De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Opvattingen der geschiedschrijvers in de 11de en 12de eeuw.

De geschiedenis van Nederland in het eerste millennium is opgehangen aan de kapstok van de mythen.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw






De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is de Betuwe ook niet het land van de Bataven en is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!

Saksische en Friese literatuur.

Nog afgezien wat hiernaast geschreven is, bestaan er nog diverse werken die door historici nooit serieus genomen zijn, maar ook nooit serieus onderzocht zijn. Zij werden op voorspraak van enkelen bij voorbaat al afgewezen omdat zij met de inhoud geen weg wisten. Het bekndste voorbeeld is THET OERA LINDA BOK, een Fries geschrift uitde 8ste eeuw. Het werd altijd voor vals verklaard, vooral door historici die het nog nooit gelezen hadden.
In zijn studie heeft Joël Vandemaele de echtheid van het Oera Linda Boek aangetoond onder het motto "Is iets vals als je er geen verklaring voor hebt?" Vandemaele weet alle hierin genoemde plaatsen te localiseren, niet in Nederlands Friesland, maar in Frisia in Frans-Vlaanderen.
De officiële wetenschap heeft de eerste schrijvers altijd met de nek aangekeken, omdat hun primitieve dictie en onwetenschappelijke pretentie onder de maat werden geacht van een échte geschiedschrijving. De oudste Hollandse kronieken zijn dan ook nauwelijks onderzocht, noch in positieve, noch in negatieve zin, namelijk wat er wèl en wat er niet in staat. Af en toe, overigens een zeldzaamheid, worden zij erbij gehaald om de tradities te bevestigen. De eerste schrijvers over de Nederlandse geschiedenis hebben het onweerlegbaar getuigenis neergeschreven dat de na hen opgekomen tradities een en al mythe zijn. Dit had iedere historicus kunnen zien, tenminste als hij die schrijvers eens niet met de nek maar met open ogen aangekeken had.

De visie van Albert Delahaye.
Het gebeurt zelden in de historische wetenschap, vooral bij zo'n oude materie als de onderhavige, dat men de kans krijgt om op een nieuwe stelling een dubbelcontrole uit te oefenen. Is die mogelijkheid aanwezig, dan mag zij zeker niet verwaarloosd worden. Een belangrijke constatering is geweest, dat de historische tradities van Nederland pas in de 12e eeuw voor het eerst verschijnen. Het is derhalve dienstig om na te gaan wat de oudste Nederlandse geschiedschrijvers over Nederland vóór de 12e eeuw meedelen. Bij het nalezen van hun kronieken valt zowel op waarover ze wel schrijven, maar vooral wat zij niet schrijven. Tot de vier oudste schrijvers kunnen we Alpertus van Metz; de Annalen van Egmond; Melis Stoke en de Clerc uten Laghen Landen biden zee rekenen. Bij de laatste arriveren wij al ver in de 14e eeuw. Dan zijn de dwalingen van Nederland in de grote lijn gevestigd en heeft het niet veel zin meer nog verder na te gaan, hoe en wanneer de latere schrijvers de mystificaties tot in alle consequenties uitgesponnen hebben.
Alpertus van Metz en de Annalen van Egmond, noemen nergens de tradities van Utrecht, van Dorestadum, van Nijmegen of van de Bataven. Dit is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden dat de later gehanteerde bronnen in Egmond aanwezig waren. Echter: niet vergeten moet worden dat de Annalen van Egmond uit Gent kwamen. Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met halve of geheel onjuiste feiten. Melis Stoke is de eerste die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, al plaatst hij zijn missiegebied aan de Schelde. Het was echter niet aan de Schelde in Zeeland, maar in Noord-Frankrijk. Zo kwamen enkele historie-vorsers er wel op Willibrord in Zeeland te plaatsen en wel in Grevelingen, een naam die veel later ontstond vanwege de deplacements historiques. Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach is ingevoerd. Van de indrukwekkende serie berichten over de Noormannen vermelden Melis en de Clerc hoogstens één feit over Tiel, al ging het daar om 'pirates'. Een en ander maakt duidelijk, dat hun stof niet gevormd werd door een ter plaatse bestaande dokumentatie of een levende traditie, maar dat deze van buitenaf is aangevoerd. In sommige gevallen is de invoering van een bepaalde traditie door hun eerste tekst daarover vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. De Clerc uten Laghen Landen schrijft over Holland, dat het een algemeen broekland (moerasland) was, en uit de armen van de zee en de Rijn 'gesalicht' (ontstaan) is.
De eerste schrijvers over de Nederlandse geschiedenis hebben het onweerlegbaar getuigenis neergeschreven dat de na hen opgekomen tradities een en al mythe zijn. Dit had iedere historicus kunnen zien, tenminste als hij die schrijvers eens niet met de nek maar met open ogen aangekeken had.

De eerste vraag is: "Zijn er wel 'Hollandse' schrijvers uit de 11de en 12de eeuw?' De eerste Hollandse schrijver was Melis Stoke uit de 13de en begin 14de eeuw (c.1235-1305). Stoke schreef vanaf 1290 in het Middel-Nederlands een kroniek op rijm over het graafschap Holland. Een van zijn werken, een van de eerste boeken in het 'Nederlands', heet Rijmkroniek. Daarin staat het verhaal over de moord op Floris V. Stoke baseerde zich op geschreven bronnen (welke is onzeker?), maar vooral op getuigenverklaringen en eigen waarnemingen. Onder hedendaagse historici staat hij echter niet bekend om zijn historische betrouwbaarheid, wat met name gaat om de oudste geschiedenis, waarvan sinds die tijd meerdere bronnen verschenen zijn.
Naast Stoke kan ook Jacob van Maerlant genoemd worden, een Vlaamse dichter (Brugge, ca. 1230 of 1235 tot ca. 1288 of 1300), dus feitelijk ook pas uit de dertiende eeuw. Met zijn meer dan 230.000 verzen was hij ook een van de productiefste middeleeuwse auteurs en werd dan ook de "vader der Dietse dichtren algader" genoemd. Hij schreef in de volkstaal, het Diets. Zijn belangrijkste werken komen uit Franse en Latijnse bronnen. Rond 1285 werkte Maerlant aan zijn grootste werk, de Spieghel historiael, dat de naamgever werd van het geschiedenistijdschrift in Nederland. Net als zijn andere werk, droeg hij ook dit op aan iemand van adel: de Hollandse graaf Floris V. Spieghel historiael was een grootse onderneming: het besschreef de wereldgeschiedenis die begon bij de schepping en had moeten eindigen in Maerlants eigen tijd. Maar toen Jacob ruim 90.000 verzen klaar had, werd hij ziek en moest hij de pen neerleggen. Later is het werk door anderen afgemaakt. Lees meer over Jacob van Maerlant.
Frits Van Oostrom heeft over Maerlant het boek 'Maerlants Wereld' geschreven dat een heuse bestseller werd. Feitelijk kan Jacob van Maerlant de eerste 'Nederlandse' schrijver genoemd worden. Voor oudere of meer schrijvers moeten we naar Vlaanderen, zoals Willem van Rubroek die ook in de13de eeuw schreef over zijn reis naar Azië.

Men zou nog de kroniek van Johannes de Beka kunnen noemen, die geschreven werd tussen ca. 1340 en 1346 of 1364. Latere handschriften lopen zelfs tot 1393 en 1456 door. Het spreekt vanzelf, dat in deze kroniek enkele mythen al uitgewerkt waren en als zekerheden worden voorgesteld. Voor ons doel is de kroniek van de Clerc te verkiezen, omdat daarin de groei van sommige tradities aardig te volgen is, maar ook omdat er enige merkwaardige dingen in staan. De Clerc schreef tussen 1349 en 1356; enige historici plaatsen het geschrift zelfs in het begin van de 15e eeuw. Zijn tekst is voor het merendeel ontleend aan Melis Stoke en Johannes de Beka; hij verwoordt deze echter op zijn eigen aantrekkelijke manier.

De Clerc uten Laghen Landen.
Over het allereerste begin van Holland vertelt hij, dat Antonius door Germanië en de Franken trok (dit laatste is Duitsland, zegt hij) en in Holland kwam, waar hij in het jaar 65 bij de Rijn een sterkte liet bouwen, die tot zijn gedachtenis Antonina werd genoemd. Hij en zijn nakomelingen hielden het land lang en stevig in bezit, totdat de Slaven en Wilten (dat zijn Denen, zegt hij) de stad innamen en vernielden. Dagobert overwon de Wilten, brak hun burcht Wiltenburg af en bouwde daar een nieuwe stad, die hij' 'Utrech" noemde, dat is in het Latijn Trajecturn. Binnen de stad werd de eerste kerk gebouwd ter ere van de apostel Thomas. In het jaar 662 deden de priesters er al regelmatig dienst. De Friezen kwamen tegen de koning in opstand; zij vielen Utrecht aan, vernielden daar de kerk en voerden een hevige oorlog in Holland. Enkele historici (Brongers, Van Tent, Van Es) maakten van Wiltenburg niet Utrecht, maar Vechten (zie
Romeinen, Friezen, Franken' p.214)'

De afkomst van de Frankische koningen ligt in Troye. Zij hadden hun paleizen meestal in Trier, Keulen, Aken, "Mens" in de Ardennen of daaromtrent in Lotharingen (hij zal met "Mens" wel Mainz bedoeld hebben, ofschoon deze plaats niet in de Ardennen ligt). Zij waren zelden in Parijs. (De Clerc geeft hierna een bijzonder aardige uitweiding over de Franken en Frankrijk, die voor ons doel van geen belang is). Pepijn de Grote was "duutsch" geboren. Zijn zoon Karel Martel was in Keulen geboren. En Karel, wiens lichaam te Aken rust, waar hij ook meestal gewoond had, moest zich vanwege de dreiging van Spanje veel in Frankrijk ophouden. De Clerc weet het heel nauwkeurig: Trier, een oude stad, werd gesticht toen Abraham 8 jaar was! Holland, over het algemeen een broekland, was "alleszins" ( = geheel en al) uit de armen van de zee en de Rijn "gesalicht" (zalig zij de Clerc, die reeds in de 14e eeuw het juiste inzicht had over het ontstaan van het alluviale Holland!). Karel Martel gaf aan de kerk van Utrecht de eerste schenking. Karel de Kale gaf Holland het eerste graafschap.

Willibrord, geboren in Engeland, ging naar St.Egbert, de eerste bisschop van Northumberland en volgde hem naar Ierland. Egbert zond Wigbert naar Germanië om te prediken, maar deze kwam teleurgesteld naar Engeland terug. Daarna kwam St. Willibrord met 11 gezellen. Hij arriveerde te Utrecht, waar hij de St.Thomas-kerk herstelde. In 695 wijdde hij in Utrecht zijn eerste doopvont. In 696 droeg Pepijn hem op naar Rome toe te gaan om daar de wijding tot bisschop te ontvangen. Te Heilo bij Alkmaar zocht St. Willibrord eens water; hij opende de grond en vond er een bron, die men nog het St. Willibrordus-putje noemt. Op Walcheren vernielde hij een afgodsbeeld van Mercurius. Willibrord stierf; zijn lijk werd overgebracht naar een klooster bij Trier. Tijdens zijn leven had hij St. Aelbrecht naar Kennemerland gezonden; die is begraven te Egmond.

In het jaar 856 kwamen de Denen en Noormannen met hun schepen van Noorwegen naar Holland, waar zij een groot leger heen brachten en veel vernielden. De heilige man St.Jeroen, die te "Nortdike" priester werd, sloegen zij het hoofd af. Zij vernielden ook het kasteel van Voorburg, dat voorheen van koning Aurindilius was geweest, die men in het diets "Ezeloor" noemde. In het jaar 863 gaf Karel de Kale het graafschap aan Dirk, om het te beschermen tegen de Noormannen. Hij woonde in Pladeel, dat in de Brabantse Kempen ligt. Deze graaf Dirk en zijn nakomelingen hebben de wrede Denen en Noormannen uit het roomse rijk verjaagd. In deze tijd kwamen Denen en Noormannen, wel te verstaan volk uit Noorwegen en vernielden het gehele "Walske" land, en het jaar daarna plunderden zij het land van de Ardennen (nota: bij de Clerc is Wals synoniem met Frans). Godevaert (Godfried) kwam uit Noorwegen naar de Betuwe, waar hij met veel Denen en Noormannen verslagen werd. Men kan zich ook afvragen of een Noorman Godfried (vrede van of vrees voor God) geheten heeft.

Deze samenvatting spreekt voor zichzelf. Eenieder, die een beetje oplet, kan gemakkelijk waarheid en fabel scheiden. Op enkele details moet nog gewezen worden. De grote invasies van de Noormannen legt de Clerc in de Ardennen en in Frankrijk. Een enkel feit plaatst hij al in Nederland. Dorestadum raakt hij niet aan. Heeft hij hierover ergens gelezen, dan zei dit hem niets. Dit toont wellicht ook aan, dat de Clerc vóór Johannes de Beka schreef, die wel over Wijk en Duurstede spreekt. De Clerc had een goed inzicht over wat het middelpunt van het Frankische rijk was. Met nadruk vermeldt hij Aken als de meest gebruikelijke residentie van Karel de Grote; het valt op dat hij Nijmegen niet noemt. St.J eroen, die in vorige geschriften gewoon een martelaar was, is nu opeens een martelaar van de Noormannen. De abdij van Echternach kent hij niet bij naam.


De oudste 'Nederlandse' schrijvers en geschriften.
Lange tijd werd er van uitgegaan dat de oudste Nederlandse tekst het 11e-eeuwse hebban olla vogala nestas bigunnan was. Er zijn nu echter oudere geschriften bekend die dateren uit de 10e eeuw, zelfs uit de 9de en 8ste eeuw. Sommige onderzoekers leggen dat begin bij de 8e-eeuwse Utrechtse doopgelofte, hoewel niet duidelijk is of het hier om Oud-Nederlands gaat.
De Wachtendonkse psalmen stammen uit de 10e eeuw, de Leidse Willeram uit 1100. Literaire teksten van later zijn overwegend van Vlaamse en Brabantse origine. 13e-eeuwse teksten zijn vaak Vlaams, zoals het bekende Karel ende Elegast, Beatrijs, Ferguut en Vanden Vos Reynaerde. De eerste met naam bekende schrijver is Hendrik van Veldeke (ook ook: He(y)nric van Veldeke(n), die in het Limburgse Maasland actief was. Van Veldeke schreef een heiligenleven van Sint-Servaas, ca. 1170, de Eneïde (ca. 1175) die uiteindelijk teruggaat op de klassieke Aeneis. De oudst bekende Brabantse literatuur dateert vanaf 1260 en omvat onder meer enkele fragmenten uit een bewerking van het Nibelungenlied en de Brugse minneliederen.
De waanzinnige 14de eeuw.
Een echte verschuiving naar literaire dominantie van het Brabants volgde in de 14e eeuw, met Jan van Boendale en de mysticus Jan van Ruusbroec. Ook de vier abele spelen, ernstige seculiere toneelstukken, werden in het Brabants geschreven. Voor de meer 'Hollandse' geschiedenis komen we dan uit bij de Clerc uten Lage Landen bij den zee waarvan de naam onbekend is, slechts dat hij 'Clerc' (schrijver) was. Het begrip 'de Lage landen bij de zee' wordt al rond 1400 voor Holland aangewend in de 'Kronijk van den clerc uten laghen landen bi der zee', wat bij uitstek van toepassing op was de delta van Schelde, Maas en Rijn, waarbij de naam in de meervoudsvorm werd gebruikt.
Lees meer over het Diets, de taal van Frans-Vlaanderen Dat was ook de taal die St.Willibrord sprak, maar ook Karel de Grote, wat in zijn tijd Frankisch werd genoemd. Het Diets is de grondtaal van meerdere talen, zoals het Fries, Engels, maar ook het Duits. Jacob van Maerlant werd de "vader der Dietse dichtren algader" genoemd.


Wat weten we over klassieke teksten?
Over veel eeuwen kennen we geen oude geschiedenis door een gebrek aan geschriften. Niet dat die er niet geweest kunnen zijn, maar oudere werken verdwenen in de open haard als men van mening was dat de inhoud niet juist was of men die vreemde teksten toch niet kon lezen. Het is een verschijnsel dat zelfs in de 20ste eeuw nog voorkwam, wat Albert Delahaye heeft ervaren voor zijn benoeming in Nijmegen. Voor het 'ordenen' (beter kan gesproken worden over opruimen) van het oud archief in Nijmegen werden werklieden van gemeentewerken 'aan het werk gezet' die die alles rücksichtslos opstookte 'omdat niemand dit toch nog lezen kan'.
Pas in de 15de eeuw verschijnen wat we nu 'de klassieken' noemen, de werken van Romeinse schrijvers die tot die tijd 'ergens' in bibliotheken lagen te verstoffen en toen 'herontdekt' werden en door de boekdrukkunst in grote oplage verspreid werden. Die Klassieken zijn aanvankelijk vooral gebruikt door de chauvinistische schrijvers, om de eigen bevolking en het eigen land van een aansprekende geschiedenis te voorzien. Neem als voorbeeld 'Germania' van Tacitus dat rücksichtslos op Duitsland werd toegepast, ook klopte het niet met de inhoud. Het is nog steeds een raadsel of deze 'klassieken' in de tijd van Karel de Grote blijkbaar onbekend waren. Hij liet immers allerlei bestaande geschriften en boeken verzamelen, maar veel 'klassieken' werden in zijn geschriften, o.a. van Einhard of Alcuinus, niet genoemd. Zo ontbreekt de Peutingerkaart in alle bibliotheken om in de 16de eeuw plots op te duiken in een oude kloosterbibliotheek. En de voorgeschiedenis ervan? Daarover wordt volop gespeculeerd, wat leidt tot allerlei fantasievolle en fabelachtige verhalen, maar zonder bewijs blijft het een mysterieus en duister product.


Terug naar de beginpagina van de traditionele opvattingen.

Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.