Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Marco Mostert.

De eerste duizend jaar lag het gebied dat later Nederland zou worden in een uithoek van Europa, in de marge van de beschaving. Of beter gezegd: van twee beschavingen, namelijk de zuidelijke beschaving van de Romeinen en hun opvolgers, en de noordelijke beschaving van de Duitse laagvlakte, ScandinaviŽ en Engeland. ĎDe scheiding liep ergens in de buurt van het rivierengebied,í zegt Marco Mostert, mediŽvist aan de Universiteit Utrecht en auteur van In de marge van de beschaving, het eerste deel van de nieuwe Algemene Geschiedenis van Nederland.
Aldus Marco Mostert in een interview met Geertje Dekkers in het Historisch Nieuwsblad 9/2009.

Marco Mostert is altijd wel een enigszins kritische mediŽvist geweest, al heeft hij er moeite mee de traditionele opvattingen los te laten.

In SEMafoor, het kwartaalblad van de Studiekring Eerste Millennium, heeft hij ooit één artikel geschreven en wel over St.Odulfus. Hij volgt hierin strak de traditie. De vraag waar het feitelijk om draait is of deze Odulfus thuishoort in Oirschot of elders. Hij schrijft in dit artikel wel: "Ik acht mij niet competent hierin te beslissen."

Marco Mostert heeft in dezelfde serie van 'Verloren Verleden' ook een boekje geschreven over '754: Bonifatius in Dokkum vermoord' Zie verder bij Bonifatius. Daarin erkent Mostert dat de moderne cultus van Bonifatius in Dokkum uit de 19e eeuw dateert. De plaatselijke pastoor begon in 1853 (let op dit jaartal dat exact samenviel met het herstel van de Bisschoppelijke hiŽrarchie in Nederland!) met het zoeken naar de bron van Bonifatius. Die werd gevonden in de plaatselijke brouwerij. Enkele later verkregen relekwieŽn van Bonifatius bleken uit de 12e eeuw te dateren, schrijft Mostert. De wonderverhalen over Bonifatius hoefden niet waar te zijn om een functie te kunnen hebben in de verering van Bonifatius, schrijft Mostert nog. Maar deze wonderverhalen hebben wel tot de mythen in de historische geografie geleid.
Marco Mostert maakt het helemaal bont.
Marco Mosterd, die toch voor een deskundig historicus moet doorgaan, vermeldt in 'Verzameld Verleden' (2004, red. Els Kloek) dat Karel de Grote een paleis in Nijmegen had. Hij moest toch beter weten. In zijn artikel doet hij enkele beweringen zonder enige vorm van bewijs. De tekst luidt als volgt (tussen haakjes cijfers die om commentaar vragen):
"Karel zou nog een aantal keren in Nijmegen terugkeren. De plaats was in de Romeinse tijd het centrum geweest van het stamgebied der Bataven en de Romeinse naam Noviomagus was blijven bestaan (1). Op de plaats van het huidige Valkhof, waar ooit een Romeins castellum had gestaan (2), stond sinds de zevende eeuw een klein Sint-Stevenskerkje (3). Karel liet er een palts bouwen (4). Hij was zich waarschijnlijk bewust van de strategische ligging van de nederzetting, en van de militaire mogelijkheden die een versterking ter plaatse bood. De palts zou in de negende eeuw inderdaad als vesting tegen de Vikingen dienen (5). Mogelijk hield hij ook rekening met de Romeinse wortels van Nijmegen, en associeerde hij de plaats met zijn keizerschap. Hoe de palts van Karel er uitzag, is niet bekend (6). In 1047 werden paleis en villa in brand gestoken (7) en alleen de Sint-Nicolaaskapel, die mogelijk rond 1030 (8) was gebouwd naar het model van Karels paltskapel te Aken (9), overleefde de brand (10)".

Commentaar: het is wel duidelijk dat Mostert niet geheel deskundig is, ook al heeft hij een titel als mediŽvist. Hij volgt hier strak de traditie, maar voegt er ook enkele opvallende fabels over de Karolingische palts van Nijmegen aan toe.
(1) Dat de Romeinse naam Noviomagus was blijven bestaan wordt hier dan wel beweerd, maar door wie en hoe zonder schriftelijke overlevering? (2) Van een Castellum op het Valkhof is nooit enig archeologisch bewijs geleverd, net zo min van (3) een klein St.Stevenskerkje (hoe verzin je zoiets Mostert! Dat hebben ze zelfs in Nijnegen nog nooit beweerd). (4) Van die palts is in Nijmegen nog geen steen teruggevonden, net zo min (5) enig spoor van de Vikingen. (6) Dit is de enige juiste opmerking van Mostert, we weten niet hoe dat paleis er uit zag omdat het nooit bestaan heeft. (7) In 1047 werd het paleis van Karel de Grote in Noyon in brand gestoken door Godfried met de Baard, hertog van Opper-Lotharingen toen hij op weg was naar Verdun dat ook werd verwoest. Van die brand zijn in Nijmegen ook al geen sporen gevonden. (8) De kapel die tegenwoordig Ottoonse kapel heet is gebouwd op het eind van de 11e eeuw en (9) al helemaal niet naar model van de paltskapel te Aken die immers jonger is. (10) Dat van het hele paleis niets gevonden is en dat alleen de kapel is blijven staan zou een godswonder genoemd mogen worden. Aangezien wonderen niet bestaan is ook het hele verhaal van Marco Mostert één fabel. Ik heb slechts één advies aan Mostert: ga eens geschiedenis studeren en dan niet napraten wat anderen beweren, maar bestudeer de bronnen!

Friezen, Franken en Saksen.
In het boek 'Friezen, Franken en Saksen van SEM heeft Marco Mostert een bijdrage geleverd en wel hoofdstuk 1 is van zijn hand. Het gaat over 'De geschreven bronnen en de vraag naar de identiteit van de Franken (Friezen en Saksen). In dit uitvoerige artikel blijkt dat Mostert aardig thuis is in de klassieke bronnen, echter zijn interpretaties eindigen vaak in een hypothese (ofwel een veronderstelling). Hij werpt terecht een aantal vragen op en doet ook enkele opvallende uitspraken, zoals:
  • voorwerpen kunnen pas "Frankisch" noemen, als we daar andere dan archeologische argumenten voor hebben;
  • Ook met de toponiemen doet zich echter het probleem voor, dat de associatie met de Franken is gebaseerd op geschreven teksten. Dit betekent, dat we pas gebruik kunnen maken van deze toponiemen, als we ons ervan hebben overtuigd dat de associatie tussen de erin genoemde groepsnamen en de Franken de toets der kritiek kan doorstaan.
  • het is de vraag in hoeverre we uit die latere geschiedkundige werken veel te weten kunnen komen over de oudste geschiedenis van de groepen die met de naam "Franken" werden aangeduid.
  • In 293 is sprake van het schoonvegen van "Batavia". Met die naam moet wel het gebied van de huidige Betuwe in het oosten tot de riviermondingen in het westen bedoeld zijn. In noot 18 wordt verwezen naar de Lexicon van D.P.Blok c.s. (Zie bij Blok), waarmee strak de traditie wordt gevolgd. Waarom zouden de Romeinen in 293 nog in de Betuwe gaan vechten, de streek die ze al enkele decennia hadden verlaten? En waarom was het hen in 69-70 nChr. niet gelukt om de Opstand van de Bataven in enkele weken te beŽindigen en duurde de strijd bijna 2 jaar?
  • In 373 zijn Saksen gedood in Deusone in het gebied van de Franken. De naam zou volgens het Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200*) (van Blok c.s.) kunnen worden geÔdentificeerd met die van Diessen in Noord-Brabant. Dat geeft dan betrouwbare argumenten om ervan uit te gaan dat de "Franken" zich in de tweede helft van de vierde eeuw blijvend ten zuiden van de grote rivieren gevestigd hebben, waar ze zich een eeuw eerder nog in de Betuwe en de delta van de grote rivieren hadden bevonden. Dit is dus de traditionele opvatting die Mostert hier volgt. Maar als je de Batavia in Noord-Frankrijk plaatst en Deusone ook, wat Albert Delahaye doet, dan is het verhaal veel logischer en -belangrijk- ook meer in samenhang met andere bronnen.

    *) Over dit Lexicon geeft Mostert een toelichting in noot 4. Het Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (Amsterdam, 1988), waarin alle plaatsnamen binnen de grenzen van het Koninkrijk der Nederlanden, genoemd in bronnen die zijn geschreven in de priode tot 1200 (inclusief kopieŽn uit later tijden van die bronnen), zijn opgenomen volgens de spelling waarin ze in de geschreven bronnen voorkomen. Er wordt steeds geprobeerd om de plaatsen waarnaar de plaatsnamen verwijzen te lokaliseren. Dat het localiseren bij het merendeel van de plaatsnamen niet gelukt is (van de ca.2000 plaatsnamen zijn er 1394 onbekend. Dat is 70% onbekend), vermeldt Mostert niet. Zie verder bij Blok waar daarover meer te lezen is.
    Dat veel van die teksten uit Fransee bronnen komen, vermeldt Mostert niet. Dat het koninkrijk der Nederlanden vůůr 1200 nog lang niet bestond laten we maar even terzijde.

    De indeling van Franken, Friezen en Saksen die de traditionele geschiedenis zo graag hanteert is archeologisch niet te bewijzen. Annemarieke Willemsen verwoordde het als volgt: Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. "De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen (o.a. p.12 en 138)".

    Blijkbaar heeft Mostert dit boek ook nooit gelezen.

    De conclusies van Marco Mostert, waarbij we ons wel graag aansluiten, luiden:
  • Ik herhaal het met klem: teksten zijn niet noodzakelijk even oud als de handschriften van die teksten.

  • "Waren de Franken die we in de vroegste Romeinse bronnen tegenkomen wel dezelfde "Franken" als die welke we in latere vroegmiddeleeuwse bronnen tegenkomen? Diezelfde vragen kunnen we ook stellen over de Saksen en de Friezen en daarmee hebben we dan voldoende vragen opgeworpen om de geschiedenis van de Nederlanden in het eerste millennium van onze jaartelling nog eens grondig te herzien"..
    Deze conclusies sluiten precies aan bij die van Albert Delahaye, al zal hij dat niet erkennen. Heeft hij ook deze boeken wel gelezen?

    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

  • Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.