De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.

Het Romeinse castrum bij Velsen.

Hier wordt nog aan gewerkt!



Locaties van Velsen 1 (fase 3) en Velsen 2 ten opzichte van elkaar aan de linker oever van het Oer-IJ (blauw), in rood de fortterreinen en in geel het werkgebied of annex. Ter hoogte van Velsen 2 zijn er twee mogelijke oeverpatronen (naar J.-M.A.W. Morel).


Meest noordelijke Romeins legerkamp op Europese vasteland ontdekt in Nederlandse gemeente Velsen.
In Nederland hebben archeologen een groot Romeins legerkamp ontdekt. Onderzoekers zijn ervan overtuigd dat het om het meest noordelijke Romeinse fort op het Europese continent gaat. Onder leiding van keizers Caligula en Claudius bereidden de Romeinen een uitbreiding van hun rijk voor. Bovendien zouden duizenden krijgers vanuit Velsen het rijk hebben beschermd tegen oprukkende Germanen.
Oprukkende Germanen? Waar kwamen die vandaan? Van keizer Caligula is bekend dat hij in de buurt van Boulogne-sur-Mer in Frans-Vlaanderen was. Zijn aanwezigheid in Nederland is een volstrekte mythe. In de omgeving van Velsen, een gemeente in de Nederlandse provincie Noord-Holland, ontdekten kinderen in 1945 scherven van Romeinse oorsprong in een Duitse antitankgracht. Later werden er nog overblijfselen gevonden van kleinere Romeinse forten en fragmenten van helmen, dolken en andere objecten.
Eerdere studies maakten al duidelijk dat het gebied rond Velsen erg belangrijk was voor de Romeinen. Maar uit het nieuw archeologisch onderzoek naar oude opgravingen blijkt nu dat er in de gemeente een veel groter legerkamp was dan eerder werd aangenomen. Arjen Bosman, de archeoloog die de opdracht kreeg om het onderzoek uit te voeren, bracht dat nieuws naar buiten.

Noordelijkste legerkamp in Europa
Bosmans liet zich in de Nederlandse media opgetogen uit over de nieuwe inzichten. Nieuwe inzichten? Dus de oude deugden niet? Het "castrum" zoals een Romeins legerkamp in het Latijn genoemd werd, zou immers het meest noordelijke Romeinse legerfort geweest zijn in de geschiedenis van continentaal Europa. Kampen van dergelijke omvang werden enkel opgezet indien er meerdere legioenen tegelijkertijd op pad gingen. Bovendien bouwden Romeinen een legerkamp enkel op strategisch cruciale plaatsen.

In 2014 gaf Bosman al eens uitleg over de Romeinse aanwezigheid in Velsen: En dat zou de reden geweest zijn waarom keizer Caligula de opdracht gaf voor "castrum flevum" , zoals Velsen in het Latijn klinkt. De locatie van Castrum Flevum waar men in Nederland ooit meerdere locaties voor bedacht, lag aan Het Flevum in Frans-Vlaanderen. Lees meer over Flevum De Romeinen vestigden zich in het gebied tussen 39 en 47 na Christus en kwamen met een keurig afgelijnd doel: ten eerste wilden ze de opmars van de Chauken tegengaan. Dat was een van de vele Germaanse stammen die de opmars van het Romeinse Rijk mee aan banden wilde leggen. De Chauken worden traditioneel in Groningen en Oost-Friesland (D) geplaatst. Hoe kwamen zijn in Velsen? De Chauken/Chauci was een een Germaanse stam in het noorden van Frankrijk, in nauw verband met de Frisones en de Saksen genoemd. Het waren de bewoners van Chocques op 5 km west van Béthune.

Ten tweede ambieerden de Romeinen een uitbreiding van hun rijk en een controle op het gebied boven rivier de Rijn, waarlangs de limes liep. Dat was de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. De grens die hier de Limes wordt genoemd was de grans vanaf Boulogne-sur-Mer via Bavay naar Keulen en kwam overeen met de taalgrens. De taalgrens heeft nooit langs de Rijn gelopen, niet in Nederland, maar ook niet in Duitsland. Lees meer over de taalgrens.

Terwijl de leiders de invasie van Britannia (het huidige Engeland, red.) voorbereidden, moest een duizendtal strijdklare soldaten toezien op de rust op de grenzen van het gebied dat onder Romeins bewind viel. De invasie in Britannia vond sinds Julius Caesar plaats van de plek waar de oversteek het kortst is en waar je 'de overkant ziet'.

Verblijf van korte duur Caligula slaagde echter nooit in zijn opzet. Hij werd vermoord in 41 na Christus. Keizer Claudius nam zijn taken over en drie jaar later rekenden de Romeinen Britannia tot hun rijk. Maar lang heeft hun verhaal in het grote kamp niet geduurd: in 47 na Christus verlieten de Romeinse troepen het kamp in Velsen.
Keizer Claudius was er volgens Bosman immers van overtuigd geraakt dat Flevum zijn strategische positie had verloren door het dichtslibben van de riviermonding waaraan het kamp gelegen was. Of de Germanen daar voor iets tussenzaten, is tot op heden nooit bewezen. Er is wel meer in dit verhaal nooit bewezen, maar altijd maar aangenomen op grond van onjuiste veronderstellingen.

Het is nog niet uitgemaakt wanneer de vereenzelviging van Felison en Velisana met Velsen voor het eerst plaatsvond. Het moet echter laat zijn gebeurd. In 1792, teruggrijpend op een oudere naamverklaring, lag de verklaring van de naam Velsen uit Felle Soen –een moeizame verzoening tussen graaf Dirk I ‘van Holland’ en Karel de Kale, koning van Frankrijk – al te wachten om in verband te worden gebracht met de Felison-tekst uit Echternach. De Echternach-tekst wordt dan echter nog niet genoemd. Ook Willem Bilderdijk vermeldt in 1832 nóch een vroeg-middeleeuws Velsen nóch Felison nóch Velisana nóch Adrichem. In 1874 werd de vereenzelviging in ieder geval al wél gemaakt in de Monumenta Germaniae en kort daarvoor waarschijnlijk ook in het Oorkondenboek van H.G.A. Obreen uit 1866-1873. W.J. Hofdijk schrijft namelijk rond 1860 al : «de oude bewoners, van Saxische herkomst, Feltseton of heî-erf noemden, en waarvan het bewoonde en met hoeven bezette gedeelte thands den daaruit verbasterden naam van F e l i s u n of V e l s e n e [in noot : Thands V e l z e n] draagt. Of ge te midden dier hoeven aan de beek van St. Engelmond ook eene kerk zult aantreffen? Reeds eene parochiale; en dat zal u niet verbazen, wanneer ik u zeg, dat in het begin der vorige eeuw een der yverigste geloofsverkondigers hier tijdelyk zijn zetel gevestigd had: dat was wederom Bonifacius, die er drie jaren lang verbleef, om te dichter in de nabyheid der nog onbekeerde heidenen te zijn. Karel Marteel schonk er vervolgends de kerk aan Willebrord, die ze der abdy van Echternach besprak ; verschillende landerijen behooren hier bovendien aan St. Maarten [bedoeld : het bisdom Utrecht] in eigendom».
Bij Johannes de Beke (c.1440) wordt Velsen als vestigingsplaats van Willibrord of Bonifatius in elk geval niet genoemd. Wel schrijft hij over Gherijt (ook Gherijd=Gerard) van Velsen, Herman van Woerden en Ghisebert (=Gijsbert) van Aemstel als moordenaars van graaf Floris V van Holland.
Romeins Velsen
In Velsen zijn meerdere vindplaatsen uit de Romeinse tijd. Er hebben twee forten bestaan, waarvan de oudste vrijwel volledig is opgegraven, wat twee proefschriften heeft opgeleverd. Van het andere fort is via het door NWO gefinancierde Odyssee programma een schat aan nieuwe gegevens en inzichten beschikbaar gekomen. De inheemse of Friese component is voor de regio Velsen 'iets lastiger in een overzicht te verwerken', ofwel NIET is aan te tonen. De perioden van het bestaan van beide forten zou gelegen hebben tussen 39 en 47 na Chr. en 600 meter van elkaar gelegen hebben. De vraag is dan waarom de Romeinen binnen 8 jaar een nieuw fort bouwden op 600 meter verder? Overstromingen?.

Wat is gevonden in Velsen? Behoudens wat los materiaal zijn er greppels aangetroffen. Van die greppels maken de opgravers meteen Romeinse grachten om er ook meteen een castra van te maken. Die greppels zijn één meter diep. Eén meter? Maar hoe breed? Daar stap je toch meteen overheen? Die castra was bedoeld om de vijand buiten te houden. Welke vijand? De Friezen? Maar die woonden in Frans-Vlaanderen. Waren het niet gewoon slootjes om het overtollig water af te voeren, zoals kampeerders ook rond hun tent graven bij veel regenval?
Lees ook wat Byvanck en Van Es schrijven over dreiging van de vijand vanuit het noorden. Die dreiging was er totaal niet volgens beiden.

De opgravingen in Velsen is een typisch voorbeeld hoe de archeologie naar de geschreven bronnen wordt toegepraat. Er zijn geen harde bewijzen. Alle vondsten worden naar de Romeinen en hun verblijf te plaatse toegeschreven. Hoe kun je van een danig aangetast houten voorwerp aantonen dat het van een Romein is geweest en dat die Romein dat in begin eerste eeuw in Velsen heeft achtergelaten? Net zoals de gevonden 'Romeinse' schepen in Zwammerdam en Woerden ook Romeins verklaard zijn, maar dergelijke schepen nergens anders gevonden worden. De Romeinse scheepswrakken die elders gevonden zijn (bijv.bij Griekenland) zien er totaal anders uit.

De visie van Albert Delahaye.
Hoe meer Romeins men in Nederland vindt, des te sterker is de opvatting dat er niets gevonden wordt uit de periode tussen de 3e en 10e eeuw. Indien dat wèl gevonden wordt, zou het breeduit in de pers genoemd worden.
De vondst van dit Romeinse fort (of deze forten?) geeft de volgende vragen: "Waarom staan deze forten niet op de Peutingerkaart?" Het is een zoveelste aanwijzing dat de Peutingerkaart niet over Nederland gaat. Liepen er wegen naar toe? Wie verbleven in het achterland?
De belangrijkste conclusie is dat de vondst van deze forten de traditionele Romeinse geschiedenis over de 'Limes' danig overhoop gooit. Veel aangenomen opvattingen over die Limes als verdedigingsgrens gaan niet meer op.

Deze Romeinse vondsten in Velsen geven tevens precies aan dat het Felison uit de tijd van Karel Martel en St.Willibrord (8ste eeuw) niet Velsen geweest is. Als die gevonden zouden zijn, had men dat toch breeduit in de media vermeld? Is dan alles weggespoeld door de Allerheiligenvloed van 1170? Felison, dat Feuchy was en niet Velsen, lag volgens een akte van Karel Martel uit 719 in de pagus Kinnehim, heden Cuinchy genoemd, op 7 km zuidoost van Béthune. Uit niets blijkt, dat het hier om Kennemerland gaat, een naam die op z’n vroegst in de 12e eeuw ontstaan. Nadat één fantast had gesteld, dat St. Willibrord een kerk in Velsen had gehad, vond een tweede de fabel uit dat Kennemerland al in diens Leven was genoemd.


Wat schrijft Byvanck hierover?
Men zoekt het in de buurt van Boulogne-sur-Mer of bij Katwijk (p.145). Deze vuurtoren hoef je bij Boulogne-sur-Mer niet te zoeken. Die ia daar nog steeds bekend als de "Phare de Caligula" of "Tour d'Ordre" of "Tour d'Ordre" en heeft er 14 eeuwen gestaan. Ook schrijft Byvanck dat er van een dreiging voor de Romeinen vanuit het noorden en noordoosten geen sprake is geweest. Die dreiging was er niet. (p.206).
Wat schrijft Van Es hierover?
Het is heel waarschijnlijk dat de stammen uit het noorden van Nederland de rijksgrens aan de Beneden-Rijn bedreigd hebben. Tussen 240 en 250 is het Nederlandse deel van de rijksgrens voor het eerst doorbroken. Over deze eerste inval zijn geen nadere details bekend. (p.46-47). Een dreiging van Germaanse stammen in de jaren van het bestaan van Velsen I en II, begin eerste eeuw, is er dan ook nooit geweest.



Wat weten we uit de recente opgravingen?

Groot Romeins legerfort geïdentificeerd in Velsen (22 november 2021).
De Romeinen vonden Velsen – of Flevum in Latijn – militair-strategisch veel belangrijker dan tot nog toe werd gedacht. Of de naam Flevum aan dit fort gekoppeld kan worden is een hypothese, maar zal wel als 'waarheid' de geschiedenis ingaan. Het geeft dan meteen aan dat alle vorige opvattingen de prullenbaak in kunnen.
Bij archeologische opgravingen rond Velsen 2, de Romeinse basis die in 39 na Christus is gesticht op de plaats waar nu ongeveer de Velsertunnel ligt, zijn namelijk sporen gevonden van een castra, een groot Romeins legerkamp van vele hectaren groot. Deze castra bouwden de Romeinen alleen tijdens de voornaamste campagnes en op strategisch essentiële plekken. Ze boden plaats aan delen van een of meer legioenen. Castra Flevum is hiermee het meest noordelijke Romeinse legerfort van dit type in continentaal Europa.


Reconstructie van Velsen 1, laatste fase circa 28 na Christus (tekening Graham Sumner) .


Van castellum naar castra
De vondst van dit Romeinse legerfort markeert een doorbraak. Tot nu toe is namelijk altijd aangenomen dat de Romeinen deze castra in Nederland alleen rond de Romeinse grens – de limes – bouwden. Door de in de grond verborgen sporen van grachten, een wal en een toren of poort, was al bekend dat in Velsen kleinere forten – Castellum Flevum genaamd – werden gebouwd. Uit het onderzoek dat in opdracht van NWO en de provincie Noord-Holland werd uitgevoerd door Arjen Bosman, blijkt echter dat het fort bij Velsen 2 niet 1 of 2 hectare, maar minstens 11 hectare groot is. In een castellum verbleef een paar honderd man; een castra herbergde duizenden soldaten. Het zou zelfs nog groter kunnen zijn aangezien alleen in het westen een begrenzing in de vorm van grachten is gevonden en in het oosten het Oer-IJ lag.

Romeins legioen in Velsen?
Een fort van 11 hectare is niet groot genoeg voor een compleet legioen van 5.000 tot 6.000 man. In Velsen 2 zal waarschijnlijk wel een groot deel van een legioen hebben gelegen, stelt Bosman in zijn onderzoek. Dit rechtvaardigt de benaming castra. De Romeinen bouwden dergelijke grote bases alleen wanneer ze met meerdere legioenen tegelijk op campagne waren of op zeer belangrijke strategische locaties.
Rob van Eerden, beleidsadviseur Archeologie bij de provincie Noord-Holland: “Velsen is bij verschillende campagnes gebruikt tussen 15 en 47 na Christus. Het lag op een unieke plek: aan het water van een belangrijke rivier, de meest noordelijke Rijntak, het Oer-IJ. Velsen lag vlakbij de monding en dicht naast de noord-zuid-landroute over de Oude Duinen. Het werd bovendien gesitueerd bij het meest belangrijke heiligdom van de Friezen, opgegraven in Velserbroek. Met een vestiging in Velsen hadden de Romeinen niet alleen strategisch, maar ook politiek de regio in de greep.

Over Velsen 1 en 2.
Al sinds de oorlogsjaren worden er archeologische waarnemingen en opgravingen gedaan die verband houden met de Romeinse forten die hebben gelegen op de plaats waar nu de Velsertunnel en de Wijkertunnel liggen; Velsen 1 en Velsen 2. Hierover zijn al diverse publicaties verschenen. Deze week verscheen onder redactie van stichting Oer-IJ het boek ‘2.000 jaar strijd in het Oer-IJ landschap' over de conflicten en het wapengekletter in het driehoek Velsen, Alkmaar, Zaanstad. Binnenkort verschijnt in de publicatiereeks van archeologiemuseum Huis van Hilde de eindrapportage van het tweede fort: Velsen 2 waarin de ontdekking van Castra Flevum uitvoerig wordt behandeld.

Het blijft vreemd dat archeolische relicten 25 jaar in depot liggen en nu plots herondekt zijn, terwijl er geen vondstenlijsten van bekend zijn.
Houten schat uit Romeins fort bij Velsen na 25 jaar in kaart gebracht.
Vijfentwintig jaar lag een schat - houten voorwerpen uit een Romeins legerkamp in Velsen - bijna onopgemerkt in depots van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Dankzij een nieuw onderzoek is de unieke collectie nu beschreven en toegankelijk.

Voor archeologen staat Velsen voor een van de belangrijkste en langdurigste opgravingen die sinds de Tweede Wereldoorlog in Nederland hebben plaatsgevonden. Want vlak naast de monding van de tunnel en onder de rook van wat toen nog de Hoogovens heette, hebben archeologen van de Universiteit van Amsterdam en vrijwilligers van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland tussen 1972 en 1994 een compleet Romeins fort en de daarbij behorende haveninstallatie blootgelegd: Velsen I.

Van de vele duizenden vondsten die deze opgraving heeft opgeleverd, bestond een belangrijk deel uit hout. Naast hout afkomstig van de op het terrein aanwezige bebouwing of van de steigers en andere havenwerken trof men ook vele honderden houten gebruiksvoorwerpen aan. Dat er op deze plek zoveel relatief goed bewaarde houten voorwerpen, zijn teruggevonden heeft alles te maken met de bodemgesteldheid op deze plek. Hout blijft namelijk alleen lang goed wanneer het in een (vochtige) zuurstofarme omgeving wordt bewaard. En hier bij Velsen lag het eeuwenlang opgeslagen onder een dikke laag sediment (klei). Dus toch transgressies?

Beroemde waterput.
Het opgegraven bouwhout bood de archeologen de gelegenheid om uitgebreid dendrochronologisch onderzoek te doen. Dat leverde zowel voor de bouw (in drie fases), als voor de verwoesting van het fort de volgende gegevens op: de bouw van het fort begon in het jaar 14, het werd in het jaar 28 gedeeltelijk verwoest en daarna voor langere tijd verlaten. Rond 39 werd het weer herbouwd om vrij snel daarna definitief te worden opgeheven (gedeeltelijk zelfs afgebroken). Al deze jaartallen corresponderen met gegevens die we uit schriftelijke bronnen kennen. Zo is het jaar 14 het jaar waarop de Romeinse generaal Germanicus hier, aan de monding van een van de belangrijkste takken van de Rijn, zijn vloot verzamelde om vervolgens via de noordelijke zeeroute zijn aanval op de opstandige Germaanse stammen te beginnen. Het jaar 28 is het jaar waarin de Friezen in opstand kwamen, waarbij een deel van het fort verwoest werd. En het jaar 39 valt samen met het bezoek van keizer Caligula aan deze streken. Van alle houten voorwerpen is er in de jaren na de opgraving slechts een beperkt aantal, vooral duidelijk herkenbare objecten, geconserveerd. En uit deze kleine groep zijn er slechts enkele intussen ook gepubliceerd. Een paar stukken hout haalden zelfs de landelijke pers. Dat betrof de houten duigen van wijnvaten die hergebruikt bleken in de bekleding van een grote waterput. Die waterput werd beroemd omdat op de bodem daarvan het lichaam van een (vermoorde?) militair werd aangetroffen inclusief zijn zwaard, schild en met zilver beslagen riem.

1593 houten voorwerpen onderzocht.
Van al het niet direct als 'voorwerp' herkenbare hout heeft de toenmalige restaurator Tineke Spruijt van het Instituut voor Pre- en Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam ten behoeve van de studiecollectie van de Universiteit nog 996 stukken geconserveerd. Het overgrote deel van alle houten voorwerpen verdween echter ongeconserveerd en onbeschreven in een van de depots van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.

Silke Lange, houtspecialist bij het Archeologisch adviesbureau BIAX, heeft de afgelopen twee jaar in opdracht van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed onderzoek uitgevoerd naar de houten voorwerpen - het bouwhout is vrijwel geheel buiten beschouwing gebleven - van de opgravingen van Velsen I. Dat begon met een inventarisatie, die nodig was omdat van de opgegraven houtvondsten geen vondstenlijst was bijgehouden. De onderzoeker ontdekte vervolgens dat een deel van de objecten niet meer was te achterhalen. In haar rapportage schrijft ze dat 'deze objecten in de loop der jaren door uitdroging zo waren aangetast dat zij vermoedelijk zijn weggegooid'. Om hoeveel stukken dat gaat, kon zij niet vaststellen. Hoe weet men zonder vondstenlijst dat al die voorwerpen uit Velsen kwamen?

Uiteindelijk heeft Lange 1593 houten voorwerpen teruggevonden en onderzocht. Ze heeft daarbij niet alleen gekeken naar de functie maar ook naar het soort hout. Al deze voorwerpen zijn nu ook zodanig geconserveerd dat ze voor de toekomst bewaard kunnen blijven.

Uit haar onderzoek blijkt dat de voorwerpen niet alleen van lokaal hout zijn gemaakt. Zo trof zij objecten aan, gemaakt van het hout van buxus en zilverspar, bomen die normaal in mediterrane gebieden groeien. Een deel van deze uit niet-inheems hout gemaakte voorwerpen is waarschijnlijk geïmporteerd en als kant-en-klaarproduct in het fort terechtgekomen. Dat gold bijvoorbeeld voor tonnen, gemaakt van het hout van zilversparren. Dergelijke tonnen, waarvan er ettelijke zijn teruggevonden, dienden als containers voor transport en opslag van wijn. Afgedankte tonnen kregen vaak een tweede leven als beschoeiing van waterputten, of ze werden uit elkaar gehaald en de duigen hergebruikt als basismateriaal voor allerlei voorwerpen.

De aanwezigheid van houtschaven, houten hamers, handvaten van gereedschap voor houtbewerking en enkele halfproducten bewijzen dat hout ook ter plekke werd bewerkt. Dat gold zowel voor inheems als voor geïmporteerd hout. Ander houten gereedschap wijst op de verwerking van textiel in het kamp. Dergelijke vondsten bevestigen wat al eerder werd verondersteld: dat de Romeinse soldaten in het fort in vreedzame perioden naast het gewone werk ook ambachtelijke activiteiten uitvoerden.

Dat er in het fort ook niet-militair personeel was, wordt bevestigd door de vondst van houten zolen van kinder- en vrouwenschoenen.

Over de relatie tot de bewoners in de omgeving valt op basis van de houtvondsten niet veel te concluderen. Wel is duidelijk dat de Romeinen voor bepaalde doeleinden dezelfde houtsoorten gebruikten als de inheemse bevolking. Voorbeelden zijn elzenhout voor schalen en essenhout voor gereedschapsstelen.

Onderdelen van een centuriostaf.
Wat Lange ook ontdekte, was dat er in de Romeinse periode al sprake was van een bepaalde standaardisering in de productie van voorwerpen. Zo trof zij tussen de houten voorwerpen een bepaald soort kammen aan die qua makelij en zelfs wat houtsoort betreft overeenkwamen met kammen die elders bij Romeinse opgravingen zijn gevonden.
Twee heel unieke voorwerpen die houtspecialist Lange heeft kunnen determineren, zijn onderdelen van een centuriostaf. Deze uit druivenhout vervaardigde staf droeg een centurio als teken van zijn militaire macht. Dergelijke staven waren tot nog toe alleen nog maar bekend van afbeeldingen en uit beschrijvingen (onder andere bij Tacitus).





Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina. Naar het overzicht in het kort.