granni. Was dit Aken waar zijn corpus nooit gevonden is? |
Vermeldingen van Nijmegen? Einhard beschreef in de biografie van Karel de Grote dat Karel was begonnen met de bouw van schitterende paleizen, één te Ingelheim, een ander te Noviomagus. De schriftelijke gegevens betreffende Nijmegen blijken hoofdzakelijk ontleend te zijn aan vermeldingen van Noviomagus in historische bronnen. Die vermeldingen vóór de 12de eeuw blijken niet over Nijmegen te gaan, maar over Noyon, of over andere plaatsen die in de Romeins tijd Noviomagus heetten. Als je het verschil in oude teksten waarin Noviomagus genoemd wordt niet weet tussen Noyon, Nijmegen, Neumagen, Neustadt, Neuville-en-Condroz of Novillare in ltalië, kun je jezelf geen deskundig historicus noemen. Zie in de linker kolom "De Club van Nijmegen". |
Het is belangrijk te wijzen op het feit, dat Nijmegen, ofschoon heilig overtuigd van zijn Karolingische legende, toch maar een halve mythe heeft. De historici zetten er vier eeuwen een Karolingisch Paleis neer, maar zij zijn een kerk vergeten, wat toch een onontbeerlijk bestanddeel van een palts en van een Karolingische stad was. Volgens de fabeltjes heeft die stad voor 1125 ook al vier eeuwen bestaan, maar dan wel zonder kerk, zonder priester, zonder enig teken van christelijk geloof of christelijke cultuur. Het onbehaaglijk gevoel heeft bij Delahaye trouwens al lang bekropen, dat Nijmegen een heidense enclave is geweest in christelijk Nederland. Gingen de Paleisbewoners en de inwoners van Nijmegen dan iedere zondag ter kerke in Aken, Maastricht, St. Odiliënberg of Susteren, in die tijd de dichtbij gelegen plaatsen met kerken? Of gingen ter kerke in Kleef of in Dorestad waar meerdere kerken bestaan zouden hebben?
Het Bronnenboek van Nijmegen laat in 1024 wel een bisschop per parachute in Nijmegen neerkomen, doch die man is dezelfde dag weer naar zijn zetel te Noyon vertrokken, omdat er in Nijmegen geen kerk was waar hij kon pontificeren of zelfs maar een stille Mis kon opdragen. In het hele Bronnenboek is geen spoor te vinden van een kerk, parochie of zelfs maar de minste band met een bisdom. Aan de hand van de latere geschiedenis zou men moeten aannemen, dat die niet-bestaande kerk hiërarchisch onder het bisdom Keulen ressorteerde; het gebied van Nijmegen deed dit in elk geval. Welnu, in Keulen, in Rome of waar ook ter wereld is niets te vinden van een Nijmeegse parochie of kerk tussen de 8e en 12e eeuw. In feite doet het nieuwe Nijmegen zijn intrede in de geschiedenis door de St. Nicolaas-kapel, die zeker ouder is dan 1125, het jaar van de eerste schriftelijke vermelding van de stad. De belangrijkste overslag van het Bronnenboek blijkt nu; het schermt met een dode mus. Nijmegen bluft al eeuwen lang met een halve mythe, waaraan het belangrijkste deel ontbrak. Het spreekt vanzelf dat dit kapitaal gebrek inmiddels ook werd opgevuld. Leupen, eerste auteur van het Bronnenboek, heeft de Nijmeegse "oerparochie" ontdekt, en een kerk van het Paleis, bovendien nog een kerk van de parochie. Zo komt men plots met een Ste.Gertrudiskapel of kerk opzetten, een uit de duim gezogen bewering van Willem van Berchen in c.1460. Deze uit de duim gezogen bewering, waarover geen letter in de bronnen te vinden is, begint al een nieuwe mythe te vormen, die mede door Dr.Jan Brinkhoff aan de man werd gebracht. Lees meer over de St.Nicolaas-kapel. Daarnaast moet niet vergeten worden dat van het Paleis van Karel de Grote te Nijmegen archeologisch niets, nog geen steen of scherf gevonden is. Het heeft er niet bestaan. Lees meer over dat nooit gevonden Paleis.
![]() In Nijmegen laat men de Karolingische geschiedenis na de Romeinse tijd weer beginnen met de oorkonde van Karel de Grote uit het jaar 777. Van de 14 namen uit deze oorkonde wordt de determinatie van 10 namen compleet verzwegen. Het Bronnenboek noemt 7 plaatsen niet eens. Met slechts 4 plaatsen (is 28%) wil men bewijzen wat door de overige 10 plaatsen (is 72%) weersproken wordt. Vinden Leupen en Thissen en de Club van Nijmegen dat verantwoorde historische wetenschap? Studenten? Het Bronnenboek van Nijmegen is geschreven, neen, samengesteld door studenten! onder leiding van P. Leupen en B. Thissen van het Instituut voor Middeleeuwse Geschiedenis der Katholieke Universiteit Nijmegen. Het is een wanproduct en een aanfluiting van historisch onderzoek en historische wetenschap, zoals enkele deskundige recensenten schreven. Dat moet je ook niet overlaten aan studenten die het vak nog moeten leren, stelde Albert Delahaye. Het geeft wel precies aan hoe de historische wetenschap werkt. Het is dan ook onvoorstelbaar dat andere historische coryfeeën er hun instemming aan gegeven hebben. Onvoorstelbaar? Neen, geheel voorstelbaar, immers zo werkt de historische wetenschap die bestaat uit 'naschrijverij'. En degene die daaraan niet meedoet, maar op zoek gaat naar de oorspronkelijke bronnen, is dan de gebeten hond, in dit geval Albert Delahaye. De Club van Nijmegen. De medeplichtigen in deze onwelriekende affaire moeten ook bekend worden gemaakt. Blijkens het Bronnenboek bestaat De Club van Nijmegen, die op 31 oktober (Hervormingsdag!) 1977 het 'ondergeschoven kind' ten doop hield, uit de volgende personen: (opvallend en in tegenspraak met hetgeen in het Bronnenboek wordt beweerd, is wat Sarfatij en Bloemers zelf schrijven zoals in 'Archeologie in Nederland' en 'Onder heide en akkers'). Als coryfeeën, die hand- en spandiensten verrichtten, worden genoemd: Dat deze Club van Nijmegen vooral bestaat uit Nijmeegse historici is vanzelfsprekend. Zij hebben immers heel wat te verliezen. Maar dat Amsterdam en Amersfoort ook deelgenoot zijn in deze afgang is voor hen te betreuren. Wisten zij niet beter? Hebben zij zich erin laten luizen? Van prof.dr.D.P.Blok is het nog wel te begrijpen. Hij had immers nog wat appeltjes te schillen met Delahaye. Maar heeft Blok zijn eigen Lexicon wel eens terdege doorgelezen en vergeleken met het Bronnenboek? Dat valt te betwijfelen. Blok noemt zelf over de Romeinse tijd de jaartallen: 1ste helft 1ste eeuw, de jaren 107, 170, 180, 2de en 3de eeuw. Daarna de 8ste eeuw (Ravennas), 13e eeuw (Peutingerkaart). Dat zijn 8 verwijzingen naar teksten. Zie U ook hier het gat tussen de 3de en 8ste eeuw? In het Bronnenboek worden 18 teksten vermeldt over de Romeinse periode. Blok mist er zo'n 10. Vanwaar dat verschil? Gaat het volgens Blok in die teksten niet over Nijmegen? Ik kan het daar volledig mee eens zijn. Vanaf de Karolingische tijd noemt Blok de jaartallen: 777, 804, 814 (dus maar 3 jaartallen tijdens de regeerperiode van Karel de Grote), 830, 856, 882, 891, 956, 973, 977, 980, 985, 1007, 1012-1018, 1039, 1065-1070, ca.1100, 1125, 1157, 1165, 1169, 1171 en als laatste 1197-1215. De onderstreepte komen niet voor in het Bronnenboek. Blok geeft tussen 777 en 1214 toch 26 teksten waarin het over Nijmegen zou gaan, het Bronnenboek geeft tussen 777 en 1215 ruim 150 teksten waarin het volgens hen over Nijmegen gaat. Vanwaar die verschillen? Kende Blok die andere teksten niet? Of vond Blok dat het in die teksten niet over Nijmegen gaat? Het is wel te begrijpen dat Blok zijn medewerking introk bij de tweede (en verbeterde!?!) editie van het Bronnenboek. Hij was het met de inhoud (na lezing?) niet meer eens en trok zijn medewerking als 'co-auteur' in. Blijkbaar was hij door Delahaye 'bekeerd' en gaf Delahaye hiermee volkomen en terecht gelijk. Hoe verschillend was zijn reactie bij het debat in 1980! Als kritiek op het Bronnenboek werd door Albert Delahaye "De Bisschop van Nijmegen" geschreven, in welke titel de grootste flater van het Bronnenboek wordt geëtaleerd: een nieuw benoemde "bisschop" in een niet bestaand bisdom, door de "historische paus" Piet Leupen. ![]() In het Bronnenboek van Nijmegen werden de gebruikelijke teksten aangehaald om aan te tonen dat de Karolingische palts wel degelijk in Nijmegen had gestaan. Maar hoe zit het nu? Leupen schrijft zelf in Spiegel Historiael van dec.1980: in Nijmegen heeft geen Karolingische palts gestaan! Geschreven werd het Bronnenboek niet, slechts "nageschreven", voornamelijk van de Stede-Atlas van F.Gorissen uit 1956, die Leupen echter 'afkraakt' in datzelfde artikel in Spiegel Historiael. De auteurs Leupen en Thissen presenteerden Het Bronnenboek om eens en voor altijd alle bronnen aangaande Karolingisch Nijmegen te bundelen en om "van de dooddoeners van Delahaye" af te zijn. In het Bronnenboek voerden zij ook een bisschop van Nijmegen ten tonele, die er echter nooit bestaan heeft. Het bleek bisschop Harduinus van Noyon te zijn. Deze grove blunder wordt in het boek "De Bisschop van Nijmegen" genadeloos afgestraft. Met de "nieuw benoemde" bisschop van Nijmegen wordt tevens de lang bestaande verwarring tussen Nijmegen en Noyon, die altijd ontkend werd, feilloos bevestigd. De gangbare historie van Nederland in het eerste Millennium is geen wetenschap, maar slechts methodische naschrijverij. De historici van de Universiteit van Utrecht (o.a. Hugenholtz, de grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen.) distantieerden zich reeds van dit boek. Ook de afwezigheid van prof.dr.W.A. van Es is opmerkelijk, want als Karolingisch Noviomagus valt, dan volgt Dorestad even vanzelfsprekend als onvermijdelijk. De verdeeldheid in historisch Nederland is tekenend en veelzeggend. Van de in het eerste Bronnenboek genoemde deskundigen trokken drie historici (Blok, Dickmann en Lemmens) zich bij de tweede versie terug. Zij bleken het niet eens met de inhoud van het Bronnenboek en worden in het tweede Bronnenboek niet meer genoemd als "co-auteurs". Het is tekenend en veelzeggend. De verdeeldheid onder de historici tonen de mythen die bestaan ten aanzien van Karolingisch Nijmegen al aan. De echte kenners onder de historici huldigen zich een dodelijk stilzwijgen. Dat is hun enige weerwoord. Zij kennen de waarheid, maar durven die niet hardop te zeggen, slechts ter voorkoming van eigen reputatieschade. Alleen degene die nauwelijks op de hoogte zijn van de feiten, blijven de mythen verkondigen als ware geschiedenis. Hoe minder deze goedgelovigen van de feiten op de hoogte zijn, des te feller is hun standvastigheid in het behoud van de mythen. De mythen zijn ook het enige dat zij over de hele Karolingische periode weten, waar ze dan ook graag aan vasthouden. Haal je die weg, dan hebben ze niets, dan staan ze met lege handen. Van twijfel of discussie hebben zij nooit gehoord en daarover willen ze ook niets horen. Die goedgelovigheid zij hen gegund, maar het is geen historische wetenschap. Net zo min als het je lukt een kleuter ervan te overtuigen dat Sinterklaas niet bestaat, lukt het je ook niet de goedgelovigen ervan te overtuigen dat Karel de Grote niets met Nijmegen te maken heeft gehad. ![]() ![]() De Bisschop van Nijmegen die meeliep in de Carnavalsoptocht in Nijmegen, maar won geen prijs. Een profeet wordt in eigen land nooit geëerd! Ook liep de Bisschop van Nijmegen mee in de Carnavalsoptocht in het Kielegat (Breda) en won daar de eerste prijs in de categorie individuelen. ![]()
|
'Actum Novimago'. Het Bronnenboek produceert 48 teksten waarbij slechts 'Actum Noviomago' (of varianten) wordt genoemd. Het zijn feitelijk nietszeggende teksten, die geen enkel bewijs bevatten, dan slechts een povere en doorzichtige manipulatie zijn om een bepaalde indruk op te dringen, vooral omdat zij door Leupen & Thissen zo bijzonder zorgvuldig zijn uitgezocht. Het betreft de volgende nummers van het Bronnenboek: 20, 23, 24, 27, 31, 33, 36, 37, 38, 42, 43, 44, 45, 46, 49, 50, 51, 52, 57, 60, 64, 65, 67, 70, 74, 88, 89, 91, 94, 97, 98, 101, 102, 103, 104, 105, 108, 112, 114, 117, 120, 121, 124, 125, 128, 134, 135, 136. Derhalve 48 teksten, waar zonder het minste bewijs de interpretatie Nijmegen aan de lezers wordt opgedrongen. Er valt niets tegenin te brengen: losse beweringen zijn immers niet te weerleggen. En dan roepen Leupen & Thissen uit: ’’Welke stad in Nederland kan bogen op zoveel vermeldingen”. Dan is de tegenvraag gerechtvaardigd: "Welke historische studie wil met 104 losse beweringen haar geschiedenis aantonen?" In de moderne literatuur bestaat er geen. Men moet tot ver in de middeleeuwen teruggaan om iets soortgelijks te vinden, toen fabelschrijvers van alles beweerden zonder kennis van zaken. Van de 136 teksten uit het Bronnenboek tot 1075 blijven er welgeteld 30 over, die het bespreken waard zijn. Leupen & Thissen zouden hun ogen uit het hoofd moeten schamen, nu ze met zulke niets-zeggende argumenten, die geen enkel bewijs bevatten, durven aan te komen om hun gelijk aan te tonen. Naast deze ''Actum Noviomago"-teksten produceert het Bronnenboek een aantal teksten, waarin Noviomagus in verband met Aken wordt genoemd. In die teksten zit eveneens geen enkele aanwijzing, zelfs geen bewijs, dat de interpretatie van Nijmegen juist is. Vanzelfsprekend slaan Leupen & Thissen alle teksten over, waar Noviomagus vlak vóór of ná een Franse residentie wordt genoemd, zoals Compiègne, Verberie, Quierzy en andere plaatsen. Die overgeslagen teksten zeggen feitelijk veel meer dan de teksten die wel gegeven worden. ![]() Een Broddelboek. Met het Bronnenboek van Nijmegen dachten de professoren Leupen, Bogaers en nog een tiental gerenommeerde historici en archeologen (zie de lijst in de kolom hiernaast), eens definitief af te rekenen met die dilettant Albert Delahaye. Nou, dat hebben we geweten. Het werd juist een eclatant succes voor Delahaye. Met het Bronnenboek, dat beter de naam Broddelboek zou hebben gekregen, wordt duidelijk dat zelfs professoren geen verstand van klassieke teksten en van historisch geografische wetenschap hebben. Met het opvoeren van Harduinus als bisschop van Nijmegen valt de bodem onder het Bronnenboek uit, maar ook onder de hele geschiedenis van Romeins en Middeleeuws Nijmegen. Het Bronnenboek toont precies aan dat men in Nijmegen sinds 1955 (!) in zo'n kleine 30 jaar weinig is opgeschoten, want het bewijst helemaal niets. De auteurs kunnen nu wel verklaren dat ze alles nauwkeurig hebben onderzocht en gecontroleerd, maar sommige mensen - archivarissen bijvoorbeeld - zien liever de gegevens in hun context, hetgeen des te klemmender wordt als geconstateerd wordt dat Leupen en Thissen graaf Floris IV in 1234 te Nijmegen in een toernooi laten sneuvelen, terwijl iedereen weet dat dit betreurenswaardig ongeval te Corbie in Picardië plaatsvond. Het Bronnenboek van Nijmegen werd als volgt gepresenteerd:
Opmerking 1: de plaatsnaam Nijmegen wordt in geen enkele oude bron genoemd. Daarin staat nergens Nijmegen, maar Noviomagus, Niumago en andere variaties, die onjuist zijn toegepast op Nijmegen. Opmerking 2: Welke plaats in Nederland wordt tussen 777 en 1000 wel 70 maal vermeld? Als je de bronnen over Noyon erbij telt, zoals over de bisschop van Noviomagus en dat toernooi in Picardië, kom je wel aan 70. Albert Delahaye heeft inmiddels aangetoond dat bedoelde bisschop van Noviomagus een naam had en Harduinus heette. In Nijmegen werd hij uiteraard met de Germaanse naam Harry aangesproken. Dat hij een heilige was staat zonder meer vast, aangezien hij over de gave van bilocatie beschikte, zodat hij tezelfdertijd als Harduinus te Noyon en als Harry te Nijmegen werkzaam was. De H.Harry wordt aangeroepen voor diverse oogkwalen, zoals scheelheid, kortzichtigheid en woordblindheid. Zijn ijver stelt in Nijmegen echter teleur, vermoedelijk omdat het tot 1979 moest duren aleer men enige aandacht aan hem besteedde en meende genezen te zijn van scheel zien, kortzichtigheid en woordblindheid. Het Bronnenboek bewijst dat die genezing in Nijmegen niet heeft plaats gevonden. Daar kijkt men nog steeds op het puntje van zijn neus. Het hiernaast genoemde 'Bronnenbroekje dat hem hinderlijk boven het hoofd zweeft' is een toespeling op de drukfout in de eerste uitgave, waarin staat Het Bronnenbroek van Nijmegen. Zorgvuldige controle van de teksten heeft blijkbaar ook niet plaatsgevonden.
Opmerking 3: Albert Delahaye komt aan wel 266 teksten waarin Noviomagus en andere variaties vermeld wordt. Waarom slaan Leupen en Thissen en die andere 'deskundigen' deze teksten over? Staan ze die al af aan Noyon?
Opmerking 4: Aan de hier genoemde nauwkeurigheid valt danig te twijfel, gezien de vele blunders, zoals door bisschop Harduinus van Noyon een bisschop van Nijmegen maken. Die genoemde kanttekeningen in de tweede (herziene) druk waren slechts nietszeggende excuses voor een aantal blunders waar Delahaye op gewezen had. Je vraag je terdege af hoe deskundige deze 'deskundigen' feitelijk wel waren?Opmerking 5: In de Inleiding van het Bronnenboek stellen Leupen en Thissen alle teksten over Noviomagus gezien en meegenomen te hebben. Waarom doen ze dan de oproep dat ze hopen dat ontdekkers van nieuwe vermeldingen de weg naar ons zullen weten te vinden? Als je echt deskundig bent, heb je al die teksten allang gevonden, misschien overgeslagen, omdat ze niet over Nijmegen gaan! Maar nadien kregen Leupen en Thissen inderdaad nog enkele teksten aangereikt van amateur onderzoekers! ![]() Toch had het Bronnenboek ook medestanders en werd het zelfs geprezen, zoals door G. van Herwijnen in het Tijdschrift voor Geschiedenis (jrg.4, 1983). Van Herwijnen noemde het een nuttig en betrouwbaar hulpmiddel, dat navolging verdient voor andere steden. Nuttig is het zeker nu eindelijk de bewijzen op tafel komen waarop Nijmegen haar geschiedenis baseert, maar betrouwbaar? Met zoveel blunders en zo'n 2100 fouten en overgeslagen teksten? Hij vond het ook terecht dat de samenstellers geen uitvoerige bewijsvoering hadden gegeven, als antwoord op de vraag of met de in de bronnen genoemde plaats inderdaad Nijmegen bedoeld is. Geen bewijsvoering? Maar waarop zijn die opvattingen dan gebaseerd? Herwijnen wijst er stilletjes toch ook nog op dat de samenstellers tekst nr.111, die over de bisschop van Nijmegen gaat, beter niet opgenomen zouden hebben. Hij erkent hier dus het gelijk van Delahaye, al noemt hij dat niet. Over de overige fouten heeft hij het maar niet. Hopelijk hebben niet alleen de studenten veel geleerd, maar vooral ook de professoren die er hun naam onder gezet hebben. Het is wel te hopen dat andere steden dit voorbeeld op deze manier niet gaan volgen. Je vraagt je dit lezend toch af hoe deskundig deze Gerrit van Herwijnen wel is, om zich met deze kwestie te bemoeien waarvan hij laat blijken geen verstand te hebben. Van Herwijnen behoort in elk geval tot de club van traditionalisten die alle fouten in de Nederlandse historische geografie niet zijn opgevallen, inclusief de blunders in Het Bronnenboek van Nijmegen. Ben benieuwd naar zijn eigen publicaties in 'Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden'. Als die van eenzelfde niveau zijn heeft historisch Nederland nog meer op te ruimen. Het Bronnenboek van Nijmegen is een overweldigende bevestiging van het gelijk van Albert Delahaye en toont onmiskenbaar aan dat de traditionele Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen vals is. Wij zijn dr.Piet Leupen c.s. dan ook erg erkentelijk dat nu eindelijk de "bewijzen" op tafel zijn gekomen, waarop de geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd. Er blijft niets van over! Behalve dat de archeologie van Karolingisch Nijmegen blanco is, blijken nu ook de altijd door Nijmegen gebruikte teksten van Noyon te zijn. In Het Bronnenboek van Nijmegen wordt ook 'het gat van Nijmegen' (dat overigens steeds ontkend werd) glashard bevestigd doordat men tussen 227 en 725 (dat is 5 eeuwen) geen enkele tekst heeft. Slechts de Peutingerkaart wordt nog genoemd die uit de 3e of 4e eeuw of uit de 12e of 13e eeuw stamt: blijkbaar is er nog keuze en weet men het zelf ook niet! Maar de Peutingerkaart is een falsum. Zie de grafiek hieronder. Ook de kroniek van Johannes Smetius, waar Nijmegen nog steeds haar geschiedenis op baseert (lees meer op Verdwenen Bataven) vertoont hetzelfde gat. Die 5 eeuwen worden er zelfs 9 als men de teksten uit de 9e eeuw, die over Noyon gaan, schrapt (zie de groene lijn).
![]()
Dat Leupen c.s. uitgaan van nauwkeurig onderzoek en gefundeerde bewijsvoering, blijkt allerminst uit Het Bronnenboek. Daarin staan naast 5 kapitale blunders, ook tientallen fouten bevat. Opvallend en vreemd is ook dat de genoemde hoogleraar Post (zie daar) en zijn artikelen in het Bronnenboek nergens vermeld worden. Blijkbaar zijn de argumenten van Post niet overtuigend geweest. Ze worden in elk geval niet meer genoemd. Post had als kerkhistoricus (als hij nog geleefd had) Leupen er in elk geval op gewezen dat een bisschop in Nijmegen nooit bestaan heeft. De geschiedenis van Nijmegen begint, na een korte Romeinse bewoning, feitelijk pas in de 10de eeuw. Daarin worden dan wel nog oorkonden genoemd uit de tijd van Karel de Grote en over de Noormannen, maar die gaan allerminst over Nijmegen. Het gaat hierin over Gallia en Francia en Nijmegen heeft nooit in Gallia gelegen en net zo min in Francia. Zie bij de Noormannen. Met het Bronnenboek wil men in Nijmegen de Karolingische traditie van de stad bevestigen, maar men slaat de drie belangrijkste feiten uit het leven van Karel de Grote over: zijn kroning tot koning der Franken in 768, zijn kroning tot keizer in 800 en zijn overlijden in 814. Ze worden niet genoemd. Het is nog steeds niet bewezen dat Nijmegen als een Karolingische palts beschouwd kan worden. De summiere schriftelijke aanwijzingen daarvoor slaan duidelijk op Noviomagus-Noyon, de stad waar Karel in 768 gekroond werd wat nergens betwist wordt. Dit is een specifiek probleem voor Nijmegen. Deze verwarring is meer dan 50 jaar geleden ontdekt en publiek gemaakt door Albert Delahaye. Diens ontdekking werd later vooral versterkt door blunders in de publicatie Bronnenboek van Nijmegen (1982), een boek dat onder leiding van prof.dr.Piet Leupen tot stand kwam. Dat dit boek een wanprestatie was, is overduidelijk aangetoond, iedere insider weet het, maar weinigen zeggen het en zijn daarom mede-schuldig aan dit debakel. "VER BENEDEN ELK WETENSCHAPPELIJK PEIL" is de kwalificatie die Dagblad Trouw, 22 mei 1985 (C.D. van 0osten) aan het Bronnenboek van Nijmegen heeft gegeven. Nu de Katholieke Universiteit eindelijk met de bewijzen en argumenten is gekomen waarop de Karolingische traditie van Nijmegen zou zijn gebaseerd, blijken deze te bestaan uit een opsomming van teksten die zonder enige vorm van wetenschappelijke argumentatie klakkeloos op Nijmegen worden toegepast. Deze "klakkeloosheid" manifesteert zich als beste in de "benoeming " van Harduinus als Bisschop van Nijmegen, een historische blunder en een wanprestatie van de eerste orde! Weet de Universiteit niet dat het Burgerlijk Wetboek bij wanprestatie ontslag op staande voet toestaat? Maar neen, professor Leupen en zijn co-auteurs bleven mooi op hun leerstoel zitten. Waar zien we dat meer in de wetenschappelijk, de juridische en medische wereld, dat grove fouten niet aan de kaak worden gesteld, maar worden vergoelijkt door het 'old-boys-netwerk"? Behalve gerechtelijke dwalingen bestaan er dus ook historische dwalingen ofwel sjoemel-geschiedenis. Maar toch? Was deze blundering de aanleiding om de faculteiten mediëvistiek op de Universiteiten dan maar af te schaffen? Dat had dus juist niet moeten gebeuren, aangezien er nog het nodige werk te doen is met het herschrijven van de ware geschiedenis. Hoewel? Dat heeft Albert Delahaye al uitvoerig gedaan. Lees zijn boeken!
Het "Bronnenboek van Nijmegen" van dr.P.Leupen is gepresenteerd als hèt standaardwerk van de bronnen, waarop de Romeinse en Karolingische geschiedenis van Nijmegen gebaseerd is. Het werd samengesteld door de meest deskundige historici van de Universiteiten van Nijmegen en Amsterdam. De historici van de Universiteit van Utrecht (o.a. Hugenholtz, de grootste verdediger van Karolingisch Nijmegen.) distantieerden zich reeds van dit boek. Ook de afwezigheid van prof.dr.W.A. van Es is opmerkelijk, want als Karolingisch Noviomagus valt, dan volgt Dorestad even vanzelfsprekend als onvermijdelijk. De verdeeldheid in historisch Nederland is tekenend en veelzeggend. Van de in het eerste Bronnenboek genoemde deskundigen trokken drie historici (Blok, Dickmann en Lemmens) zich bij de tweede versie terug. Zij bleken het niet eens met de inhoud van het Bronnenboek en worden in het tweede Bronnenboek niet meer genoemd als "co-auteurs". Het is tekenend en veelzeggend.Voor de visie van Albert Delahaye is het Bronnenboek van Nijmegen een overweldigend succes geworden. Het Bronnenboek bevestigt het gelijk van Albert Delahaye op een even onmiskenbare als overtuigende wijze! Het onvermijdelijke moest eens gebeuren, namelijk dat voor de verdediging van de mythen eens een grote blunder gemaakt zou worden. En dat nu is precies wat in het Bronnenboek gebeurd is, niet één keer, maar een hele rij flaters zijn er te vinden. Met als toppunt van ondeskundigheid de "benoeming" van een bisschop van Nijmegen door de "historische paus" dr. P.Leupen, die hiermee als deskundig historicus heeft afgedaan. In "Het Bronnenboek van Nijmegen" worden 190 teksten opgevoerd, die moeten aantonen dat het in de citaten genoemde Noviomagus Nijmegen is en niet Noyon. Het is een triest herkauwen van middeleeuws geschrijf geworden, waarbij de auteurs (Leupen en Thissen) zich beroepen op interpretaties van anderen. Eigen onderzoek ontbreekt, aangezien deze teksten bij elkaar geraapt zijn door studenten (zie de inleiding van Het Bronnenboek), wat niet meteen gezien kan worden als deskundige wetenschap. Zelf de bronnen opzoeken en de teksten lezen, maar dan ook alle teksten zonder premature selectie, en in samenhang verklaren wat er staat, dat is historische geografie en juist dàt missen we in het Bronnenboek. Aangezien Karolingisch Noviomagus dezelfde plaats was als Romeins Noviomagus, moet ook deze naam voor Nijmegen worden weggestreept. Karolingisch Noviomagus lag in Francia, Romeins Noviomagus lag in Gallië. Er is geen enkel bewijs dat Noviomagus de Nederlandse plaats Nijmegen zou kunnen zijn. Ook een kritische lezing van Het Bronnenboek van Nijmegen leidt tot deze ene conclusie: Romeins en Karolingisch Noviomagus is niet Nijmegen, maar Noyon.
De Bisschop van Nijmegen.Als reactie op "Het Bronnenboek van Nijmegen" schreef Albert Delahaye het boek "De Bisschop van Nijmegen", waarin hij tekst voor tekst aantoont dat de interpretaties van het Bronnenboek onjuist zijn.Daarop werd door J.E.Bogaers en P.Leupen in Numaga no. 3 van nov.1982 een weerwoord geschreven onder de titel "Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye". Het artikel begint met de verwijzing naar de "waardevolle bijdragen van de hoogleraren R.R. Post en B.H.Stolte", die volgens Bogaers en Leupen reeds vele jaren geleden een afdoende bestrijding van Delahayes denkbeelden hebben geleverd. Vreemd is het dan, dat uit de artikelen van Post en Stolte niets geciteerd werd in het Bronnenboek, noch dat ze genoemd worden in de literatuuropgave. Zo waardevol waren deze bijdragen blijkbaar toch ook weer niet. ![]() Afbeelding in de kolom hiernaast: een Carnavaleske persiflage op de Bisschop van Nijmegen. De bisschop draagt het vaandel mee voorzien van de Vlaamse leeuw, om vooral aan te geven dat bisschop Harduinus van Noyon-Doornik in Vlaanderen missioneerde. Prof.Bogaers die deze figuur zag lopen in het Carnaval van Nijmegen schoot er als een haas achteraan om te weten te komen wie zich onder die toog verborg. De betrokken Carnavalist bleef voor hem onbekend, maar wist hem wel te melden dat hij hem niet al te persoonlijk, maar de historische faculteit met 'de bisschop van Nijmegen' op de korrel nam, waarna de professor afdroop. Nijmegen en de dooddoeners van Delahaye.![]() De historici aan de Universiteit van Nijmegen weten dat blijkbaar nog steeds niet.....! Leupen "verdedigt" zijn 'selectie' van teksten als volgt: "We hebben in een aantal gevallen -190- voor Nijmegen gekozen en dus tegen Noyon, en zijn er van overtuigd dat deze lijst in hoofdzaak beantwoordt aan de huidige stand van de wetenschap". Einde citaat. Hoe anderen erover denken, o.a. W.A.Fasel, leest U in het kader hierboven. In dit citaat erkent Leupen dus twee cruciale hoofdzaken, namelijk dat er wel degelijk een verwarring bestaat tussen Nijmegen en Noyon (iets dat steeds ontkend werd in historisch Nederland) en dat zijn interpretaties in hoofdzaak beantwoorden aan de huidige stand van de wetenschap. Dat deze stand van de wetenschap stil is blijven staan bij hetgeen in de 17e eeuw beweerd werd, iets nieuws is er sindsdien immers niet bijgekomen, wordt echter niet vermeld. ![]() De verwarring die altijd ontkend werd, wordt ook duidelijk in de zin: "Wanneer eind achtste eeuw melding wordt gemaakt van Niumaga of Noviomagi, is de naam vanaf dat tijdstip tot de twaalfde eeuw meestal verbonden aan de palts Nijmegen." Het gebruik van het woord meestal impliceert dat er dus ook een andere mogelijkheid bestaat. En juist deze andere mogelijkheid, deze verwarring tussen Nijmegen en Noyon, die in Nijmegen altijd ontkend werd, is het uitgangspunt geweest van alle studies van Albert Delahaye. Wat zijn uitgangspunt betreft, krijgt Delahaye hier van Leupen dus eindelijk gelijk. De eerste boeken van Albert Delahaye heetten immers "Het mysterie van de Keizer Karel-stad" en "Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland", titels waarmee de grote verwarring van de geschiedenis van Nederland ter sprake werd gebracht. In zijn repliek op de door Delahaye genoemde blunders in het eerste Bronnenboek, geeft Leupen in het tweede (dus toch herziene) Bronnenboek als verweer aan dat hij "getracht heeft bij de verhalende bronnen allereerst de mening van de auteurs van deze bronnen weer te geven". Als weerlegging van de bisschop van Nijmegen voert Leupen aan dat "de schrijver van de Gesta zich vergist moet hebben" of dat "de bron niet ongeschonden is overgekomen". Het is een typerend standpunt in de traditionele geschiedenis. Op deze manier kun je elke bewering "bewijzen". "In grote lijnen - niet voor iedere vermelding afzonderlijk, daar viel niet aan te beginnen", schrijft Leupen, "hebben wij hierover verantwoording afgelegd in de inleiding tot het Bronnenboek. Wij hebben in een aantal gevallen -190- voor Nijmegen gekozen en dus tegen Noyon, en zijn er van overtuigd dat deze lijst in hoofdzaak beantwoordt aan de huidige stand van de wetenschap", aldus Leupen. Voor de uitleg over "voor Nijmegen gekozen en tegen Noyon" en "de huidige stand van de wetenschap": zie eerder op deze bladzijde. De vraag blijft natuurlijk interessant en relevant, waarom een universitair college en universitaire wetenschappers bij een universitaire publicatie "niet voor iedere vermelding afzonderlijk" een verantwoording -noem het een toelichting- gegeven hebben, omdat "daar niet aan viel te beginnen". Er niet aan viel te beginnen? Hoezo niet? Wegens tijdgebrek? Wegens geldnood? Uit gemakzucht? Of was het wegens onwetendheid of misschien wegens onmogelijkheid? Waarom slaagt Albert Delahaye er in zijn eentje wel in om elke tekst van Het Bronnenboek van commentaar te voorzien en valt er wat Leupen betreft "niet aan te beginnen"? Zelfs niet met een heel universitair college en een dozijn studenten achter zich? Voor de Romeinse tijd gaat het Bronnenboek helemaal af op de opvattingen van prof. J.E. Bogaers. Van de 18 genoemde bronnen komt de interpretatie 13x voor rekening van Bogaers. Dat Bogaers onvolledig is en de tekst bijvoorbeeld niet vertaald wordt of de vindplaats van de bron niet wordt vermeld, is blijkbaar niet bezwaarlijk. Maar het achterhouden van gegevens is verre van wetenschappelijk! Alsof er iets te verzwijgen is. Als deze gegevens wel bekend zijn, wordt meteen duidelijk dat alle interpretaties van Bogaers onjuist zijn. Als de vindplaats van de Romeinse gedenkstenen niet vermeld wordt, getuigt dat verre van een wetenschappelijke aanpak. Voor deze details verwijs ik naar het hoofdstuk over deze 18 Romeinse (en één Griekse) bronnen. ![]() Opmerking: Ten aanzien van de wegen op de Peutingerkaart die van Noviomagus naar Colonia Agrippina lopen, wordt in de "Bisschop van Nijmegen" nog de traditie gevolgd. In zijn in 1997 postuum uitgebrachte studie "De Peutingerkaart en het Itinerarium Antonini van Frans-Vlaanderen" geeft Albert Delahaye een nieuwe zienswijze. Hij was al langer van mening dat ook deze wegen niet vanaf Nijmegen over Limburg en over Duitsland naar Keulen gelopen hebben. Alleen heeft hij voordat hij dit kon publiceren, de bewijzen moeten verzamelen en beschrijven. Dat is in genoemde uitgave gebeurd en derhalve zal het gedeelte van "Nijmegen" naar "Keulen" verplaatst moeten worden naar Noord-Frankrijk en wel van Noyon naar Avesnes-sur-Helpe, dat het Agrippina was dat behoorde bij de Limes Germanicus uit de 4e eeuw. ![]() Bisschop Harduinus van Noyon liep mee in de Carnavalsoptocht in Nijmegen in 1982, als schertsfiguur om de Universiteit van Nijmegen in haar hemd te zetten. |
| Als voorbeeld van het indiceren mogen de teksten over de invallen van de Noormannen in de jaren 880 en 881 dienen. Uit de hele serie teksten, poogt het Bronnenboek er 2 naar Nijmegen te trekken. De overige teksten zoekt men tevergeefs in het Bronnenboek, ofwel die zijn bij de auteurs niet bekend (zijn zij dan wel de deskundige die ze claimen te zijn?) ofwel zij erkennen dat deze niet over Nijmegen gaan, maar geven dit nergens toe (dan wordt dus de wetenschap en de lezer bedrogen)! |
De verdienste van het Bronnenboek.
De grootste flaters zijn:
Romeins Nijmegen dat beurtelings wordt verkocht als Oppidum Batavorum (maar dat was Béthune) en als Noviomagus (maar dat was Noyon), heeft natuurlijk een naam gehad, die op grond van taalkunde, naamkunde en historische namen-geografie niet Noviomagus kan zijn geweest, een van oorsprong Keltische naam, veelvuldig voorkomend in het centrum van Gallia (Celtica). Nijmegen verschijnt in 1125 voor het eerst in de geschreven bronnen en heet dan Neumaia, welke naam later, om precies te zijn in 1145, door de koninklijk kanselarij 'vertaald' werd met Noviomagus. Aan de Keltische naam Noviomagus voor Nijmegen is al eerder getwijfeld, echter deze twijfel werd niet onderzocht, maar onder tafel geveegd.
Het Bronnenboek, en daarmee de Universiteiten van Nijmegen en Amsterdam, hebben nog steeds problemen met welk Noviomagus nu eigenlijk bedoeld wordt. In de teksten in het Bronnenboek, die steeds als Nijmegen worden opgevoerd, gaat het in werkelijkheid om de volgende plaatsen:
Dan blijven er 29 teksten over, waarbij het inderdaad over Nijmegen gaat. Deze teksten zijn allemaal van ná 1145, wanneer er geen sprake meer is van een Karolingische kwestie. Als je als historicus deze plaatsen, die allen Noviomagus heetten, niet uit elkaar kunt houden, is de vraag gerechtvaardigd op grond van welke deskundigheid men dan uitspraken doet tegen de visie van Albert Delahaye! |