| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
De abdij van Lorsch.
De notitie over Gerwards boeken vind je op: https://doi.org/10.11588/diglit.4556#0074. Dat lijstje noemt de volgende boeken: Breviariumboeken van Sint Nazarius. Het Evangelie geschilderd met gouden schrift met ivoren tabletten. Ook vier Evangeliën in een andere code. Ook in de derde op dezelfde manier ... (1v) Psalter II. (2r leer). (2v Supplementen). Boek met uitleg van de evangelielezingen en andere lezingen gedurende het jaar ... Boek van Felicis Capellae. (3r) Boek Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Rechters, Ruth in één code ... (33r) Passie van Sint Quintinus. Akte van de terugkeer van het Heilige Kruis en het leven van Sint Ambrosius en Sint Gregorius de Paus in één code. Passie van Sint Sebastiaan de martelaar.
Breviarium (brevierboeken) is een officieel getijden- of gebedenboek van de Katholieke Kerk. Het bevat de dagelijkse gebeden, psalmen en lezingen die priesters en kloosterlingen op vaste tijden van de dag (de 'getijden') moeten bidden of zingen. Het noemen van Sint Nazarius, Sint Quintinus en Sint Ambrosius wijst duidelijk naar Noord-Frankrijk en wel naar de plaatsen St.Nazaire, St.Quentin en Tours (bron: Alcuinus).
Ambrosius (van Milaan) wordt genoemd door Alcuinus als hij uitweidt over verschillende plaatsen waar de gelovigen naar toe trekken, te weten naar Rome vanwege de apostelen; naar Milaan om Ambrosius te vereren; naar Augst in de Alpen voor de Thebaanse martelaren; naar Poitiers voor de heilige Hilarius; en hij vervolgt dan (met een citaat uit een preek): Wat zal ik van jou zeggen, Toronica civitas, je bent maar klein in je muren en eigenlijk maar verachtelijk ("despectibilis"), maar door het patronaat van Martinus ben je groot en prijzenswaard. Wie zal naar jou toe komen om jezelf? Maar omwille van de zekere gunsten van hem (Martinus) stromen de gelovigen naar je toe.
De context maakt duidelijk dat Alcuinus de Martinus-kerk van Traiectum (Tournehem) bedoelt. Bron: Alcuinus, Vita S.Willibrordi, AS, nov. Ill, p. 449. Voor de plaatsnaam gebruikt Alcuinus een uitzonderlijke vorm, die beslist niet op Utrecht van toepassing kan worden verklaard, maar wel op Tournehem van toepassing is. Prof.F.Hugenholtz meende dat Alcuinus helemaal niet Tournehem had bedoeld doch Tours, bekend door het graf van Martinus. Zo opgevat, zou de passage een belediging voor Tours zowel als voor Alcuinus zelf zijn geweest. Deze stond namelijk aan het hoofd van de Karolingische universiteit, die in Tours gevestigd was. Stel je voor, dat de rector magnificus van Tours, de aartsbisschop van Sens (in een preek) laat zeggen: "Tours, jij verachtelijk gat, je bent niks waard, maar door Martinus stel je tenminste nog wat voor".
Het is dan ook zonneklaar dat Alcuinus niet Tours bedoelde maar de kerk van Tournehem (dat maar een klein dorp was), wat natuurlijk de diepste en echte reden is voor het tegenspartelen van de geleerde professoren. Immers de veronderstelling dat Alcuinus voor de aartsbisschop van Sens een preek zou schrijven om af te steken in de St.Maartenskerk van Utrecht, zal door niemand worden aanvaard. En toen Hugenholtz in Tours zijn enorme bok had geschoten (zijn Franse collega schoot de andere kant uit, die veronderstelde dat het om Doornik ging!), maakte hij zich beroemd door de sneer, dat hij verder niet meer met Delahaye wilde praten omdat zijn "niveau" voor hem te laag was. Alcuinus het bevuilen van eigen nest aanwrijven, dat is pas niveau!
Deze tekst is vooral van belang omdat het een tussenvorm levert van de oudste naam van Traiectum naar de eerstvolgende bekende naam Turringahem uit ca.877. En met Traiectum-Toronica-Turringahem is de naamkundige ontwikkeling tot Tournehem volledig te aanvaarden, ongeacht of de jongste fase daarbij al dan niet verband houdt met een volks-etymologie voor "bocht in de Hem". Overigens is het bekend dat zowel Doornik als Tours ook onder de namen van Turonicum of Toronicum vorkomen, maar die worden hier zeker niet bedoeld. Ook in Frankrijk is het verschijnsel Deplacements Historiques bekend, sterker: het is een uit Frankrijk afkomstig begrip.

Verschillende citaten, uit een codex en een kroniek van de abdij Lorsch zijn een nadere beschouwing waard.
In het jaar 793 of 794 schenken Walther en Richlint goederen aan de abdij: „in pago Batawe".
In 800 ruilt de abt een mansus te Gannita tegen een mansus te Adelricheim: „mansum unum in pago Batawa, in Gannitae marca".
Andere schenkingen worden vermeld in de jaren 814 en 815: „in pago Batawe, in villa Gannita. Precies dezelfde woorden vindt men in een vermelding van het jaar 854. In het jaar 860 geeft koning Lotharius goederen uit het beneficium van Rorik aan de abdij; „ex rebus iuris nostri ex beneficio Hrorici in villa Gannita ad ecclesiam sancti Nazarii". In het jaar 863 schenkt paltsgraaf Ansfried goederen aan de abdij tegen een lijfrente op de goederen te Gendt (?): „in loco vel villa, quae dicitur Gannida". In het jaar 891 of 892 worden eveneens goederen aan Lorsch geschonken: „in pago Batawa. . . dederunt ecclesiam in Gannita, constructam in honore sancti Martini".
In 1024 schenkt koning Conrad II het recht dat hij op de horigen van de hof te Gendt (?) heeft, aan de abdij: „omne ius, quod ad nostram regalem respicit manum in mancipiis ad curtem Gannitae pertinentibus". Deze oorkonde wordt in het jaar 1046 door koning Hendrik III in dezelfde
bewoordingen bevestigd.
Uit de codex van Lorsch is een nietgedateerde lijst van cijnsen bekend, die echter met enige grond in tijdsorde na de oorkonde van 1046 mag worden gesteld. Zij bevat het volgende: „de pr&edio ecclesiae sancti Nazarii, in Gente. . . in curiam sancti Nazarii, quae est in Gente". Tussen
de jaren 1125 en 1137 moet de oorkonde van keizer Lotharius II gesteld worden, waarin hij een curia te Gent aan Lorsch schenkt: „curiam Gannitam".
Allereerst moet worden opgemerkt, dat het niet geheel duidelijk is dat alle vermeldingen van Gannita op Gendt in de Overbetuwe slaan; de vermelding van een kerk van St.-Nazarius, een bij uitstek Frans patronaat, en van Rorik, een locaal-historisch gegeven uit Normandië, maakt dit twijfelachtig. Van de andere kant echter schijnen de bezittingen van Lorsch te Gendt historisch zo vast te staan, dat minstens een deel der vermeldingen op Gendt in de Nederlandse Betuwe kan worden geïnterpreteerd. Wij hebben voorlopig nog geen gegevens om hierin een zakelijk onderscheid te kunnen toepassen.
Een andere opvallende merkwaardigheid is van méér belang. In de gegevens van de jaren: 793, 800, 814, 854 en 891 wordt de Batua nominatim vermeld; maar in die van 860, 863, 1024, 1046, na 1046 en 1125 wordt het landschap niet meer genoemd. Wat kan hiervan de reden zijn?
De eerste serie van gegevens zijn vermeldingen, die in de codex of het chronicon van Lorsch als feitenvermelding of in de vorm van een regest zijn opgenomen; van de tweede serie zijn de volledige oorkonden in afschrift voorhanden. In deze laatste teksten, die hun vroegere authenticiteit bewaard hebben, komt geen vermelding van de Batua voor. De eerste serie bevat derhalve, naast de zakelijke vermelding van een feit, een interpretatie, die hoogstwaarschijnlijk niet uit de originele oorkonden te putten was, want ook andere oorkonden, die verbaliter nog aanwezig zijn, houden hiertoe geen aanwijzing in. De eerste serie van gegevens, vermoedelijk aanzienlijk later opgesteld of overgeschreven, heeft derhalve geen waarde ten aanzien van de toponiem Batua in Nederland, daar zij reeds vermengd zijn met een interpretatie.
Rangschikt men deze gegevens op een andere manier, dan kan nog scherper worden aangetoond, dat zij in het geheel niet de naam van Batua voor het Nederlandse landschap bevestigen. De teksten van 860 en van 1046 moeten om de vermelding van Rorik en de kerk van St.-Nazarius voor Nederland afgewezen worden. Dat de ene vroeg ligt, in 860, en de andere vrij laat, in 1046, houdt in, dat dit twee betrouwbare gegevens zijn, die het goederenbezit van Lorsch in de oorspronkelijke en authentieke Batua gedekt hebben. Dit bezit in Noord-Frankrijk moet op een zeker tijdstip vervreemd of in vergetelheid geraakt zijn.
Op een andere plaats, die inmiddels de naam van Batua gekregen had, werd het weer levend gemaakt, waar de toponiemen —al waren die ontleend, doch dit realiseerde men zich niet— om en nabij de juistheid van de ontstane overtuiging schenen te staven. Bewust falsificerend werd hierbij niet opgetreden, zoals trouwens nergens geschied is in de essentiële zaken of de raakpunten van de mystificatie met betrekking tot de Karolingische residentie Noviomagus. Wel ging men al te oppervlakkig aan enige duidelijke vestigia voorbij, die in de oude teksten waren achtergebleven en die ons nu de veronderstelling mogelijk maken, dat het oorspronkelijk goederenbezit van Lorsch in Noord-Frankrijk lag.
Daarom zijn wij verre van overtuigd, dat de andere teksten op Gendt in de Betuwe slaan. Wij vermoeden dat zij op Gendt passend zijn gemaakt op grond van de overtuiging, in of na de 12e eeuw ontstaan, dat de historische interpretatie van de oudere teksten op de Betuwe wees. Een andere mogelijkheid lag zó ver buiten het gezicht, dat deze in de verste verte niet opkwam. Doch er is geen bezwaar om bij wijze van veronderstelling aan te nemen, dat die teksten inderdaad Gendt in de Nederlandse Betuwe hebben aangeduid. Dan leggen wij echter de volle nadruk hierop, dat de vijf teksten, die de Batua noemen, geen authentieke oorkonden zijn doch regesten, waarin de toponiem Batua terechtkwam, nadat de Nijmeegse mystificatie gemeengoed was geworden en de toponiem Batua naar Nederland was ingevoerd.
Uit de gegevens van Lorsch wordt dus geenszins bevestigd, al was dit in schijn wèl het geval, dat de toponiem Batua van de 8e tot de 11e eeuw reeds voor het Nederlandse landschap gold. Dit wordt geadstrueerd door een oorkonde over Angeren, die zonder enige twijfel in de Betuwe gelocaliseerd moet worden (Sloet, nr. 309). Tussen de jaren 1160 en 1164 ligt de regeling van een geschil van Lorsch en de parochianen van Angeren. Deze oorkonde is in haar geheel in het chronicon van Lorsch opgenomen en de tekst bevat de toponiem Batua niet. Opvallend is, dat er zelfs geen latere tekstverminking of een interpolatie is ingeslopen. Uit deze oorkonde, die toch vrij dicht na de bouw van het Nijmeegse paleis door Frederik Barbarossa ligt, blijkt dat de toponiem Batua niet onmiddellijk op de mystificatie van het karolingische Noviomagus is gevolgd, maar dat het nog enige tientallen jaren heeft geduurd, alvorens deze in de locale oorkonden doordrong.
De oorkonde van koning Zwentibold van het jaar 897 (Sloet,nr, 70), die de woorden bevat: „in pago Batawi, in comitatu Dodonis, in villa Harawa ecclesiam", en die op Herwen in de Betuwe is geïnterpreteerd, moet als zij authentiek is, zowel om de toponiem Batua als om het graafschap van Dodo voor de Nederlandse Betuwe afgewezen worden. Hetzelfde is het geval met een lijst der inkomsten van de abdij Corbey (Sloet, nr. 167), die tussen de jaren 1053 en 1071 gesteld wordt. Zij vermeldt: ,,in Husstin, in pago Bathua". De interpretatie Heusden voor Husstin, evenals de interpretatie Herwen voor Harawa, wordt noch woordelijk noch zakelijk door een andere tekst gesteund. Husstin moet eerder geïnterpreteerd worden als Hesdin, een plaats in Noord-Frankrijk.
Door middel van een oorkonde uit het jaar 1015 gaf Heribert, aartsbisschop van Keulen, aan het klooster van Deutz de kerk van Zetten, hem opgedragen door graaf Balderik en zijn vrouw Adela: „in villa quae dicitur Sethone. . . sitam in pago qui vulgo dicitur Betuam". Deze oorkonde bevat een en ander, dat twijfels oproept. Bij de getuigen wordt bisschop Notker van Luik genoemd; deze overleed reeds in 1007. Ook de chronologie der indicties klopt niet; het is meer dan waarschijnlijk, dat deze oorkonde een post-factum is. De vulgo-uitdrukking bij de toponiem
Batua is enigszins misplaatst; de Batua was immers reeds lang tevoren, vanaf de Romeinse periode, als een vast staande en ruim verbreide toponiem bekend, die ook in de schriftelijke bronnen als een overbekende naam gebruikt werd. Waarom dan dit vulgo? Waarschijnlijk was deze naam zich op het tijdstip, dat de oorkonde werd opgemaakt, in Nederland aan het inburgeren en hier was het „vulgo" wel zeer toepasselijk. Zo schrijft men echter niet, als men over een van ouds gebruikte naam spreekt. Het moet dus zeer waarschijnlijk worden geacht, dat
de oorkonde in deze vorm opgemaakt is tegen het einde der 12e eeuw.
