De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.
Civitas en stad van de Bataven en Canninefaten.

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!







De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond de Bataven: verbleven zij in de Betuwe, rond Trajectum: was het Utrecht of Dockynchirica, was dat Dokkum? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat hoort dan allemaal thuis in Noord-Frankrijk!


De belangrijkste vraag is "Wat is er in Nijmegen nog gevonden aan bewijzen, sinds 1961?"

Waarop baseert men het feit dat Nijmegen Ulpia Noviomagus heeft geheten en waarop baseert men het verkregen stadsrecht van Trajanus?
In 1961 waren die bewijzen er niet dan slechts aangetoond met 'kan hebben' , 'mogelijk' en 'hoogst waarschijnlijk'.


Van Buchem in Numaga VI mei 1959 p.51: "Wij hopen, dat dr. Bogaers spoedig gelegenheid zal vinden om zijn nieuwe denkbeelden omtrent deze voor de oude geschiedenis van Nijmegen toch waarlijk niet onbelangrijke kwesties duidelijker en uitvoeriger uiteen te zetten." Van Buchem betwijfelde de gegrondheid van Bogaers' scepsis, dat het Romeinse Nijmegen, onder de naam "Municipium Ulpia Noviomagus Batavorum", zijn stadsrechten aan keizer M. Ulpius Traianus (98-117) te danken zou hebben.

Dat betwijfelde Bogaers in zijn rede in 1959 dus: zie punt 18 hiernaast.


Dat was wel even schrikken voor chauvinistisch Nijmegen in 1963. Niet de Waalstad was de oudste van Nederland, maar Voorburg. Het was niet zo maar iemand die dat beweerde. Nee, het was de gerenommeerde Nijmeegse archeologie-professor J.E. Bogaers. Onderzoek van een Romeinse mijlpaal die bij Rijswijk werd gevonden, had hem hiervan overtuigd. Inmiddels zijn de bordjes allang weer verhangen. Nijmegen noemt zich met trots de oudste stad van het land. Net als Maastricht overigens. Maar dat is vooral goede PR. Bij Nijmegen is het wetenschappelijk aangetoond (meent men in Nijmegen,maar de bewijzen worden -begrijpelijk- niet gegeven. Nijmegen zou meteen door de mand vallen!)
J. E. BOGAERS, "Civitas en stad van de Bataven en Cananefaten". Berichten van de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jaarg. 10-11 (1960-61), blz. 263-317. "Deze studie van prof. Bogaers is in wezen zijn rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de Romeinse oudheidkunde van de Nederlanden aan de Nijmeegse universiteit in 1959 en werd als zodanig door dr. H. J. H. van Buchem uitvoerig besproken in Numaga (jrg. VII, blz. 129 v.v.). Wel heeft de auteur, rekening houdend met een aantal opmerkingen van buiten- en binnenlandse vakgenoten, hier en daar de tekst sterk gewijzigd en uitgebreid".
"Die rede is op papier verschenen in 1960-1961, maar er bestaan verschillende versies van die niet geheel overeen komen. Bij de revisie, die is afgesloten op 13 juni 1961, heeft de auteur dankbaar gebruik gemaakt van opmerkingen van S. S. Frere, Londen, dr. H. van Petrikovits, Bonn en dr. W. Schleiermacher, Frankfurt a. M." (ende citaat). "Sterk gewijzigd en uitgebreid" betekent niets meer en niets minder dan dat Bogaers enkele onjuistheden verbeterde en dat hij onvolledig was en dat aanvulde. Het woord "sterk" benadrukt behalve dat er nogal veel veranderd moest worden, ook dat zijn manier van werken niet adequaat en wetenschappelijk was. Die was allerminst sterk te noemen.

Opvallend is dat Bogaers in zijn inauguratierede nergens de Betuwe noemt als woonplaats van de Bataven. Hij plaats de Bataven slechts in Nijmegen dat hij Oppidum Batavorum (74x) of Batavodurum (29x) noemt.

De visie van Albert Delahaye.
Jules Bogaers is altijd een van de felste opponenten van Albert Delahaye geweest. Waarom? Wat had hij te verliezen? Zoals in het krantenknipsel hiernaast al wordt beschreven, uitte zijn ongenoegen zich in briezen en fulmineren (=razen, tekeergaan, tieren en schelden). Bogaers noemde Delahaye ook 'een ernstig ziektegeval'. Aan welke ziekte Delahaye leed heeft hij nooit vernomen. Het zal wel de ziekte van de Hogen Lugt geweest zijn, waarbij de mensch plotseling de waarheid, de volle waarheid en niets dan de waarheid ging spreken. En die waarheid (en dat wist Bogaers als geen ander) was pijnlijk voor Bogaers. Het zette immers zijn reputatie als 'deskundige' op het spel.



Fundamenten van Romeins Nederland?
Het is overigens opvallend dat men in Nederland dit artikel van Bogaers niet als uitgangspunt heeft opgevat. Zeker diegene die Bogaers zo graag als deskundige opvoeren. Men gebruikt het daarentegen zelfs om te bewijzen dat Nijmegen in de Romeinse tijd Noviomagus en Batavodurum geheten heeft. En dat is uiteraard vreemd, aangezien Bogaers juist in dit artikel meent dat aan de naam Ulpia Noviomagus voor Nijmegen nog wel te twijfelen valt, evenals aan de naam Foro Adriani voor Voorburg. En dat zijn wel twee fundamenten van Romeins Nederland die Bogaers hier aan het wankelen brengt. Bewijzen? In dit artikel, zijn inauguratierede, vind je geen klare bewijzen voor de opvattingen van Bogaers. Het blijken aangenomen en zelf bedachte opvattingen te zijn, zoals Van Buchem al concludeerde. Er wordt geen enkel duidelijk bewijs genoemd dat Ulpia Noviomagus op Nijmegen betrekking had. Het is slechts gebaseerd op het feit dat Boaers (en de Nederlandse historici) uitgegaan zijn van ? een paleis van Karel de Grote in Nijmegen en ? dat de Bataven (die in deze teksten over Ulpia Noviogus genoemd worden) in de Betuwe verbleven.
Twijfel en onzekerheid.
In dit artikel spreekt Bogaers ten aanzien van een aantal zaken toch duidelijk zijn twijfel uit. De woorden "waarschijnlijk" (komt 47x voor), "mogelijk" (33x), "wellicht" (30x), "vermoedelijk" (18x), "(onge)twijfel(d)" (12x), "niet duidelijk" (4x), "echter" (60x), "onjuist" (13x), "zou kunnen of zou hebben of kan of moet hebben" (meer dan 60x), "moet men wel concluderen" (4x), "aannemen" (9x), "aannemelijk" (11x) en verder termen als "valt niet te bewijzen", "het staat geenszins vast", "ten onrechte", "het lijkt erop dat" komen te vaak voor in dit artikel van 54 bladzijden. Dat komt neer op 6 opmerkingen per bladzijde waaruit twijfel spreekt. Daarnaast maken ontkenningen als 'niet' (129x) en 'geen' (71x) er ook niet meteen een betrouwbaar en gefundeerd verhaal van. Verder vindt Bogaers zelf al enkele zaken 'merkwaardig' (5x), 'onwaarschijnlijk' (2x) of zijn er 'geen gegevens' of is er 'geen enkele aanwijzing' waarmee zijn opvattingen niet veel sterker worden.



Wij volgen hier de versie zoals verschenen in "Berichten van de Rijksdienst van het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jaarg. 10-11 (1960-61), blz. 263-317".
We bespreken hieronder de opvallendse conclusies uit dat artikel. We geven letterlijke citaten en voorzien deze van onze opmerkingen in rood. Het hele artikel kunt U hier lezen, al is dit in detail (vooral bij de noten) een andere versie.
    Als eerste geven we hierbij een tekst van Bogaers die ook in het Bronnenboek van Nijmegen staat en daar tekst 1 is.
  1. 'In tegenstelling tot de meestal aarzelend naar voren gebrachte mening van anderen ben ik er van overtuigd dat het altaar van Ruimel niet uit de 2de eeuw na Chr. dateert, maar uit de 1ste, en wel uit de periode vóór de opstand van de Bataven'. Het blijkt een persoonlijke mening van Bogaers te zijn "in tegenstelling van anderen" is hij er van "overtuigd". Waaruit die overtuiging blijkt? Bogaers dateert deze tekst in 0 -50 na Chr. De opstand van de Bataven was in 69 en 70 na Chr. Vraag is of in 50 na Chr. de Romeinen al tot de Betuwe gevorderd waren. Volgens de traditionele opvattingen wel, immers Drusus had al kanalen aangelegd in 9 na Chr. en tegen de Friezen was al in 28 na Chr. gestreden. Maar van beide opvattingen ontbreekt elk bewijs.

  2. Ten aanzien van de Bataven kan men met Mommsen spreken van een ’tolerierte Autonomie’. Het voor hen zeer gunstige karakter van het verdrag met de Romeinen is te verklaren uit de omstandigheid dat hun land in strategisch en economisch opzicht van groot belang is geweest. Mommsen is een Duits historicus. Dat het land van de Bataven (de Betuwe?) van groot strategisch en economisch belang is geweest. Waaruit blijkt dat? Bogaers komt niet verder dan 'blijkbaar achtten de Romeinen een bijzonder krachtig militair gezag in het gebied van de Beneden-Rijn voorlopig noodzakelijk'. Blijkbaar? Als we Stijn Heeren en W.van Es mogen geloven vindt de gedachte dat de Bataven in de Betuwe en het Brabantse aanwezig waren thans geen bijval meer. Het is dus achterhaalde geschiedenis en dan houdt toch ook deze hele discussie op?

  3. Het altaar van Ruimel is gewijd aan Magusanus Hercules, een godheid die beter bekend is als Hercules Magusanus. Dat deze de voornaamste god van de Bataven is geweest, valt niet te bewijzen. Dan houdt toch ook deze discussie op?

  4. Het is mij niet duidelijk hoe E. Komemann en, in navolging van hem, A. W. Byvanck vooral op grond van een vergelijking van mededelingen van Plinius de Oude ten aanzien van de volksstammen in de Rijndelta en in Gallia Belgica met gegevens die we bij Ptolemaeus vinden, hebben kunnen menen dat, toen Plinius zijn inlichtingen verkreeg, er nog geen civitas Batavorum bestaan zou hebben. Wat voor Bogaers niet duidelijk is, komt blijkbaar niet overeen met zijn opvatting dat de Civitas Batavorum vóór 50 al bestaan heeft (zie punt 1). Bogaers is het hier niet eens met Kornemann en Byvanck, die de teksten van Plinius en Ptolemeus anders opvatten en Batavorum pas na 70 na Chr. plaatsen.

  5. In Nijmegen was echter na het vertrek van de Legio X Gemina omstreeks 104 naar Pannonia geen legioen meer gevestigd; de moderne naam Noviomagus kwam dus niet voor op de lijst der garnizoensplaatsen. Wanneer men nu aanneemt dat de Legio X Gemina te Nijmegen de plaats van de Legio II Adiutrix heeft ingenomen - en dit ligt inderdaad voor de hand dan is hierdoor de ligging van Batavodurum ten naaste bij bepaald. In ieder geval maakte dan het terrein van de Nijmeegse legerplaats daarvan deel uit. Danis hierdoor de ligging van Batavodurum ten naaste bepaald. Voor de ligging van Batavodurum zie het volgende punt. Nijmegen Noviomagus genoemd bestond dus nog niet in 104 na Chr. Dat Batavodurum deel uitmaakte van de Romeinse legerplaats is dus slechts een aanname van Bogaers, maar wel een onbegrijpelijke aanname. Zouden de Romeinen het goed gevonden hebben dat de Bataven binnen hun legerkamp woonden?

  6. Wat de situatie van vóór 70 betreft heeft Batavodurum zich voornamelijk uitgestrekt over het heuvelland aan de noordoostelijke zijde van het huidige Nijmegen; hiertoe behoren o.a. het Valkhof, Kelfkensbos, Hunerpark, Hunerberg en ook het terrein van het Kopse plateau met de daar gevonden overblijfselen van een inheemse (Bataafse) burcht. Opvallend is dat Bogaers nergens de Betuwe noemt als woonplaats van de Bataven. Hij plaats de Bataven slechts in Nijmegen dat hij Oppidum Batavorum (74x) of Batavodurum (29x) noemt. Opvallend is ook dat W.Willems in 1989 bij zijn opgravingen naar dat Oppidum Batavorum dat J.H.Holwerda ook al in Nijmegen had gezocht, opmerkte: "We hebben het niet gevonden". En ten aanzien van de Bataven dat "als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse".

  7. Men doet m.i. verder het beste met het eveneens van Tacitus bekende oppidum Batavorum te identificeren met Batavodurum in de zo juist vermelde betekenis; oppidum Batavorum is dan dus niet zozeer een op zichzelf staande eigennaam, als wel een omschrijving of vertaling van Batavodurum: stad en (of) sterkte van de Bataven. In tijden van gevaar kon de vesting op het Kopse plateau als vluchtburcht dienst doen voor de Bataven die het heuvelland in de onmiddellijke omgeving bewoonden. m.i. is volgens het inzien van Bogaers en is Oppidum Batavorum hetzelfde als Batavodurum dat als vluchtburg dient deed. Ook bij de Bataafse Opstand? Vluchten de Bataven dan naar het Romeinse Legerkamp? Het heuvelland is de omgeving van Nijmegen richting Groesbeek en Berg en Dal waar immers heuvels zijn. Daar woonde dus de Bataven. Het was dus NIET de Betuwe! Waar stond dan Claudius Civilis te knarsentanden toen hij de Romeinse legerscharen zag naderen, zoals op het hek op Het Valkhof staat? Op het Valkhof? En kwamen die Romeinse legerscharen dan uit de Betuwe, daar aan de overkant?

  8. Het is duidelijk dat de nederzetting aan de westzijde in de vlakte na verloop van tijd min of meer de opvolgster is geworden van het Batavodurum van vóór 70. Ofschoon men meestal aanneemt dat de nieuwe woonplaats vanaf het begin van de Flavische tijd de naam Noviomagus heeft gedragen, is de mogelijkheid groot, dat deze tot in de tijd van Traianus Batavodurum heeft geheten, in overeenstemming met de naam van de voormalige burgerlijke en die van de contemporaine militaire nederzetting in het oostelijke heuvelgebied; bovendien dient men er rekening mee te houden dat de vermelding van Batavodurum door Ptolemaeus wel eens betrekking zou kunnen hebben op de westelijke nederzetting van na 70, al lijkt mij dit minder waarschijnlijk. Op deze minder waarschijnlijkheid aanname baseert Nijmegen haar geschiedenis. Het komt er dus op neer dat de naam Noviomagus vóór het jaar 70 geen betrekking had op Nijmegen.

  9. Naar analogie van de situatie bij andere castra mag men wel aannemen dat de canabae van Nijmegen ook belangrijk zijn geweest als plaats voor de handel met de inheemse bevolking, en wel die aan beide zijden van de rijksgrens. Een dergelijke handel mocht aanvankelijk alleen plaatsvinden onder speciale militaire supervisie in de canabae of althans op het territorium van een legioensvesting.
    De nieuwe burgerlijke nederzetting aan de Waal aan de westkant van Nijmegen kan tegenover de canabae van het tiende legioen slechts weinig betekenis hebben gehad. Een vergelijking met andere castra (welke?) vormt geen enkel bewijs, net zo min als het 'mag men wel aannemen'. Over welke handel gaat het dan? Met volkeren aan beide zijden van de rijksgrens? Bogaers noemt dan nog enkele volksstammen (zie het volgende punt) die nooit op Nederlands grondgebied hebben verbleven. Maar handel over de grens? Met wie dan? Daar woonde (volgens Byvanck) toch nemand? Er was toch een vije en onbewoonde zone? Deze twee zinnen van Bogaers in de tekst vlak na elkaar geschreven, zijn in tegenspraak met de algemeen aangenomen opvattingen over Romeins Nijmegen dat toch Noviomagus was, maar dat slechts weinig betekenis heeft gehad. In noot 77 vermeldt Bogaers nog "De opmerking van Mócsy, o.c. 184 s. dat de canabae van Noviomagus na het vertrek van het tiende legioen tot colonia werden verheven, is niet juist.". Dat komt ook overeen met de opvatting van Van Es dat "Romeins Nederland is nimmer de eer van een colonia waardig geacht."

  10. 'Die Volksstamme, nach denen Auxiliarformationen benannt wurden, stehen immer im Rang von civitates' (naar H.-G. Pflaum). Indien dit laatste juist is, zou er reeds vóór 70 naast een civitas van de Bataven ook een van de Canninefaten bestaan moeten hebben; voor de tijd na 70 moet men dan wat ons land betreft bovendien rekening houden met een civitas van de Frisiavonen en een van de Sunuci. Andere civitates, die min of meer deel hebben uitgemaakt van het Nederlandse grondgebied, zijn die van de Morini (?), Nervii (?), Tungri en Cugerni/Baetasii (vanaf Traianus: civitas Traianensis met als hoofdstad Colonia Ulpia Traiana, bij Xanten) De volkstammen die Bogaers hier noemt zijn nooit op Nederlands grondgebied gewoond. Waar die civitas van de Canninefaten was, blift in het ongewisse. Hij noemt 'het woongebied der Canninefaten, het westelijke deel van de insula Batavorum, dat tot de civitas der Bataven behoorde en dat deze civitas in het westen aan de Noordzee grensde'. Gelukkig twijfelt hij zelf ook al aan de Morini en Nervi (gezien de vraagtekens), maar dat had hem toch aan het denken moeten zetten. De Morini woonden in Frans-Vlaanderen waar Therouanne (Tervanna=Terwaan) hun hoofdstad was. Zij woonde naast de Fresones (Frisiavonen), die Bogaers in Noord-Brabant plaatst. Dat is nu wat we 'kletspraat' kunnen noemen. De Nervii woonden in en rond Bavay (Bagacum Nerviorum) in Noord-Frankrijk. De Sunuci was een Germaanse stam in verband met de Opstand van de Bataven genoemd, waren de bewoners van Somain, op 14 km oost van Douai, en Sommaing, op 10 km zuid van Valenciennes. De Cugerni door Tacitus genoemd (Hist. IV, 26; V, 16, 18) bij de Opstand van de Bataven, waren de bewoners van Quaregnon (B.), op 4 km zuidwest van Mons, en van Chooz, op 4 km zuidwest van Givet. De Baetasii door Tacitus (Hist. I, 53; IV, 56, 66) genoemd in verband met de Treveri, de Mosa, met de Tungri (Doornik), met de Nervii (Bavay), met de Batavi (van Béthune), met de Canninefates (van Genech) en met de Marsaci (van Marchiennes), waren de bewoners van Baisieux bij Rijsel en van Bettignies bij Maubeuge. De Tungri waren (zoals bij Tacitus al aangegeven) waren de bewoners van Doornik en niet van Tongeren of Thüringen (wat enkele historici er zelfs van maakten). Het geheel wijst op Noord-Frankrijk en zuidelijk Belgie ten zuiden van de taalgrens, niets wijst op Nederland. Het betekent ook dat de Civitas Batavorum in Noord-Frankrijk lag. Het was Béthune.

  11. Uit de klassieke litteratuur kennen we slechts twee korte en nogal verwarde opmerkingen over Traianus' activiteit langs de Rijn. Aan deze keizer herinneren verder enige namen van civitates en steden in Germania; ten aanzien hiervan moet men wel bij voorkeur denken aan de jaren 97 en 98. worden. De betekenis van de woorden Ulpia Noviomagi ten aanzien van elkaar is niet duidelijk. Het woord Ulpia in dit geval de betekenis heeft van tribus Ulpia, m.a.w. dat naast de origo Noviomagi een z.g.-pseudo-tribus is vermeld, zodat het woord Ulpia dan niet rechtstreeks betrekking heeft op Noviomagi. De betekenis van de woorden Ulpia Noviomagi ten aanzien van elkaar is niet duidelijk. Wanneer men uitgaat van een nominativus Ulpia Noviomagus, is een verbinding van de ablativus Ulpia met de locativus Noviomagi beslist geen fraai Latijn, maar wellicht niet uitgesloten. De naam Noviomagus kan echter ook in de tijd waarin de inscriptie is aangebracht, reeds gefixeerd of versteend geweest zijn als Noviomagi -welke vorm in die hoedanigheid voorkomt op de Tabula Peutingeriana ter plaatse van Romeins Nijmegen en in de inscriptie als onverbuigbaar verbonden zijn met het adjectief Ulpia in de ablativus ter aanduiding van de origo. Men mag aannemen dat Traianus beide civitates geconstitueerd heeft; de bijnaam Ulpia kan heel goed in verband staan met een herstel of reorganisatie van deze civitates tijdens zijn regering.Kunt U de kronkelgedachten van Bogaers nog volgen? Als we het toch over kletspraat hebben, dan is dit een sprkend voorbeeld. In noot 119 schrijft hij dan nog: "moet men wel concluderen dat Noviomagus in het land der Bataven sinds de tijd van Traianus de bijnaam Ulpia heeft gehad. Op grond van de beschikbare gegevens komt geen ander Noviomagus voor deze keizerlijke bijnaam in aanmerking". Blijkbaar heeft Bogaers nooit gedacht aan Neumagen/Noviomagus dat binnen het gebied lag, waar Trajanus stadhouder was voordat hij naar Rome ging om keizer te worden.

  12. T. Flavius Romanus, op een inscriptie van een grafsteen uit Aquincum, kan, behalve wellicht uit een gevoel van trots, mede verklaard worden uit diens verlangen om ten aanzien van zijn origo heel duidelijk te zijn: hij kwam uit (het Ulpische) Noviomagus in het land, in de civitas der Bataven. Bogaers koppelt hier vier aannamen aan elkaar: 1 het gevoel van torts (hoe weet hij dat?), 2 diens verlangen (hoe weet hij dat nu weer?); 3 zijn origo (=herkomst) het land van de Bataven was; 4. dat hij uit het Ulpische Noviomags kwam. Maar deze 4 aannamen vormen geen bewijs dat dit Noviomagus Nijmegen was. De link met de Betuwe is het enige 'bewijs' van Bogaers, want de Betuwe lag toch in Nederland en Nijmegen ligt daar toch vlakbij? Wonderlijk dat Bogaers dan in zijn hele rede de Betuwe niet noemt als woonplaats van de Bataven.

  13. Deze plaats van herkomst kan van de betreffende keizer stadsrecht ontvangen hebben, dus colonia of municipium zijn geworden, maar het is ook mogelijk dat de keizerlijke bijnaam enkel gefungeerd heeft als erenaam van een peregrine nederzetting. Hoe dan ook, uit de onderhavige inscriptie (van een grafsteen uit Aquincum (=Budapest) volgt met betrekking tot de origo niet meer dan dat Noviomagus in het land der Bataven sinds de tijd van Traianus hoogst waarschijnlijk een bijnaam heeft gehad die is afgeleid van het nomen gentilicium van deze keizer. Hier staat dus in gewoon Nederlands met 'kan hebben' en 'mogelijk' en 'hoogst waarschijnlijk' dat er geen enkel bewijs is dat Nijmegen stadsrecht heeft gekregen van Trajanus en het Ulpia slechts een bijnaam was. En dat allemaal op basis van een grafsteen uit Hongarije. In Nijmegen heeft men nooit een grafsteen gevonden waarop een Bataaf of Noviomagus vermeldt staat.

  14. Ulpia Noviomagus zou in principe daardoor de functie van de canabae legionis als handelsnederzetting hebben overgenomen. Deze plaats kan voordien Batavodurum geheten hebben en ca. 104 - mogelijk reeds in 98 -, nadat het besluit tot overplaatsing van het tiende legioen was genomen, niet alleen het ius nundinarum, maar ook een nieuwe naam hebben ontvangen: ze werd de Ulpische Nieuw-markt! Noviomagus was geen nieuwe stichting van Traianus, wel nieuw was naar mijn mening zijn functie als forum, marktplaats. De naam Ulpia Noviomagus is tot op zekere hoogte gelijk aan Forum Traiani!, De bijnaam-erenaam Ulpia kan dus speciaal bedoeld zijn als een herinnering aan het feit dat Noviomagus als forum zijn ontstaan te danken heeft aan Traianus; de meeste fora zijn genoemd naar hun stichter! Hier wordt door Bogaers dus gesteld dat Nijmegen pas in 98 of in 104 Ulpia Noviomagus ging heten en toen zogenoemde 'marktrecht' gekregen zou hebben, net als Forum Traiani. Waarom Nijmegen dan nooit Forum Noviomagus heeft geheten wordt niet verklaard. In noot 172 vermeldt Bogaers zelf: Het is echter op zichzelf al nauwelijks mogelijk dat Nijmegen in de tijd van Traianus of later Latijns stadsrecht heeft ontvangen. Dan houdt toch de hele discussie op over stadsrecht of Nijmegen de oudste stad?

  15. Het Keltische karakter van het voornaamste deel van de naam is wel enkel te verklaren uit beïnvloeding door Galliërs, vooral Gallische kooplieden die zich te Nijmegen hadden gevestigd. Het is echter wel vreemd dat op de altaarsteen van Kapel-Avezaat - die overigens, zoals gezegd, zeker niet uit de tijd van Traianus dateert - de naam van de plaats is afgekort tot M. Bat., met weglating juist van de twee elementen: Ulpia en Noviomagus, die we van verscheidene inscripties kennen. In dat geval moet de plaats zeker reeds vóór Traianus Noviomagus hebben geheten en tijdens de regering van deze keizer de eretitel Ulpia hebben gekregen ter gelegenheid van de verheffing tot stad. Wanneer Nijmegen echter onder Traianus municipaal stadsrecht zou hebben ontvangen, heeft het als zodanig een wel zeer uitzonderlijke positie ingenomen. In het Europese deel van het Romeinse imperium zou het dan, voor zover we weten, het enige municipium zijn geweest dat aan Traianus zijn ontstaan te danken heeft. Van die 'uitzonderlijke positie' maakt Bogaers graag gebruik om zijnverhaal te onderbouwen. Had hij zich wat meer gericht op die Gallische kooplieden, dan was hij vanzelf in Frankrijk uit gekomen, het land waar Delahaye alles vond dat men in Nederland maar niet terugvond. Ook hier ontbreken de bewijzen voor die uitzonderlijke positie. Nogmaal de quote van W.van Es herhaald: "Romeins Nederland is nimmer de eer van een colonia waardig geacht."

  16. Tot voor kort was men vrij algemeen van mening dat Noviomagus in het begin van de 2de eeuw wel tot colonia zou zijn verheven, vooral op grond van de bijnaam Ulpia en de stichting van Colonia Ulpia Traiana (bij Xanten) Het is echter op zichzelf al heel weinig geloofwaardig dat in dezelfde tijd, onder het bewind van Traianus, op een afstand van slechts ca. 45 km van elkaar twee coloniae zouden zijn gesticht. Dit was dan wel een zeer uitzonderlijke gang van zaken geweest. Ook om andere redenen lijkt het niet verantwoord de stichting van Colonia Ulpia Traiana gelijk te stellen met wat in Nijmegen onder Traianus is geschied en waarop de naam Ulpia (Noviomagus) betrekking moet hebben. Wat is dat toch met de Nijmeegse historici? Hier wordt dus nogmaals gesteld dat van Ulpia Noviomagus in Nijmegen geen enkele sprake is geweest. Het is een aanname op grond van een andere aanname, dus een deductie uit een deductie. Die andere aanname is of Colonia Ulpia Traiana wel Xanten was!

  17. Er zijn ook geen gegevens die er op wijzen dat geboren Nijmegenaren van Traianus het Romeinse burgerrecht hebben ontvangen. Het is heel goed mogelijk dat Ulpia Noviomagus reeds voor het vertrek van het tiende legioen, dus vóór ca. 104 'bestaan' heeft, wellicht sinds besloten was tot dit vertrek. De bijnaam Ulpia heeft hier zeker niets te maken met de stichting van een echte Romeinse stad. Hier een volgende uitspraak van Bogaers die de traditionele opvattingen tegenspreekt.

    Op pagina 302 lezen we de conclusie van Bogaers:
  18. Na deze uitvoerige uiteenzetting betreffende de voorhanden zijnde gegevens en de conclusies die daaruit getrokken mogen worden, kan ik er ten aanzien van de status van Romeins Nijmegen slechts van overtuigd zijn dat Ulpia Noviomagus in de tijd van Traianus geen Latijns of Romeins stadsrecht heeft gekregen, dus geen municipium of colonia is geworden. Zolang er geen gegevens ter beschikking staan die als doorslaggevende argumenten voor een andere opvatting dienst kunnen doen, ligt het m.i. voor de hand aan te nemen dat Ulpia Noviomagus, in verband met het vertrek van de Legio X Gemina uit Nijmegen, tijdens de regering van keizer Traianus weliswaar de hoofdplaats is geworden van een (herstelde) civitas Batavorum (waartoe wellicht althans tijdelijk - ook het woongebied van de Canninefaten heeft behoord), maar dat het in feite toentertijd volgens het Romeinse staatsrecht niet meer was dan een vicus ; deze heeft echter - naar de naam te oordelen: de Ulpische Nieuw-markt - van Traianus het 'ius nundinarum gekregen. Het moet nu toch duidelijk zijn dat van een stadsrecht in Nijmegen nooit sprake is geweest. Zouden de Nijmeegse historici deze rede van Bogaers niet meer kennen en hebben zij die door Bogaers gevraagde doorslaggevende argumenten voor een andere opvatting dan ooit gevonden? Ik zou ze graag vernemen!



Deel 2 uit van de rede van Bogaers: de Civitas van de Canninefaten.
  1. De mijlpaal van Monster of Naaldwijk.
    Rond 1500 is er in Monster of Naaldwijk een (Romeinse) mijlpaal gevonden, waar
    sindsdien heel wat mee gebeurd is. Men heeft zich zelfs lange tijd afgevraagd of hij wel echt Romeins was. Van deze Romeinse (?) mijlpaal is 1. de vindplaats onbekend en 2. in de 16e eeuw is deze mijlpaal "bijgewerkt en gerestaureerd". Voor een echte wetenschapper, zoals bijv. A.W. Byvanck, is zo'n bron op slag waardeloos, echter niet voor Bogaers. Byvanck kende de paal wel, maar heeft er geen conclusies aan verbonden. Een Romeinse mijlpaal vormde een goede scheepsbalast in landen zonder natuurlijke steen. Zeker die van afgezette keizers.

  2. Bogaers heeft in 1959 een poging gedaan de letters M.A.C. te verklaren als Municipium Aelium Canninefatium, de hoofdplaats van de Cananefaten, wat dan de belangrijke Romeinse burgerlijke nederzetting met marktplaats Foro (H)Adriani (Arentsburg/Voorburg) geweest zou zijn (zie noot). Zowel Byvanck als Van Es weerleggen dit. Ook Bogaers erkent zelf dat van een burgerlijke nederzetting niets gebleken is bij opgravingen in Arentsburg/Voorburg. Zie bij Foro Adriani. Van Buchem noemt de opvatting van Bogaers om de letters M.A.C. te verklaren als Municipium Aelium Canninefatium, "een treffende gedachte" en schrijft verder: "en hier is hij dan gekomen waar hij, geloof ik, ook wel gaarne wezen wilde. Ik krijg zo de indruk dat hij zich door een begrijpelijk enthousiasme over zijn ontdekking van een municipium van keizer Hadrianus bij de Cananefaten heeft laten meeslepen tot de veronderstelling dat dan ook het municipiurn Ulpium bij de Bataven eigenlijk een municipium Aelium geweest moet zijn, een door keizer Hadrianus gestichte stad".(Bron: H.J.H. van Buchem)

    Noot: ook hier is bij Bogaers weer sprake van naschrijverij. Immers in 1942 had H.Hardenberg in zijn studie over Lugdunum Batavorum dit al als mogelijke oplossing voorgesteld, wat toen voor 'een gissing' werd gehouden. Het was dus geen treffende gedachte van Bogaers, maar pure naschrijverij. Daar was Van Buchem blijkbaar niet van op de hoogte. Hoe deskundig was van Buchem dan?

  3. Het verklaren van de naam Municipium Aelium Canninefatium aan de hand van de letter A.M.A.E.(of F) C. waarbij die niet van pas komende E (of F?) als een latere toevoeging wordt bestempeld, is geen wetenschap maar puur speculatief giswerk. Het is een vooropgezette gezochte naam om te bewijzen wat feitelijk eerst bewezen moet worden, n.l. dat de Cananefaten langs de kust in Holland woonden. En dat ze daar niet woonden wordt meteen al bevestigd door de traditie, die het land van de Bataven door laat lopen tot de kust. Lugdunum Batavorum (in de traditie Leiden, Katwijk of de Brittenburg? -er is dus nog keuze) dat de hoofdstad van de Bataven was, lag anders in het land van de Cananefaten. Welk volk staat het toe dat een ander volk een van haar hoofdsteden in hun land bouwt? Of woonden de Cananefaten toch in Frans-Vlaanderen en de Bataven eveneens? En waar woonden dat de Friezen? Volgens de traditie woonden zij behalve in Friesland toch ook langs diezelfde kust van Noord- en Zuid-Holland. Het moet daar druk geweest zijn in Zuid-Holland met Friezen, Cananefaten en Bataven door elkaar wonend.

    Het hele bestaan te Voorburg van een Cananefatenstad met een dubbele naam, is gebaseerd op een negentiende eeuwse gissing en een tekst op een mijlpaal die flink "bijgewerkt" is. Het betoog van Bogaers gaat uit van 7 veronderstellingen, die geen van alle ooit bewezen zijn.

    De veronderstellingen zijn:
    1. dat de Cananefaten bij Voorburg een Romeinse stad hadden, wat in geen enkele bron wordt vermeld, dus een puur verzinsel is;
    2. dat er oorspronkelijk op de steen alleen A M A C stond en niet A M A E(F) C wat er in werkelijk op staat. Ook de vermelde afstand is onzeker, staat er XII of VII? Slechts door de huidige steen vals te verklaren wordt door Bogaers "bewezen" wat hij zo graag wilde aannemen. En Bogaers heeft de originele referentie niet heeft gekend en een verkeerde inscriptie gelezen, stelt Hans Wijffels;
    3. dat Ulpia Noviomagus Nijmegen is, wat nooit bewezen is, zelfs niet met het Bronnenboek;
    4. dat Arentsburg/Voorburg het Foro Adriana van de Peutingerkaart was, genoemd naar keizer Hadrianus met -H-;
    5. dat de Cananefaten überhaupt in Nederland woonden en wel in dezelfde streek waar de hoofdstad van de Bataven (Lugdunum Batavorum=Leiden?Katwijk?Brittenburg?) zou liggen. Welk volk zou het goedkeuren dat een ander volk zijn hoofdstad op hun grondgebied zou bouwen?
    6. dat Foro Adriani van de Peutingerkaart dezelfde plaats is als Foro Hadrianensi van een opschrift uit Hongarije;
    7. dat Hadrianus vanuit de Betuwe de oversteek naar Engeland zou hebben gemaakt en niet vanaf de plaats waar iedereen altijd overstak: Het Kanaal, tussen Calais en Dover.

    De feiten zijn:
    1. dat de Cananefaten niet voorkomen op de Peutingerkaart: er kunnen van die kaart dan ook geen gegevens ontleend worden ten gunste van dit betoog;
    2. dat de vindplaats van de mijlpaal onzeker is. In hoeverre is deze niet van elders versleept en hergebruikt? Een Romeinse mijlpaal vormde een goede scheepsbalast in landen zonder natuurlijke steen. Zeker die van afgezette keizers. Een dubbelexemplaar is te Remagen in Duitsland gevonden.
    3. dat er aan de mijlpaal flink "gerestaureerd" is door ter zake zeer ondeskundigen (wat ook Bogaers erkent), waarmee deze onbruikbaar wordt als historische bron.
    4. dat op alle vergelijkbare mijlpalen altijd de provinciale hoofdstad wordt vermeld, met uitzondering van die van Monster/Naaldwijk. Over welke zekerheid gaat het dan nog?
    5. dat over de nederzetting van Arentsburg niets met zekerheid valt te zeggen, wat behalve Bogaers zelf, ook andere historici erkennen. Er is nooit aangetoond dat Arentsburg een marktplaats (Forum) was.
    6. dat Bogaers zijn eigen betoog een hypothese noemt, aangezien de beschikbare gegevens wel "zeer summier" zijn, wat hij ook zelf erkent.

  4. Dit betoog van Bogaers kan men niet als wetenschappelijk kwalificeren, slechts als "klinkklare kletspraat", om de geliefde uitdrukking van Bogaers nog eens te gebruiken. Dr.A.W. Byvanck, die de steen ook vermeldt en kende, had zich in 1935 nog niet aan dergelijke fantasterij durven bezondigen. Dr. W.A. van Es verklaarde in 1980 (De Romeinen in Nederland p.107) de letters MAC als [plaatsnaam?] wellicht Macilo of Matilo, waarschijnlijk Roomburg bij Leiden op 12 (?) mijlen. Gezien de rest van de tekst op deze "mijlpaal" een meer gefundeerd verhaal dan dat van Bogaers.
    Nog een klein ander detail! Het landgoed Arentsburg in Voorburg waar de mijlpaal naar zou verwijzen ligt niet op 12 Romeinse mijlen (=18 km.) van Monster of Naaldwijk, maar op slechts 7 mijl (=10 km). Stond er op de mijlpaal XII of VII? Ook dat is onzeker!

    We geven hier de letterlijke tekst van de interpretatie van Bogaers weer.

    Vanwege de leesbaarheid hebben we deze alinea ook verder genummerd.

  5. Het hele bestaan te Voorburg van een Cananefaten-stad met de dubbele naam is gebaseerd op een negentiende eeuwse gissing en een tekst die eventueel uit een inscriptie op een mijlpaal zou kunnen worden afgeleid, en waarvan bovendien een dubbelexemplaar te Remagen in Duitsland is gevonden, zodat de steen meer dan waarschijnlijk vandaar naar Zuid-Holland is vervoerd voor hergebruik. Laten we daarom zien hoe J.E. Bogaers in 1960 de zaak bepleit:

  6. «Alvorens de vraag te beantwoorden, wanneer dit laatste is gebeurd, wil ik de aandacht richten op de ontwikkeling van de bestuursorganisatie in het land der Cananefaten in het westelijke deel van de insula Batavorum.
    Traianus' opvolger, Hadrianus, is op een van zijn vele reizen hoogst waarschijnlijk ook in ons land geweest, en wel in 120/121. Wellicht is de herinnering aan dit bezoek bewaard in de plaatsnaam Forum Hadriani, die voorkomt op de Tabula Peutingeriana (afb. 2: Foro Adriani) en – als origo: Foro Hadrianensi – in een vermoedelijk 3de-eeuwse inscriptie op een sarcofaag die te Kórnye in Hongarije (Pannonia Superior) is gevonden. De plaats was – te oordelen naar de Tabula Peutingeriana – gelegen in het land der Cananefaten. Ze moet op grond van de inscriptie uit Kórnye een soort stad zijn geweest, de voornaamste burgerlijke nederzetting in de kuststreek tussen de monding van de (Oude) Rijn en die van de Maas. De naam wijst er op dat Hadrianus in dit gebied een marktplaats heeft gesticht. Daar is dus een nederzetting ontstaan die het ius nundinarum bezat en daardoor van groot belang moet zijn geweest als de – naar het schijnt – het dichtst bij de zee gelegen officiele handelsplaats in het land van de Beneden-Rijn.

  7. Over deze nederzetting valt verder niets met zekerheid te zeggen. Wel mag men op goede gronden vermoeden dat ze te Voorburg, op of in de buurt van het landgoed Arentsburg heeft gelegen, en wel vlak bij het van die plaats bekende castellum. Monumentale burgerlijke inscripties zijn in het mondingsgebied van de Rijn en de Maas tot nu toe alleen gevonden bij of te Voorburg, afgezien althans van de mijlpaal, die omstreeks 1500 bij Monster of Naaldwijk is ontdekt. Deze mijlpaal, die volgens de inscriptie in het jaar 162 tijdens de regering van Marcus Aurelius en diens adoptiefbroer Lucius Verus is opgericht, heeft – zoals ik elders heb uiteengezet –- vermoedelijk gestaan op een afstand van twaalf Romeinse mijlen van de plaats M.A.C. Dit drietal letters kan m.i. het beste beschouwd worden als een afkorting van Municipium Aelium of Aurelium Canninefatium; vergelijk hiermee M(unicipium) Bat(avorum) op de altaarsteen van Kapel-Avezaath. Hoe de plaatsnaam op de mijlpaal ook mag hebben geluid, belangrijker is dat daarmee een caput viae is aangeduid, dat zich waarschijnlijk bevonden heeft op twaalf Romeinse mijlen van de vindplek. Deze afstandsbepaling kan heel goed betrekking hebben op een burgerlijke nederzetting aan de gracht van Corbulo, in het bijzonder die welke gelegen zou hebben op of bij het landgoed Arentsburg in de gemeente Voorburg: Forum Hadriani. Bovendien valt uit de omstandigheid dat op de mijlpaal een bepaalde plaats als caput viae is aangegeven, de conclusie te trekken dat deze nederzetting de hoofdplaats van een civitas is geweest of (enkel of tevens?) een stad-de-iure. Wanneer op mijlpalen in Gallia, Germania, Raetia en Noricum één plaats is vermeld om de afstand vandaar aan te geven, betreft het steeds echte steden, hoofdplaatsen van provincies, legioensvestingen of hoofdplaatsen van civitates. Alle mijlpalen uit Germania Inferior waarvan we een caput viae kennen, vermelden de provinciale hoofdstad Colonia (Claudia Ara) Agrippinensis of Colonia Agrippina als zodanig, met uitzondering van de mijlpaal van Monster/Naaldwijk. Als caput viae komt voor deze laatste verder geen legioensvesting in aanmerking (de dichtstbijzijnde was te Vetera gelegen) en evenmin de hoofdplaats van de civitas Batavorum, Ulpia Noviomagus. De letters M.A.C. kunnen m.i. alleen betrekking hebben op de belangrijkste burgerlijke nederzetting in het mondingsgebied van Rijn en Maas, nl. Forum Hadriani, gelegen in het woongebied der Cananefaten.

  8. Wat kan nu uit deze twee namen worden afgeleid aangaande de geschiedenis van de plaats waaraan ze verbonden zijn? Helaas zijn de beschikbare gegevens wel zeer summier en bieden deze enkel de mogelijkheid tot het opstellen van hypothesen.

  9. Forum Hadriani is zoals gezegd als marktplaats of handelsnederzetting gesticht door Hadrianus, wellicht in 120 of 121. Het werd – in het kader van Hadrianus' politiek van urbanisering – een tegenhanger van Ulpia Noviomagus, de door Traianus tot marktplaats verheven nederzetting, die tevens hoofdplaats was van de civitas Batavorum. Men mag vermoeden dat Forum Hadriani door toedoen van Hadrianus ook het bestuurlijke centrum is geworden van een civitas Canninefatium; dit betekent echter geenszins dat de Cananefaten voor de regering van deze keizer nog geen eigen civitas kunnen hebben gehad. Aangenomen dat de plaats Forum Hadriani identiek is met M(unicipium) A. C(annine- fatium), dan is de eerste naam ongetwijfeld primair. Forum Hadriani moet zich ontwikkeld hebben – zoals zovele 'fora' – tot een stedelijke nederzetting, die – als ik de letters M.A.C. juist geinterpreteerd heb – nog tijdens de regering van Hadrianus(?) of liever onder Antoninus Pius of Marcus Aurelius, in ieder geval op zijn laatst in 162 een stad de iure, en wel een municipium is geworden. Indien M.A.C. betekent Municipium Aelium Canninefatium, dan kan de verheffing van de daarmee aangeduide plaats tot stad niet alleen onder Hadrianus, maar ook onder diens opvolger Antoninus Pius (138-161) hebben plaatsgevonden. Als M.A.C. echter een afkorting is van Municipium Aurelium Canninefatium, dan kan alleen keizer Marcus Aurelius het stadsrecht geschonken hebben; dit moet dan in het begin van diens regering gebeurd zijn. In het laatste geval zou de oprichting van de mijlpaal – mede als eerbetoon en uiting van dankbaarheid jegens Marcus Aurelius en Lucius Verus – heel goed in direct verband hebben kunnen staan met de verheffing tot stad.

  10. Het municipium heeft ongetwijfeld het stedelijke middelpunt gevormd van het woongebied der Cananefaten. Het is de vraag in hoeverre naast deze stad nog een zelfstandige civitas Canninefatium is blijven bestaan. Zeer waarschijnlijk is de civitas nauwelijks meer dan in naam zelfstandig gebleven, terwijl haar gebied in feite geattribueerd was aan de stad en van daaruit bestuurd werd. Ook de naam Municipium A. Canninefatium kan hierop wijzen. Na verloop van tijd zal de civitas wel geheel met de stad zijn samengesmolten of liever daarin zijn opgegaan. Het is zelfs mogelijk dat de stichting van het municipium praktisch is neergekomen op de opheffing van de civitas, indien nl. haar gebied als territorium aan de nieuwe stad is toegewezen.

  11. De officiele naam van deze stad was m.i. Municipium Aelium (of Aurelium) Canninefatium. Daarnaast moet de naam Forum Hadriani, zoals blijkt uit de Tabula Peutingeriana en de inscriptie van Kórnye, in gebruik zijn gebleven, maar dit is geenszins uitzonderlijk; deze naam is enkel als eigennaam blijven bestaan.

  12. Nadat op deze wijze een poging is gedaan een nagenoeg onbekende stad in het woongebied der Cananefaten te lokaliseren en iets van haar geschiedenis te achterhalen, dienen wij thans terug te keren tot Ulpia Noviomagus, de hoofdplaats van de civitas Batavorum.››

    In dit artikel spreekt Bogaers liefst 47 vermoedens, waarschijnlijkheden of mogelijkheden uit om zijn opvattingen te bewijzen. En dan heeft Bogaers het over "klinkklare kletspraat" als hij over de opvattingen van Albert Delahaye oordeelt, die Forum Hadriani in Frankrijk situeert. Voor dit verhaal van Bogaers over Forum Hadriani kan slechts één kwalificatie gegeven worden: KLINKKLARE KLETSPRAAT!


Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.