| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
|
De ligging van de Fossa Drusiana en de identificatie van de Romeinse versterking Castra Herculis zijn klassieke twistpunten in de Nederlandse archeologie. Een van de problemen is het ontstaan van de IJssel als Rijntak. Bron: Westerheem. W.J.H.Willems beschouwt de discussie hierover tot de wetenschappelijke folklore behorende haarkloverij. Deze stellingname zegt meer over het wetenschappelijk niveau van Willems dan over het belang van de discussie. Immers het zijn kernpunten in de discussie over het eerste begin van de Romeinse occupatie in Nederland. Als de gracht van Drusus niet in Nederland lag tussen de Rijn en de IJssel, moet men vanaf 9 vóór Chr. opnieuw beginnen met het vaststellen van de geschiedenis. Als het uitgangspunt verkeerd is, zijn ook alle daarvan afgeleide standpunten verkeerd. Meer informatie vindt U op Nifterlaca.nl en lees het artikel De IJssel is jonger dan gedacht? Samenvatting van dat artikel: De IJssel is later ontstaan dan tot dusverre werd aangenomen. Dat stelt wetenschappelijk instituut Alterra, onderdeel van de Wageningen Universiteit. De stelling dat de bovenloop van de rivier rond het begin van de jaartelling is gegraven om te dienen als vaarroute, klopt volgens de onderzoekers niet. Bodemonderzoek en radiokoolstofdateringen op twee plaatsen in het IJsseldal tonen aan dat de IJssel pas in de vroege Middeleeuwen is ontstaan, tussen 600 en 950 na Chr. Daarvoor was het IJsseldal een moerassig gebied waarin een klein riviertje stroomde dat werd gevoed door lokale beken. Het riviertje groeide uit tot een rivier die uiteindelijk ook water van de Rijn afvoerde. Een populaire theorie zegt dat de bovenloop van de IJssel rond het begin van de jaartelling is gegraven door de Romeinse veldheer Drusus. Zijn soldaten zouden rond 12 voor Christus een kanaal hebben aangelegd. De theorie is gebaseerd op klassieke Romeinse geschriften en was altijd een discussiepunt tussen geschiedkundigen, archeologen en geografen. Het onderzoek van Alterra toont definitief aan dat de Romeinse theorie niet klopt, aldus de onderzoekers. Na het ontstaan van de IJssel, dus na het jaar 950, ontstonden pas de handelssteden Doesburg, Zutphen, Deventer en Kampen. Het in de 17e eeuw door historici geadopteerde idee dat de Gelderse IJssel als een door de Romeinse veldheer Drusus voor zijn troepen gegraven kanaal, rond het begin van de jaartelling zou zijn aangelegd, strookt niet met de geologisch gekarteerde afzettingen (breeduitwaaierende doorbraakcomplexen) en de dateringen van begin van kleisedimentatie ten noorden van Deventer. De Gelderse IJssel moet als een op natuurlijke wijze ontstane rivier worden beschouwd. |
De Gelderse IJssel bestond nog niet in de Romeinse tijd. Bron: De Pers In de Romeinse tijd heeft tussen Westervoort en Doesburg nog geen rivier gestroomd. Onze gedachten gaan veel meer in de richting van de periode na 500 n.Chr. Bron: Westerheem, p.22. Het merkwaardige is, dat de sedimentatie in de IJsseldelta pas omstreeks 1200 n.Chr. op gang is gekomen. Bron: Westerheem, p.22. Daarmee wordt het betrekkelijk jonge karakter van de IJsseldelta bevestigd. Waarschijnlijk ontstond de Gelderse IJssel rond 400 n.Chr. Bron: Atlas van het Holoceen, p.68. Bodemonderzoek en radiokoolstofdateringen in het IJsseldal tonen aan dat de IJssel pas in de vroege Middeleeuwen is ontstaan, tussen 600 en 950 na Chr. Conclusie aan de hand van bovenstaande citaten: het is overduidelijk dat de Gelderse IJssel in de eerste eeuwen van het eerste millennium nog niet bestond. Of de Gelderse IJssel pas in 400 of pas in 600 ontstond doet in feite weinig ter zake. Zeker is dat de Gelderse IJssel in de Romeinse tijd niet bestond"."En daarmee kunnen alle theoriën over Romeins Nederland van prof.dr.J.E.Bogaers, van prof.dr.B.H.Stolte, van prof.dr.R.R.Post, van prof.dr. P.H.Leupen, van prof.dr.F.W.N.Hugenholtz, van prof.dr. W.J.H.Willems en van prof.dr. W.A. van Es van tafel. Zij blijken het met zijn allen dus al die jaren verkeerd te hebben gehad en zijn ze van de verkeerde uitgangspunten uitgegaag. Men is dus verplicht de hele Romeinse geschiedenis in ons land opnieuw te gaan onderzoeken. Het zal leiden tot de conclusie dat Albert Delahaye wat Romeins Nederland betreft gewoon gelijk heeft".Het niet bestaan van de Gelderse IJssel in de Romeinse tijd betekent dat: Bart Vermeulen, de huidige stadsarcheoloog van Deventer weerspreekt dit onderzoek als volgt: "Het is moeilijk te geloven dat Deventer een stad werd voordat er een rivier lag".(Inderdaad een terechte en zeer juiste constatering!) Hij vervolgt met twee verwijzingen naar teksten. Tegen toepassing van deze teksten op Nederland zijn de volgende argumenten in te brengen: De verplaatsingen van de geschiedenis van St.Lebuinus, de Isla en Daventria vanuit Frankrijk naar Nederland komt overeen met die van Karel de Grote van Noyon naar Nijmegen, van St.Willibrord van Tournehem naar Utrecht en van St.Bonifatius van Dockeringa naar Dokkum. Het is één complexe kluwe van mythen, die, als je er één ontrafelt, ook consequenties heeft voor alle overige mythen. Wat weten we nu feitelijk echt? Volgens geologisch en pollenonderzoek is de Gelderse IJssel hoogstens zo'n 1700 jaar oud. Over een periode van 400 jaar werd de rivier steeds belangrijker. De rivier was rond het jaar 1200 gedeeltelijk bedijkt, er waren toen nog regelmatig overstromingen. Archeologische vondsten zijn in de late Romeinse tijd, de vroege en in de late middeleeuwen te plaatsen. Bron: H.J.A.Berendsen. Een eenvoudig rekensommetje leert dus dat de Gelderse IJssel rond het jaar 300 ontstond en pas rond het jaar 700 "bevaarbaar" zou zijn. Voor de archeologische vondsten: zie hierna bij Van Es. Bevindingen van dr.W.A. van Es. "Wat de Romeinse periode betreft, zijn er geen geschreven bronnen die over Overijssel handelen. Archeologische vondsten zijn de enige informatiebron, maar het blijft moeilijk en onzeker daar verregaande conclusies aan te verbinden. In de vroege middeleeuwen is het al niet anders, hoewel geschreven bronnen wat meer helderheid verschaffen. Sommige historische gebeurtenissen zijn direct verbonden met dit onderwerp, zoals de geschiedenis van St.Lebuinus en Deventer in de late 8e eeuw. Zowel in Deventer als in het noorden van Twente ontbreekt het zo goed als aan Karolingisch import aardewerk. De vraag die nu rijst is of de kerk van Utrecht haar contacten niet heeft benut om meer aardewerk naar Overijssel te laten importeren of dat handelaars vanuit Dorestad*) hun goederen er verkochten. Hoe dan ook, Karolingisch aardewerk komt er nauwelijks voor". "Een scheepvaart verbinding tussen Dorestad*) met Overijssel bestond via Utrecht, het Flevomeer en het westen van Overijssel". "Het is opvallend dat er nauwelijks op de draaischijf vervaardigd aardewerk uit de 5e tot 7e eeuw gevonden is in Overijssel. Slechts op 3 plaatsen is Merovingisch op de draaischijf vervaardigd aardewerk gevonden. Tussen de 4e en 9e eeuw zijn uit de archeologisch vondsten geen preciese dateringen af te leiden". "Wat Deventer in het vroegste bestaan in de Karolingische periode betreft, is er slechts weinig ondersteunend aardewerk". Bron: ROB-berichten 1977. Tot zover enkele citaten van dr.W.A. van Es in het ROB-bericht 1977. *) Van Es gebruikt hier dus suggestief de naam Dorestad, waar de nederzetting Munna te Wijk bij Duurstede bedoeld wordt. Zie verder bij Wijk bij Duurstede. De "geschreven bronnen" die Van Es hier aanhaalt, zijn dus allemaal Franse kronieken, ver van Nederland geschreven. Ze handeleden over gebeurtenissen in de eigen Franse streken en niet over het niet bestaande Nederland. De bevindingen van Van Es sluiten ook precies aan bij eerdere publicaties over de moerasgebieden in Overijssel, en het niet bewoond zijn ervan. Met name langs de IJssel ontbreken sporen van bewoning. "De vlakke weidestreek tusschen Kampen. Elburg en Hattem heeft behalve langs de zee en de rivier - een laagveenbodem, die vanaf het dorp Kamperveen bestaat uit een 2 meter dikke veenlaag, rustend op zand en aan de oppervlakte bedekt met een kleilaag van een voet dikte". "Hier en daar komen zandhoogten voor, van ouds "bergen" genoemd. Door den moerassigen bodem vestigden zich hier eerst laat bewoners. Vermoedelijk is deze streek gekoloniseerd omstreeks 1170 door Hollanders en Friezen. Toen ontstonden Hollanderbroek. thans Oldebroek, en Kamperveen. Verder oostelijk lagen de Hollanderhuizen, thans verdwenen. De kolonisatie in dit "brokich ende ongebouwet land" maakte een grensregeling nodig, waarbij een deel der nieuwe hoeven op Gelders en een ander deel op Overijsels grondgebied kwam te liggen; dit gebeurde in 1187 of 1188." "Het veengebied rechts van de IJssel was in de 14e eeuw een onverdeeld gebleven stuk der moedermarke van Salland; ook de opwassen in de IJsselmond behoorden hier toe. In 944 lag hier de pagus forestensis of boschgouw, misschien een graafschap van de heren van Voorst. In 1364 werd deze streek verdeeld onder de omliggende marken." Bron: H.J.Moerman Nog enkele opvallende zaken in het artikel van Moerman zijn: De conclusies zijn duidelijk: In Deventer is men nog steeds op zoek naar oudere sporen dan wat men er tot nu toe gevonden heeft. Behalve een pre-historische nederzetting heeft men op enkele aardewerkscherven na, nog niets gevonden van vóór de 10e eeuw: geen kerk, geen nederzetting, geen bewoning of zelfs geen spoor van de Noormannen die er geplunderd zouden hebben. Zie ook Deventer Archeologie. De geschiedenis van Deventer komt exact overeen met die van Nijmegen, Utrecht en Wijk bij Duurstede. Er is in de Merovingische of Karolingische periode geen enkele bewoning van betekenis geweest. De vermeende handel en prediking in deze streken moeten we dan ook als een uitvloeisel van de "deplacements historiques" beschouwen. Lees het boek "De Ware Kijk Op" en oordeel zelf! |