De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Nederlandsche Oudtheden. Opvattingen der geschiedschrijvers sinds de 11de eeuw.

De geschiedenis van Nederland in het eerste millennium is opgehangen aan de kapstok van de mythen.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw





pagina 217 uit Nederlandsche Oudtheden.
(Klik op de afbeelding voor een vergroting).



Omtrent Willebord en Bonifatius lezen we....
(Klik op de afbeelding voor een vergroting).

Hier wordt met Duitschland niet Duitsland bedoeld, maar het Dietsche land, zoals ook op te maken is uit het volgende fragment waar de Cimbren of Duitschen in Zeeland, Vlaanderen en Brabant verbleven. De Cimbren worden door de traditionele historici in Jutland in Denemarken geplaatst: het waren echter de bewoners van Simencourt (Cimencourt: Dictionnaire Toponymique du Pas-de-Calais) en woonden naast de Nervii (Bavay) en Aduatuci (Douai).




Aan de grondslag van alle misverstanden ligt de




Kerkplegtigheden der Germanen, zoals dat in 1756 werd voorgesteld.


Het Engels en het Fries zijn nauw verwant aan elkaar, zoals uit meerdere studies gebleken is. Het Oudfries –het Fries zoals dat in de middeleeuwen werd gesproken – heeft veel overeenkomsten met het Oudengels. Later hebben deze talen zich heel verschillend ontwikkeld in drie dialectgroepen: het Westerlauwers Fries, het Eemsfries en het Wezerfriesen. Ook andere publicaties wijzen op die overeenkomsten.

Waarom zoveel aandacht hiervoor?
Omdat die overeenkomst tussen Engel en Fries een onweerlegbare bevestiging is van het gelijk van de visie van Albert Delahaye.
Het Engels en het Fries, maar ook het Oud-Saksiche (en Frankisch) zijn ontstaan in dezelfde streek aan weerszijden van Het Kanaal. Daar bestaan verschillende aanwijzingen, maar ook bewijzen voor, zoals uit de Beowulf en zelfs de oudste 'Nederlandse' versregel "Olla Vogela..." die juist in deze streek ontstaan zijn. De taalverwantschap zien we ook terug in de namen van plaatsen, waarbij er een grote overeenkomst bestaat in plaatsnamen tussen Friesland en Frans-Vlaanderen. Het geeft aan dat de immigranten in Friesland, toen dat droog viel en bewoonbaar werd, afkomstig waren uit het zuiden, met name uit Frans-Vlaanderen. Deze immigranten namen naast plaatsnamen ook enkele Christelijke predikers en hun geschiedenis mee. Deze geschiedenis vond gemakkelijk ingang aangezien er geen geschiedenis bestond die de nieuwe geschiedenis in de weg stond.
Geschiedschrijver Willem Anne van Spaen was een 18e-eeuws edelman, bestuurder, politicus en genealoog en de eerste president van de Hoge Raad van Adel. In 1795 schreef hij al: "Mijne grootste kundigheid bestaat in een beredeneerd twijfelen en niet voor waarheid aannemen, hetgeen latere schrijvers alleen uit overleveringen ontleend hebben, en dat door bondige bewijzen kan tegengesproken worden". En juist dit was ook de grootste kundigheid van Albert Delahaye: geen klakkeloze naschrijverij van 'voorgangers', maar zelf op zoek gaan naar bewijs.

Van Spaen schreef ook al in zijn 'Oordeelkundige Inleidinge tot de Historie van Gelderland' (1801), hoewel hij met de nodige twijfel de traditionele opvattingen volgt: Nijmegen kan niet als een oorspronkelijke Stad beschouwd worden, dewijl aldaar een Rijkshof Villa Regia was, alwaar de Keizers, die nergens een vast verblijf hielden, van tijd tot tijd zig ophielden, om de opkomsten der Landerijen te verteeren. Van Spaen ging er wel vanuit dat er een palts was, maar er geen stad bestond. In zijn tijd was de burcht van Barbarossa net afgebroken.
Het boek van Van Spaen is een studie waard, zeker om te lezen waar hij zijn informatie vandaan heeft gehaald. Voor het grootste deel bestond het uit 'naschrijverij'. Zo noemt hij Johan van Leiden, Willem van Berchen, Pontanus' Historiae Gelricae uit 1639 (samen met Arend van Slichtenhorst (1616-1657), maar ook Historia Critica van Adriaan Kluyt, 'hoewel wij het met dien kundigen Heer, in alles niet eens zijn', schrijft hij daarover. Ook verwijst Van Spaen regelmatig naar BONDAM Charter Boek die weer verwijst naar HEDA. En met Heda zijn we terug bij het begin van alle Historie schrijverij uit de 15de tot 17de eeuw.
    De twijfel die Van Spaen heeft over bepaalde tradities blijkt uit de opmerkingen die hij schrijft. De eerste opmerking is een om in te lijsten, wat we dus hebben gedaan!

    1. De duisterheid en tegenstrijdigheden die zig aangaande de opkomst van Gelderland alom vertoonen, maaken dit ons werk noodzakelijk; behalven oorsprongelijke brieven en charters, en zeer korte plaatzen, in oude Chronijk-schrijvers te vinden, is de Geldersche geschiedenis arm aan egte en gelijktijdige bescheiden. Immers voor de helft der vijftiende Eeuw, zijn er ons geene bekend.

    1. Wij zullen alleen de algemeene aanmerking maaken, dat het onmogelijk is, iets stelligs omtrent de gelegenheid van ' t Land en den loop der Rivieren te bepaalen, dewijl niet alleen iedere Eeuw, maar zomtijds ieder Jaar, daar omtrent veranderingen voortbrengt. Men zou derrhalven ten minsten van iedere Eeuw narigten moeten hebben, indien men die veranderingen begeerde te volgen, en men weet , hoe schaars en hoe onvoldoende eenige weinige narigten tot ons gekomen zijn.

    2. Het Land was vol van Moerassen, en bestond grooten deels uit laag land; dikwijls wierd het door Rivieren overstroomd, en voor een tijd onbewoonbaar gemaakt, ' t welk reeds TACITUS ons leert; men kan zig dus geenzins verwonderen, dat in eene onmeetbaare vlakte met Moerasfen gevuld, en door de daar bij komende overstroomingen, de Rivieren geduurig van loop veranderden, verscheiden armen, en een groot aantal kleine Eilanden vormden, eer dezelve door Dijken, Kribben, en andere wa terwerken beteugeld wierden.

    3. Voor- af moet men zig herinneren, dat voor de helft der dertiende Eeuw de Dijken op den tegenwoordigen voet, tot de algemeene afweering van het water, onbekend waren: want men kan eenige hoogtens, om goederen in tijden van overstrooming te bergen, of misschien eene kleine bijzondere afdamming, daar onder niet rangschikken.

    4. Welk vertrouwen Schrijvers, die zoo veele Eeuwen na de gebeurtenissen leefden, verdienen, zonder hunne gronden en bewijzen voor te brengen, kan een ieder inzien; en hoe zwak het Historisch geloof, op hunne verhaalen gevestigd, wezen moet, zal men spoedig ondervinden , wanneer men het tegenstrijdige daar van, met egte bewijzen vergelijkt. Ook een historicus zal moeten bewijzen wat hij beweert, ook in begin 19de eeuw bestond deze opvatting al.

    5. Daar de Chronijkschrijvers niet talrijk voorkomen, daar weinig Charters overgebleven zijn, en haare echtheid zomwijlen twijfelagtig is. Het was Jacob van Oudenhoven die al in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" op "het ontbreken van elke schriftuur" wees. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". Geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland was niet het gevolg van ongeletterdheid bij een zo vief volk als de Hollanders, meende Oudenhoven, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was. Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.

      De opmerkingen onder punt 1 t/m 6 geven precies aan wat ook Jacob van Oudenhoven al schreef, namelijk "dat er zo weinig geschriften zijn, omdat het land onbewoond was". Het bevestigt ook de transgressies waar Albert Delahaye steeds op wijst.

    6. De Anonymus, dien PONTANUS woordelijk uitgeschreven heeft VAN BERCHEM wiens handschrift onuitgegeven bij de Stad van Nymegen berust Chronijk van Thiel door den Heer VAN LEEUWEN uitgegeven, de Duitsche Keulsche Chronijk, die het een en ander van Gelderland meldt . Deeze hulpmiddelen zijn zeer zwak, en wij zwijgen van latere Schrijvers, die de ouden woordelijk volgden en uitschreven, in welk geval ook JOHAN VAN LEIDEN in zijn Hollandsche Chronijk, voor zoo veel Gelderland betreft, zig bevindt. Naschrijverij bestond dus al langer.

    7. VAN BERCHEM bij voorbeeld is zig zelven niet gelijk ; in zijne Historie geeft hij de opvolging der Graven van Gelre op eene wijze op, die men bij PONTANUS vindt, en in een handschrift van hem, dat wij uit de Abdije van Elten ontvangen hebben, staat het geheel anders; welk stuk wij onder de bijlagen hebben laten afdrukken, om het ondercheid te toonen. Het verschil tussen en onbetrouwbaarheid van bronnen merkte ook Van Spaen al op.

    8. Zij hebben de gesteldheid der oude zaken geschoeid, op de tijden waarin zij leefden, Erflijkheid van Graafschappen, opvolging, toenamen, geslachtwapens gedroomd of uitgevonden, toen die nog niet in wezen waren. Het verschijnsel van 'hinein-interpreteren' was ook toen al bekend.

    9. Latere geschiedschrijvers en Genealogisten hebben de verwarring nog grooter gemaakt. De fundamentele verwarring, die steeds ontkend werd, was het uitgangspunt van de studie van Albert Delahaye. De professionele historici hebben de verwarring door hun starre houding eerder groter gemaakt, dan dat ze deze probeerden op te lossen.

    10. Dient de minste gelijkheid van naam en van omstandigheden, tot een volkomen bewijs. Dus bijvoorbeeld zijn alle WICHMANS Graven van Hameland, alle THEODERICI Graven van Holland, en daar men zig niet verbeelden kan dat Vorsten die ons geregeerd hebben, geene groote Heeren waren of ten minsten aan groote Koninglijke Huizen vermaagschapt zoekt onze hoogmoed zig daar door te verheffen, en wij droomen van Huwelijks ver bintenissen en van afstammingen, waar over zeker deeze goede Heeren, indien zij nog leefden, zig zeer verwonderen zouden. Hier wijst Van Spaen al op het verschijnsel van de doublures, precies zoals Albert Delahaye daarop wees. Door onze hoogmoed en dromen werden de Bataven tot onze stoere voorouders verheven, wat in de strijd tegen de Spaanse overheerser voor een welkome opleving zorgde.


    Het boek ANTIQUITATES BELGICAE of NEDERLANDSCHE OUDTHEDEN handelt over de eerste Opkomst van de Nederlanden, van Holland tot Vlaanderen. Het is een erg interessant en leerzaam boek waarin opvattingen te lezen zijn zoals deze in 1756 bestonden. Er staan opvattingen in die sindsdien toch achterhaald zijn met nieuw onderzoek, maar ook oude opvattingen die nog steeds bestaan en waarop helaas nog steeds veel van de geschiedenis gebaseerd is (sic).

    Met dit hoofdstuk en deze teksten is het niet de bedoeling om het gelijk van Albert Delahaye te 'bewijzen', maar om te illustreren hoe en wanneer bepaalde Nederlandse opvattingen tot stand kwamen. Van de stelling van prof.F.Hugenholtz "we hebben een traditie sinds de Romeinen in handen, klopt in elk geval helemaal niets. De oudste tradities stammen uit de 15de eeuw, zij het mondjesmaat en nog vaak onvolledig, en zijn pas met de boekdrukkunst in de 17de en 18de eeuw grootschalig ingevoerd en verspreid. De ene eenmaal 'algemeen aangenomen' mythe was de opmaat voor een volgende. Veel van wat in 1756 geschreven werd, moet als achterhaald beschouwd worden, wat de studie van Albert Delahaye wel aangetoond heeft, mits men goed begrijpend leest. Geschiedenis bestuderen is gewoon begrijpend lezen. En daar schort het wel eens aan, vooral bij de 'de historische wetenschap', die de oudste bronnen niet meer kennen.

    Voorbeelden van toen geldende opvattingen, die momenteel als achterhaald beschouwd worden.
  1. De inwoners van Holland en Friesland droegen eerst de naam van Saksen, gelijk ook uit d'oude Rijmkronijk van Melis Stoke kan gezien worden (p.63). Het is duidelijk dat deze tekst van Melis Stoke in de traditionele opvattingen volkomen is misverstaan. Stoke schreef namelijk: 'de Neder-Saksen heeten nu Vriezen'. Maar is deze tekst ook onjuist of had Stoke het wel juist gezien? Stoke geeft hier duidelijk aan dat de Saksen en Friezen in hetzelfde gebied woonden, zoals Amsterdammer en Utrechters (in het buitenland) beide Hollanders genoemd worden, maar beslist niet dezelfde woonplaats hebben.

    Als de historici nu eens goed zonder vooroordelen hadden nagedacht over wat Melis Stoke hier precies schrijft, zou een groot misverstand al zijn voorkomen. Stoke plaats de Saksen, die een Duitsche landaart hadden, aan de kust van Het Kanaal. Daar plaatst hij dus ook de herkomst van de Friezen 'eertijds Neder-Saxen genoemt', wat precies aansluit bij de visie van Albert Delahaye en waar hij het oude Frisia plaatst: aan de kust van Het Kanaal! Onder de Duitsche landaard die Stoke noemt, dient men de Dietse landsaard te verstaan, zoals de Middeleeuwers Nederland ook 'die Duytsche landen' noemden. Volgens Stoke spraken deze volkeren een Teutonische taal en hebben deze volkeren 'metertijd onderscheide namen gekreegen'.
    Het Duitsche is door historici misverstaan, doordat men er Duitsland van maakte. Maar in de tijd van Stoke (13de eeuw) bestond Duitsland of de naam 'duitsland' nog lang niet. Duitsland als landsnaam ontstond pas in de 19de eeuw. De traditionele opvatting is dat Duits van diutisc of iets dergelijks zou komen, van Proto-Germaans *theudo "populair, nationaal" (oorsprong van modern Duits Deutsch), van de Indo-Europese wortel *teuta- "stam of volk" (vergelijk Teutoons). (Bron: Wikipedia). Men verklaart de naam Duitsland ook als 'een vertaling' van Germania. Hoe dat etymologisch in elkaar zit lees je nergens. In 'Franck's Etymoogisch Woordenboek' (1912) lees je wel iets over Duitsch, dat de 'hollandse vorm van diets=middelnederlands' is. Middelnederlands: duutsc, dietsc, diutisc of 'thiudisk: theodisca lingua' = de nationale germaansche taal. Dit is helemaal juist als men onder Germania niet Duitsland, maar het Germania van Tacitus verstaat, zoals ook M.Gysseling dat rond de taalgrens plaatste. Als men dan weet dat het Diets de taal van de Saksen en Friezen aan het Kanaal was. Het is bekend dat St.Willibrord onder de Saksen en Friezen kon prediken, omdat zij dezelfde taal spraken.
    Het blijkt dat de geschiedenis van Noord-west Frankrijk verplaatst is naar Duitsland. Het hele misverstand is begonnen met de opvatting dat het Germania van Tacitus als Duitsland gezien werd. Een vergelijkbare fout van Duitse historici is om van de bisschoppen Immo, Transmarus en Harduinus van Noyon, bisschoppen van Nijmegen te maken, een blunder die in het Bronnenboek van Nijmegen van P.Leupen, klakkeloos overgenomen werd. Deze blunder werd werlegd in het boek de bisschop van Nijmegen, dat door historici tot op de dag van vandaag nog steeds niet geaccepteerd is.
    Zelfs Karel de Grote is door de Duitse historici naar Duitsland getrokken terwijl het maar de vraag is of hij er ooit gevestigd was. Aken is een vergelijkbaar verhaal als Nijmegen. Daar zijn meerdere aanwijzingen voor.

    Andere opvallende bevindingen in dit boek zijn:
  2. Hercynia Sylva, het Hercynisch woud, zou de naam gekregen hebben van Herkules en in Holland tussen Leiden en Delft gelegen hebben, van welke bossen het Hercynia, of Hertzen Walt genoegzaam de moeder van allen is geweest. Caesar beschrijft : dat het negen dagen reizens breed is, want men kan het niet anders beschrijven of verdeelen, en niemand is er in ons Duitsland, die kan zeggen, dat hy het ten einde gereist heeft, of weet waar het zijn begin neemt, om dat het wel tot zestig dagreizen is uitgebreid. Het strekt zich tegenwoordig byna door geheel Brandenburg, door Pruissen, Polen, Littauwen, Russien, en Moskovien uit als een en 't zelve bosch. (p.146). Het Hercynisch Woud was het Carbonarisch of Kolenwoud, later Ardennerwoud geheten. Het liep van de kust van Het Kanaal tot de Ardennen en was voor Julius Caesar een ondoordringbaar woud. Lees meer over het Hercynisch Woud in teksten over de Varusslag.

    Kaart van Volkeren, Landen en Stroomen van Oudt Nederland uit 1756 (p.XXIV) Veel van deze volkstammen zijn sindsdien "verschoven", zoals de Morini en Menapii die naar Frans-Vlaanderen "verhuisden"; de Usipeti (hierop de kaart geheel rechtsonder) verhuisden vanuit Duitsland naar midden-Nederland, de Marsi ten zuiden van de Lippe, de Cugerni naar beide zijden van de Maas en de Chamavi verhuisden van Duitsland naar Overijssel. De Auchi, hier op de Veluwe, zijn bij Byvanck (1944) en Van Es (1980) verdwenen, onbekend waarheen.
    Volgt men nu verschillende andere volkeren door Romeins schrijvers (Caesar, Tacitus) genoemd, dan werden deze volkeren door later historici geplaatst tot in Scandinavië, Polen en Rusland, waar nooit een Romein geweest is. De Suevi (ook Suiones) plaatste men in Sweden, de Fenni in Finland of in Litouwen (er is nog keus!), de Venethi in Polen en Rusland, terwijl deze volksstammen in Frans-Vlaanderen woonden en dààr tegen de Romeinen streden. De Suevi waren de bewoners rond Kortrijk, op 10 km zuidoost van Rijsel en woonde vlakbij de Sitones, de bewoners van Choisies, op 9 km zuidoost van Meubeuge. Tacitus plaatst en aan de Oceaan. De Fegni waren de bewoners van Feignies, op 5 km noordwest van Maubeuge. Tacitus noemt hen Fenni. De plaatsing in Finland is natuurlijk een lachertje. De Venethi (gelijk te stellen met de Venedi) waren de bewoners van Vendin-lez-Béthune.
    Begrijpt U nu hoe de Grote Volksverhuizing ontstaan is in de hoofden van historici?

  3. Volgens Nederlandsche Oudtheden waren de vier plaatsen die de Batavieren aanvielen en die Tacitus vermeldt (Arenacum, Vada, Grinnes en Batavodurum): Arnhem, Wijk bij Duurstede, Wageningen en Rhenen. "Want veele zijn van gevoelen , uit de plaats van Tacitus daar hy van de vier Batavische Vlekken spreekt, dat deze vier plaatsen Aarnhem, Wijk te Duurstede, Wageningen en Rhenen, niet aan d'overzijde van den Rhijn, maar op de binnekant van 't Batavisch Eiland gelegen zijn geweest, daar in zommige oude kaarten missen die de zekerheid van de plaatsen zo naau op een stip niet hebben aangewezen, als wel de Landbeschrijvers onzes tijds : immers is daar van bekent, dat Wijk te Duurstede, Durostadium of Batavodurum, van ouds genoemt, niet op dezelve plaats staat, daar het van ouds gestaan heeft, en mogelijk maar een gedeelte van de groote stad, die 't te vooren geweest is". Hier spreekt dus al ernstige twijfel uit of de traditionele opvatting dat Wijk bij Duurstede Dorestad of Batavorum is geweest. Batavorum wordt ook voor Nijmegen gehouden, al is dat nooit bewezen. Arnhem komt in de traditie in dit ritje niet meer voor. Arenacum wordt traditioneel als Kleef-Rindern opgevat, maar dat ligt toch echt niet in de Betuwe. Grinnes wordt traditioneel als Rossum opgevat, maar ligt ook al niet in de Betuwe. Vada blijft onvindbaar, al denkt men aan Kessel (ook niet in de Betuwe), soms aan Wamel en niet langer aan Wageningen zoals lang gedacht is.

    In dit boek is vaak sprake van 'een gevoelen' waarop de opvattingen zijn gebaseerd. Het zijn dus op het gevoel aangenomen opvattingen. Het boek pakt terug op teksten van Johannes Smitius uit Nijmegen en gegevens uit de Episkopis Ultraiectinis (uit 1643) van Joannes de Beka (ca.1346-?) en Wilhelmus Heda (ca.1460-1525) en de Historia Episcoporum Ultraiectensium van VVilhelmus Heda (uit 1642, bewerkt door Arnold Buchelius). Vergelijkt men deze boeken met de Nederlandsche Oudtheden uit 1756 dan komt men tot verrassende verschillen en conclusies. De naam Antiquitates Belgicae wijst al naar het zuiden. Het handelt hierbij, zoals het titelblad al aangeeft, om de eerste opkomst van Holland, Zeeland, Utrecht, Overyzel, Vriesland, Braband en Vlaanderen enz. Ook de oorsprong van de landsaard, het eerste Christendom en wonderlijke geschiedenissen, zoals die is voorgevallen (in de opvatting van die tijd). Het 'steunt op 't gevoelen' geeft dan ook duidelijk aan dat het slechts om aangenomen opvattingen gaat, waarvan er velen sinds die tijd nog klakkeloos gevolgd worden (naschrijverij!). Het is aangenomen en nooit bewezen geschiedenis.


  4. "De Geldersche die zijn Sicambri, Jugerni, en ten deele Menapii geheeten, daar Casar en Tacitus van gewagen. Hier omstreeks meent men dat Gelduba gelegen heeft, daar Tacitus van vermelt, en gelooft werd Gelderland nu ter tijd zijn naam van zoude bekomen hebben". Als men deze teksten van Caesar en Tacitus nu eens juist had toegepast op de Menapiërs, dan was men in de juiste streek gekomen en wel bij Castellum Menapiorum dat hun hoofdstad Cassel in Frans-Vlaanderen was. Gelduba werd traditioneel opgevat als Gellep bij Krefeld, maar ook als Gulpen (Limburg), maar was Elouges of Quaregnon (B.), beiden zuid-west van Bergen (Mons) gelegen. Dat Gelduba de naamgever van Gelderland geweest zou zijn, is wat ver gezocht, al geeft het wel de relatie met Vlaanderen aan, waar de eerste graven van Gelre vandaan kwamen.
    Het graafschap Gelre ontstond in 1046 rond de plaats Gelre als eigendom van het geslacht der Flamenses van Wassenberg. Wassenberg was een allodiale residentie die de Flamenses, de voorzaten van de graven van Gelre, rond 1033 van de keizer kregen toegewezen toen zij zich niet meer konden handhaven in de Vlaamse contreien waarvan zij afkomstig waren. Gerard I Flamens (ca. 970 - na 1042), ook wel bekend als Gerard de Vlaming en Gerard van Antoing, was volgens de Annales Rodenses een verwant aan graaf Arnold van Valenciennes. De Flamenses waren de voorlopers van de graven, later hertogen van Gelre. (Bronnen: O.Merckens, Die Ahnenstämme „von Cleve" und „von Heinsberg" en Aart Noordzij. Gelre. Dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen, proefschrift 2009.)

  5. De Bataviers zijn afkomstig van de Katten, nu Hessen genaamt: door inlandsche twist met geweld (volgens 't getuigenis van Tacitus) by hun landslieden verdreven. De tijd dezer aftogt heeft d'oudheid verborgen. Het is geloofwaerdig, dat men deze geschiedenis lang voor de geboorte des Zaligmakers brengen moet, want Julius Casar, die voor Christus leefde, maakt gewag van haar. Doch 't is wederom t'eenemaal onzeker, of deze naam uit Hessen gebragt hebben, dan of van haar aangenomen is, nadat zy van de Katten uitgegaan waren.
    Zommige gevoelen, dat ze Bataviers genoemt zijn, ook toen een gedeelte der Katten uitmaakten, en Duitschlands bodem bewoonden. Tot bewijs worden bygebragt twee overblijfsels dezer naam: van welk een te vinden is in Batenberg , het ander in Battenhauzen, gelegen in Hessen. Maar deze gissing is vol twijffeling, en dierhalven niet zeker om aan te nemen. Het zy hier mede hoe 't zy; Dio noemt haar woonplaats het eiland Batava, en Zozimus als ook de Latijnsche Redenaars, die de Roomsche Keizeren verwellekomden in haar overwinningen, Batavia: welke naam het eiland als noch behoud in haar opperste gedeelte; by d'inwoonders de Betauw, of Betouw, en Betuwe genaamt; en ' t is waarschijnlijk, dat het uit de eigenschap van 't land alzo genoemt is: en genomen uit de woorden Bat, en Ouwe, of Auwe , welke woorden t'zamen gezet, beduiden goede en vruchtbaare hoeven, zo noch tegenwoordig de vruchtbaarste landstreek van Gelderland, de Betuwe genoemt werd. Het eiland begint, daar den Rijn zich scheid in twee stroomen, niet ver van Kleef, by Schenken - Schans: alwaar de vloed, gelijk ook eertijds, zich verdeelt in twee hoornen. 't Volk van dit kleine land hebben in oude tijden zo grooten naam gehad over de waereld, dat hun wapenen by ieder gevreest, en dapperheden onwinnelijk gehouden wierden. Ja de Roomsche keizeren hebben uit het zelve haar lijfwagt gekooren. Onder de veldoversten der Batavieren, welker naamen in de schriften der Latijnen en Grieken aan de osterflijkheid overgegeven zijn, worden, behalven andere, gestelt Kariovalda: die voor Germanikus een optogt doende tegen de Cheruscen, om den nederlaag van Varus te wreken, de Wezer met kracht op deed. De kloekheid van Klaudius Civilis de Batavier is insgelijks genoegzaam bekend: als welke met kleine macht het jok der Romeinen, beheerschers der waereld, van den hals geschud heeft, en met treffelijk beleid de Duitschers en Gauloisen tot den zelven oorlog oprokkende.
    Dit wat langer citaat (p.64 en 65) geeft wel aan hoe 'door gevoelen' men tot deze opvattingen kwam, al wordt er toch de nodige twijfel uitgesproken. Plaats men nu de Katten (Chatten) en Cherusken in de juist streek, dan klopt dit verhaal helemaal. De Chatten waren de bewoners van Frans-Vlaanderen waar Castellum Menapiorum hun hoofdstad was. De Cherusken en Siganbriërs worden ook Franken genoemd, die vanouds in Germania rond Doornik woonden. De Betouwe was het land van Béthune. Lees meer over het Germania van Tacitus. Over de Varusslag die in dezelfde streek plaatsvond lees je meer in deze verwijzing, waar terecht ook de Duytschers (=Dietsers) en Gauloisen genoemd worden. De herleiding van de naam Betuwe is ook de opvatting van Delahaye, die deze stelde tegeover Veluwe, vale (onvruchtbare) grond. De naam Betuwe is ook niet van Bataven (dappere mannen) afgeleid en komt in de Nederlandse geschiedenis pas voor het eerst voor in geschriften uit de 11de eeuw. Tekstkritisch gezien, slaat het Bronnenboek van Leupen tien eeuwen de plank mis door de naam Betuwe uit de 11e eeuw te identificeren met het Eiland van de Bataven dat al ca.50 vóór Chr. wordt genoemd, en minstens zes eeuwen die liggen tussen de namen Vahalis en Wal, welke laatste naam ook pas in de 11e eeuw voor het eerst verschijnt.

  6. Dat Julius Caesar Nijmegen heeft gesticht (in dit boek nog te lezen op p.211, hoewel er aan getwijfeld wordt) wordt momenteel door geen enkele historicus nog voor waar aangenomen, al lees je dat soms toch terug in 'school- of stripboekjes' en staat zijn beeld nog steeds als 'Nijmeegse vorst' op het stadhuis van Nijmegen.
            » Dat Julius Casar de stichter zoude zijn, steunt op ' t gevoelen van keizer Frederik de I (anders Ahenobarbus, dat is Roodbaard genoemt) daar van in 't gedenkschrift zijns tijds, alwaar hy roemt den herbouwer te zijn, en vry beter als Julius Casar, den eersten stichter, gemaakt heeft. Dit zoude met de bovengenoemde opschrift-steen overeen komen. Echter vind men weder andere, die Julius Casar voor een vernieuwden bouwheer, dewijl ze op de wijs der Roomsche bouwkunde gesticht is, stellen . Deze waarschijnlijkheid komt zekerst overeen, met der gener gevoelen, die meenen dat het eerste begin een Heidense kapel en offerplaats geweest zy, alwaar het noodlot der toekomende gelukken of ongelukken, door de priesteren betuigt. Hier wordt de gedenksteen van Frederik Barbarossa genoemd, die aanvankelijk in de Kapel op Het Valkhof ingemetseld was. Als we in plaats van Julius Caesar er de Romeinen onder verstaan, zou het waar zijn, wat ook uit deze gedenksteen op te maken is.
  7. Het is interessant te lezen wat er zoal over Nijmegen geschreven werd: (zie ook onder punt 6 en 7 hieronder; ook hier is vaak sprake van 'gevoelen').
            » Nijmegen wordt afwisselend Nimwegen en Nymegen genoemd, en 't is zeker dat Nymegen in ouderdom tegen Leiden kan evenaren.
            » Over Karel de Groote wordt vermeldt dat hij 'den eersten Roomschen Duitschen keizer' is en 'gesproten uit een Grieksch Keizeren geslacht'.
            » Het opschrift der Roomsche steen 'uit welke afgesleten en gebroken letteren Luidonia, zommige Neoma hebben weten uit te vinden, ' t welk te ver gezocht is en met meer gelijkenis op Lugdunum kunnen gepast worden.
            » De verscheide gevoelens, hoedanig dit Oppidum Batavorum, de stad der Batavieren, de benaaming van Nimwegen gekregen heeft, wanneer en door wie gesticht, achten wy onnodig hier op te haalen, dewijl de zekerheid daarvan uit de tijdboeken niet kan nagevorst worden. Batenburg, overtreft alle andere in outheid.
    Hier wordt dus duidelijk aangegeven dat voor de naam Oppidum Batavorum voor Nijmegen, geen enkel bewijs te vinden is.

    De afbeeldingen in dit boek zijn al net zo wonderlijk als meerdere teksten: zie hierboven zoals men die oude volkeren voorstelde. Klik op elke afbeelding voor een vergroting.

  8. Waar van Tacitus verhaalt, dat er in vriesland de Herkulis Columna noch zouden in wezen zijn: waar door de groote steenhoopen, met menigte in Drenth, dat de begraafplaatsen der Herculeuze Reuzen zijn geweest, verstaan werden. De hunebedden in Drenthe werden al wel als begraafplaats beschouwd, maar wel voor reuzen. Wie anders dan reuzen zouden die zware stenen versjouwd kunnen hebben?
  9. Omdat ze uit een koud en vriesachtig land kwamen, Friezen genoemt; of van haar vryigheid, als een vry en niemand onderhorig volk, daar zy zich op beroemen. Deze verklaring van de naam Friezen, is toch wel achterhaald.
  10. Verder is ons gevoelen, zeid van Leeuwen, in zijn Batavia Illustrata, dat dit niet te verstaan is van Tungeren, in ' t land van Luik, maar van Thuringer-stad, of Thuredrecht, dat is Dordrecht, want de Thuringers, en Tungersche niet altijd voor die van Tongeren in 't land van Luik gehouden wierden, maar ook voor die van Dordrecht, of Thurendrecht, alwaar de Tungerse haar koopman-schap plegen te drijven, en die na haar naam lieten noemen: Gelijk ook Wijk te Duurstede, Thuirstad genoemt is, daar zy ook haren handel dreven. Dat nu de zee tot aan Thurdrecht en Thuirslad , gevloeit heeft, is een bekende waarheid. Hier worden de transgressies dus bevestigd. De naam Thuirstad voor Wijk bij Duuurstede is de opmaat om er in de 19de eeuw Dorestad van te maken.
  11. De Franken en Engel Saxen gebruikten eertijds eene taal. Dese zijn genaamt Saxen of Vriezen, overmits in die tijden de Neder Saxen Vriezen genaamt wierden: want de Vriezen heerschten toen tertijd over de Neder Saxen. Deze en vergelijkbare opvattingen zijn momenteel wel achterhaald.
  12. De Nerviërs waren vanouds de allerstrijdbaarste en magtigste volkeren in Nederland. Bekanus zegt ze die van Oudenaarde te zijn, na de gelijknaaming; andere, die van Doornik. Maar het schijnt , dat hunne landen zeer groot geweest zijn; want Casar stelt dezelve verre buiten de landpaalen van Doornik. Waar onder ook schrijvers gevonden werden, die er Naarden in Goyland, doch niet het tegenwoordige, maar het Oud Naarden, dat nu verre in zee verdronken, en aan de Vecht gelegen heeft, by verstaan. De Nerviërs waren de bewoners van Bavay, dat in de Romeinse tijd Bagacum Nerviorum heette. Het waren zeker niet bewoners van Naarden of Oud-Naarden of waar ook in Nederland.
  13. dat de oude Teutonische, Duitse en Nederlandse, de oudste grondtaal is, naast het Hebreeuwsch, en veel rijker van woorden om alles op 't bekwaamste uit te drukken, gemeenschap der Engelsche en Vriesche taal, en hoe onze voorouders voor duizend jaar spraaken verandering daar in opgekomen, in 't bouwen der Tooren van Babel de taalen vermeerdert, en dat de Teutonische taal in Duitsland is geplaatst. Dit neemt toch niemand meer voor waar aan? Hoewel? Er zit een grond van waarheid is. Het Engels en het Fries zijn nauw verwant aan elkaar, zoals uit meerdere studies gebleken is. Het Oudfries –het Fries zoals dat in de middeleeuwen werd gesproken – heeft veel overeenkomsten met het Oudengels. Later hebben deze talen zich heel verschillend ontwikkeld in drie dialectgroepen: het Westerlauwers Fries, het Eemsfries en het Wezerfriesen. Ook andere publicaties wijzen op die overeenkomsten. Lees ook meer over het Diets de gondtaal van meedere talen zoals het Nederlands. Zie ook het kader hiernaast in de linker kolom.

  14. Van deze afgodin Medea zoude, na veeler gevoelen, Medenblik, de eerste en oudste stad in West-Vriesland, haaren naam bekomen hebben, hoewel het by andere werd tegen gesproken, en oorspronkelijk zijn van het waterken Medemelakka, dat nu door bedijking verlooren. Lees meer over de ware geschiedenis van Medemblik.
  15. Landschap van Vrankrijk, eertijds geheeten Armorika, maar naderhand na hen lieden, Brittannien of klein Brittannien; hier toe gedwongen zijnde, als d'Engelschen hen westwaart deden wijken, om plaats voor hun in Groot Brittannien te maken. Het gaat hier over Bretagne dat eertijds Armorika heette zoals ook de visie van Albert Delahaye was en waarvan D.P.Blok die -r- betwistte.
  16. Een kleinere onjuistheid is de datum van de moord op Bonifatius, hier op 11 juni 752 geplaatst, terwijl de juiste datum nadien werd vastgesteld op 5 juni 754. Zie verder onder punt 5 hieronder.
  17. Willibrord wordt in dit boekje Willebord of Willebrord genoemd. "Waar den naam vandaan is gekomen, zijn verscheide gevoelens, naar onze meining is veel te zeggen als wyle, of heilige broer, om zijn heilige handel en wandel. Lees meer over St.Willibrord bij punt 2, 3, 4 en 11.

    De visie van Albert Delahaye.
    De oudste 'Hollandse' schrijvers waren Alpertus van Metz (ca.1006), Melis Stoke (eind 13e eeuw), de Clerc uten Laghen Landen (ca.1349-1356) en de schrijvers van de Annalen van Egmond (geschreven tussen de 11e en 12e eeuw). Deze eerste Hollandse schrijvers schrijven nergens over de tradities van Utrecht, van Dorestadum, van Nijmegen of van de Bataven. Dit is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden dat de schrijvers van Egmond de later gehanteerde bronnen kenden. Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met half of geheel onjuiste feiten. Melis Stoke is de eerste, die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, al is hij nog niet geheel los van diens missiegebied aan de Schelde. Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach eind 12e/begin 13e eeuw is ingevoerd. Van de indrukwekkende (latere!) serie berichten over de Noormannen vermelden Melis Stoke en de Clerc uten Laghen Landen hoogstens één feit, al hebben ze het niet over Nortmannen, maar over piraten. Een en ander maakt duidelijk, dat hun stof niet gevormd werd door een ter plaatse bestaande dokumentatie of een levende traditie, maar dat deze van buitenaf is aangevoerd. In sommige gevallen is de invoering van een bepaalde traditie door hun eerste tekst daarover vrij nauwkeurig in de tijd te plaatsen. Zo schreef de Clerc al over het ontstaan van Nederland: Holland, dat over het algemeen een broekland was en alleszins (=geheel en al) uit de armen van de zee en de Rijn gesalicht (=ontstaan) is. Ook Jacob van Oudenhoven schreef in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd. Ook de Clerc Uten Laghen Landen had reeds in de 14e eeuw het juiste inzicht over het ontstaan van het alluviale Holland!
    De eerste schrijvers over de Nederlandse geschiedenis hebben de onweerlegbaar getuigenis neergeschreven dat de na hen opgekomen tradities een en al mythe zijn. Dit had iedere historicus kunnen zien, tenminste als hij die schrijvers eens niet met de nek, maar met open ogen aangekeken had.



    Uitsnede van de titelpagina's van Episkopis Ultraiectinis (links) waarop het jaartal 1643 staat. Op de Historia Episcoporum Vltraiectensium (hierboven) staat als jaartal 1642. Beide boeken zijn uitgegeven door Johannis à Doorn.
    Drukfout of slordigheid? Of is het jaartal juist en zijn de boeken inderdaad in verschillende jaren gedrukt en uitgegeven? Er zijn meer verschillen te constateren. Lees meer over Joannes de Beka (ca.1346) en Wilhelmus Heda (ca.1460-1525).

    Nederlandsche Oudtheden.
    Hieronder vergelijken we de mededelingen in de Nederlandsche Oudtheden met de traditionele opvattingen. De vraag die telkens gesteld kan worden is of de traditionele opvattingen teruggaan tot die eerste schrijvers en tot de mededelingen van Johannes de Beka en Wilhelmus Heda. In hoeverre heeft Arnoldus Buchelius ca.1642 een en ander al aangepast aan eigen opvattingen? Hoe zijn de verschillende tradities naderhand ontstaan?
    In de Nederlandsche Oudtheden uit 1756 blijkt dat veel tradities die momenteel nog steeds gehanteerd worden, toen nog niet bestonden. Die zijn dus pas nadien ingevoerd.
    Johannes de Beka en Wilhelmus Heda.
    Het is interessant om de beide geschriften van De Beka en Heda te vergelijken en waar deze in detail al verschillend zijn. Of hebben zij de betreffende stukken klakkeloos van elkaar overgeschreven? Wat schrijven zij over St.Willibrord, St.Bonifatius, Utrecht en Dorestad? Voor de oorkonde van het jaar 777 verwijzen we naar de oorkonde uit 777 en de de vier bossen.
    Wat Beke en Heda Duutschlant en Vrancrijc noemen komt allerminst overeen met de huidige Duitsland of Frankrijk. Zo vermeldt Johannes de Beke dat Bonifatius die Winfridus hiet, uut Engelant in Duutschlant kwam, waarmee duidelijk Nederland en Utrecht (dat ook nog Anttonina wordt genoemd) bedoeld werd.


    Wat weten we uit de teksten in de Nederlandsche Oudtheden uit 1756 en komt dat overeen met de traditionele opvattingen?
    Het is onmiskenbaar interessant deze bronnen te lezen en met elkaar te vergelijken. Je ziet hierin een aantal mythen ontstaan, andere bestaan reeds langer zoals blijkt in 'de Nederlandsche Oudtheden'. Veel opvattingen hieruit zijn inmiddels achterhaald, waarom de schrjvers onbetrouwbaar genoemd worden. In hun tijd waren ze dat zeker niet. De schrijvers spreken vaak over 'enige gevoelen' en 'zo 't zeggen is' of 'losse gronden', waarmee gewoon 'zoals verteld wordt' of 'zoals aangenomen wordt' bedoeld wordt. Het geeft precies aan op welke wijze men tot deze opvattingen kwam: vaak op aangenomen verzinsels van zoals er gezegd werd. En op deze aangenomen verzinsels is nog steeds de traditionele geschiedenis gebaseerd.

    nr.
    Wat staat er in Nederlandsche Oudtheden.
    Letterlijke teksten 'schuingedrukt' en tussen ' '.
    De -- in de originele tekst is vervangen door de -S-.
    Wat zijn de traditionele opvattingen hierover?
    Commentaar in rood. De .... geven aan dat er een niet ter zake doende tussenliggende tekst is weggelaten.
    »
    In het algemeen worden veel volkeren en plaatsen genoemd, waarover in de latere geschiedenis niet veel meer van overgeleverd is of overgebleven is. Neem als voorbeelde de Herulen.

    Herulen zoude zijn, meenen wy met zekerheid bevestigt te hebben, onder de beschrijving der Herulen. blz. 74. en 75. Deze Herulen , zijn volken die by Ammianus Marcell. Trebell. Pollio, Zofimus, Suidas en andere schrijvers, bekent staan : die uit hun half eiland Scandinavia ('t geen met een engen hals aan Russia paalt, en ten deele Noorwegen, Sweden, Gotland, en andere Noordsche landen bevat) uitgetogen zijn, om andere woonsteden te zoeken. Zy zouden, zo Eugippus schijnt te kennen te geven in 't leven van den abt Severinus, die den apostel der Noriciers genoemt word , de streek van Noricum, (nu in ' t gemeen Besjeren) (Beieren, red.) bewoont hebben: ' t geen Kluverus mede bevestigt , als dat de Herulen en Chaubonen (ook Kauchen genoemt ) ten tijde van Maximiniaan , door geheel Duitslant het landschap achter rugge latende, tot aan den Rijn toe doorgedrongen zijn : 't welk geen duister bewijs geeft dat ze de voetstappen in Kaukerk en in Herulheim nagelaten hebben. Prokopius zeit, dat de Herulen, van keizer Justiniaan, toen hy aan't rijk kwam, met zeer goede woonplaatzen en andere dingen begiftigdt zyn: en vorder, dat by den Franken de Gallien gaf ; waar in hy ze, schoon al te voren by hun bemachtigt , echter om de schaduw van zijn keizerlijke waerdigheid te bewaren, met zijn toestand bekrachtigde. Dit meenen wy genoeg, tegens den ouden Heer Lem, met zijn schrijvers, gezegt te zijn .

    In de Nederlandse geschiedenis hebben de Heruli vermoedelijk geen rol van betekenis gespeeld. Het bestaan van een Westeuropees Herulenrijk is een achterhaalde theorie uit de 19e eeuw. (info: Wkipedia). Met Haarlem hebben de Herulen in elk geval nooit iets te maken gehad. Het is een voorbeeld hoe gemakkelijk mythen ontstaan zijn en nog steeds 'gehandhaafd' blijven.
    Abt Severinus wordt in de Duitse hagiografie 'der Grosse unbekante' genoemd. De ene keer is hij 'bisschop van Noricum (Oostenrijk), maar ook bisschop van Keulen.
    Het is wel duidelijk dat het bewijs duister is en menen wij dat het gezegd is zo te zijn geweest.
    Behalve de Nerviërs (zie hierboven) worden ook andere volkeren onjuist geplaatst, wat zelfs heden nog steeds gebeurt.

    Ca. 286 na Chr. verslaat Maximianus de Chaibones en de Eruli, barbaarse volken die dreigden met de ondergang van geheel Gallia. Niet alleen de Burgundiones en de Alamanni, maar ook de Chaibones en de Eruli, de eersten in kracht van de barbaren maar de laatsten wat betreft de plaats. Zij waren van plan plotseling in de (Romeinse) provincies binnen te vallen. (Bron: Panegyricus Maximiano Augusto, 5 -10).

    De Burgundiones waren de bewoners van Bourghelles, dat in andere bronnen Burginatio heet. De Alamanni woonden ten oosten van de beide Germania’s in de streek tussen de Ardennen en Straatsburg, overwegend aan de westzijde van de Rijn. De Geograaf van Ravenna (Ravenna, tekst 18, blz. 41), beschrijft hun streek heel nauwkeurig. De Chaibones waren niet dezelfde als de Chauchen, maar de bewoners van Capinghem en omgeving, op 7 km noordwest van Rijsel. De Heruli, elders Eruli geschreven, waren de bewoners van Herlies, op 16 km zuidwest van Rijsel.

    Merk ten eerste op, dat deze stammen of plaatsen nooit in Duitsland zijn gevonden, ten tweede dat zij dicht bij elkaar woonden zodat het logisch is dat zij in één adem worden genoemd, ten derde dat deze groepen vlakbij de Renus (is de Schelde) woonden, wat verder in deze tekst ook wordt genoemd en ten vierde dat de Romeinen in 286 na Chr. beslist geen oorlog meer gingen voeren in een reeds verlaten en opgegeven gebied in Nederland (bij Haarlem?) of ver in Duitsland (Beieren?).

    Noricum, ook bekend als de Nordgau, was het noordelijk deel van de Elzas, ongeveer overeenkomend met de "civitas" (het district) van Straatsburg (dat geheel ten westen van de Rijn in Frankrijk lag), zoals ook Tacitus vermeldt. Het kwam dus niet overeen met Beieren.
    1
    In de Nederlandsche Oudtheden geven de schrijvers een verklaring van het ontstaan en betekenis van plaatsnamen. We geven enkele voorbeelden.
  18. Utrecht: 'daar legerde de 35ste krijgsbende welke met verkorte Latijnse woorden te kennen werd gegeven als V.TRIC.LEG.STAT. Door onkunde der Latijnse spraak, hebben eenige de halve woorden, voor geheele, aan elkander gevoegt, gelezen: in meening het veel te zeggen zy, als Vtricstad... en alzo van dit Vtricstad is namaals de naam Utrecht gekomen. 'tWelk niemand vremd behoeft voor te komen,....' (p.186).
  19. Antwerpen: 'Om voor eerst van Antwerpen te spreken, zoude, na enige gevoelen, de naam niet Ant- maar Hand-werpen zijn: want zo 't zeggen is, zou daar een reus geweest zijn.... Brabo hem verwon, de rechterhand afkapte, en met een forse macht in de Schelde wierp'. (p.164).
  20. Deventer: "Enige willen, dat ene Davo, een machtig vorst onder de Saxen, de stichter en bouwheer zy. Adriaan Jumius is van gevoelen, dat, nadien dezelve volken Artuarii zijn, en by verandering D'aventuarii, nu by verkorting Deventer zoude genoemt zijn; doch 't eerste is 'twaarschijnlijkst, om dat zulks betuigen d'oude opschriften aan der stads Poorten, en elders te zien', (p.179).
  21. Hulst: 't Word voor waarheid bevestigt, dat onder de Noordsch volkeren, de Hunnen .... de landen en Veldgen of Nederlanden overheersende, op en om de plaats dezer stad Hulst langen tyd hun verblijf, .... gehouden, en Hunnen-lust of Hun-lust genoemd hebben. ....den naam van Hun-lust in Hulust, en eindelijk, met achterlaating der leste letter u, in Hulst verandert is. Maar nadien d'oudheid dier tyden,door 't onderwerp der veelvuldige verwoestingen deze landen, ons geen zekerheid, maar losse gronden stelt; dunkt ons by 't gemeene gevoelen te blyven, 't welk de naam van 't gewasch, dat hulst of steekpalm genoemt werd, afbrengt, en ontleent is; ....en uit die eigenschap werd ongetwyffelt 't wapen dier stad, dat zeer oud is, als noch, met Hulster-tak en bladeren van 't zelve gewas, afgemaalt, en by die van Hulst gevoert'. (p.162-163).
  22. Alkmaar: By velene werd Alkmaar voor een der oudste steden van Holland gehouden: is het einde des gebieds van Kennemerland; en aan alle kanten met verscheidene grote meiren omringt....alzo dat deze stad van menigte der meiren haar naam Al-meer ontvangen heeft. (p.193).
  23. Medemblik: zie hierboven.

  24. Het is lezenswaardig deze gedachten goed te volgen. Het geeft een inkijkje in de wijze waarop men toen dacht en redeneerde. Het zijn verklaringen van plaatsnamen die in de fabellogie nog wel eens opduiken, maar in de officiële geschiedschrijving allang zijn achterhaald.

    Opvallend is ook dat een aantal plaatsen die de traditionele geschiedenis bepalen, in dit boek niet voorkomen, zoals Wijk bij Duurstede of Dorestad. Dokkum wordt wel genoemd 'welke Bonifatius met noch twee en vijftig van zijn medegezellen in 't jaar 752, omtrent Dokkum vervolgt, en doodgeslagen is, daar Beka omstandig omschrijft'. Dat 'omstandig' valt wel tegen. Het wordt in de geschreven tekst van Beka in een tussenvoeging geschreven: zie punt 5.

    Over Utrecht wordt geschreven dat het ooit Antonina heette, maar ook Wiltenburg (p.185), de stad van de Wilten, maar ook Trajectus (vaart of overvaart) daar het duitsch Trech vandaan is gekomen. Wie d'eerste stichter geweest is , daar van vind men verscheide gevoelens , de meeste ver- trouwen , dat ze ten tijden des keizers Antoninus Pius zoude gesticht zijn. De Wilten hebben zedert d'Utrechtse overvallen, en geplundert , aldaar ' t kasteel Wiltenburg gebouwt , doch weder by Dagobert , koning der Vranken , Klotariuszoon , ingenomen. Ten tijde van Charlemagne zou Utrecht Old-trecht geheten hebben: Old-trajectum 't welk daar na geheel Latijn Ultrajectum gemaakt is.
    2
    Het bisdom Utrecht is een afsplitsing (onderhorigheid) van het aartsbisdom Keulen. Willibrord was de eerste bisschop. Bonifatius was bisschop van Mentz (Mainz). Hoezo apostel van de Saksen? (zie afbeelding hiernaast van p.217).
    Op p.106 lezen we"En Willebord in Walcheren overgescheept, heeft het Evangely in de Vriesche taal, zelf een Vries zijnde, den Vriezen gepredikt. Het is interessant dat het Onze Vader en een gedeeltee van het Weesgegroet van Maria in het Engels worden geschreven en in het Oud-Saxisch. (p.105-108).

    Over Willibrord worden allerlei wonderen beschreven, zoals: Op een tijd bezig zijnde met een Heidenschen afgod in stukken te vergruizen , kreeg hy van zekeren afgoden die- naar een geweldige slag met een zwaerd op ' t hoofd , doch zonder gewond te zijn : maar de Heiden die hem sloeg , is terstond daar op in een razerny gevallen, en na drie dagen zeer elendig gestorven: alzo heeft God zelfs de wraak genomen, en den gene van ' t leven berooft , die zijnen dienaar wilde doo den : want Willebord wilde uyt zich zelven nooit kwaad met kwaad vergelden. (p.187/188).
    Wanneer hy pleeg te gaan leeraaren (prediken, red.) , droeg dikwils een flesch wijn by zich , om de armen zomtijds te verfrissen. ' t Gebeurde op zekeren tijd , dat , als hy twaalf arme manspersonen alle uit zijn flesch dede drinken , zy evenwel , zo men zegt , niet verminderden (dronken werden, red.). Ook word verhaalt dezen door zijn gebed te weeg gebragt te hebben , dat een wijnvat , ' t welk bykans heel ledig was , weder vervult is geworden ; ook door zijn gebed en zegening een weinig wijns tot veel vermeerdert te zijn. Hier zou Willibrord zelfs de wonderbare wijnvermenigvuldiging van Christus hebben geëvenaard, die bij een bruiloft in Kana water in wijn veranderde (Johannes 2: 1-11).

    Johannes de Beka en Wilhelmus Heda beweerden dat St.Willibrord predikte in Grevelingae en er een kerk stichtte, evenals in het fort Antwerpen aan de rivier de Schelde in pago Riensium. Over Katwijk hebben de schrijvers ook op p.176 als geschreven wordt over de drie monden van de Rijn. Die waren bij Enge Mond (Egmond), de tweede bij Briel en de derde bij Katwijk, 'alwaar Willebord uit Brittannien komende, aanlande, en zo na Utrecht den Rijn opvoer; doch is allengs door 't toeschieten der duinen gesloten'. Dat is de opvatting in 1756, waar nu anders over gedacht wordt, zeker over de Rijnmond bij Egmond.
    3
    Na de dood van Willibrord is Bonifatius hem in deze plaats opgevolgd (idem p.217). 'Voor en in welke tijd het Christengeloof werd vooortgezet door' de volgende predikers (zie punt ). De traditie heeft Bonifatius nooit als bisschop van Utrecht beschouwd. Hij was immers (aarts-)bisschop van Mainz.
    4
    Op p.217 worden ook de andere geloofsverkondigers genoemd, zoals Amandus in Gent, Eligius in Antwerpen, Wilfreid in Noord-Holland, Swigbert in het land van Altena en Lebuinus in Salland, Twente, te Deventer, Kampen, Zwolle en Oldenzeel. De twee Ewalden in Drenthe en Koeverden, Benthem en die in Laar gemarteld zijn.
    Willebord zou kerken gesticht hebben in Antwerpen, Hulst, Deurne of Doorne (p.167: bij Antwerpen!), Utrecht, Oestgeest (Kerkwerve), Leiden (Ste.Marienkapel) en voor de genen, die water gebrek hadden , een Bron hebben doen springen in't dorp Heiloo , tusschen Haarlem , en Alkmaar. Aangaande deze gezant van Vriesland, Holland, Zeeland, de vier Ambachten van Vlaanderen, de stad en 't gebied van Antwerpen, alsook de Kempen, insgelijks Gelderland, Kleef, Overyssel en d'omliggenbde plaatsen, mach men wel zeggen dat hy meêr Nederlandsche landschappen tot het Christendom gebragt heeft, dan iemand van d'andere gezanten der Nederlandsche provincien. (p.195-196)

    Volgens de tekst op p.198-200 kreeg Willibrord ook van Rotingus kerken geschonken gekregen te Antwerpen, met de aanklevende dorpen Bacualde, Wimelincheim, Furglare. Heribald schonk een kerk in 't land van Marsen, daar waar de Maas in zee loopt. Angibald schonk een dorp genoemt Wadradoch, in 't land van Pelen, op de stroom Duthmaal. Ansbald gaf een deel van het dorp Busloth, in 't land van Pelen. Vrouw Berethinde gaf een deel van 't dorp Bokanschot, Henrik deel van dorp Pieplo, Engelbert gaf een deel van het dorp Hinesloten en Alpheim, in 't land van Pelen. Ansbalds klerk gaf een dorp geheten Diosna, in 't land van Pelen, op de stroom Digena. Thietbald gaf een kerk in 't dorp Montnaken, die Araride genoemt is met hare toebehoren. De de doorluchtige man Hedeen gaf zijn deel in het dorp geheten Aimistad, op de rivier Wiekeo, in 't land Turugasnes. Alle deze bovengenoemd en geschrevene dingen geef en overlevere ik Klemens-Willebord aan het voorgenoemde Godshuis van Epternak. Aldus gedaan in 't zesde jaar der heerschappy van den koning Theodorijk.
    Het zijn lang en nog steeds de traditionele opvattingen. In Oldenzeel (Oldenzaal) wordt niet Plechelmus genoemd, maar Marchelmus(p.178. Leesfout?) 'is te Oldenzeel in den Heere ontslapen, omtrent 762. zijn lichaam is daar na te Deventer gebracht, alwaarr het lange tijd met eerbiedigheid is bewaart geweest'.. Die traditie is dus pas ná 1642 ontstaan. Prof.dr. L.J.Rogier merkt hierover op: "vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden. Van devotie tot Willibrord, Servatius, Bonifatius, Lebuinus, Plechelmus, Odulphus, Jeroen of andere Nederlandse heiligen vernemen wij in de gehele middeleeuwen niets". Ook Albert Delahaye kwam tot dezelfde conclusie. Lees meer over de predikers.

    Aldus het zogenaamde Testament van St.Willibrord dat hij 732 opgesteld zou hebben. Op grond van dit testament heeft Echternach haar claims op kerken gelegd, terwijl de schenking vaak geen kerk betrof en ook niet aan de abdij, maar aan het bisdom was gedaan. Het waren dus onterechte claims van Echternach. Het had toe moeten komen aan het bisdom Utrecht dat overigens nooit die claims heeft gesteld of die bezittingen heeft teruggeëisd. Lees meer over de kerken in Holland en de kerken in Brabant.

    Vergelijk deze tekst ook met de oorkonden uit de jaren 1006, 1028 en 1050.
    5
    De moord op Bonifatius en zijn gezellen wordt hier al in Dokkum aan de Lauwers geplaatst (p.219). Nogmaals wordt Bonifatius hier aartsbisschop van Utrecht genoemd, wat hij nooit geweest is. Ook het jaartal 752 is onjuist. Momenteel is zijn sterfdag vastgesteld op 5 juni 754. De oudste klassiek teksten over deze moord (vita S.Willehad) noemen noch Dokkum, noch de Lauwers. Lees meer over Bonifatius en Dokkum. Wilhelmus Heda noemt op p.34 Bonifatius als Custos (beheerder) van de Ecclesia S.Martini en op p.37 in noot f de plaats Dockumo in Ostergoe. Pagina 35 en 36 zijn kwijt? In de Historia Episcoporum Ultrajectensium (p.16) wordt de plaats van de moord Doccum genoemd. In de kantlijn staat Doccomi. Bonifatius werd martelaar 'in een stedeken dat Dockem hiet'. In het 'handschrift' van De Beke is Dockem tussengevoegd. Zie afbeelding hierboven.
    6
    Nijmegen: 't Is zeker dat Nymegen in ouderdom tegen Leiden kan evenaren. Onder 't geen hier merkwaerdig, en vanouds geroemt, en noch in wezen op een berg zich vertoont, is het slot of burgt te Nymegen, 't welk door de Katten met hun aankomst omtrent het 60ste jaar na Christus geboorte gebouwd is, met benevens Oppidum Batavorum, nu Batenburg;.... hetgeen aannemelijker is, als die den keizer Julius of Kladius, uit misduiding des opschrifts van zeeker gevonden steen, tot stichters dezer burgt willen maken; op welke steen de naam Cajus Julius Klaudius Prudenr gevonden werd, door dien deze naamn algemeene voornaamen der Romeinen zijn geweest .... op welk ook geenige letterafbeeldsels gevonden werden die na Nimwegen gelyken. (zie afbeelding hiernaast). Uit welke afgesloten en gebroken letteren Luidonia, zommigen Neoma hebben weten uit te vinden; 't welk te ver gezocht is: en met meer gelijkenis op Lugdunum kunnen gepast worden. En genomen 't was zo, nochthans volgt niet, dat het van Nimwegens bouw te verstaan zy; en de naam van C.Julius, Klaudius Pudens, aan C.Julius Cesar toepasselijk zoude zijn, om denzelve tot stichter van Nimwegen te maaken. (p.210-211).
    Het hele verhaal lezend, is het te begrijpen dat er gesproken wordt over onbetrouwbaar, immers het paste allemaal niet in de traditionele opvattingen. Maar het geeft wel aan hoe de mythen rondom Nijmegen ontstaan zijn en hun ingang vonden.

    Het is toch erg opvallend dat bij Nijmegen elke verwijzing naar Karel de Grote ontbreekt. Wel wordt Charlemagne één keer genoemd en wel bij de Trajectus Rheni en Utrecht dat Old-trecht zou zijn genoemd.
    7
    Nijmegen: De verscheiden gevoelens, hoedanig dit Oppidum Batavorum, de stadt der Batavieren, de benaming van Nimwegen gekregen heeft, wanneer, en door wie gesticht, achten wy onnodig hier op te haalen, dewijl de zekerheid daarvan uit de tijdboeken niet kan nagevorst worden. Dat wy bl.63 letter (r) zeggen, Julius Cesar de stichter zoude zijn, steunt op 't gevoelen van keizer Frederik de I (anders Ahenobarbus, dat is Roodbaard, genoemt:) dat van zijn gedenkschrift zijn tijds, alwaar hy roemt den herbouwer te zijn, en vry beter als Julius Cesar, den eerste stichter, gemaakt heeft...... (Tacitus spreekt van den priester der vergaderde woonstee) waar van de stad haar naam zoud konnen bekomen hebben, van Magen, anders Megen: want Magi (hoedanig de wijzen uit oosten) waren Wijzen, anders Wichelaars, die zich alle lucht-hemels-teekenen, en voorbeduidingen verstonden; van welke dezelve plaats by verder op of herbouwine, tot een stad, als gezegd, Nieuw Magen kan genoemt zijn.
    Of nu Nimwegen voor het rechte Oppidum Baytavorum, of wel Batenburg te houden, is een twistzaak die wy Joh.Smith, in zijn Oppid.Batavor. overlaten, ....
    (p.211).
    De herkomst van de naam Nijmegen en of het 't Oppidum Batavorum was, wordt in 1756 dus nog betwist. Het verhaal over het ontstaan van de naam Nieuw Megen uit Magiërs is een leuke mythe. De geschiedenis van Nijmegen kent meerdere mythen.
    Men heeft het hier in elk geval niet over Noviomagus, nog minder over Karel de Grote.
    8
    Over de Heidense kapel op Het Valkhof wordt meegedeeld (p.211) dat het diende als offerplaats en door priesteren als woning diende. De kapel wordt dus 'heidens' genoemd, een kwalificatie die door latere historici (o.a. A.van Hooff) ontkend wordt. Heidenen zouden geen kapel kunnen hebben. Heiden heeft sinds de middeleeuwen een negatieve betekenis, een ongelovige. Oorspronkelijk stond het voor een bewoner van woeste grond. Vergelijk 'heide' als ongecultiveerd land. Onder invloed van de Christelijke kerk kreeg het de betekenis van anders gelovigen, niet-Christelijk.
    9
    Duitsland: uitgestrektheid, en verdeeling. Germania: Dat is Duitschland, 't grootste en meest bevolkt rijk van Europa, wordt gedeeld in Hoog- en Neer Duitschland. 't Woord German komt af van Gar of Ger, dat gantsch of kloek en man, een man gelykerwijs by ons Karel, Karolus een kloek dapper man betekent. Zie van Duitschland en de Duitschers, Tacitus door den Ridder Hoofd in 't Nederduitsch vertaald. (p.79-80) en Duitsche landaart dat de oude Duitsen, toen ze noch heidens waren (eer Willebord overquam), behalve de zon, maan en 't weer, noch eigen afgoden hadden (p.113). Onder Nederduitsch verstond men Nederlands. Bij dit Duitsland is duidelijk geen sprake van het huidige Duitsland, waar Willibrord immers nooit gepredikt heeft. Begrijpt men onder dit Duitsland het Germania van Tacitus wat Frans-Vlaanderen was, dan klopt het precies. Dan is deze tekst juist niet onbetrouwbaar, maar geheel juist. Lees ook in de kolom links waar over Duitschen gesproken wordt die woonden in Zeeland, Vlaanderen en Braband aan wederzijden van de Rijn (als men voor de Renus de Schelde neemt, kloppen ook deze details!)
    10
    Alle talen: (p.80-81)
    .
    Het verhaal over de talen en het ontstaan ervan is een leuke mythe. Het Teutoons dat hier genoemd wordt was de oude taal van Frans-Vlaanderen. Lees meer over het Diets, dat ook het Teutoons genoemd werd.

    De Hollanders zouden uit de Hoogduitsche volkeren voortgekomen zijn volgens Erasmus. Philip Melanthon (een volgeling van Maarten Luther!) vond uit dat de Germanen Duits gesproken hadden. Hij is ook degene die de slag bij het Teutoburgerwoud (Teutonen!) in Duitsland plaatste. Zie bij de Varusslag.

    Op p.111 lezen we dan nog: Deze spraak, welke ten tijde van Willebord, zo wel in Engeland, als Holland en d'aanpaalende Nederlanden, de natuurlijke en gemene taal geweest zijnde, is door lengte van tijd, zo wel by den eenen als anderen, zo zeer verandert, dat nu geen landaart, wiens taal uit de oud Teutonische spraak gesproken is, dezelve kan verstaan zonder moeite en arbeid. Zonder moeite en arbeid: men kon elkaar gemakkelijk verstaan, zonder de taal te hoeven leren. In noot (e) wordt nog vermeld: De gemeenschap van 'd Engel-Saxensche met de Friesche taal, als beide uit het Duitsch en Schytisch voortgekome, kan men hieruit zien: (met een stuk tekst in Oud-Saxisch).
    11
    Op p.217 van de Nederlandsche Oudtheden (zie afbeelding hiernaast) wordt het kerkje van Franse koning Dagobert te Utrecht genoemd. Vijf-en-twintig jaar vóór St.Willibrord zou het Evangelie al in Nederland verkondigd zijn. Van dat kerkje van Dagobert is in Utrecht geen enkel archeologisch spoor gevonden. Wie dan het geloof 25 jaar eerder verkondigd zou hebben wordt nooit vermeld. De traditie noemt St.Willibrord altijd als eerste prediker. Men vergeet daarbij altijd St.Lambertus in Maastricht, die toch jaren eerder het Christelijk geloof in (wat nu) Nederland (is) verkondigde.
    12
    Wittekind, hun overste, wierd wegens zyn blankheid Wittekind genaamt: toen ter tijd hertog van Neder - Saxen of Westfalen. By den Saxen in groot aanzien en vermogen: wel geoeffend in krijgskunde: van goed overleg, en raphandig. Hy was die de Vriezen zo wel tegen ' t Christendom, als tegen Karel de Groote ophitste, en 'tland door vuur en zwaerd verwoeste. Wanneer nu Karel zag dat deze Westfalingers, zo dikwils in openbare veldslagen overwonnen, zich tegen eed en verbonden, muiten en t'zamen rottede; heeft eindelijk uit al d'omleggende plaatsen 4500 , zo edelen als onedelen , der voornaamste belhamers, laten vatten, naar Verden aan de Wezer brengen, en alle op eenen dag de hoofden afgehouwen. Welk halsgerecht zodanigen vrees in derzelver landstreken veroorzaakte , dat niemand meer eenige opstand zo tegen Godsdienst, als koning Karel, derfde ondernemen. Wittekind, na dezen, de zaak beter overwogen, verklaarde zich Christen, daarna gedoopt , storf eindelijk in 't zelve geloof: zijn begraafplaats by Minden aan de Wezer, heeft nu noch de naam van Wedeken- of Widekindus - steen . Na Wittekind is in de geschichten bekent, dat Albion de voornaamste geweest is, welkers heerschappy zich uitstrekte tot aan d'Elve en 't Harstwoud. De stammen en afkomsten dezer twee Vorsten, zijn toen ter tijd de doorluchtigste en vermaarste onder de twaalf vorstelijke stammen in Saxenland geweeft. Van Wittekind zijn voortgekomen de keizeren Henrik de Vogelaar, Henrik van Barmberg, beneffens de drie Ottoos. Van deze Wittekinds zoon, Wittekind, zoude ook de vorsten van Saxen, en Markgraven van Meissen hunnen oorspronk hebben. Desgelijks ook de hartogen der Allobrogen met de markgraven van Montserat in Italien. Voeg hier by, dat de koningen van Vrankrijk, die nu ver over de 600 jaaren de koninglijke heerschappy gehad hebben, hun afkomst reekenen uit de stam van Wittekind. Dit verhaal over Widukind, hier Wittekind genoemd, is historisch achterhaald.
    In Amersfoort bestaat ook een Wittkindpad, waarvan men geen notie heeft waar die naam op slaat. Andere straatnamen in dit stukje van de wijk Schothorst zijn Geernoutstraat, Flericpad, Rigantstraat en Garietstraat, die de betekenis niet verduidlijken.


    Einhard (Eginhardi) beschrijft het in de annales (HdF, V, p. 205) als volgt: "Toen de voomaamsten van de Saksen tot hem (Karel de Grote) kwamen, ondervroeg hij hen naar de aanstokers van de opstand. En toen allen Widukind als zodanig aanwezen en zij hem niet konden uitleveren omdat hij naar de Dani (Normandië) was gevlucht, liet hij de anderen tot een aantal van 4500 bij de rivier de Alara op de plaats die Ferdia (Fréthun) heet op één dag onthoofden. Daarna keerde de koning naar Thionville terug".
    Deze euveldaad van de koning wordt nog erger daar blijkt dat de Saksen zich overgegeven hadden, en Karel de Grote zich door woede heeft laten leiden omdat Widukind ontsnapt was. Het doden van krijgsgevangenen is moord en was een daad van genocide tegen de menselijkheid. En naar deze Karel is een Europese Vredesprijs genoemd en staat te boek als stichter van een groot Europa.
    13
    Doch men moet weten , dat d'eerse Fransche koningen hunne hofhoudingen niet hebben gehad te Parijs, gelijk ze nu doen, en ook niet gewoont in't land, dat nu Vrankrijk genaamt werd ; maar in Over-Yssel, in 't land der Tubanten, in ons Holland en Gelderland . D'eerste koningen hebben hofgehouden tot Oedmarschen, Doesborg, Nimwegen, Aken, Disdenhoven, Kamerijk, enz . Karel de Groot, koning van Vrankrijk , is te Aken gestorven en begraven. Salland, Gelderland, Twent, Benthem, enz. zijn voortijds genaamt Francia . Des konings Mervei oud vervallen paleis, of 't huis te Merwe, geeft hier genoeg te kennen, wie daar op zijn hothouding gehad heeft. Meroveus de de derde Fransche koning van Faramond af te rekenen, heeft geleeft in 449ste jaar na Christus geboorte, die zijn koninglijk hof gehouden heeft by Dordrecht in Holland; alwaar op den dag van heden noch gezien werden de hooge en dikke muuren van 't koninglijke paleis in 't water, zijnde 't overige met het zelve bedekt. En van dezen koning Meroveus heeft de Maas haar naam bekomen ; welke stroom voorby Rotterdam en Vlaardingen loopende niet anders genaamt werd de Merwe. Wat hier geschreven wordt over Meroveus (de Meovingen) en de Franken zijn 'mooie verhaaltjes', maar ver bezijden de waarheid. Dat neemt geen enkele historicus nog serieus en als waarheid.
    14
    De eerste 'Hollandse' schrijvers waren Alpertus van Metz (ca.1006), Melis Stoke (eind 13e eeuw), de Clerc uten Laghen Landen (ca.1349-1356) en de schrijvers van de Annalen van Egmond (geschreven tussen de 11e en 12e eeuw). Deze eerste Hollandse schrijvers schrijven nergens over de tradities van Dorestadum, van Nijmegen, van de Bataven of van Utrecht. Dit laatste is vooral bij de Annalen van Egmond een onbegrijpelijke zaak, omdat aangenomen moet worden dat de schrijvers van Egmond de later gehanteerde bronnen kenden. Bij de latere schrijvers beginnen de mythen door te dringen, druppelsgewijs met half of geheel onjuiste feiten. Melis Stoke is de eerste, die St. Willibrord als bisschop van Utrecht noemt, al is hij nog niet geheel los van diens missiegebied aan de Schelde. Geen wonder dat hij de eerste was, omdat tussen hem en de vorige schrijvers de traditie door Echternach eind 12e/begin 13e eeuw is ingevoerd. Van de indrukwekkende (latere!) serie berichten over de Noormannen vermelden Melis Stoke en de Clerc uten Laghen Landen hoogstens één feit, al hebben ze het niet over Nortmannen, maar over 'pyrates'. Latere historoci hebben er Vikingen van gemaakt. Zo schreef de Clerc al over het ontstaan van Nederland: Holland, dat over het algemeen een broekland was en alleszins (=geheel en al) uit de armen van de zee en de Rijn gesalicht (=ontstaan) is. Ook Jacob van Oudenhoven schreef in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd. Ook de Clerc Uten Laghen Landen had reeds in de 14e eeuw het juiste inzicht over het ontstaan van het alluviale Holland!
    15
    .





Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.