| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |

|
Numaga is het lijfblad van historisch Nijmegen. In de jaargangen 1954 tot 2004 wordt nergens melding gemaakt van Karolingische opgravingen op Het Valkhof. Opgravingen worden wel (liefst 434 keer) vermeld, maar daarbij gaat het om Romeinse opgravingen. Er wordt wel 189 keer het woord Karolingisch zelfs in combinatie met het paleis van Karel de Grote genoemd, maar daarbij gaat het nooit over opgravingen. De combinatie 'opgravingen' en 'Karolingisch Paleis' komt nergens voor. Conclusie: Als er iets van een Karolingisch Paleis gevonden zou zijn in Nijmegen, zou dat met vette letters vermeld zijn geweest. In het artikel van J.Thijssen over de bouwgeschiedenis van de Nijmeegse binnenstad, 1000-1300 (Numaga 1987) blijkt duidelijk dat pas in de 13de eeuw er van enige bewoning sprake was. Uit een opmerking in Numaga 1997 lezen we: "In de Karolingische tijd was Noviomagus een ontvolkte ruïnestad, Nijmegen stelde buiten de Palts niets voor". Nu van die Palts niets gevonden is, blijft er dus niets over van Karolingisch Nijmegen. In Numaga wordt wel 168 keer een Palts genoemd, maar dan gaat het meestal over de Staufische Palts, de vermelding van de Karolingische Paltskapel op het Vakhof (bedoeld is de St.Nicolaaskapel) of het noemen van de 'Karolingische Palts' zonder verdere toevoeging van een archeologische of tekstuele vermelding. Waar Karel de Grote op de palts resideerde worden de jaartallen 777, 804, 806 en 808 genoemd, bij zijn opvolgers de jaren (met enige onderbreking) tussen 1047 en 1125. Voor de genoemde jaartallen 777 t/m 808 verwijzen we naar het Bronnenboek van Nijmegen. |
| Een kritisch commentaar past bij de Karolingische nederzetting op de Waaloever en dan met name op de veronderstelde woningen van kooplieden aldaar. Het is een aanlokkelijke gedachte dat hier een klein Dorestad kan hebben gelegen, maar in feite hebben wij weinig gegevens in handen waarmee wij die gedachte zouden kunnen onderbouwen. Archeologisch is een mercantiel karakter van die nederzetting vooralsnog niet aantoonbaar en in de historische bronnen ontbreekt daarvan, zoals wij eerder zagen, ieder spoor. (Bron: Numaga 1999). |
In "Kijk op Nijmegen" lezen we dat Nijmegen geen enkel feitelijk bewijs heeft om haar Karolingische geschiedenis aan te tonen. Zie de tekst hiernaast. Klik op de tekst voor een vergroting.
De hier bedoelde 'betweter' is Albert Delahaye, die in Nijmegen natuurlijk niet genoemd mag worden. Maar dat Delahaye het toch beter wist dan de historici, blijkt uit zijn studie. Graag zouden we van de auteur van deze tekst (Wim Broos) toch eens vernemen welke goede gronden hier bedoeld worden, waarop moet worden aangenomen (sic!) dat het Karolingisch Paleis op het Valkhof stond. In de tekst over het zogenaamde Karolingisch Nijmegen (nog geen tweederde pagina van de 88 pagina's in dit boek) lezen we er totaal niets over. Het is dus slechts een aangenomen geschiedenis!
Met de opvatting 'zo nauw keken toen niet' laat Broos al blijken weinig deskundig te zijn. De verschillende schrijfwijzen van de plaatsnaam Numaga, Neomaga en Niumaga had alles te maken met waar deze teksten geschreven werd. Of zijn Lüttich, Liège en Luik of zijn Aachen, Aix-la-Chapelle en Aken ook het gevolg van 'niet zo nauw kijken' van schrijvers? 
|
In 'Verborgen steden' stadsarcheologie in Nederland' (redactie H.Sarfatij) lezen we over Nijmegen: De archeologische gegevens voor deze vroege geschiedenis zijn uiterst summier. Van een vestiging op de Valkhofheuvel zelf, in de Romeinse tijd en later, is nauwelijks iets bekend. De vondst van niet-Romeinse scherven is van groot belang: zij wijzen op een doorlopend -dan wel hernieuwd- gebruik van het vestigingsterrein in de Merovingische tijd. Met niet-Romeinse scherven meent men in Nijmegen een Merovingische periode aan te kunnen tonen. Wat zijn niet-Romeinse scherven? Hoeveel scherven zijn er gevonden? Verder nazoeken leert dat er ook Pingsdorf-scherven tussen zaten. Pingsdorf aardewerk werd gemaakt vanaf 900 tot in de 13de eeuw. Hoezo Merovingisch? Als bronnen voor dit verhaal over Nijmegen wordt naast 'Voorlopige opgravingsverslagen", verwezen naar de Stede-atlas van F.Gorissen en Het Bronnenboek van P.Leupen. In de verwijzing naar "Medieval Archaeology in the Netherlands" over de periode tussen 400 en 700 AD lezen we slechts het traditionele verhaal o.a. over Flethetti rond Leusden, Dorestad en de plaatsing van volkeren in de Romeinse tijd in Nederland. De Chamavi, Salii en Tuihanti woonden niet in Nederland. Het zijn nooit bewezen, slechts aangenomen, dus achterhaalde opvattingen. |
De schriftelijke bronnen van middeleeuws Nijmegen zijn schaars, zelfs zó schaars, dat alleen hierom al een reeks vraagtekens te plaatsen zijn. Niet alleen in het eigen archief van Nijmegen heeft men niets uit de periode vóór de 12de eeuw, maar ook in andere archieven in omliggende plaatsen vindt men niets over Nijmegen vóór de 12de eeuw. Wat in de periode tussen de Romeinse tijd en de 12e eeuw over Nijmegen is aangenomen, mist in alle opzichten een historische zekerheid.
|
Heren en dames historici: WIE GAAT DE UITDAGING AAN? Weerleg van elk hieronder genoemd punt dat Albert Delahaye ongelijk heeft. Zo niet? Dat zal Nijmegen de hele Karolingische periode moeten schrappen, maar tevens de opvatting dat het de OUDSTE STAD van Nederland is. En dan begint de geschiedenis van Nijmegen na de Romeinse tijd pas weer in de 13de eeuw, precies zoals in 'Het Valkhof' door G.Lemmens werd gesteld: "Tussen de 3e en 13e eeuw is in Nijmegen geen bewoning aantoonbaar". ▶ Er bestaat een dubbel-bron, waarbij twee teksten over dezelfde gebeurtenis handelen. Dan wordt het interessant als tussen de twee gelijkluidende teksten toch een verschil bestaat. In 893 werd in de abdij van Prüm een register opgesteld, waarin de goederen in Dreumel en Wamel bescheven zijn, maar het vlak erbij gelegen Noviomagus of Numaga niet wordt genoemd. In 1222 werd dit register overgeschreven door Caesarius en aangevuld. Er wordt in 1222 vermeld dat Dreumel en Wamel "gelegen zijn bij het Koninklijk Paleis van Numagen". Dat Koninklijk Paleis in 1222 was uiteraard de burcht van Barbarossa die in Nijmegen bestond. Zou de schrijver in 893 per abuis het paleis van Karel de Grote dan niet vermeld hebben, of bestond het toen niet? ▶ Ook een eenmaal gevestigde opvatting die dan wel als onwrikbaar wordt beschouwd, moet kritiek kunnen verdragen. De reacties die Albert Delahaye op zijn vragen -ik stelde aanvankelijk slechts een aantal vragen- kreeg van de 'gevestigde historici' gingen buiten de normen van fatsoenlijke wetenschappelijke discussie om. Een historisch gegeven heeft recht op een uitspraak die berust op een wettig en overtuigend bewijs, of dit nu positief of negatief uitvalt. Wat er in het verleden allemaal over geschreven is, kan niet als overtuigend beschouwd worden. Er blijven teveel vragen bestaan. ▶ Dat wettig en overtuigend bewijs wordt alleerst gevonden in de teksten. Als men die niet volgt, stopt elke historische discussie, zelfs de dateringen van archeologische vondsten. Tientallen teksten zoals in de 'Gesta Abbatum Fontanellensium' en 'Annales Gandenses' vermelden gebeurtenissen over Niviomo, Noviomagenses of Numaga, die duidelijk in Noord-Frankrijk en ook ten zuiden van de taalgrens geplaatst moeten worden. Daarmee is aangetoond, zoals met 'Transmarus Noviomagensis episcopi' die een bisschop van Noyon was, dat de stad Noyon bestond en Nijmegen uitsluit. ▶ Zou Karel de Grote zijn paleis hebben gesticht in een vrijwel ongecultiveerd gebied, dat Nederland was vóór de 8ste eeuw, dan zou vanuit dit paleis toch iets moeten zijn uitgegaan van een nadrukkelijke zorg voor onderwijs, van wetenschap en bouwkunst. Maar ook in namen van personen en adelijke geslachten, stromingen en gebouwen moet dan toch iets aan te wijzen zijn. Hiervan is in Nijmegen NIETS bekend. Men kan zelfs stellen dat daar in heel Nederland niets van gebleken is. Het Karolingisch Paleis in Nijmegen is een totaal alleenstaand gegeven en voor andere plaatsen in Nederland onbekend en onbetekenend gebleken. ▶ Het is ook duidelijk dat het ontstaan, de groei en ontwikkeling van Nijmegen niet beantwoord aan de verwachtingen die vanuit een Karolingische residentie verwacht mogen worden. Bovendien hadden de Karolingen meerdere residenties en villa's langs de Oise, zoals Quierzy (10 km van Noyon) dat verschillende (Franse) auteurs ook als de geboorteplaats van Karel de Grote aanwijzen, omdat zijn moeder Bertha dáár verbleef in 747. ▶ Er is ook niets bekend van verworvenheden die de stad als Keizerlijke residentie zeker gehad moet hebben, zeker omdat er talloze oorkonden en decreten zouden zijn uitgegeven. ▶ Niet alleen het paleis, maar ook de stad waar het stond had een bestuurlijke betekenis voor het hele rijk. De belangen van de hofhouding, de vaste bewoners van het paleis, als de minsterialen die de keizer op zijn reizen vergezelde, daarover is in de hele geschiedenis van Nijmegen NIETS te vinden. ▶ Zo'n stad trok ook handel en bewoners aan, een economie, ambachtslieden en allerlei andere activiteiten. Ook daarvan is in de geschiedenis van Nijmegen NIETS te vinden. Die geschiedenis begint, ook volgens het Bronnenboek, pas in het jaar 777. Van een economie of handel is ook niets bekend tussen 777 en 804, toen Karel de Grote er voor het eerst weer terugkeerde na er 27 jaar niet meer geweest te zijn. ▶ De ministrialen en de adel die nauw met het bestuur verbonden waren, zochten hun beloning allereerst in het verkrijgen van rechten op een grondgebied, dat zij in leen of in bezit nastreefden. In de feodale tijd was het adel vooral te doen om het verkrijgen van invloed en rijkdom. Een keizerlijke burcht brengt de aanwezigheid van invloedrijke personen mee, die op de voorgrond traden en zeker in de geschiedeniss bekend zouden zijn gebleven. Van feodale erfenissen of invloedrijke personen is in Nijmegen geen spoor te vinden. ▶ De vorming van vorstendommen in de brede omgeving van Nijmegen is uitgegaan van geslachten die zich vestigden in Kleef en Gelre (niet in Nijmegen!), maar hun oorsprong dankten aan geslachten die vanuit Vlaanderen en Noord-Frankrijk hun expansie uitvoerden. Hun rechten of vermeende rechten stonden volledig los van Nijmegen. ▶ Karel de Grote is tot Koning van de Franken gekroond in Noyon. Daarover bestaat geen enkele discussie. Die stad werd door de kroniekschrijvers niet alleen Noviomagus genoemd, maar ook Numaga en Niumaga. De historici kunnen dus niet stellen dat Numaga altijd en alleen op Nijmegen betrekking kan hebben gehad, wat overigens wel -en nog steeds- gebeurd. Tevoren had Karel de Grote zich al in Noyon gevestigd en zijn broer Carloman in Soissons waar hij op dezelfde dag het hetzelfde uur ook gekroond werd. Dat omdat dan geen van beiden kon zeggen 'de eerste Koning' te zijn geweest. Als Karel de Grote na enige tijd van zijn Koningschap en nieuw paleis laat bouwen, moeten er al gewichtige redenen bestaan hebben dat het nieuwe paleis niet in zijn Kroningsstad werd gebouwd, maar in het verre Nijmegen, dat buiten zijn rijk lag als we de Annales Regni Francorum volgen. ▶ Het is absurd te veronderstellen dat zowel Noyon als Nijmegen een Karolingisch paleis gehad zouden hebben, met dezelfde naam: Noviomagus, zoals sommigen opponenten in wanhoop en ten onrechte beweerden, slechts om het paleis in Nijmegen te kunnen handhaven. Dat Karel de Grote in dat paleis in Nijmegen vervolgens maar drie keer geweest te zijn (in 804, 806 en 808) tart elke opvatting van gezond verstand en logica. ▶ Noviomagus was overigens ook geen unieke naam. In de Romeinse tijd hadden verschillende plaatsen de Keltische naam Noviomagus. Met de verwarring tussen plaatsen Noviomagus heeft Het Bronnenboek van Nijmegen ook enkele flinke blunders begaan. Daarbij dient opgemerkt te worden dat Noviomagus als plaatsnaam slecht ten zuiden van de taalgrens voorkomt, te weten: Noyon, Lisieux, Juniville, Pompierre, Nijon, Neumagen en Speyer (?onzeker). En dan toch maar één keer boven de taalgrens en dat dan Nijmegen zou zijn. Het is ook de enige Keltische naam die boven de taalgrens voorkomt, wat enkele kritische historici altijd als een vraagteken hebben beoordeeld. ▶ Nu kunnen er zeker meer dan één plaats de naam Numaga gehad hebben, echter twee Karolingische residenties met dezelfde naam zou tot distincties geleid hebben. Daarover is in de bronnen niets bekend. Wel wordt dan wel eens aangegeven dat Einhard de toevoeging dat het aan de Waal lag en bij het Eiland van de Bataven, om een onderscheid aan te geven. Deze toevoeging die slechts éénmaal voorkomt in de tekst van Einhard is een falsum, zoals is vastgesteld. Zie bij Einhard. In alle andere oorkonden over het paleis van Karel de Grote wordt nergens een onderscheid gemaakt. ▶ Door Einhard wordt slechts eenmaal aangegeven dat Noviomagus aan de Wal Fluvium ligt en het Insula Batavorum. Vraag is wat eronder verstaan moet worden. Van de Bataven kan Einhard niets geweten hebben. De teksten van Tacitus waren in zijn tijd nog onbekend. En het Oppidum Batavorum dat te Nijmegen zou liggen, blijkt er nooit gevonden te zijn. Welk volk bouwt overigens zijn hoofdstad buiten zijn eigen rijk, dat toch de Betuwe was? Ptolemeus, een schrijver uit de 2e eeuw, localiseert Batavodurum en Vetera in Noord-Frankrijk en niet in of bij Nijmegen of Xanten. Men heeft, overtuigd dat Noviomagus en Batavodurum Nijmegen was, Ptolemeus als onbetrouwbaar bestempeld. Niet Ptolemeus was onbetrouwbaar, maar de historici die hem niet begrijpen zijn onbetrouwbaar. ▶ Kan men nog blijven volhouden dat de Betuwe, waar opvallend weinig Romeins is gevonden, bewoond was door een volk dat reeds vóór en in de eerste eeuw van de Romeinse aanwezigheid in Nederland, in zo'n grote getallen soldaten aan het Romeinse leger leverde? En dat zo'n sporadisch volk dan ook een lijfwacht voor de Keizer leverde? Momenteel volgen meerdere historici, zoals Stijn Heeren, ook de opvatting dat de Betuwe te beperkt is om zoveel legionairs te kunnen leveren. Dat wordt door de archeologie ook bevestigd, vanwege de schamele vondsten. ▶ Het is dan toch opvallend dat dit sporadische volk een omvangrijke opstand ontketend heeft, waar de Romeinse legioenen toch geruime tijd (bijna 2 jaar!) mee te stellen hadden. De Betuwe hadden ze toch in één of een halve dag onder de voet gelopen? De Romeinse bronnen vermelden ook nadrukkelijk dat het Insula Batavorum aan zee lag. Meerdere details van de strijd kunnen ook niet op een streek tussen Nijmegen en Xanten betrekking hebben. De 'vrede' werd gesloten aan de rivier de Navalia. Waar ligt die in Nederland? Het was de Nave in Frans-Vlaanderen en daar vond ook de strijd plaats, die uiteindelijk werd onderdrukt door het Tieende Legioen dat in Norroy in Frankrijk gelegend was. Pas ná de opstand werd dit Legioen in Nijmegen geplaatst en niet tijdens of ervóór. Lees meer over de Bataven. ▶ In veel oorkonden ontbreken gegevens over de exacte ligging van Numaga of Noviomagus. Andere plaatsen, zoals Arras, Amiens, Abbeville in diezelfde oorkonden genoemd, kunnen onmogelijk op Nijmegen betrekking hebben, maar wijzen heel duidelijk op Noyon en omgeving. ▶ Opmerkelijk is ook dat tot ver in de 12de eeuw Nijmegen in geen andere oorkonden genoemd wordt, dan slechts enkel over dat vermeende Karolinisch paleis. Het is verbazingwekkend dat geen van de opponenten van Albert Delahaye dat opgevallen is. Nijmegen wordt slechts genoemd met dat paleis, maar verder met geen enkele geschiedenis of in een historische bron. Niet alleen in Nijmegen ontbreken die vermeldingen, maar ook ver daarbuiten. Volgens meerdere berichten lag het paleis in of bij de stad. Is er dan in of bij de stad niets voorgevallen dat het vermelden waard is geweest om in kronieken en oorkonden terecht te komen? Als een stad gedurende vier of zelfs vijf eeuwen niet in de overvloedige geschiedbronnen is vermeld, blijft er slechts één conclusie: dan heeft zij niet bestaan! Geen enkele serieuse historicus kan zomaar over vijf eeuwen met niets heenstappen. Dat gapende gat sluit ook exact aan bij wat G.Lemmens hierover schrijft in 'Het Valkhof': "Tussen de 3e en 13e eeuw is in Nijmegen geen bewoning aantoonbaar". Maar ook het Bronnenboek van Nijmegen vertoont sowieso al een gat van eeuwen tussen de Petingerkaart uit de 3e of 4e eeuw en het jaar 777. ▶ De eerste vermelding van Nijmegen buiten verband met de burcht, is uit 1196 en heeft betrekking op de stichting van de Commanderie van St.Jan. Een vroeger gegeven uit de 7e eeuw over een St.Gertrudiskerk (een zeer onzeker gegeven), wordt dan nog wel door Willem van Berchen genoemd, maar hij heeft verder niets kunnen vinden. Er kan dan nog aangenomen worden dat de eigen archieven in de loop der eeuwen verloren zijn gegaan, maar niet dat een stad met een Karolingische residentie ook nergens anders wordt vermeld, niet eens met een gewone vermelding of met een restje van cultuur. Alles wat met een Karolingische Palts verbonden wordt, ontbreekt in Nijmegen. Wanneer in Nijmegen geen enkel kenmerkend element gebleven is, mag men dat niet slechts met een grap wegpraten, zoals meerdere historici gedaan hebben, zoals prof.Post, Gorissen (noemde de Palts 'brandveilig'), Hoogveld (die met zijn reactie de sarcastische vraag stelde: "Heeft Karel de Grote wel bestaan?"), Bogaers en Hugenholtz, die stelde: "Nou als ooit wordt bewezen wat Delahaye beweert - maar ik zie dat nog niet gebeuren" schamperde hij gespeeld zelfverzekerd, "maar als het ooit bewezen wordt, dan moeten we met zijn allen eens hard lachen en opnieuw beginnen". Vandaar dat Hugenholtz zijn studenten verbood aanwezig te zijn bij een lezing van Albert Delahaye in januari 1980, bang dat hij was dat het lachen al zou beginnen!. ▶ Dr.F.Gorissen is zelfs komen aanzetten met paus Gregorius V wiens zogenaamde afkomst van Nijmegen (kleinzoon van Otto I, genaamd Bruno Francorrum) slechts berust op een foutieve lezing van zijn grafschrift, waar uitentreuren op gewezen is. Hoe deskundig ben je dan? Het is dan wel weer grappig om iemand die hij met een brandstichter vergelijkt, ook nog brandhout te leveren. Het paleis slechts minimaliseren tot een jachtslot, wat Gorissen deed en door Hugenholtz herhaald werd, is het ontkennen van de importantie van een Karolingische residentie, door Einhard zelfs een 'Palatium operis egregii' genoemd. In een bericht van Regino wordt het paleis van Noviomagus een "palatium immensae molis ac mirandi operis" (een paleis van geweldige omvang en bewonderingwaardige constructie) genoemd. (Zelfs voor de Noormannen was het paleis interessant en diende hen als winterverblijf in 880/881). ▶ Naast de gegevens over de naam, ontbreken ook andere feiten bij Nijmegen, die in Noyon wel geplaatst kunnen worden, zoals de centrale ligging in het Karolingisch Rijk (Nijmegen lag in een uithoek, zeker nu ook Aken ter discussie staat) en de acties aan Het Kanaal. Noyon ligt centraal op de 'geboortegrond' van Francia en het Karolingisch Rijk, daar vond de zalving van Karel de Grote plaats, Noyon had en heeft een bisschopszetel, nu gecombineerd met Amiens, toen met Doornik en er werden kerkvergaderingen gehouden (o.a. door Bonifatius als hoofd van de Frankische bisschoppen). De bisschopszetel en de kerkelijke bisdommen zijn ontstaan vanuit de indeling van de Civitates uit de Romeinse tijd, voortgezet in de Merovingische tijd. Noyon was een Romeinse Civitas, Nijmegen niet. In Noyon hadden de Merovingische koningen vanaf het midden van de 7de eeuw een paleis, wat bewezen wordt met een tekst van St.Eloy, minister van koning Dagobert. Dit paleis bestond nog in de tijd van Pepijn en was voor de helft ingebruik gegeven aan een klooster. Dat is ook de meest verklaarbare reden dat Karel de Grote een nieuw paleis voor zichzelf, zijn kinderen en familie en zijn hofhouding liet bouwen. Karel wilde zijn paleis niet delen met een kerkelijke instantie. Zo Christelijk was hij dus blijkbaar ook weer niet. |
▶ De mysificatie tussen Noyon en Nijmegen is ontstaan toen het Duitse Rijk belangrijker werd (in de tijd van Frederik Barbarossa?) en Nijmegen een belangrijke geschiedenis ten deel viel, juist toen de betekenis van Noyon afnam. Dat kwam mede omdat het bestuurscentrum van het Frankische Rijk aan Parijs afgestaan werd (moest worden). De oorsprong van de mystificatie van Numaga ligt in de Annales Fuldenses, die een zeker gezag en reputatie had. De Annales Fuldenses is de eerste oude bron die het paleis Noviomagus van Karel de Grote in Nijmegen plaatst. Het is daarbij aannemelijk dat de Duitse kroniekschrijver van de Annales Fuldenses Noyon niet meer kende en de teksten over Numaga klakkeloos op Nijmegen plaatste, zeker sinds daar in 1155 een machtige burcht van Frederik Barbarossa stond. Zo'n misvatting hoeft ook maar één keer te geschieden om vervolgens vanwege de klakkeloze naschrijverij op korte tijd in onuitroeibare veelvoud verspreid te worden. Het is ook niet uitgesloten dat de Annales Fuldenses ook andere (Romeinse) bronnen heeft besmet en de toeschrijvingen zijn geschied en gevolgtrekkingen zijn gedaan op onzuivere premissen. De Annales Fuldenses zijn Frankische annalen over de periode 840 tot 901 aangetroffen in de abdij van Fulda. Maar ze zijn onmiskenbaar geschreven in Frankrijk. De vindplaats is ook hier niet de herkomstplaats. Vergelijk daarmee de Beowulf die in een bibliotheek in Cambridge werd gevonden, maar duidelijk een Frankisch-Saksische oorsprong heeft. De Annales Fuldenses zijn samengesteld door meerdere schrijvers. Deze annalen vormen een voortzetting van de Annales Regni Francorum over het Frankische rijk. Net als andere annalen uit deze tijd vormen ze een belangrijke historische bron, die echter niet objectief is, aangezien ze werden geschreven vanuit het standpunt van de heersende vorsten ofwel de samenstellers. Het is nog steeds een onbewezen aanname, dat ze ook in die tijd geschreven zijn. De bekendste gedrukte uitgaven zijn van G.H.Pertz (1826), R.Rau (1960) en T.Reuter (1992). ▶ De argumente die aangevoerd worden ten opzichte van het rijk van Zwentibold, zijn duidelijk gebaseerd op de opvatting dat Noviomagus Nijmegen was en het rijk van Zwentibold dus tot Nijmegen reikte. In werkelijkheid had het rijk van Zwentibold een veel beperktere geografische omvang. En dan komt Elst ook niet in aanmerking om het Heliste-Marithaime van Willibrord te zijn. Maar dan nog bewijst Elst of Zwentibold niets ten gunste van Nijmegen. ▶ Met de plaatsing van het Germania van Tacitus naar Duitsland, ging ook dit deel van de Franse geschiedenis mee. Het Bronnenboek van Nijmegen heeft deze mystificatie nooit doorzien en kwam zelfs met een Bisschop van Nijmegen op de proppen, terwijl het bisschop Harduinus van Noyon was (dat wist Delahaye in 1955 nog niet, maar weten we nu wel). ▶ De continuïteit tussen de Romeinse stad en het Middeleeuwse Numage is in Noyon duidelijk aangetoond. Voor Nijmegen is dat een onbewezen opvatting. Het eerste werkelijke gegeven over Nijmegen stamt uit 1155 met het totstand komen van de burcht van Frederik Barbarossa. De gedenksteen die hierover bestaat, geeft geen enkele aanleiding om dit keiharde bewijs in twijfel te trekken. Er wordt hierop verwezen dat Barbarossa herstelde wat de Romeinen hadden achtergelaten. Opvallend is dat Karel de Grote niet genoemd wordt, terwijl hij voor Frederik in alles een na te volgen voorbeeld was. Frederik Barbarossa liet Karel zelfs heilige verklaren, al ging de Kerk van Rome daar (zeer terecht!) niet in mee. ▶ De Nijmeegse kroniekschrijver Willem van Berchen heeft omstreeks 1455 over deze gedenksteen enigzins kritisch geschreven. Hij verwonderde zich over de tekst die terugwees naar de Romeinen, maar vroeg zich af waar dan Otto II, diens moeder Theophana, Hendrik II en Hendrik III hadden gewoond. Hij redde zich uit het probleem door erop te wijzen dat de restauratie van Brabarossa over de stad ging en niet over de Burcht. Willem van Berchen was het Numaga-probleem zeer dicht benaderd. Hij wist dat de verwijzing naar het paleis van Karel de Grote niet juist kon zijn.
▶ Het feit dat het middeleeuwse Numaga niet Nijmegen was, noopt tot de opvatting dat het Romeinse Noviomagus dan ook nooit Nijmegen was. Het Romeins dat in Nijmegen gevonden is, zegt niets over de naam van de stad. Een naam va de Romeinse plaats werd ook nergens in Nijmegen of omgeving aangetroffen. Deze naam werd slechts afgeleid van de Peutingerkaart die -zoals wij nu weten- een volkomen falsum is vanwege de vele fouten, misvattingen en onmogelijkheden op die 'kaart'. Het was ook geen landkaart, zoals wij nu opvatten, maar meer een sybolische weergave van een gevisualiseerde wegensteldel. Door de vele fouten is deze 'kaart' ook onbruikbaar als reis'kaart'. Je gaat er onherroepelijk mee verdwalen, wat dan weer precies past bij de 'Verdwaalde geshiedenis van Nijmegen'. ▶ Vanaf de 4de tot 12e eeuw is er over Nijmegen niets bekend in oorkonden, wat ook het Bronnenboek bevestigt. Tussen 3de eeuw en het jaar 777 noemt het slecht één oorkonde uit 700-725, die over 'het vaderland van de Franken' (civitas Francorum' gaat en waarin Nijmegen, Numaga of Noviomagus overigens niet genoemd wordt. ▶ Een volgende deceptie is dat Karel de Grote na het jaar 777 nog slechts 3x (drie keer!) in Nijmegen op een doorreis zou zijn geweest. Dit wordt erkend in eigen publicaties van Nijmegen. Hij woonde er dus niet. Maar waar verbleef zijn gevolg? Ook in dat houten boerderijtje van Hugenholtz? (zie onder dit kader) ▶ Het komt er gewoon op neer dat Nijmegen tussen de 4de en 12de eeuw niet eens bestond en zeker GEEN stad was, ook al zullen er zeker plukjes rondtrekkende mensen verbleven hebben! Nijmegen heeft zich ten onrechte de geschiedenis van Noyon toegeëigend, of beter gezegd, de Duitse historici hebben Nijmegen onjuist de geschiedenis van Noyon opgeplakt, te beginnen met de van Aken afkomstige dominee Johannes Smetius en zijn opvolgers vader en zoon In de Betouw. ▶ In het jaar 880 plunderden de Noormannen in Gallië en ontvolkten zij Biorzuna dat zij in brand staken. Vandaar keerden zij terug naar Noviomagus. De (met name Duitse) onderzoekers plaatsen dit Biorzuna in Birten bij Xanten, waarschijnlijk doordat zij Noviomagus nog als Nijmegen beschouwden. Nu komt Biorzuna in geen enkele andere oorkonde voor en opmerkelijk in de Annales Xantenses, een bron die bij uitstek geïnformeerd is over plaatselijke gebeurtenissen, wordt deze tocht van de Noormannen in het geheel niet genoemd en komt ook de naam Biorzuna niet voor. Nader onderzoek leerde Delahaye dat Biorzuna gelijk gesteld kan worden met Bihucourt, op 18 km zuid van Atrecht, of met een van de meerdere Boursies of Boursins. Het moet in elk geval een plaats in Gallië zijn waar de Noormannen in 880 en 881 aan het plunderen waren. Leupen vermeldt in het Bronnenboek uitvoerig een aanval van de Noormannen op Noviomagus dat bij hem Nijmegen is, maar slaat alle parallel-teksten (ruim 13! -dertien!) over, die precies dezelfde feiten vermelden en daarbij de volgende plaatsen noemen: Doornik, de Schelde, Reims, Noyon, Atrecht, Kamerijk, Peronne, Kortrijk, Terwaan, Gent, Thun, Boulogne, Cassel. Voor iedereen die logisch kan nadenken is het dan toch wel duidelijk waar deze feiten in deze twee jaren zich hebben voorgedaan? Blijkbaar niet voor Leupen en de samenstellers van het Bronnenboek. Kunnen zij niet lezen of kennen zij die teksten niet eens? ▶ De 'Sigiberti Chronica Mon Germ. vermeldt dat de Noormannen in het jaar 882 door Francia en Lotharingen zwierven en te vuur en zwaard alle vernielden te Ambianis, Atrebates, Corbeiam, Cameracum, Tarvennam, de gebieden van de Morini en Menapiërs en de Brachatensen en het hele gebied rond de Schelde, de kloosters van St.Walrik en St.Richard. Dat het hierover Frankrijk gaat is wel duidelijk. Vandaar gingen zij scheep op de "Wal Fluvium" en staken de hele Batua en het paleis te Neomagus in brand. Het "Wal Fluvium" en de Batua lijken precies op Nederland en Nijmegen te passen, maar de Franse historici plaatsen deze gebeurtenissen zonder enige twijfel in Frankrijk. Lees meer over de Wal Fluvium en de Batua. ▶ Een tekst in de Annales Vedastini bericht dat de Noormannen in 890 vanaf de Seine en Oise Noviomagus bereikten en zich daar een winterverblijf inrichtten. De rivieren Seine en Oise waarlangs de Noormannen Noviomagus bereikten, wijzen onbetwist op Noyon. ▶ Frodoardus vermeldt in het jaar 925 dat "de Noormannen uit Rouen en Péronne eerst Beauvais en dan Amiens en Arras plunderden. Daarna verschenen ze voor Noviomagum, maar werden verdreven door de 'Castellani', de kasteel bewoners en de 'suburbani' de bewoners van de benedenstad (of voorstad)". Hiermee wordt duidelijk aangetoond dat dit Noviomagus een kasteel had en tevens een benedenstad. Deze tekst werd door de Nederlandse historici doodleuk op Nijmegen toegepast (*), terwijl de Franse historici dezelfde tekst toepassen op Noyon. Bijzonder frappant is, dat van deze gebeurtenis slechts deze ene tekst bij Frodoardus bestaat, zodat het in dit geval onomstotelijk vaststaat, dat één en dezelfde gebeurtenis, in hetzelfde jaar en met dezelfde details aan beide steden wordt toegeschreven. Dat er én in Nijmegen én in Noyon in hetzelfde jaar een tot in details volledig identieke gebeurtenis zou hebben plaats gehad, mag zonder meer als uitgesloten worden beschouwd. Het feit uit het jaar 925 kan slechts op één plaats zijn geschied, derhalve in een van de twee steden Noviomagus. De tekst van Frodoardus mag in zekere zin als een "kruispunt met voorrang" worden beschouwd. Is bewezen, dat Frodoardus Noyon bedoelde, dan staat vast dat dáár het Karolingisch paleis gelegen heeft, maar tevens, dat er inderdaad een verwarring tussen Noyon en Nijmegen bestaat, een verwarring die in Nijmegen steeds ontkend werd zodat de 'historici' de tekst voor beide steden hanteerden. In de teksten tot 925 over de Noormannen staan zoveel details van Frankrijk, die aantonen dat de Noormannen daar en daar alleen aan het plunderen waren en helemaal niet in Nederland. Dat was ook de reden dat het Bronnenboek van Nijmegen deze tekst momenteel overslaat, waarmee erkend wordt dat het niet over Nijmegen gaat. Hoewel deze tekst in het verleden wel op Nijmegen werd toegepast, waar men ook een bendenstad heeft, slaat men deze tekst zonder verdere toelichting momenteel over. Bovendien blijkt dat in Nijmegen in de 9e en 10de eeuw geen aantoonbare bewoning was. Wat viel er dan te plunderen? Van plunderingen door de Noormannen is in Nijmegen of elders in Nederland ook archeologisch nooit enig spoor gevonden, ook al menen enkelen, zoal archeoloog Michel Groothedde dat in Zutphen te kunnen aantonen met twee skeletten (van een moeder en een kind). (*) Johannes Smetius vermeldt dit gebeuren in zijn Cronijk (p.53), Johannes In de Betouw in zijn Annales Noviomagi (p.45) en dr.F.Gorissen vermeldt het nog in zijn Stede-atlas op p.71, wat in verschillende publicaties nadien nageschreven is; in Nijmegen van Kuys en Bots wordt vermeld dat de Noormannen na 881 niet meer in Nijmegen terugkeerden, p.230, maar nog wel in de omgeving bleven 'huishouden'? De gebeurtenis uit het jaar 925 werd in dit boek dus al als achterhaald beschouwd. Hoezo commentaar op de visie van Albert Delahaye? ▶ Het is vreemd dat deze teksten uit 881, 882, 890 en 925 in het Bronnenboek van Nijmegen ontbreken, terwijl er toch regelmatig sprake is van Noviomagus, Numaga of Niumago en variaties. Feitelijk is het niet vreemd, want in Nijmegen is eindelijk doorgedrongen dat Albert Delahaye volkomen gelijk had en dat deze teksten duidelijk over Noyon gaan en niet over Nijmegen. Alleen zullen de gevestigde historici dat eens volmondig moeten erkennen en zal men Albert Delahaye dienen te rehabiliteren. ▶ De verwarring tussen Nijmegen en Noyon is geen nieuw probleem dat Albert Delahaye 'uitgevonden' zou hebben. Het is een oud probleem, dat ook al door Johannes Smetius in zijn Chronijk (46) en Johannes In de Betouw in de Annalen (31) werd aangestipt. Zij hebben dit echter niet verder uitgezocht, er vanuit gaande dat het Karolingisch Paleis in Nijmegen "een onwrikbaar historisch feit was en brandveilig gebleken is", zoals Friedrich Gorissen dat in De Gelderlander van 5 november 1955 verwoorde. ▶ Het is voor het Numaga-probleem zeer interessant, leerzaam en betekenisvol, dat verschillende feiten die ongetwijfeld thuis horen in Noyon, in het verleden zonder enige reserve naar Nijmegen toe zijn geredeneerd, nu worden losgelaten. Daarvoor zijn meerdere redenen aan te wijzen, zoals ① de burcht van Frederik Barbarossa die sinds 1155 bestond en die men aanzag voor een voortzetting van de palts van de Karolingen. ② Het gebrek aan kennis over authentieke oorkonden en de juiste kijk op geschiedenis, immers "waar die ontbreken neemt de fantasie toe". ③ De eenmaal gemaakte vergissing werd vanwege de klakkeloze naschrijverij door iedereen overgenomen en zo kwam Willem van Berchen aan zijn opvatting dat het Karolingisch Paleis Noviomagus in Nijmegen. "Dat had hij immers gelezen bij Gregorius van Tours, zodat het kwasi wetenschappelijk en overtuigend beschreven werd". Maar hiermee viel Willem door de mand, immers Gregorius van Tours kan nooit over Karel de Grote geschreven hebben, die immers 200 jaar na hem leefde. Stond zoiets wellicht in een handschrift dat Willem raadpleegde? Dan zou hieruit duidelijk blijken -zoals wij nu weten- dat handschriften wel eens aangepast werden aan de opvattingen van de tijd. Dan treft Willem persoonlijk geen blaam, maar is hem wel te verwijten dat hij geen eigen onderzoek naar de bron heeft gedaan, iets dat het Bronnenboek en Piet Leupen en de Club van Nijmegen ook te verwijten valt. Het zijn juist deze onderwerpen die Albert Delahaye in zijn artikelen in de Gelderland in oktober en november 1955 uitvoerig beschreef. Tevoren werden al enkele mythen doorgeprikt (in de hier bedoelde lijst de nrs. 207, 211, 234, 237en 240). Daarop kwam het nodige commentaar, maar op de genoemde argumenten en genoemde teksten gingen de opponenten niet in. Kenden zij die teksten wel? Zij bleven slechts enkele traditionele maar nooit bewezen opvattingen herhalen, waarbij prof.F.Hugenholtz als ultimo stelde: "Dat Karel de Grote een palts had in Nijmegen hoeven we toch niet te bewijzen? Dat weet toch iedereen?" Dat laatste was zeker waar, het staat immers in alle historische boeken en in alle schoolboekjes. Maar het bleek nog nooit met klare feiten bewezen te zijn. De gevestigde historici verweten Delahaye 'dat hij geen verstand van de geschiedenis van Nijmegen zou hebben'. Dat werd door meerdere lezers van de Gelderlander weersproken dat "Delahaye in zijn artikelen in de Gelderland wel heeft laten blijken heel erg goed op de hoogte te zijn van de geschiedenis van Nijmegen". Er waren in de loop der jaren 150 artikelen over de geschiedenis van Nijmegen in de Gelderlander verschenen. Klik hier voor de hele lijst. |

De wetenschap heeft het echter af laten weten. Het is zelfs voorgekomen dat de weteschap met belachelijke uitvluchten kwam om de Karolingische Palts in Nijmegen te kunnen behouden.
Het gemis van een in pracht en praal gebouwd paleis bracht prof.F.Hugenholtz op het lumineuze idee dat het paleis van Karel de Grote slechts 'een houten boerderijtje' geweest zou zijn (sic)! Zo maakt Hugenholtz van Karel de Grote een Gelderse boer, zoals Albert Delahaye dat eens kwalificeerde. Maar ook hout laat sporen na, maar die zijn er evenmin gevonden. Hugenholtz erkent hiermee overduidelijk dat van een 'in pracht en praal' in steen gebouwd paleis van Karel de Grote in Nijmegen geen sporen gevonden zijn. Brandveilig zat het houten gebouwtje in elk geval niet geweest zijn, zoals dr.F.Gorissen dat eens stelde.

|
Noviomagus was Noyon. Er is uit de periode van 770 tot in de 11e eeuw, geen enkel archeologisch bewijs gevonden voor wat in de bronnen over Nijmegen wordt beweerd. Het in de bronnen genoemde Noviomagus was Noyon, wat met het Bronnenboek van Nijmegen, hoewel niet de bedoeling, overduidelijk aangetoond werd. Sarfatij schrijft (in Verleden land) over Nijmegen het volgende: "Het archeologische beeld van de vroege Middeleeuwen is in vergelijking met het historische even schimmig" en: "Voor de Karolingische tijd is men dus altijd uitgegaan van de palts. Toch is van het burchtterrein [ ... ] archeologisch niets van deze eerste palts, uit de Karolingische tijd bekend. En nog minder is dit het geval met de villa en de vroege Stevenskerk". "De eerste post-Romeinse archeologische sporen van een echt stedelijke bewoning dateren uit de 12e eeuw". In een lezing voor de Vereniging Gelre in 1987 vertelt Sarfatij het volgende: "Karolingische sporen zijn er nauwelijks . De meeste vondsten komen uit een duidelijk jongere context". "Einhard beschreef in zijn biografie van Karel de Grote dat deze was begonnen met de bouw van schitterende paleizen te Ingelheim en te Nijmegen. Bouwonderzoek te Ingelheim heeft een goed beeld gegeven van zo'n Paleis, terwijl de gegevens betreffende Nijmegen hoofdzakelijk ontleend moeten worden aan schaarse vermeldingen in historische bronnen". (Bron: Johan Hendriks). |
Geen enkel bewijs voor Karolingisch Nijmegen. Archeologisch is van een Paleis van Karel de Grote in Nijmegen helemaal NIETS gevonden en dat weten de historici in Nijmegen ook! Ik heb meerdere historici om de bewijzen van het bestaan van Karolingisch Nijmegen gevraagd, maar zoals wel te verwachten, nooit iets ontvangen. Het enige "bewijs" dat men noemt zijn enkele sporen van rode mortel in de Barbarossa Ruïne op hergebruikt Romeins bouwmateriaal. Die restjes rode mortel worden nu gebruikt om dat Karolingisch Paleis aan te tonen dat er bijna 300 jaar gestaan zou hebben. Verder heeft men NIETS. Lees ook het betoog van mevrouw Dolly Verhoeven, professor doktor in geschiedenis aan de Universiteit van Nijmegen. Reeds in 1980 erkende prof.F.Hugenholtz al dat er geen spoor van een Karolingische Paleis gevonden is op Het Valkhof. Hij meende dat Karel de Grote er slechts een houten boerderijtje had, waarmee hij van Karel de Grote een 'Gelderse boer' maakte, zoals Albert Delahaye deze infantiele uitvlucht kwalificeerde. Maar ook houten boerderijtjes laten sporen na en die zijn op het Valkhof ook nooit gevonden. In 1923 wist men in de nieuw op te richten Katholieke Universiteit van Nijmegen al dat de Karolingische traditie vals was. Men durfde het toen niet aan om de Universiteit naar Karel de Grote te vernoemen, hoewel dat wel voorgesteld was. Wel werd de lijfspreuk van Karel de Grote "In dei Nomine Feliciter" gehandhaafd. Opvallend blijft ook dat men in 1962 het nieuwe ruiterstandbeeld van Karel de Grote niet op Het Valkhof plaatste. De commotie daarover spreekt boekdelen. Lees meer over dit standbeeld van Karel de Grote, dat als een 'waarschuwende vingerwijzing', zeker moet blijven staan in Nijmegen, ook al geeft deze grimmig kijkende ruiter treffend aan dat hij in de verkeerde stad staat. |

De gemeente Nijmegen is niet alleen nonchalant, maar ook onwetend over de eigen en ware geschiedenis. In deel 1 van de in 2022 verschenen vierdelige serie over het Verhaal van Gelderland wordt dan wel de visie van Albert Delahaye genoemd (p.334), maar geheel onjuist. Op deze ene pagina proberen de auteurs van deze tekst met valse citaten en leugens zijn visie belachelijk te maken! Daarover gereclameerd, wenst de redactie geen verdere discussie te voeren. Volgens prof.dr. Dolly Verhoeven van de Radboud Universiteit in Nijmegen, komt in deze tekst de visie van Delahaye afdoende tot uiting komt! Afdoende tot uiting? Met valse citaten en leugens? Geen verdere discussie? Die discussie was niet eens begonnen! Is dat universitaire historische wetenschap?
In Nijmegen kent men de eigen geschiedenis heus wel, maar blijft men toch vasthouden aan de 'mooie verhaaltjes', zoals die in de schoolboekjes staan. De archeologie van Nijmegen spreekt toch duidelijke taal, zoals uit het boek "Graven met beleid" van Harry van Enckevort en Jan Thijssen blijkt. Zij weten dus als geen ander dat Albert Delahaye gelijk heeft! In dit boek blijkt dat er tussen de Romeinse tijd en de 12de/13de eeuw een gapend gat met ruim 9 eeuwen met NIETS*) zit. Dat blijkt duidelijk uit het overzicht van de opgravingen en waarnemingen tussen 1989 en 1995. Uit dit overzicht blijkt dat van de 58 archeologische locaties er bij 31 sprake is van Romeinse graven of resten. Slechts in één geval (Canisiussingel) is sprake van iets (?) 'Frankisch', waarover vermeldt wordt dat "voor het eerst werd in Nijmegen restanten van Frankische bewoning aangetroffen, een zogenaamde hutkom. Scherven en munten dateren de bewoning in het tweede kwart van de 4de eeuw. De ontdekking kan van belang zijn voor de interpretatie van de laat-Romeinse grafvelden in Nijmegen".
Geen enkel bewijs voor een paleis van Karel de Grote.
Het is een interessant betoog van prof.de Waele (De Gelderlander-pers, Dagblad voor Nijmegen, 7 april 1962) hoe hij Karel de Grote voor Nijmegen trachtte te behouden, al erkent hij dat voor de St.Nicolaaskapel de naam Karolingische Kapel volkomen onjuist is. Bepaald vreemd doet het aan, dat de Waele een belangrijk, tot op zekere hoogte zelfs essentieel deel van de traditie prijs geeft, maar tóch aan de hoofdzaak wil blijven vasthouden, wier lokale fundament vervallen is. Als immers door wetenschappelijk onderzoek bewezen is, dat het paleis van Karel de Grote niet op het Valkhof stond, dat de Karolingische kapel niet Karolingisch is, dat Frederik Barbarossa niet het paleis van Karel de Grote herbouwde, dat op het Valkhof (of elders in Nijmegen) geen enkel relikt van een Karolingisch paleis gevonden is (tot hiertoe citeren we de Waele!), moet dan niet de principiële vraag gesteld worden, of Nijmegen wel een paleis van Karel de Grote heeft gehad? De noodzaak van deze vraag mag niet verdoezeld worden achter de volslagen onwetenschappelijke bewering, dat de resten van het paleis elders in Nijmegen nog ergens in de grond moeten zitten. Onaanvaardbaar is deze veronderstelling, dat juist de vroeg-Middeleeuwse cultuurlaag van de bodem verdwenen zou zijn, terwijl de Romeinse laag wel bewaard bleef. Het ontbreken van Karolingische en vroeg-Middeleeuwse relikten bevestigt de breuk in de historische continuïteit, die reeds in de schrifteljke bronnen vast te stellen is. Als zowel de geschreven historie als de archeologie beide in negatieve zin spreken, berusten de opvattingen, die de lacune met veronderstellingen vullen, slechts op fantasie.
In 768 wordt Karel de Grote in Noviomagus tot Koning van de Franken gekroond. In 771 als zijn broer Carloman onder verdachte omstandigheden overlijdt, wordt hij alleenheerser en vestigt zich in Noviomagus in het oude Paleis van zijn broer, dat hij te klein vindt. De helft van dat Paleis was door Carloman in gebruik gegeven aan een klooster. Dit Noviomagus is onmiskenbaar de Franse stad Noyon. Karel de Grote geeft opdracht om 'in pracht en praal' (zoals het later omschreven wordt) een nieuw Paleis te bouwen. Zou dat Paleis dan in Nijmegen, aan de rand van zijn rijk gebouwd zijn of in zijn Kroningsstad in het centrum van het van zijn voorouders geërfde rijk? Stond dit nieuwe Paleis in Nijmegen of in Noyon? Dat is de centrale vraag in de hele Noviomagus-discussie! En als er in Nijmegen geen spoor van gevonden is en in Noyon de resten van dat Paleis nog steeds aan te wijzen zijn, moet de conclusie voor iedereen toch duidelijk zijn.

Vergeet Amsterdam, vergeet Rotterdam, vergeet Delft: Nijmegen is de belangrijkste stad uit de Nederlandse geschiedenis. Dat zegt geschiedschrijver Bart Van Loo in De Ongelooflijke Podcast.
De geschiedenis van Karolingisch en Romeins Nijmegen is nog steeds gebaseerd op de fabelschrijvers Willem van Berchem en Johannes Smetius. Het is onvoorstelbaar dat tegenwoordige historici deze fabels nog steeds voor ware geschiedenis houden. Opvallend is wel dat de geschriften van Van Berchen en Smetius in de tegenwoordige literatuurlijsten niet meer genoemd worden. Heeft men hun fabellogie nu toch ontdekt? Dan dient men wel aan te geven waarom zij niet meer geciteerd worden en dient men de geschiedenis van Nijmegen nog wel even aan te passen!

|
Uit “De Volkskrant van 6 december 2005” Het Valkhof is niet Karolingisch! Anno 2005 is de tekst op de uitleg van het monument “Het Valkhof” in Nijmegen aangepast. Geen beter voorbeeld van het gelijk van Albert Delahaye. Er staat nu: (ga het zelf zien): “Het oudste nog bewaard gebleven Burchtonderdeel is de Sint-Nicolaaskapel, meestal foutief Karolingische kapel genoemd. Deze is omstreeks 1000 naar het voorbeeld van Karel de Grote’s hofkapel te Aken gebouwd…….” In 1950 beweerde men nog bij hoog en laag dat het een Karolingische Kapel was. Op basis van zijn eerste artikel in 1954: “Heeft de burcht van Karel de Grote op Valkhof of in Rijkswoud gestaan?” en enkele publicaties daarna, is Albert Delahaye verketterd in Nijmegen. Zijn werk en het leven werden hem zo zuur gemaakt op het gemeentearchief en daarbuiten (o.a. door enkele -niet alle!- profs van de universiteit) dat hij vertrok. Koolstof onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat de kapel op het Valkhof zeker niet Karolingisch was. Dus schoof men twee eeuwen op naar het jaar 1000. Het patronaat van Sint Nicolaas toont aan dat de bouw niet eerder dan 1080 geweest kan zijn, immers voor die tijd was Sint Nicolaas in Nederland volkomen onbekend. Niet Amsterdam, maar Nijmegen kan zich met recht de oudste Sint Nicolaassstad noemen, maar ook dit historisch feit heeft men in Nijmegen verwaarloosd. Momenteel wordt deze kapel 'Ottoons' genoemd. Langzaam schuift de geschiedenis van Nijmegen op naar de juiste tijd. In het Dagblad voor Nijmegen d.d. 7 april 1962 werd deze ingeroeste onjuistheid dan eindelijk rechtgetrokken (zie het krantenknipsel hiernaast rechts), maar 'in de volksmond' spreekt men nog steeds van 'Karolingische kapel'. |
Nijmegen mag Albert Delahaye wel dankbaar zijn. Dankzij Delahaye kreeg de stad volop belangstelling van de ROB (Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek) en hoefde geen eigen stadsarcheoloog aan te stellen.![]() ![]() ![]() ![]() |
|
In de Kampioen van de ANWB (sept.2020) wordt in een special over Nijmegen het Paleis van Karel de Grote niet genoemd. Dat is opvallend aangezien het Valkhof toch een toeristische trekpleister is. In het verhaal wordt geschreven over Romeins Nijmegen (met nog enkele onjuiste veronderstellingen: klik hier) en vervolgens over de St.Nicolaaskapel uit de 11e eeuw en de Barbarossa-ruïne uit de 13e eeuw. Ziet U ook hier het gat tussen Romeinse tijd en 11e eeuw? Ook in andere recente publicaties is het opvallend dat steeds meer bepaalde details ontbreken, die men tot voor kort nog voor Nijmegen opvoerde. |
In de Kampeerauto van februari 2020 (uitgave van de NKC) wordt Nijmegen genoemd in het artikel 'Land van Oorlog en Vrede. Over zeven heuvelen'. We lezen er: De Romeinen stichtten op de Valkhof een legerplaats vanwege het uitzicht - niet om te genieten, maar om de vijand aan te zien komen. Daarna volgt de Middeleeuwen! Ook hier geen woord over Karel de Grote, al wordt het Keizer Karelplein wel genoemd. Maar ja, daar kan ook keizer Karel V mee bedoeld worden. Op het hek van het Valkhof staat een door iedereen onbegrepen mysterieuze Latijnse tekst: HIC STETIT HIC FRENDENS AQUILAS HIC LUMINE TORVO CLAUDIUS ULTRICES VIDIT ADESSE MANUS. (Zie foto: klik op de foto voor een vergroting). |
![]() |
De plaats op het Valkhof te Nijmegen waar de mythe beweert dat Claudius Civilis er stond te "knarsentanden" toen hij de Romeinse legerscharen zag naderen, stond de Bataaf in werkelijkheid ca.400 km zuiderlijker in de omgeving van Béthune. Op het hek op het Valkhof, uitkijkend over de Waal en de Waalbrug, staan de versregels van Constantijn Huygens, een dichter uit de 17e eeuw. De vertaling luidt: "Hier stond hij, hier zag hij knarsentandend de adelaars, hier zag Claudius met grimmige blik de wrekende legers naderen!" Dat de Romeinen op de Valkhof een legerplaats gesticht zouden hebben, is onjuist. Niet de Romeinen stonden hier, maar Claudius Civilis stond hier te knarsentanden volgens Huygens. Dat die vijand, dat waren dus de Romeinen, niet uit het noorden kwam, maar uit het zuiden, is blijkbaar bij de Nijmeegse historici nog steeds niet bekend. Maar ja, zo ontstaan de Nijmeegse mythen door een 17e eeuwse fabeldichter die meende ook wel enig verstand van geschiedenis te hebben, wat al blijkt dat niet Claudius hier stond te knarsentanden, maar Julius Civilis. Klik op de foto voor de tekst op het beruchte hek om het Valkhof. |
Volgens de opvattingen van de historici moeten we ons dus voorstellen dat de Romeinen bij hun vertrek in 104 n.Chr. voor de Bataven een nieuwe stad bouwden die ze Ulpia Noviomagus noemden en nog even stads- of marktrechten gaven. Deze stad (waar men op slag Noviomagus van maakte) werd pas in 1992 aan de Waalkade ontdekt, maar was in feite de oude stad. Tot die tijd zocht men die stad elders, maar werd nergens gevonden. Deze oudste stad bleek van zeer beperkte omvang en was veel te klein om er het machtige volk van de Bataven te huisvesten. En dan blijft de vraag: "Maar woonden de Bataven dan niet in de Betuwe?" Blijkbaar niet, als ze in Nijmegen woonden.
![]() |
In het AD/AC van 25 maart stond het bericht dat hiernaast wordt getoond. Mijn reactie daarop in ingezonden brieven was als volgt: Dat Nijmegen de oudste stad van ons land zou zijn (AD/AC van 25 mrt.) is een mythe. Nijmegen heeft na de Romeinse tijd geen enkele continuïteit in haar bestaan gehad en mist minstens 8 eeuwen in haar geschiedenis. De zogenaamde 'stadsrechten' die Nijmegen van keizer Traianus in het jaar 104 gekregen zou hebben zijn een farce. Daarvoor ontbreekt ook elk bewijs. Van keizer Traianus is bekend dat hij nooit stadsrechten uitdeelde en al helemaal niet aan een Romeins legerkamp, wat Nijmegen in het jaar 104 was toen de Romeinen er vertrokken. Daarna verdween Nijmegen als legerkamp uit de geschiedenis. Ik heb historici van de Radboud Universiteit in Nijmegen wel eens om het bewijs van die 'stadsrechten' gevraagd, maar tot heden heb ik het nooit ontvangen. Maastricht is onmiskenbaar de oudste stad van Nederland met een historisch aangetoonde continuïteit. Deze ingezonden brief werd echter niet geplaatst. Blijkbaar niet belangrijk genoeg. Hoe krijgen we deze mythe nu uit de Nijmeegse geschiedenis? |
Nijmegen de oudste stad? Wat is de definitie van 'stad'? Vanaf het moment dat een plaats 'stadsrechten' kreeg? In Nijmegen gelden blijkbaar andere criteria, immers van verlening van 'stadrechten' is in de Romeinse tijd geen enkele sprake geweest. Stadsrechten kreeg Nijmegen pas in 1230. En dient er niet van continuïteit sprake te zijn, wil men het predicaat 'oudste' voeren? Van continuïteit is in de geschiedenis van Nijmegen pas sprake sinds de elfde eeuw. Dat Nijmegen de oudste stad was werd bedacht door Nijmegenaar Jan Thijssen. En toen niemand in Nijmegen hem tegensprak, werd het vervolgens voor een vaststaand feit gehouden en in het hele land en daarbuiten rondgebazuind. Maar bewijzen voor die stelling zijn nooit gevonden. Het is slechts gebaseerd op aangenomen veronderstellingen. ![]() 'Thijssen wijdde zijn hele leven aan het bewijzen daarvan' Zijn hele leven....!! Blijkbaar was het erg moeilijk om bewijzen te vinden! De 'bewijzen' die hij dan gevonden heeft blijken NEP en leugens te zijn, passend verbeeld met de NEP-zuil hiernaast! |
![]() De plastic NEP-zuil, gemaakt in de Filippijnen. |

|
1. Heeft Nijmegen ooit stadsrechten gekregen van keizer Traianus? Lees meer... 2. Heeft Nijmegen ooit de naam Ulpia Noviomagus gehad? Lees meer... 3. Heeft Nijmegen een continuïteit in de geschiedenis? Lees meer... 4. Was er in Nijmegen al een Romeinse aanwezigheid in 19 v.Chr? Lees meer... Deze vragen moeten alle ontkennend beantwoord worden. Er is geen enkel bewijs voor te vinden of ooit gevonden. Het is zelfs zo dat binnen de eigen historici van Nijmegen deze zaken ook ter discussie staan en zelfs erkend wordt dat de bewijzen er niet zijn. |
|
Het antwoord op vraag 1 krijgen we van de grote 'Nijmegen deskundige' J.E.Bogaers: "Deze plaats kan van de betreffende keizer stadsrecht ontvangen hebben, dus colonia of municipium zijn geworden, maar het is ook mogelijk dat de keizerlijke bijnaam enkel gefungeerd heeft als erenaam van een peregrine (is buitenlandse) nederzetting". Daar gaat het stadsrecht van Nijmegen! Het 'Ulpia' was slechts een erenaam volgens Bogaers (Bron: Civitas en stad van de Bataven en Cananefaten, in ROB-berichten 1960-1961, p.263). En dan blijft nog het antwoord op vraag 2 of Ulpia Noviomagus wel betrekking had op Nijmegen of was het Neumagen waar Traianus immers stadhouder was of was het toch Noyon een van de 12 civitates in Gallia? |
Het antwoord op vraag 3 wordt gegeven door W.A. van Es: "Van een werkelijke continuïteit van Nijmegen als stad vanuit de Romeinse tijd tot in de vroege middeleeuwen is geen sprake". (Bron: De Romeinen in Nederland, 1981, p. 156). Ook uit de eigen Nijmeegse geschiedenis blijkt er een groot gat te bestaan, wat bevestigd wordt in Museum Het Valkhof en Het Bronnenboek van Nijmegen. Het antwoord op vraag 4 is dat duidelijk blijkt dat de oudste geschiedenis van Romeins Nijmegen op losse schroeven staat. Nijmegen heeft geen enkel bewijs voor de aanwezigheid van de Romeinen in de periode vóór de jaartelling. De stichting in het jaar 19 of 16 v.Chr. is een nooit bewezen veronderstelling op grond van vage sporen en veel vooringenomenheid. Leest men de eigen Nijmeegse literatuur erop na, dan is er slechts sprake van "wishful thinking". |
Het lijkt er steeds meer op dat de mythe van 'Noviomagus' is aangelegd door de Nijmeegse plantsoenendienst.Duidelijk in dit bloemperk is ook de dubbele Duitse Adelaar te zien. Nijmegen heeft meer van de Duitse geschiedenis dan het zelf meent. ![]() Uit De Brug' (Nijmeegs Weekblad) van 8 mei 1985. |
Dr.R.R.Post schrijft daarover in Numaga 1955-2 (p.38) het volgende: "Desondanks zijn er in de vergadering van de Nijmeegse historische vereniging Numaga, gehouden in de herfst van 1955, enige twijfels geuit over de identiteit van Numaga — Noviomagus — Nijmegen. De oude namen zouden veel eerder identiek zijn met het in Frankrijk liggende Noyon. Daar was immers ook een Karolingische palts. Indien deze twijfel gegrond zou zijn, zou de naam van de vereniging en van haar orgaan onjuist zijn, ja belachelijk schijnen en de Nijmeegse Karolingische traditie een fantoom blijken."![]() | Nijmegen heeft twee drukke verkeersrotondes genoemd naar keizers die er nooit geweest zijn: Traianus en Keizer Karel de Grote. Deze pleinen staan symbolisch voor de Nijmeegse historici die steeds in rondjes draaien en de weg kwijt zijn met hun achterhaalde opvattingen, net als het verkeer dat steeds in rondjes draait alsof het de weg kwijt is. | ![]() |
In Nijmegen vierde men in 1930 nog het 700-jarig bestaan van de stad. Pas nadat Albert Delahaye in 1954 zijn eerste bedenkingen publiceerde over hoe Karolingisch Nijmegen eigenlijk was, werd als verweer daarop in 1955 plots het 1800 jarig bestaan van de stad gevierd. Nog datzelfde jaar werd dat 'aangepast' aan het 1850-jarig bestaan. Dit mede naar aanleiding van een artikel van Albert Delahaye in de Gelderlander van 2 april 1955 met als titel "Stad Nijmegen omstreeks 105 een Romeinse stad met eigen bestuur". Bij dit artikel plaats Delahaye al wel een aantal vraagtekens, zoals, dat er geen bewijzen bestaan voor een continuïteit naar de middeleeuwen. Keizer Trajanus kreeg in 1956 plots een naar hem genoemd (verkeers-)plein kreeg en in 1962 werd het standbeeld van Karel de Grote onthuld. Zet de jaartallen op een rijtje en je ziet aanleiding en gevolg! Hoeveel zekerheid over de "bewijzen" die men meent te hebben, spreekt hieruit?
"De Valkhofkapel is niet Karolingisch, maar van latere datum". (Bron: Valkhofgids, herziene uitgave 1993 van de Valkhofvereniging, p.7). Daarmee vervalt eveneens de hele aangenomen Karolingische geschiedenis.

| Ondernemende monetarii die hun zaken in Maastricht zien verlopen, vestigen zich te Dorestad. Al zijn bij of in beide Waal-steden wel enige 7e-eeuwse Merovingische munten gevonden, wij kennen er geen, te Nijmegen of Tiel geslagen. Voor die periode moet de numismaticus het woord laten aan de archeoloog. (Bron: Numaga 1956) |
|
Voor Romeins Nijmegen worden momenteel vijf (5!) namen gebruikt: Batavodurum, Oppidum Batavorum, Noviomagus, Ulpia Noviomagus en Castra Herculis! Welke is de juiste naam? Voor al deze vijf namen bestaat geen enkel bewijs. Of was het toch Neumaia, dat met een tekst uit 1125 aangetoond wordt? De bewoning in Nijmegen eindigde in de 3e eeuw met het vertrek van de Romeinen (Bron: G.v.d.Heide, Graven naar het Verleden, Utrecht 1972). Pas in de 11e eeuw was er weer van enige bewoning sprake. ![]() Klik op de afbeelding voor de verwijzing. ![]() Toen Albert Delahaye in 1954 de vraag stelde of het Noviomagus van Karel de Grote wel Nijmegen was, stak er een storm van verontwaardigd protest op onder historici. Uit de eerste reacties bleek al snel dat het altijd voetstoots was aangenomen, maar nog nooit bewezen. "Dat hoeven we toch niet te bewijzen?" sprak Hugenholtz, alsof de kwestie daarmee was afgedaan. Het was dus ook nooit aangetoond of bewezen. Delahaye had een pijnlijk probleem blootgelegd. Er bleek sprake van een immense spraakverwarring als het om het klassieke 'Noviomagus' ging, een spraakverwarring die tot dan toe steeds ontkend was. Zaken werden door elkaar gehaald, ook die er niets mee te maken hadden.
Klik op het logo! ![]() Het Bronnenboek. ![]() Romeins Nijmegen. ![]() De St.Nicolaaskapel. ![]() Keizer Karelstad? Dat Nijmegen het klassieke Noviomagus zou zijn, is slechts gebaseerd op de veronderstelling dat de Betuwe het land van de Bataven zou zijn. Er bestaat geen enkel rechtstreeks bewijs voor de juistheid van de naam Noviomagus voor Nijmegen. Wie het hiermee niet eens is, laat hem/haar het bewijs tonen. We wachten al ruim 50 jaar op dat ene bewijs. Tot heden is het nooit gevonden. Ook in Het Bronnenboek van Nijmegen staat het niet. In de geschiedenis van Nijmegen en Nederland doet zich het merkwaardige feit voor dat de keizers alleen in Nijmegen oorkonden zouden hebben uitgegeven en nergens anders in Nederland. Daarbij komt dat in omliggende steden en streken Nijmegen niet voorkomt in de geschiedenis. Door het Bureau Archeologie Nijmegen twee boekjes uitgegeven nl. Graven op Mariënburg, Archeologisch onderzoek in het centrum van Nijmegen (auteurs Harry van Enckevort en Jan Thijssen) en Nijmegen, Legerplaats en stad in het achterland van de Romeinse Limes (Harry van Enckevort, Jan Kees Haalebos en Jan Thijssen). De mooi verzorgde interessante boekjes vormen een neerslag van de archeologische vondsten tot op dit moment. Volgens de auteurs heeft het recente onderzoek in het centrum van Nijmegen zoveel nieuwe informatie opgeleverd dat daarmee het “donkere gat” in de Nijmeegse historie (5 - 7e eeuw) grotendeels kan worden opgevuld en dat Nijmegen dus vanaf het begin van de jaartelling tot het heden een continue ontwikkeling heeft doorgemaakt. LET OP: er staat dus 'grotendeels' en een continue ontwikkeling. Grotendeels betekent dus dat het gat niet helemaal is gedicht en een continue ontwikkeling is geen continue bewoning! In het boek "Tot de bodem uitgezocht" door Jan Thijssen lezen we op p.15 het volgende: "Na de Romeinse tijd is het terrein (bedoeld wordt de Eiermarkt in het centrum van Nijmegen, red.) niet of nauwelijks in gebruik geweest. Er zijn alleen enkele Merovingische en Karolingische afvalkuilen aan getroffen. Deze situatie bleef tot en met de 12e eeuw ongewijzigd. Pas in de 13e eeuw namen de menselijke activiteiten sterk toe". Hier wordt dus door Jan Thijssen erkend dat er tussen de Romeinse periode en de 13e eeuw geen bewoning is geweest ter plekke, laat staan dat er sprake was van een stad. En dit het gat van Nijmegen zie je ook elders in Nijmegen. ![]() De Gelderlander 19 nov.1955. De argumenten hier in 1955 al genoemd, gelden nog steeds en onverkort. Klik op de afbeelding voor een vergroting. Nijmegen kan zich overigens geen stad noemen. Sinds 1851 zijn steden in de Gemeentewet officieel afgeschaft. |
De door Jappe Alberts genoemde Koninklijke palts heeft niet bestaan. Pas na 1155 was er sprake van een palts en wellicht van een stad. Maastricht is Nederlands oudste stad en wordt ook als enige Nederlandse stad in ons volkslied 'het Wilhelmus' genoemd.
![]() Toen in Nijmegen in 1930 het 700 jarig bestaan van de stad werd gevierd, wist men al dat Maastricht de oudste stad van Nederland was, wat deze ansichtkaart uit 1960 wel bewijst. Pas na het jaar 2000 begon men in Nijmegen te beweren dat Nijmegen de oudste stad was. Men loopt in Nijmegen niet alleen achter in beweringen, maar ook in feiten. Maastricht is niet alleen de oudste stad, maar heeft ook een aangetoonde doorlopende bewoning gehad. Dat laatste mist Nijmegen zeker ook en wordt in Museum Het Valkhof ook erkend. Op de tijdbalk op de muur in Museum Het Valkhof is het gat van Nijmegen duidelijk weergegeven. Er bestaat sowieso een gat van 5 eeuwen tussen 270 (vertrek van de Romeinen) en 777 (de bekende akte uit dat jaar: zie daar). In het jaar 777 zou Karel de Grote in Nijmegen een nieuw Paleis in pracht en praal (zoals Einhard het vermeldt) hebben laten bouwen. Vervolgens zou hij er maar vier keer geweest en wel in 777, 804, 806 en 808 volgens 'Het Bronnenboek van Nijmegen'. Telkens om er het Paasfeest te vieren. Dat willen ze in Nijmegen iedereen wijs maken, in pracht en praal een nieuw Paleis aan de rand van zijn rijk bouwen, waar hij vervolgens maar vier keer (4x !) kwam? Waarom lag dit nieuwe Paleis beslist in Noyon? ![]() En als men Dorestad (is niet Nijmegen) en het vermeende verblijf van Karel de Grote schrapt, wat ook erkend wordt (zie afbeelding hieronder), ziet men het gat van Nijmegen tussen 270 en 1080 (bouw van de kapel op het Valkhof niet rond 1000 zoals hierboven is aangegeven!) , een gat vanzelfs 8 eeuwen. Volgens de opgave hieronder van het opgegraven aardewerk in Nijmegen wordt het gat van Nijmegen maar liefst 9 eeuwen tussen de 4e en 13e eeuw! Acht (8!) of zelfs negen (9!) eeuwen zonder geschiedenis! En dan zeggen die enkele graven die rond en in Nijmegen gevonden worden uiteraard NIETS over het bestaan van een stad! De verspreiding van die graven geeft juist aan dat het om rondtrekkende mensen ging, die hun doden begroeven op de plek waar men toevallig was. Er is geen enkele nederzetting aangetoond in Nijmegen, laat staan het bestaan van een stad! Nijmegen de oudste stad? Hou op met die fabel! Het is pure volksverlakkerij, puur NEP (zie daar). ![]()
Niet Nijmegen, maar Maastricht is Nederlands oudste stad..De bekering heeft zich ingezet.Zie het artikel hiernaast. (Bron: Algemeen Dagblad 10 aug.2017). Ook in dit artikel wordt de waarheid helaas weer geweld aan gedaan. De Bataafse Opstand heeft nooit in Nijmegen plaatsgevonden maar in Noord-Frankrijk. Bovendien was deze opstand in 69 en 70 ná Chr. Blijft onverlet dat Nijmegen niet de oudste stad was. Overigens zou Nijmegen de 'stadsrechten' van keizer Traianus gekregen hebben in het jaar 105 n.Chr. Hoe dat dan kan als de stad totaal vernietigd was, blijft een van de vele Nijmeegse raadsels. Aangetoond is wederom dat er met de traditionele Romeinse geschiedenis van Nijmegen ook heel wat aangerommeld werd en wordt. Met de afbeelding van de Valkhofkapel wordt (onbedoeld?) bevestigd dat de geschiedenis van Nijmegen begint in de 11e eeuw! Dat is helemaal juist! Maastricht is de enige Nederlandse stad die kan bogen op een bewezen permanente bewoning vanaf de Romeinse tijd tot nu toe. Over continue bewoning vanaf de Romeinse tijd kan (in Nijmegen, red.) dan ook wegens gebrek aan bewijs niet gesproken worden. (Bron: I.Jacobs en K.Ribbens). ![]() Hoewel bovenstaande tekst enkele storende fouten bevat, geeft het wel aan hoe Nijmegen aan haar onjuiste geschiedenis komt. Dat Maastricht de oudste stad van Nederland is wordt ook erkend door de Universiteit van Nijmegen, al had men dat zelf niet in de gaten. De Universiteit van Nijmegen slaat een flater door zich als oudste stad met een afbeelding van Maastricht te profileren. Op een Kerstkaart van de Universiteit van Nijmegen, staat duidelijk Maastricht afgebeeld. Na zo'n erkenning houdt de hele discussie over de oudste stad op. Zie ook het jaartal 1923 in de lijst hieronder! Nijmegen mist ACHT eeuwen van haar geschiedenis en is dus niet de oudste stad van ons land. Volhouden dat Nijmegen de oudste stad is, is NEP. Er is meer NEP in de geschiedenis van Nijmegen. Maastricht is de oudste, permanent bewoonde stad van Nederland! (Archeologie Magazine 2, 2000, p.36). Door dit zo nadrukkelijk te stellen impliceert het dat Nijmegen dus niet permanent bewoond was, waarmee het gat van Nijmegen nogmaals is aangetoond. Het naoorlogse Nijmegen kende bestuurders zonder noemenswaardig historisch besef. Gevoelens van verantwoordelijkheid jegens het verleden ontbraken helemaal. Het omgaan met het tastbare en zichtbare verleden kenmerkte zich als een litanie van verdriet. (Bron: Archeologie Magazine nr.3, 2004). Dat gebrek aan historisch besef kenmerkte niet alleen de bestuurders, maar ook veel zogenaamde deskundige historici in Nijmegen. Het Bronnenboek van Nijmegen is daarvan een sprekend voorbeeld. Hieronder volgen nog meer voorbeelden over NEP in de Nijmeegse geschiedenis. "Dat Nijmegen de oudste stad zou zijn, daarover bestaat geen twijfel", schrijft J.B.A.M.Brabers in Numaga jaarboek 2002. Dat kan men in Nijmegen beter vergeten, want er bestaat veel en zelfs gerede twijfel. Dat moet Brabers ook erkennen als hij enkele regels verder schrijft dat er geen concrete bewijzen bestaan van de stichting van de stad. En volgens J.E.Bogaers kreeg Nijmegen 'vermoedelijk op zijn vroegst' pas in de tweede helft van de tweede eeuw marktrechten. Maar marktrecht is geen stadsrecht! Hoezo dan de oudste stad? ![]() Het was de Nijmeegse gemeentelijke archeoloog Jan Thijssen die vaststelde dat Nijmegen de oudste stad van Nederland was. Het was dus geen conclusie van historici of van derden, maar de conclusie van de stadsarcheoloog, wat in Nijmegen gezien het toerisme voetstoots werd overgenomen. Over belangenverstrengeling gesproken. Het 'onderzoek' van Thijsen om tot deze conclusie te komen was onvolledig, bevatte onvolkomenheden en onjuistheden, zoals men later vaststelde, was feitelijk dus een mythe. Het was ook geen onderzoek dat bevestigd werd door geschreven bronnen, maar slechts door hypothesen van de stadsarcheoloog zelf. En jezelf tegenspreken doet men in archeologische kring niet. "Ja", zei Thijssen ooit, "je moet de tent goed verkopen". Dat heeft hij voor Nijmegen zeker gedaan, maar het was dezelfde mythe als die over het Paleis van Karel de Grote, dat er ook nooit geweest is. Uit een eerder interview met Thijssen blijkt dat hij niet deskundig is om te kunnen beweren dat Nijmegen de oudste stad is. Hij kende de geschreven bronnen niet eens. Zo verweet hij Albert Delahaye dat hij Romeins Nijmegen zou hebben ontkend. Niets is minder waar, maar nu bleek glashelder dat Thijssen de boeken van Delahaye nooit gelezen had. Het is de arrogantie van degene die alleen zichzelf gelijk geeft. "De onzin die Delahaye beweert lees ik niet eens, want ik heb namelijk gelijk", was blijkbaar zijn opvatting. Ook beweerde Thijssen dat hij het gat van Nijmegen gedicht had. Jan zou aangetoond hebben dat er wel degelijk sprake was van continuïteit in de bewoning van Nijmegen. Daarmee werd volgens hem terecht geclaimd dat Nijmegen de oudste stad van Nederland was. Thijssen gaf hiermee dus feitelijk toe dat er wel degelijk een het gat van Nijmegen bestaat. Dat gat zou nu gedicht zijn met de vondst van een zestal graven, waarvan de datering zo ruim is dat er geen enkel bewijs voor het dichten van 'het gat' mee geleverd kan worden. En het toerisme dan?was het eerste verwijt dat Albert Delahaye kreeg over zijn twijfel aan Karolingisch Nijmegen. In 2019 nog steeds een item. Zie tekst hieronder. (Bron: Jaarboek Numaga, pp. 113-125). ![]() In twee in 2000 verschenen boekjes (zie linker kolom) waarmee Jan Thijssen c.s. menen aan te tonen dat het gat gedicht is lezen we het volgende: "De geschetste ontwikkeling vanuit de laat-Romeinse tijd laat alle ruimte voor een verdere uitbouw van de nederzettingen op het Valkhof tot een Karolingische palts, een van de paleizen van Karel de Grote (768 - 814). De eerste keer dat daarvan melding wordt gemaakt is het jaar 777, het jaar dat Karel de Grote in Nijmegen verbleef. In de winter van 880 viel het in handen van de Noormannen, die het kort daarop in brand staken. De palts is daarna weer hersteld. In 1040 is het complex tijdens een opstand tegen de keizer wederom in brand gestoken. Pas onder keizer Frederik Barbarossa (1152 -1190) werd het herstel grondig aangepakt. In het jaar 1166 werd de bouw van de nieuwe en imposante Staufische burcht voltooid (Graven op Marienburg, p. 30; Nijmegen enz. p. 102)". Deze tekst leidt tot de volgende vragen:
Het het gat van Nijmegen is dus allerminst gedicht, nog afgezien van de rest van 'het gat'. Waar blijven de vondsten uit de Karolingische tijd? Die zijn nog steeds niet gevonden en zullen er ook niet gevonden worden.
|
En dan komt Anton van Hooff (zie hier voor meer informatie over hem) in het Historisch Nieuwsblad nr.6 van 2017 met een nieuwe vondst. De pijler van keizer Traianus zou het ultieme bewijs zijn dat Nijmegen de oudste stad is. Waarschijnlijk komt deze pijler uit 17 n.Chr. schrijft hij. Dat is dan onzekerheid één. Maar in 17 n.Chr. was er van een keizer Traianus nog lang geen sprake. Dat zou nog zeker 80 jaar duren. Wordt dat vergeten of.... verzwegen? Vervolgens rakelt Van Hooff weer enkele aloude mythen op, maar vergeet te vermelden dat die pijler incompleet is. Onzekerheid twee. Het is maar een klein deel dat in Nijmegen gevonden is. En in 17 n.Chr. was er nog geen enkele Romein in Nederland geweest en dus ook niet in Nijmegen. Ook al zou de pijler uit 17 n.Chr. stammen, dan is er geen enkel bewijs dat die in dat jaar ook in Nijmegen terecht is gekomen. Onzekerheid drie. Overigens, waar is de rest van deze zuil die toevallig in Nijmegen terecht kwam? Onzekerheid vier. De steensoort van deze pijler toont al aan dat die van elders kwam.
|
|
|
'De Nijmeegse Stadskrant' van juli 2014 wijdt een paginagroot artikel aan Karel de Grote en zijn vermeende verblijf in Nijmegen. Daarin wordt breed uitgemeten dat Nijmegen veel te danken heeft aan het verblijf van Karel de Grote. Wat dat allemaal geweest is wordt echter niet vermeld. In dit artikel wordt slechts 'de blijde incomsten' (van het toerisme) genoemd. Toch erkent ook dit voor de promotie van Nijmegen van belang zijnde artikel, dat (en ik citeer) 'Helaas is er weinig tastbaars van dit Paleis overgebleven.' In een volgende alinea wordt het 'weinig' vanzelf 'niets' als er staat dat (citaat) 'geen materiële resten van het Nijmeegs Paleis van Karel de Grote bewaard zijn'. Als reden van het totaal verdwijnen van dit Paleis worden de Noormannen genoemd, die hier in het najaar van 880 een winterkamp optrokken. Bij hun vertrek in het voorjaar van 881 hebben ze blijkbaar alles grondig opgeruimd, een Noorman totaal vreemd natuurlijk en meegenomen in hun schepen. Dit artikel is vanuit Nijmeegse toeristische propaganda wel te verklaren, maar het heeft niets te maken met de historische waarheid. Volgens 'Het Bronnenboek van Nijmegen' is Karel de Grote maar 4 keer in Nijmegen geweest en wel in het jaar 777, 804, 806 en 808. Tussen 777 en 804 is hij er liefst 27 jaar niet geweest. Welk belang had zijn verblijf voor Nijmegen? In 777 zou Karel de Grote zijn nieuwe Paleis in Noviomagus betrekken, om er daarna bijna 30 jaar niet meer te komen? Veel gekker moet men het niet maken. Nijmegen wordt ook wel eens als steunpunt in de strijd tegen de Saksen opgevoerd, maar als Karel de Grote er bijna 30 jaar niet geweest is, juist als die strijd op zijn hevigst is, kunnen we dit uiteraard als een grote farce beschouwen. Bovendien staat het volkomen vast dat de Noormannen nooit in Nederland geplunderd hebben en al helemaal niet in Nijmegen. Daarvan is archeologisch geen enkel bewijs voor of ooit gevonden. In het jaar 880 en 881 verbleven de Noormannen in Gallia en het land van de Schelde waar ze steden plunderden als Amiens, Corbie, Terwaan, Kamerijk, Doornik, Kortrijk en Etrun. Verrassender is nog, dat het Paleis van Noviomagus nadien nog steeds in de bronnen blijft voorkomen. Maar die teksten worden in Nijmegen angstvallig verzwegen, hoewel 'Het Bronnenboek' wel een verblijf van Arnulf (in 891), Zwentibold (in 896 en 898), Karel de Eenvoudige (in 912), Otto I (in 949, 956, 966) Otto II (in 973-980) en Otto III (tussen 985 en 996) noemt. Ook keizer Hendrik II verblijft te Noviomagus tussen 1002 en 1024. Waar verbleven deze machthebbers, koningen en keizers als er geen Paleis meer was en ook van deze verblijfplaatsen geen spoor is gevonden? En in het jaar 1047 wordt een niet meer bestaand Paleis van Nijmegen in brand gestoken door Godfried, hertog van Lotharingen, als hij op weg is naar Verdun, dat ook in vlammen opgaat. Hoe dat te rijmen valt dient men in Nijmegen nog maar eens uit te leggen, nadat men het eens grondig onderzocht heeft op waarheid en mythe. Ook Wijk bij Duurstede zijnde Dorestad, zou in 865 door diezelfde Noormannen van de kaart zijn geveegd, maar komt in de bronnen daarna nog steeds voor als belangrijke handelsplaats. (Bronnen: De Ware Kijk Op. |
Misverstand: De stad Nijmegen. JULI 16, 2020 DOOR JONA LENDERING.
IN: FACTCHECK, GESCHIEDENIS, LAGE LANDEN, RomeinsE KEIZERRIJK![]() Afbeelding: Agrippa, de stichter van Nijmegen (British Museum, Londen) Trajanus gold als een goede keizer en dat hij hier en daar een modern standbeeld heeft gekregen is geen catastrofe. Wie Nijmegen over de Waalbrug binnenrijdt, zal er door worden begroet. Het beeld dateert uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, toen het aloude Keizer Lodewijkplein, aangelegd na de sloop van de Nijmeegse stadsmuur en vernoemd naar Lodewijk de Vrome, een nieuwe naam moest krijgen. Omdat oudheidkundigen toen nog dachten dat Trajanus iets voor Nijmegen zou hebben gedaan, werd het plein naar hem vernoemd en kreeg hij een beeld. De vraag was destijds al wát hij voor Nijmegen heeft gedaan, want het enige wat vaststaat is dat de stad zich Ulpia Noviomagus is gaan noemen. Het laatste element is de eigenlijke plaatsnaam, “nieuwe weide”. Het eerste element verwijst naar de familienaam van de keizer, die voluit Marcus Ulpius Trajanus heette. De aanname was destijds (als ik het wel heb) dat die naam is verleend met het recht om markt te houden, nundinas habere. Een tweede aanname was dan dat Noviomagus tevens “nieuwe markt” zou betekenen, wat niet onmogelijk is maar een secundaire betekenis verheft boven de primaire. Op zeker moment zou Nijmegen bovendien de rang van Municipium hebben gekregen, wat bepaalde juridische rechten en plichten voor de burger met zich zou hebben meegebracht. Hoe naam, marktrechten en Municipiumrechten in elkaar schoven, was en is onduidelijk, maar in 1955 herdachten de Nijmegenaren dat hun stad 1850 jaar bestond en in 1997 maakten ze een begin met de voorbereiding van het in 2005 te vieren 1900-jarig bestaan. Het werd echter een 2000-jarig bestaan, want enkele wetenschappelijke inzichten waren gewijzigd. Stadsrechten en marktrechten Een in Elst gevonden inscriptie is wel opgevat als bewijs dat Nijmegen al rond 98 of 100 de Municipiumrang had en niet slechts marktrechten. Bovendien was in de tussentijd duidelijk geworden dat de burgerlijke nederzetting van Nijmegen al veel eerder belangrijk was. De beroemde godenpijler uit het begin van onze jaartelling, hét pronkstuk van het Valkhofmuseum, zal niet zijn opgericht in een afgelegen dorpje maar in een plaats die in sociaal-economische zin toch wel een stad zal zijn geweest. Maar het is complexer dan dat. Nijmegen was namelijk altijd de voornaamste nederzetting van de Bataven, en bezat daarmee vanaf het begin – wanneer dat ook was – het recht markten te organiseren. Dat er zoiets zou hebben bestaan als marktrechten, is een dwaalspoor. Dat is ook de verlening van een naam als Ulpia. Een nederzetting kon zo’n naam gewoon aanvragen – uit Andalusië is het antwoord op het verzoekschrift over – en was een eerbetoon aan een heersende vorst, niet meer en niet minder. Het is niet anders dan hoe Loopuyt zijn naam veranderde in Julianadorp. De Municipiumstatus De rang van Municipium, tot slot, is het grootste misverstand. De titel komt in de tweede eeuw na Chr. inderdaad steeds vaker voor in de westelijke provincies. Wat daar achter zit, weten we niet, want er zijn alleen inscripties waaruit blijkt dat gemeentes zichzelf zo zijn gaan noemen, terwijl er niet één inscriptie bekend is waarin een dankbare gemeente de eigenlijke verlening van Municipiumrechten gedenkt. Niet één. Dat is des te opmerkelijker omdat het corpus aan inscripties, geschreven op onverwoestbare stukken steen, voor oudheidkundige begrippen uitgebreid is en we van allerlei soorten akten allerlei voorbeelden. Zie de Andalusische naamsverandering waarnaar ik zojuist linkte. Keizerlijke correspondentie werd zorgvuldig bewaard, zoals we gisteren zagen. De oudhistoricus Fergus Millar wees er in 1977 in zijn beroemde boek The Roman Emperor al op dat het niet bijster aannemelijk is dat we ooit zullen lezen over de verlening van Municipiumrechten, aangezien een Municipium per definitie een gemeente is met voor-Romeinse rechten. Lees het hier maar even na. Voor-Romeinse rechten kon Rome wel afschaffen, maar natuurlijk nooit verlenen. De stichter van Nijmegen: Agrippa Eén verklaring voor de verspreiding van de Municipiumtitel is dat het een modegril was. In de tweede eeuw gingen veel Romeinen opzettelijk oude woorden gebruiken, soms niet op de juiste wijze. Dat Nijmegen, net als Tongeren en Voorburg, zich in deze tijd Municipium begon te noemen, zou dan vooral willen zeggen dat de stad goed was geïntegreerd in het Latijnse taalgebied. Ik denk dat we de verklaring hier moeten zoeken. Samenvattend: Nijmegen is ontstaan als de belangrijkste nederzetting van de Bataven, gelegen naast een in 19 v.Chr. door generaal Agrippa gestichte Romeinse legerbasis. Dat is alles. In sociaal-economische zin kun je het een stad noemen, maar in juridische zin is het gewoon een civitas, een gemeente, die zich later dus Municipium is gaan noemen en die als namen Batavodurum en Noviomagus heeft gehad. Hetgeen ons brengt bij wat de Nijmegenaren nu te doen staat. Het plein gewoon zijn oude naam teruggegeven is het makkelijkste maar dan heb je een standbeeld over, en om dat in de Waal te kieperen, dat is nou ook weer zoiets. Ik zie echter niet in wat ertegen is om naar Romeins gebruik het hoofd van het beeld te vervangen door dat van Agrippa. Daarna dopen we het plein om tot Agrippaplein en staat niets de feestelijkheden in de weg voor het 2050-jarig bestaan in 2032. Het is wel duidelijk dat, hoewel Lendering ook nog aan de traditie van de vroege stichting in 19 v.Chr. vastzit, zijn verhaal een nieuw licht werp op de geschiedenis van Nijmegen. Hoewel, een nieuw licht? Neen, echt nieuw is het niet. Immers Albert Delahaye schreef dit al in 1965. Zie bij Vraagstukken in de Historische Geografie van Nederland. |
Hoewel lange tijd werd aangenomen dat het gebouw rond 1030 is gebouwd, stelde Aart Mekking in 1996 dat het gebouw pas na de verwoesting van de Valkhof in 1047 tot stand is gekomen. Deze visie is tevens te vinden in het in 2007 verschenen handboek "Bouwen in Nederland. 600-1200". Immers Mekking redeneerde dat bij de verwoesting van het Karolingisch Paleis de kapel zeker niet gespaard zou zijn. Op zich een logische gedachte. echter, alle klassieke teksten die deze verwoesting en de daarbij vermelde plundertocht vermelden, blijken duidelijk over Noord-Frankrijk te gaan. In het jaar 1047 zou het nooit bestaand hebbende Paleis van Nijmegen in brand gestoken door Godfried, hertog van Lotharingen, als hij op weg is naar Verdun, dat ook in vlammen opgaat. Plaatsen die genoemd worden zijn Verdun, Rinesburg, Fleerdingen (=Floringhem, niet Vlaardingen), Atrecht (Arras), Eichem, Doornik, Arques en Annoeullin. Hoe valt dat te rijmen met een veldtocht naar Nijmegen?
|
De verpanding van de burcht had tot gevolg dat de vrije toegang van de burgers van de stad tot het domein van de hertog voor kerkbezoek door hem onwenselijk werd geacht. Daardoor werden zij verplicht een nieuwe parochiekerk te bouwen, de St.Stevenskerk. Daaruit valt af te leiden dat de oude parochiekerk binnen het domein van de hertog lag, ofwel op Het Valkhof. Die oude parochiekerk was de St.Nicolaaskapel. Ook hiermee maken de historici een fout door aan te nemen dat de oude parochiekerk de St.Gertrudiskerk geweest zou zijn. Een St.Gertrudiskerk heeft Nijmegen in de 12e eeuw niet gehad. Het onjuist lezen van een akte waarin gesproken werd over " teruggave van Nijmegen en de feodale rechten op de kerk van St.Gertrudis van Nijvel" was de oorzaak van deze nieuwe mythe. De kerk van Nijvel toegewijd aan St.Gertrudis (ecclesiae beatae Gertrudis Nivelensis) bezat deze rechten en niet een kerk in Nijmegen die toegewijd was aan St.Gertrudis van Nijvel. Dat St. Gertrudis de beschermheilige van een kerk was, wordt ons voor het eerst meegedeeld in een suppliek van 28 december 1482, waarin een zekere Johannes van Wissel verzoekt opnieuw in het bezit van de halve portie van de kerk van Ouwerkerk gesteld te worden. Een tweede vermelding van het St. Gertrudispatrocinium treft men aan in de rekening van de officiaal van de aartsdiaken van de Utrechtse dom uit het jaar 1502. Overigens, pas in de 15e eeuw wordt een oude kerk van St.Gertrudis in Nijmegen voor het eerst vermeld door Willem van Berchen. Dat onderbouwt hij met 'van horen zeggen' (ut fertur). Uit geen enkele andere bron blijkt het bestaan van een Gertrudiskerk in Nijmmegen. In 1983 erkent dr.Jan Brinkhoff in "Stichting Oude Gelderse Kerken" dat 'recent onderzoek heeft uitgewezen dat ook de kerk buiten de wallen aan St.Steven was toegewijd en niet aan de H.Gertrudis van Nijvel, zoals een schriftelijke bron uit de 15e eeuw vermeld'. Die 'schriftelijke bron' was van Willem van Berchen, de uitvinder van Karolingisch Nijmegen. In "Waarheid en legende van De Striene" (deel 6 van Publicaties van Nassau-Brabant, 1969) komt Albert Delahaye op dit onderwerp terug, waarbij hij aantoont dat St.Gertrudis oorspronkelijk uit Frans-Vlaanderen kwam. De legende van St.Gertrudis kwam mee met de adellijke geslachten die zich vanuit Vlaanderen vestigden in Kleef, Gelre en Wassenberg. Bijkomend bij dit verhaal blijkt dat de St.Nicolaaskapel niet gebouwd is naar voorbeeld van de Akense Dom, maar naar een kapel in Nijvel. |
De afbeelding van de oudste stad van ons land, bleek een afbeelding van Maastricht te zijn. (Klik op de tekst hiernaast voor de afbeelding van de Kerstkaart).
Nijmegen de oudste stad?
De Heidense Kapel op het Valkhof.
|
Historisch tekstueel en archeologisch bestaat Nijmegen niet vóór de 11e eeuw. (behoudens een Romeinse occupatie tussen 50 en 250, met nog enkele hiaten tussen 105 en 175 n. Chr. en vraagtekens in de continuïteit in de 3e eeuw.) |
De kwestie van de Karolingische residentie Noviomagus kan men als afgedaan beschouwen. Ofschoon de Nederlandse historici aanvankelijk met een veel te overdreven felheid de gegrondheid van de opgeworpen twijfel verwierpen, ziet men in de recente literatuur, dat alle serieuze historici zich van de zogenaamde Karolingische residentie te Nijmegen distantiëren. Wordt zij nog vermeld, dan gebeurt dit onder het grootste voorbehoud. Enige niet-serieuze uit eigen land trachten vol te houden, dat Noyon én Nijmegen gelijktijdig een gelijknamige residentie kunnen hebben gehad. Gezien tegen het klare feit van de verwarring tussen de twee steden, is deze uitvlucht bijna onnozel. De residentie Noviomagus heeft slechts in enkelvoud bestaan; zij moet aan één van de twee kandidaten worden toegewezen.