Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

De Romeinse Limes.


Veel Romeinse plaatsnamen die traditoneel in Nederland gebruikt worden, ook door Van der Tuuk, zijn afkomstig van de Peutingerkaart.
Van geen enkele plaats is de juistheid van de Romeinse naam ooit aangetoond met een tweede bron, zelfs van Nijmegen niet. Men gebruikt slecht de Peutingerkaart als bewijs.
Maar deze kaart is een falsum! Zie bij de Peutingerkaart. En met een falsum valt nu eenmaal niets te bewijzen.


Van dit boek is in 2016 tevens een pocket-uitgave verschenen, dat dezelfde traditionele opvattingen volgt.

In deze boeken schetst Luit van der Tuuk de aanwezigheid van de Romeinen in de Lage Landen. Om elk misverstand voor te blijven: die aanwezigheid wordt niet ontkend. Wel zijn er de nodige opmerkingen te maken over het geheel van zijn betoog. Wat er onder 'de Lage Landen' verstaan moet worden blijkt al een erg rekbaar begrip.

Zoals bij elke traditionalist gaat Van der Tuuk uit van enkele onjuiste uitgangspunten, zoals de Peutingerkaart (zie daar), die een belangrijke rol speelt in zijn betoog, wellicht de belangrijkste! Met deze onzorgvuldig en primitief getekende kaart valt nu eenmaal niets te bewijzen. De kaart is onbetrouwbaar vanweg de vele fouten in plaatsnamen, afstanden tussen plaatsen en de onjuist locaties van plaatsen en rivieren. Dat de kaart terug zou gaan op een Romeinse wegenkaart uit de 1e eeuw is een onbewezen aanname. Ook dat de kaart een kopie is van die kaart en gemaakt zou zijn in de 13e eeuw is een mythe. Het kan niet genoeg benadrukt worden, maar met de Peutingerkaart valt niets te bewijzen.

Dat leidt al tot de volgen conclusies:
  • het genoemde gebied Patavia is niet de Betuwe en ook niet het Eiland van de Bataven; de Betuwe is in verhouding met deze kaart veel kleiner.
  • Noviomagus op de kaart kan niet Nijmegen zijn want het ligt aan de verkeerde kant van de Patabus dat immers de Waal was;
  • alle genoemde plaatsen in de Patavia komen niet overeen met de namen van de Nederlandse plaatsen waar enig Romeins is gevonden;
  • die plaatsen liggen ook niet in de Betuwe, wat de kaart wel nadrukkelijk zo afbeeldt. Hoe kan dat dan?
  • en waar blijven we met de onderste weg in de Patavia?
    Dat zijn allemaal hypothesen, ofwel als voorlopige waarheid aangenomen veronderstellingen die nog bewezen moeten worden.

    De visie van Albert Delahaye.
    De aanwezigheid van de Romeine in ons land wordt door Albert Delahaye niet ontkend, maar het was niet de aanwezigheid van grote en belangrijke legioenen zoals de tradities ons willen doen geloven. Het was de aanwezigheid van voornamelijk veteranen en 'gepensioneerde' legionairs, die na hun diensttijd elders een nieuw leven konden opbouwen.
    Tacitus noemt het de 'Agri Decumatis' waar volken van Germania zich hebben gevestigd. Het is het schuim van Gallia, en allen die de miserie tot dit waagstuk had gedwongen, hebben een land ingenomen waarvan het bezit onzeker was. Daarna heeft men een grensweg aangelegd, hier en daar enige legioenen gelegerd, en zo zijn zij een vooruitgeschoven punt van het rijk en deel van een provincie geworden.

    Wat lezen we allemaal in dit boek?
    De Romeinse Limes. De grenzen van het Rijk in de Lage Landen. 2016.
    De veel gelezen en zelfs geprezen (W.A. van Es-prijs ) conservator van Museum Dorestad Luit van der Tuuk heeft heel wat boeken geschreven over de periode waarvoor een steeds bredere belangstelling bestaat. Zijn boeken over de Romeinse Limes (2016), de Vikingen (2008 en 2015) en De eerste Gouden Eeuw (2016) zijn zeer leesbaar geschreven en komen erg overtuigend over. Van der Tuuk schrijft gemakkelijk op een niet te hoogdravend niveau, waardoor je soms meer denkt aan boeken voor middelbare scholieren, dan aan historisch geografisch verantwoorde wetenschappelijke literatuur. Hij geeft een uitgebreid beeld van de ontwikkelingen in Europa, waarbij veel facetten aan bod komen. De boeken zijn zeker aan te bevelen bij iedereen met meer dan gemiddelde belangstellingen in de geschiedenis in het eerste millennium. Je leest er dan wel de traditionele opvattingen, maar ook achterliggende gedachten en uitgangspunten van die traditie. Het geeft in elk geval een goed beeld hoe die tradities ontstonden. Vaak slechts door het onjuist vertalen van plaatsnamen. Maar graaf je wat dieper en ga je op zoek naar bewijzen van alles wat hij beweert, dan blijken zijn boeken niet op feitelijke historische geografische leest geschoeid te zijn. Doordat noten en achtergronden ontbreken is het soms lastig zoeken naar de door hem genoemde archeologische of schriftelijke bewijzen.

    Zet je een aantal door Van der Tuuk genoemde zaken op een rijtje, dan komen er flinke gaten in de traditionele opvattingen:
    1. De geografische beschrijvingen van Plinius zijn niet altijd goed te plaatsen (p.86);
    2. De ligging van de Drususgracht is onbekend (p.88);
    3. De versterkte legerkampen langs de kust zijn nooit teruggevonden (p.99);
    4. De ligging van de sterkte van Corbulo is onbekend (p.109);
    5. Goedbeschouwd viel er voor de Romeinen in het Nederlandse deel van de Limes niet zo veel tegen te houden (p.136);
    6. De Limes was minder robuust dan we denken (p.140);
    7. De Limesweg in Leidsche Rijn lag ca. 2,5 meter onder het maaiveld (p.147);
    8. Van het oostelijk deel van de Limes is maar weinig teruggevonden (p.160);
    9. Over de afsnijding van Rijn en IJssel is men het niet eens (p.160);
    10. Het is maar de vraag of bij Driel een castellum gelegen heeft. Echte aanwijzigen zijn niet gevonden (p.164);
    11. Bij Kesteren moet een sterkte geweest zijn. Carvone is verondersteld (p.164);
    12. Muntvondsten doen vermoeden dat Mannaricium Maurik is (p.164);
    13. Utrecht: regelmatig overstromingen, nauwelijks een legerkamp, geen militaire doorgangsweg (p.169);
    14. Kleiige overstromingslagen dekken de Romeinse bewoningslagen af (p.177);
    15. Waarschijnlijk is Fletione te identificeren met Fectio. Van een castellum zelf is weinig bekend (p.178);
    16. In Zwammerdam zouden in het verleden resten van een wachtpost zijn gevonden,maar dat kon door recenter archeologisch onderzoek niet bevestigd worden (p.182).
    Als je dit hele boek uitpluist blijft er van de Romeinse zekerheden in Nederland weinig over. Wat dan wel opvallend is dat alle voorgestelde wijzigingen in de namen en locaties van de Romeinse plaatsen in ons land op de vele websites nog niet zijn overgenomen. Blijkbaar gaat dat zo met geschiedenis: het heeft tijd nodig. Er is nog twijfel genoeg en nog werk genoeg te doen.

    Zoals aangegeven herhalen de boeken van Van der Tuuk slechts de traditonele opvattingen, aangevuld met saillante en smeuÔge details, waarbij hij zich regelmatig meer door zijn fantasie dan door feiten laat leiden. Al zijn mededelingen zijn zonder opgave van een bron ook moeilijk te controleren. Naar feitelijke bewijzen is het lang zoeken. Die moet je blijkbaar vinden in de literatuurlijst, waarbij als eerste opvalt dat de boeken van Albert Delahaye en artikelen uit SEMafoor of boeken van SEM-auteurs hier steevast ontbreken.
    Wel te vinden in de literatuurlijst zijn boeken van Bechert, Enckevoort, Van Es, Van der Heijden, Roymans en Lendering, ofwel de tradionalisten bij uitstek. Dan is het gemakkelijk scoren als je de tegengestelde opvattingen van anderen niet meeneemt in je betoog. Toch komt ook Van der Tuuk er niet onderuit regelmatig zijn twijfel te moeten uiten, aangezien die opvattingen niet met feiten te onderbouwen zijn. Het zijn zwakheden in zijn betoog, waar hij overigens zelf ook regelmatig op wijst. Bewoordingen als 'waarschijnlijk' of 'moeilijk voor te stellen' of 'het is denkbaar' of 'wanneer we aannemen' of 'als we er tenminste van uitgaan' geven dat wel aan. Kom je dan ergens een verwijzing naar een bron tegen omdat bijvoorbeeld een jaartal met een bepaalde akte wordt genoemd, dan wordt deze slechts gedeeltelijk, maar ook nog eens foutief aangehaald. Dat heeft allereerst te maken met de vertalingen van de Latijnse teksten waarbij Renus steevast de Rijn is, Noviomagus altijd Nijmegen en Traiectum altijd Utrecht. Maar van de Patabus op de Peutingerkaart (verder afgekort tot PK) maakt hij dan toch plots de Maas (p.159), zonder het noemen van argumenten voor die keus. Zo wordt de Betuwe toch extra breed en kun je er gemakkelijker meer bevolking plaatsen. Ook kun je daarmee de onderste weg langs een alternatieve, maar nog steeds onbewezen en onaanvaardbare route laten lopen, zoals onder de Maas in plaats van erboven zoals de PK afbeeldt. Overigens zwijgt Van der Tuuk verder over die onderste weg. Wat dan onder de Mosa begrepen moet worden blijft een open vraag. Het geeft dan wel aan dat de Lek dus nog niet bestond in de Romeinse tijd. Daarover wordt immers altijd gezwegen.

    Maar hoe je het ook wendt of keert: Nijmegen ligt aan de verkeerde kant van de Waal. En waar blijf je dan met de Waal als de Patabus niet de Waal is maar de Maas?


    (Klik op de afbeelding voor een vergroting).

    De Romeinse Limes.
    Het is een goede zaak dat Van der Tuuk wat meer ingaat op Romeins Nederland en hier en daar ook enkele achtergronden vermeld. Zo komen we wat meer te weten over de feitelijke bewijzen van diverse traditionele opvattingen. En dan blijkt de oogst toch mager. Het blijkt dat de Romeinse aanwezigheid in Nederland weinig heeft voorgesteld, ook al doet men tegenwoordig allerlei pogingen om via het toerisme daar enige statuur aan te geven. Het is nog steeds zoals W.A. van Es het beschreef : "Het Romeins in Nederland is allerminst van internationale allure geweest".

    Het Romeins heeft niet alleen weinig voorgesteld, het stelt nog steeds weinig voor. Van der Tuuk vermeldt immers dat het marskamp in Ermelo samen met het veronderstelde (!) aquaduct bij Nijmegen de enige bovengronds zichtbare resten van het Romeins verblijf in Nederland zijn. De rest is voor het toerisme op Archeon-achtige wijze toegevoegd en stelt dus niets voor. Aan dat aquaduct twijfelt Van der Tuuk dus ook. De media waren daar wel duidelijk over: komplete nep. Voor wat meer overtuigende 'bewijzen' of aanwijzingen moet hij de voorbeelden steeds uit het buitenland halen, zoals uit Xanten.

    Het moet nu toch algemeen bekend zijn dat de Romeinse geschiedenis in ons land bijzonder weinig sporen heeft nagelaten. Het blijft vaak bij een aantal onvolledige, onbetrouwbare of onverenigbare bronnen, die samengevoegd worden tot ťťn verhaal op basis van 'gestudeerd gokken'. Dat geschiedschrijving per definitie uit interpreteren bestaat, mag algemeen bekend zijn. Maar dat maakt geschiedenis meteen buitengewoon geschikt voor mythevorming. Daarvan getuigt ook dit boek van Van der Tuuk.
    In ons land is het verhaal van de Romeinen uitgegroeid tot mythische proporties. Net zoals de Bataven uitgegroeid zijn tot de mythe van de underdog die het opneemt tegen de bezetter, een steeds terugkerend thema. Vanaf Cornelis Aurelius tot de Bataafse Republiek, van Rembrandts Eed van de Bataven tot Vondels treurspel de 'Batavische Gebroeders', het sluit steeds feilloos aan bij de mythevorming, evenals dit boek van Van der Tuuk. Romeintje en Vikinkje spelen lijken onderdeel te worden van ons cultureel erfgoed, net als allerlei veldlagen uit het verleden, zoals de slag bij Grollo, waarbij geplunderd, gemoord en verkracht werd. Gaan we in de toekomst ook SS-ertje of Japannertje in IndonesiŽ spelen? Het neo-nazisme steekt hier en daar al de kop op!
    Toch probeert Van der Tuuk in dit boek aan de traditionele opvattingen die hij volgt, het een en ander toe te voegen. Aangezien hij geen noten geeft bij zijn veronderstellingen is het moeilijk te controleren. Toch lukt dat wel als hij van bepaalde zaken een nadere toelichting geeft. Over de grensverdediging, wat het woord Limes veronderstelt, weidt hij uit met vele voorbeelden die echter nauwelijks over Nederland gaan. Zowel de teksten laat ook de archeologie ons in de steek. Van der Tuuk schrijft het zelf als volgt: "Goedbeschouwd viel er voor de Romeinen in het Nederlandse deel van de Limes niet zo veel tegen te houden" (p.136/137). "Van vijandelijkheden was over het algemeen geen sprake". "Van het oostelijk deel van de Limes is maar weinig teruggevonden", schrijft hij op p.160. "De gegevens zijn daardoor vatbaar voor verschillende interpretaties en hebben al tot veel discussie geleid". Aan die discussie voegt Van der Tuuk ook het nodige toe door dingen te beweren die gebaseerd zijn op veronderstellingen, zoals hij regelmatig aangeeft met bewoordingen als 'naar we mogen aannemen', als we er tenminste van uitgaan' en 'het is denkbaar dat...'.
    Toch erkent ook hij dat 'de geografische beschrijvingen niet altijd goed te plaatsen zijn' (p.86) en dat 'de ligging van de Drususgracht onbekend is' (p.88). Dat moet hij wel erkennen aangezien hij schrijft dat het bestaan van de Gelderse IJssel in die tijd op losse schroeven kwam te staan (p.89). Op p.100 schrijft hij zelfs dat 'de ligging van de versterkte legerkampen in het kustgebied, die Pinius noemt, nog nooit zijn teruggevonden'. In feite houdt elke discussie hier dan al op. Maar er is nog meer, nog veel meer op dit boek aan te merken.

    Zo schrijft Van der Tuuk (p.173) dat 'alle in Nederland aangetroffen grensforten vertonen dezelfde planmatige opbouw'. Hij wijst daarbij op een rechthoekige plattegrond en twee wegen die elkaar in het midden haaks kruisen. Het is het algemene grondmodel zoals dat voor de Romeinen voorgeschreven was (zie o.a. Polybus VI, 41.10). Vervolgens noemt hij verschillende forten die hiervan afwijken, zoals Albaniani (niet rechthoekig), Utrecht (slechts 3 poorten -halfrond, in tegenstelling tot andere forten- en minder diep uitgevoerd dan het standaardontwerp voorschreef), Praetorium Afrippinae (ook maar 3 poorten), de Brittenburg (ronde hoektorens), Zwammerdam (klein grensfort, resten wachtpost niet bevestigd door recent archeologisch onderzoek), Bodegraven (kleine sterkte, misschien een burgus? een vermoeden!) en enkele waarvan weinig (of niets!) is teruggevonden aangezien ze door de rivieren zijn verspoeld of er archeologisch nauwelijks iets van teruggevonden is. Te denken valt aan Kesteren, Duiven-Loowaard, Matilo, Driel die hij noemt. Carvium/Carvone is bij Van der Tuuk niet Kesteren, maar Herwen. Hij volgt de opvattingen van J.Verhagen schrijft hij. Waar het bij Van der Tuuk een zekerheid is, vind je bij Verhagen nog twijfel. Die vindt dat het bij Carvo en Carvium om dezelfde plaats kan gaan. Levefano is bij beiden dan ook niet meer Wijk bij Duurstede, maar Arnhem-Meinerswijk. Bij Van der Tuuk wordt Rijswijk genoemd als Duristate, maar dat is geen naam uit de Romeinse tijd, maar uit een 7e eeuwse bron van de anonieme geograaf uit Ravenna. Dat Mannaricum Maurik zou zijn is gebaseerd op baggervondsten en enkele munten. Maar wat bewijs je daarmee? Van der Tuuk spreekt dan ook omzichtig van een 'vermoeden'. Wel wijst van der Tuuk er terecht op dat 'enige voorzichtigheid bij de datering van beide nederzettingen op grond van de bescheiden hoeveelheid vondsten wel geboden is'. Hoewel hij hier wijst op nederzettingen bij Utrecht, geldt dat voor veel meer plaatsen in Romeins Nederland. Waar de boel verspoeld is of er slechts sprake is van baggervondsten kan men geen feitelijke en vaststaande geschiedenis plaatsen. Dan komt veel geschiedenis op drijfzand terecht.

    Waar Fectio/Fictio/Fletione gelegen heeft blijft ook al zo vaag. Volgens Van der Tuuk moet Fletione waarschijnlijk met fort Fectio (Vechten) geÔdentificeerd worden. Er moet nogal veel als je dit boek leest, ook al is het maar 'waarschijnlijk'. Volgens Verhagen wordt de identificatie Fletio als Vechten breed ondersteunt. Wie dan onder dat 'breed' valt wordt niet vermeld. In elk geval niet Frans Volmer die het nog steeds op Rijswijk/Wijk bij Duurstede houdt. Als je op de PK gaat knippen (zoals Verhagen doet) of er tien mijlen aan toevoegt (zoals Volmer) kom je natuurlijk ergens anders uit. Maar dat zijn geen bewijzen in de zin van de wet ofwel een aangepast bewijs, dus een falsum. De PK wordt hiermee nog verder vervalst om hun gelijk aan te kunnen tonen. En met een aanpassing van een vervalste kaart kun je niets bewijzen.

    Aan Utrecht worden meerdere bladzijden (p.168-177) besteed. Opvallende zaken die vermeld worden zijn dat er geen doorgangsweg en geen legerkamp zijn gevonden. Of dat met de drassige grond te maken heeft, zoals Van der Tuuk meent, is zeker een mogelijkheid, misschien wel meer dan 'een mogelijkheid'. Was Utrecht van geen belang en is dat de reden dat het niet eens op de PK staat? Toch zou er een oversteekplaats zijn geweest om 'in het aangrenzend Germaans gebied te kunnen patrouileren', een gebied waarvan geen enkele dreiging te verwachten was? (p.137). Belangwekkend zijn de opmerkingen van Van der Tuuk dat 'op het Romeins een dik pakket rivierafzetting is gevonden' (p.176), wat nog wordt aangevuld met de 'afwezigheid van de bevolking in de 2e helft van de 2e eeuw' en 'kleiige overstromingslagen die de Romeinse bewoningslagen afdekken' (p.177). Het strategisch belang van Utrecht ging verloren en tegen het einde van de 3e eeuw werd deze militaire garnizioensplaats verlaten, vermeldt hij. In verband met die overstromingslagen waarschuwt Van der Tuuk er dan ook voor 'dat voorzichtigheid met de dateringen geboden is'. Het zijn diezelfde overstromingslagen die ook in de 20e eeuw zijn aangetroffen en waarmee aangetoond is dat Utrecht in de tijd van St.Willibrord niet eens bestond. In een niet bestaande plaats kun je dan ook geen geschiedenis plaatsen.

    En zo geeft Van der Tuuk bij alle zogenaamde Romeinse plaatsen die op de PK genoemd worden naast de traditonele toch ook enkele kritische kanttekeningen. Jammer dat hij daar geen conclusies aan verbindt, wat Albert Delahaye dus wel gedaan heeft. Als er zoveel onduidelijkheid bestaat, welke zekerheden blijven er dan over? Bijvoorbeeld over de vuurtoren van Caligula die nabij Katwijk gestaan zou hebben? Daarvan is nooit iets teruggevonden schrijft Van der Tuuk (p.187). Franse historici hanteren een andere locatie voor die vuurtoren en wel bij Boulogne-sur-Mer, waar deze tour d'Ordre niet alleen is vastgesteld, maar resten ervan tot 1930 bestaan hebben. Ook A.W.Byvanck wees hier al op (p.145).




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.