De reliëfs uit de St.Pieterskerk, gevonden, onder de vloer bij een restauratie in 1965.
Volgens prof. J.J.M. Timmers en dr. D.P.R.A. Bouvy, vooraanstaande kenners van de Romaanse beeldhouwkunst, behoren deze reliëfs tot de 12e eeuwse Maaslandse school en wel tot de zogenaamde Heimogroep. Deze naam Heimo komt voor op een kapiteel in de Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht. Een ander voortbrengsel in dezelfde kerk vertoont precies dezelfde stoel waarop hier Pilatus is gezeten. Kunstwerken uit deze tijd zijn wat Nederland betreft uiterst zeldzaam en kwamen tot nu toe uitsluitend voor in Maastricht, (nu ook in) Utrecht en Egmond.




Deze Reliëfs bestaan ook 'schoongemaakt' (?). Klik hier voor die afbeeldingen.

De Fundamentele verwarring tussen Noviomagus is Nijmegen of Noviomagus is Noyon, ligt aan de grondslag van de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem? Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!
|
De auteurs van de artikelen in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van de Gemeente Utrecht 1926-1972 geven een duidelijk overzicht van de opgravingen die in Utrecht sinds 1926 hebben plaatsgevonden. Veel publicaties verschenen eerder in het Maandblad Oud-Utrecht en zijn nu verzameld in dit boek. We geven hieronder de voornaamste bevindingen uit dit boek, voorzien van opmerkingen in rood. Wat als eerste meteen opgemerkt kan worden, is dat de oudste bevindingen (op het Romeins na) niet verder teruggaan dan de 11de eeuw.
De visie van Albert Delahaye.
Lezen de historici en archeologen elkaars werken wel? Te vaak blijkt dat wat de een beweert, een ander faliekant tegenspreekt. Wie heeft er dan gelijk? Dan moet de logica en de samenhang de oplossing geven. Zo wordt steeds beweerd dat St.Willibrord in Utrecht en Friesland predikte, terwijl er in zijn tijd (zo goed als) niemand woonde. Wie moest er dan zo nodig bekeerd worden? Vaak blijkt het misverstand te berusten op onjuist gelezen oude documenten. De archeologie bevestigt de traditionele opvattingen allerminst.
Archeologie van Utrecht.
De archeologie vertelt soms een ander verhaal dan de traditie. Veel traditionele opvattingen worden door de archeologische vondsten niet bevestigd, zelfs tegengesproken. Lees hieronder de talloze voorbeelden zoals die in deze Kroniek beschreven zijn, maar ook in de Jaarboeken van Utrecht en de Archeologische en Bouwhistorische Kronieken.
Het meest problematische hierbij is dat eenmaal aangenomen opvattingen gehandhaafd blijven, ook al tonen nieuwe vondsten aan dat die fout waren. |
|  |
De oudste kerk van Utrecht.
De oudste kerk van Utrecht zou het kerkje van Dagobert (601-638) geweest zijn. Dan weer is de Heilig-Kruiskapel de oudste kerk, dan toch de Pieterskerk of de St.Maarten (de DOM) of toch de Buurkerk (Mariakerk). Ofwel: men weet het niet. Zijn de schriftelijke gegevens dan wel juist gelezen? De Paulus-abdij wordt het oudste klooster genoemd en zou het verplaatste klooster van de Hohorst bij Amersfoort zijn. Maar op de Hohorst (Heiligenberg) heeft geen enkel klooster bestaan. Het is er nooit gevonden en ook geen andere sporen uit de 11de eeuw. Lees meer over de Hohorst.
|
Wat lezen we in deze Kroniek?
- "Kan men bewijzen, dat de naam Traiectum, die reeds omstreeks 300 voorkomt, een Romeinsche woonplaats aanduidt, gelegen in het centrum van onze stad?" (p.51). Deze vraag is nooit met enig bewijs beantwoord. Het enige antwoord moet dan ook volmondig "NEEN" zijn. En deze vraag betreft wel de kern van het probleem rondom het Trajectum van de Romeinen en van St.Willibrord. Wat St.Willibrord betreft is die vraag al beantwoord door Kerkhistoricus prof.R.R.Post met: "Willibrord is geen bisschop van Utrecht geweest. In zijn tijd bestond het bisdom Utrecht niet".
- Achter Clarenburg.
Tussen Achter Clarenburg en de Rijnkade verstrekken een aantal vondsten onschatbare gegevens over de alleroudste geschiedenis van onze stad. Allereerst kwamen aan het licht een dicht opgepakte blauwgrijze kleilaag, een houten schoeiing van rechtop staande palen en - zuidelijker aansluitend - een zwarte veenlaag vol botten en potscherven. Op de rand van deze klei-afzetting en vlak naast de houten schoeiing stond een rest van een bakstenen muur. Het formaat van de stenen was ongewoon groot; dr. ir. C.L. Temminck Groll dateerde deze bakstenen op het midden van de twaalfde eeuw. Vijf putten en de resten van drie keldergewelven behoren tot een jongere veertiende-eeuwse bouwperiode. (p.17). Over het alleroudste deel van de stad wordt die kleilaag genoemd (onstaan door overstromingen) en vervolgens de 12de eeuw. Dat gat in de geschiedenis van Utrecht tussen Romeins en de 1de/12de eeuw tref je overal aan in Utrecht. Hetzelfde gat zie je ook in de geschiedenis van Nijmegen.
- Middeleeuwsch Utrecht.
Het was te verwachten, dat de Utrechtsche opgravingen niet alleen het Romeinsche verleden verduidelijken zouden, maar ook over de nog altijd duistere vroeg-middeleeuwsche geschiedenis eenig licht zouden doen gaan. Men weet, dat er nog altijd groote onzekerheid bestaat over de situatie van de oudste kerkjes of kapellen van Utrecht. De St. Thomaskapel van de traditie' en de lagere-schoolboekjes, die door koning Dagobert I omstreeks 631 op het "Domplein" gesticht zou zijn, heeft haar reputatie de oudste kerkelijke stichting te zijn af moeten staan aan een St.Maartenskerkje, door een der Frankische vorsten eerder buiten het Domplein, in den "vet us vicus" gesticht. Verder konden wij nog steeds geen der kerkjes van Willibrord (690-739) localiseeren, zeker niet door vondsten van restanten of sporen daarvan in den bodem. Een daarvan is vrijwel zeker een herbouwing van het verwoeste St. Maartenskerkje. De reeks opgravingen op het Domplein de jongste nog beslister dan de voorafgaande hebben geen overblijfselen van deze vroegste middeleeuwsche kerkjes aan het licht gebracht. Tenzij het nog bestaande gedeelte van den tegenwoordigen op de plaats van een dier oudste kerkjes zou staan, is dus de waarschijnlijkheid grooter geworden, dat zij elders gelegen hebben. (p.79) Niets gevonden, maar volgens de traditie van de scholboekjes|moet die elders gevonden worden. het is zoals in andere publicaties al wordt aangegeven:
- Van het zogenoemde 'kerkje van Dagobert' is geen enkel spoor gevonden. Het bestaan van dit zogenoemde St.Thomaskerkje wordt door vele deskundigen ten stelligste ontkent.
- De aanwezigheid van St.Willibrord wordt op geen enkele manier aangetoond.
- Van plunderingen door de Noormannen blijkt nergens iets. Ze zijn er nooit geweest.
- De geschiedenis van Utrecht begint na de Romeinse tijd weer in de 11de eeuw.
- Het centrum van Utrecht is niet ouder dan 1000 jaar. Zie krantenknipsel hiernaast.
- Het boek "2000 jaar Utrecht" bevestigd de algemeen breed geaccepteerde aannames, inzichten en interpretaties allerminst. 'Oudheidminnaars' waren niet afkerig van fantasieën op historisch gebied, zelfs van fictieve vondsten.
- De periode die wij behoorlijk kennen, beslaat slechts een vierde deel van Utrechts gehele bestaan; slechts 500 jaar van de 2000 jaar kunnen wij zonder voorbehoud beschrijven.
- Vondsten uit de vierde eeuw zijn in onze streek zeer zeldzaam. De Romeinen hebben immers reeds even voor 250 na Chr. den Limes, en dus ook het Utrechtsche castellum, verlaten om zich tot in de omgeving van Nijmegen terug te trekken. Wat hierna gebeurd is weten wij niet. Wij hebben vage berichten over veldtochten in dit gebied, maar zekere sporen van een, zij het ook korte, Romeinsche herbezetting zijn tot dusver niet aangetoond. Wel worden hier en daar munten uit de vierde eeuw gevonden, maar of deze door Romeinen verloren werden, dan wel bij de stammen circuleerden die na het opgeven van den Limes zich hier hadden gevestigd, kunnen wij niet zeggen. Het is dus van belang het oog te houden op dergelijke vondsten. (p.39) Wat hier door J.H.Jongkees geschets wordt is maar al te waar. Er is geen enkel bewijs dat ook in Nijmegen in de 4de eeuw nog Romeinen waren. Met enkele munten bewijs je niets, die vanwege de handel in iders bezit konden zijn en je net weet wie die verloren heeft. Zelfs momenteelworden nog Romeinse munten gevonden. Dat bewijst toch ook niet dat er nog Romeinen in ons land rondlopen?
- Opgravingen op het Domplein.
Romeinsche vondsten, vroegstens op 't midden van de eerste eeuw na Chr. is te stellen. Aangezien nu in de deklaag van dit basale gedeelte nóg scherven van z.g.n. vroeg Pingsdorfer vaatwerk uit den Karolingischen tijd (9e eeuw) voorkomen, is dat diepere laagcomplex naar boven toe in chronologisch opzicht door die tijdsaanduiding gelimiteerd. Tevens is daarmede gezegd, dat het genoemde fundament niet afkomstig kan zijn van de kapel van Wdllbrord, laat staan van de nog vroegere uit den tijd der Merovingers, welke door koning Dagobert aan den Keulschen bisschop Kunibert ((625-665) zou zijn geschonken. (p.55). Dee hele opvatting is gebaseerd geweest op een brief van Bonifatius waarvan is vastgesteld dat het een falsum was. Pingsdorfer vaatwerk werd geprduceerd tot in de 13de eeuw. Die 9de eeuw staat dus ter discussie: het was in elk geval niet uit de 7de of 8ste eeuw. Zie ook de volgende punten.
- Heiligekruiskapel
Volgens de overlevering stichtte Dagobert I (geb. 602, gest. 638), nadat hij in 622 koning van dit deel van het Frankische rijk was geworden, een kerkje binnen Trecht, dat aan St. Thomas, den apostel der ongeloovigen, was gewijd. Dat bedehuis werd omstreeks 680 door de Friezen onder koning Radbod verwoest, doch door den Angelsaksischen christenprediker Willebrord bij zijn komst in deze streken (692 of 693) hersteld en aan den Frankischen heilige St. Maarten overgedragen. Bij eene latere gelegenheid, misschien na de herstelling eener latere verwoesting, zou deze kapel opnieuw en wel aan het Heilige kruis zijn gewijd. Het eerste gedocumenteerde bericht over deze kapel dateert uit 1148 en staat in de Annalen der abdij van Egmond opgeteekend. In dat jaar ging Trajectum bijna geheel in vlammen op en verbrandde ook de Heilige kruiskapel, maar bleef het daarin aanwezige kruisbeeld ongeschonden, niettegenstaande het kruishout en de nagels, waarop en waarmee het bevestigd was, volkomen door het vuur verteerd waren. In de Annalen van het kapittel van St. Marie te Utrecht staat deze brand nader op 3 Augustus 1148 bepaald, maar wordt de Heilige kruiskapel niet afzonderlijk vermeld. (p.61). Hier zie je dat een wonder de traditie moet redden. Deze kapel is zeker niet ouder dan de 12de eeuw (1148). Van de abdij van Egmond weten we dat de Annalen van Egmond via Gent afkomstig waren uit Noord-Frankrijk (Abbevile).
- Om meer zekerheid te verkrijgen over den ouden Rijnloop. Terwijl echter dit doel vooralsnog niet werd bereikt, werden wel vrij spoedig eenige vondsten gedaan, die het uitzicht openden op andere, evenzeer belangwekkende resultaten. De gevonden scherven, waaronder vrij veel Pingsdorfer aardewerk, zoomede de aangetroffen resten van paalwerk met vlechtingen wezen ni: op een bewoning van deze omgeving reeds in vroege tijden, wellicht reeds in de 10de of 11 de eeuw. (p.257) Hier wordt de vroege bewoning op grond van Pingdorf aardewerk gedateerd op de 10de of de 11de eeuw. Dat sluit ook precies aan bij hetgeen onder punt 3d vermeld is, maar steeds terugkomt in dit boek. Het begin van Utrecht wordt steeds gesteld op de 11de eeuw.
- De bewoners dezer streken maakten na het vertrek der Romeinen geen gebakken bouwmaterialen -en uit den tijd nadat de kunst van steenbakken hier opnieuw algemeen werd toegepast, hetgeen niet veel vroeger dan de 13de eeuw geweest zal zijn (p.48). Vindt men nu gebakken stenen in de oudste delen van een gebouw, dan kan dat gebouw niet van vóór de 13de eeuw zijn.
- In de St.Pieterskerk zijn in 1965 tijdens de restauratie onder de vloer vier zandstenen reliëfs teruggevonden. Zie afbeeldingen in de linker kolom.Zij stellen de Kruisiging van Christus voor, Pilatus, een engel op het geopende graf van Christus met drie naderende vrouwen. De reliëfs werden waarschijnlijk rond 1150 in de Maasstreek vervaardigd en vertonen verwantschap met beeldhouwwerk in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Maastricht (p.213). Deze reliëfs waren onder de vloer verstopt vanwege de dreigende en naderende beeldenstorm in 1580. Als deze reliëfs waarschijnlijk uit 1150 komen, is de Pieterskerk dan misschien ook pas uit 1150 en niet uit 1039/1048? Lees meer over het Kerkenkuis in Utrecht. Afbeelding hieronder: de plaats van de 4 reliëfs aan weerszijde op het koor van de Utrechtse Pieterskerk. De Pieterskerk wordt op p.208 Utrechts oudste en belangrijkste monument genoemd.

- Tevens is daarmede gezegd, dat het genoemde fundament niet afkomstig kan zijn van de kapel van WiIlibrord, laat staan van de nog vroegere uit de tijd der Merovingers, welke door koning Dagobert aan de Keulse bisschop Kunibert (625-655) zou zijn geschonken (p.55). Dat is toch duidelijke taal over de opgravingen op het Domplein.
- De Romeinse nederzetting die, volgens Professor Vollgraff's lezing van de grotere der beide inscriptie's, ALBIOBOLA zou hebben geheten en niet TRAJECTUM (p.55). Over deze lezing bestaat al enige tijd discussie, immers het weerlegt de gehele geschiedenis omtrent Willibrord en zijn verblijf in Utrecht, wat overigens erkend wordt door prof.R.Post die de aanwezigheid van Willibrord ook weerlegd heeft.
- Scherper aanwijzingen, sterker sprekende gegevens zullen echter gevonden moeten worden, om de veronderstelling aannemelijk te maken, dat op deze plek in Utrecht de eerste christenkerk heeft gestaan, dat van hieruit de kerstening van Noord-Nederland een aanvang heeft genomen (p.74). Men weet, dat er nog altijd grote onzekerheid bestaat over de situatie van de oudste kerkjes of kapellen van Utrecht. De St. Thomaskapel van de traditie en de lagere-schoolboekjes, die door koning Dagobert I omstreeks 631 op het "Domplein" gesticht zou zijn, heeft haar reputatie de oudste kerkelijke stichting te zijn af moeten staan aan een St. Maartenskerkje, door een der Frankische vorsten eerder buiten het Domplein, in den "vetus vicus" gesticht. Verder konden wij nog steeds geen der kerkjes van Willibrord (690-739) localiseren, zeker niet door vondsten van restanten of sporen daarvan in den bodem. (p.79). Ofwel: er is geen enkel archeologisch bewijs dat het kerkje van Dagobert (601-638) hier bestaan heeft. Ook van een stichting van een kerk door St.Willibrord ontbreekt elk archeologisch bewijs. Het is vergelijkbaar met Nijmegen waar van een Paleis van Karel de Grote elke archeologisch bewijs ontbreekt, terwijl dat Paleis er toch 4 eeuwen gestaan moet hebben. Lees meer over Nijmegen en Karel de Grote.
- Dateringsmoeilijkheden van de vele stenen sarcophagen die H.Martin in Friesland en elders opspoorde en waarin hij drie typen onderscheidde. Hij verwachtte, dat de onderhavige sarcophaag tot één dezer typen zou be-horen, hetgeen ook gebleken is en waarmede komt vast te staan, dat zijn vondsten in elk geval voor een deel reeds in de 10e en 11 e eeuw zijn vervaardigd, hetgeen door andere deskundigen, die ze niet vroeger dan de 14e eeuw dateerden, werd betwijfeld. (p.207). Op dateringsmoeilijkheden blijken veel mythen en aangenomen opvattingen te zijn aangenomen. Een verschil van wel 3 á 4 eeuwen maakt nogal veel uit.
- Intusschen was de heer J.G.N. Renaud van de afdeeling middeleeuwsche archaeologie bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg - die aanvankelijk met de wetenschappelijke leiding was belast - reeds op grond van de uitkomsten in het voorjaar van 1946 de meening toegedaan, dat de teruggevonden sporen wijzen op een continu-bewoning sedert de laat-karolingische periode. Dit is zonder twijfel, gezien in het kader van hetgeen tot nog toe over de oudste geschiedenis van Utrecht bekend was, een belangrijk nieuw gezichtspunt. Het is zeer te wenschen, dat verdere onderzoekingen in het voormalige Oranjepark het beeld van deze oude bewoning zullen verhelderen en completeeren, alvorens een nieuwe bebouwing verdere opgravingen zal uitsluiten (p.180).Een continuebewoning in Utrecht bestaat pas sinds de laat Karolingische tijd, dat is dus vanaf de 11de eeuw. Vroeger vondsten zijn er , op het Romeins na, niet gevonden, ook nadien niet.

- Hamburgerstraat 25.
Onder de houten vloer, die zelf een interessante constructie vertoonde werd een plavuizen vloer gevonden, diagonaalsgewijze gelegd (formaat plavuizen 13/13 cm.) en om-rand door een aantal rechte rijen van iets grotere plavuizen. Daaronder lag weer (sterk verzakt) een vloer van kleine tegeltjes van 6 bij 6 cm. Ook deze lagen diagonaalsgewijze. Ze waren afwisselend geel en zwart geglazuurd en gelegd - voorzover dit ondanks de slijtage nog was na te gaan - volgens een visgraat-patroon van vrij forse schaal. (zie afb. hiernaast) Overeenkomstige tegeltjes werden o.m. gevonden bij de opgravingen van de voormalige Paulusabdij en ook bij die van het klooster Mariëndaal te Zuilen. Op grond van muurwerk en tegels is een datering op de 14de eeuw zeer wel mogelijk. Ook is het niet uitgesloten, dat het huis op een of andere wijze in verband stond met de - aan de overzijde van de straat gelegen - Paulusabdij (p.94). Deze oudste vloer werd 14de eeuw gedateerd. Deze tegelvloer is vergelijkbaar met de vloer gevonden op de Heiligenberg in Leusden die tot het klooster van St.Ansfridus gehoord zou hebben. Indertijd gedateerd op 13de eeuws, maar 14de eeuws is dus waarschijnlijker.
- De Paulus abdij.
Dit leek mij voor de geschiedenis van Utrecht zeer belangrijk en wel, omdat het bekend is dat op het terrein omsloten door de Korte Nieuw-straat - Hamburgerstraat - Nieuwe Gracht en Trans eertijds een zeer belangrijk gebouw "de St. Paulus Abdy" gestaan heeft - en juist op de plaats van de graving was het te verwachten dat daarvan resten te voorschijn zouden komen. Van de St. Paulus Abdij is maar heel weinig bekend. Wat er van over is, is zeer weinig, maar hoogst belangrijk, t.w. de 2 stuks kapitelen thans aanwezig in het Centraal Museum.
Bekend is dat tijdens Bisschop Bernulphus (20ste Bisschop van Utrecht, overl. 1054), de Abdij Hohorst te Amersfoort werd opgeheven en in Utrecht opnieuw gevestigd (p.94). Er is maar heel weing bekend over de Paulusabdij en wat bekend is zijn fabels. Het Klooster op de HoHorst in Amersfoort (Heiligenberg), waar de Paulusabdij van verplaats is, heeft nooit bestaan, wat archeologisch onderzoek heeft uitgewezen. Dat klooster zou gesticht zijn door Ansfridus rond 1010, maar daarvan zijn nooit resten gevonden. Het verhaal afkomstig van Alpertis Mettensis circuleert al eeuwen lang rond in vrijwel ongewijzigde vorm en werd nooit in twijfel getrokken. Toch zijn er meerdere vragen over te stellen. De feiten die genoemd worden door Mettensis, zoals dat het gelegen was op 6 mijl van Trajectum, passen niet in Nederland. De tegelvloer die men aantrof op de Heiligenberg (zie hievoor) blijkt uit de 14de eeuw te stammen. De vingerhoedjes van Ursula en haar 11.000 maagden waarmee de Heiligenberg opgehoogd zou zijn, is net zo'n grote, zo niet een nog grotere fabel. Die elfduizend is gebaseerd op een ordinaire leesfout van MV.
- Opgravingen Janskerkhof. Op grond van het baksteenformaat (29/14/7 cm.), zou deze versterking in de 14de of 15de eeuw aangebracht kunnen zijn. Van jongere datum (16e-17e eeuw) zijn de resten van keldertjes en waterputten, welke werden aangetroffen. Het gevonden aardewerk dateerde uit de 14e-17e eeuw. (p.125). Van deze bouwdelen kan men dus wel stellen, dat ze tot de oorspronkelijke opzet behoren. Of alles in de 11 de eeuw werd uitgevoerd of dat een gedeelte pas in de 12de eeuw tot stand kwam, kon niet meer worden nagegaan. (p.131). Maar ondanks alle wijzigingen heeft de Janskerk toch nog in vele opzichten zijn midden 11de-eeuwse opzet behouden. Hij is iets jonger dan de ten oosten van de Dom door bisschop Bernoldus gestichte Pieterskerk en vormde met de kerk van de voormalige St. Paulusabdij de dwarsarm van het kruis van kerken rond de Dom. Het westelijke uiteinde van dit kruis werd gevormd door de omstreeks een halve eeuw later gebouwde, nu geheel verdwenen, Mariakerk (p.132). Nieuwe Gracht 6. Naast de schouw lagen de scherven van een pot, welke nog in elkaar gelijmd kon worden en die blijkens zijn vorm vermoedelijk ook 14de eeuw is. (p.158). Van meer gebouwen en gebruiksvoorwerpen in Utrecht blijkt dat de datering niet verder teruggaat dan tot de 11de eeuw.
- Gelegenheid tot het instellen van een onderzoek naar eventuele sporen van romeinse activiteit in de nabijheid van het romeinse castellum op het Domplein. De vondsten waren helaas, evenals bij vorige opgravingen in de Korte Nieuwstraat (1961 en 1963), gering. Op 1,50 m. diepte (2.83 m. + NAP.) werd een ongeveer N.W.-Z.O. verlopend funderingsmuurtje aangetroffen, dat bestond uit een laag van losse tufsteenbrokken met, voornamelijk aan de oostelijke kant, enkele stukken lei rechtstandig ertussen. Tegen de oostelijke kant van het muurtje was een bekleding van rechtstandige stukken lei aangebracht. Het muurfragment moet behoord hebben bij de Paulusabdij, die hier in de 11e eeuw werd gebouwd, een in de resten van dit muurtje gevonden scherf van Pingsdorfaardewerk zou uit deze periode kunnen dateren.
De romeinse vondsten waren schaars: op ongeveer drie meter diepte werd in de noord-helft van de evenwijdig aan de Hamburgerstraat gegraven sleuf een langwerpige brandplek gevonden, die aan de korte kanten met stukken tufsteen was omgeven. Binnen de brandplek en aan de lange zijden werden ook stukken mortel aangetroffen. Vermoedelijk dateert deze stookplaats uit de tweede eeuw. In een lager niveau kwamen nog enkele fragmenten terra sigilIata uit het laatste kwart van de eerste eeuw te voorschijn, er waren echter geen sporen van bebouwing te bemerken.
Ook van een eventuele weg, die van het castellum uit zuidwaarts zou zijn gegaan, werd niets gevonden - deze zou echter ook meer oostelijk gelegen kunnen hebben. (p.137).Geringe en schaarse Romeinse vondsten betekent gewoon dat er niets gevonden is. Het 'moet hebben behoord' geeft wel aan dat het heel onzeker is. Pingsdorfaardewerk werd tot in de 12de eeuw geproduceerd, dus dat zegt ook al niets.
Het moet goed begrepen worden dat het bestaan van de Paulusabdij niet ter discussiestaat, wel dat het de opvolging van het klooster HoHorst geweest zou zijn. Daarvoor bestaat geen enkel bewijs dan enkele fabels. Zie punt 16 hiervoor.
Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!
|