De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Eginhard: de Vita Karoli Magni.


1521: eerste gedrukte uitgave van de Vita Karoli Magni.

Einhard (Eginhard) wordt in de historische literatuur ook wel de secretaris en persoonlijke vriend van Charlemagne genoemd. Daaraan mag sterk getwijfeld worden aangezien hij enkele essentiële zaken van Karel de Grote toch niet weet. De 'Vita Karoli Magni' schreef hij overigens ook pas zo'n 20 jaar na het overlijden van Charlemagne. Over de levensbeschrijving van Einhard, zoals die is overgeleverd, zijn de nodige vragen te stellen met name over de authenticiteit van deze vita.

De eerste voor de hand liggende vraag is "Waarom zo lang gewacht voor het schrijven van een Vita van een persoon die hij zo bewonderde?"
"En waarom zo'n beperkt verhaal als hij zegt zoveel van hem te weten?"

Voor iemand die Charlemagne waarschijnlijk nog persoonlijk gekend heeft, in elk geval in zijn tijd geleefd heeft, staan er ook teveel onjuistheden en zelfs fouten in dit boekje. Dat was ook de reden waarom men lange tijd aan de echtheid van deze "Vita' getwijfeld heeft.
M.Halphen vindt het ook niet aannemelijk dat Einhard een vertrouweling van Charlemagne geweest zou zijn (zie: Études Critiques sur l'Histoire de Charlemagne. Paris 1928, p.75 ). Dan zou hij zeker een aantal zaken hebben geweten die hij nu niet noemt of waar hij zich iets over afvraagt.

De 'Vita Karoli Magni' is vermoedelijk geschreven tussen 830 en 836 aan het hof van Lodewijk de Vrome, de zoon en opvolger van Charlemagne. Deze is verloren gegaan. De versie waar men nu over beschikt komt uit de 12de of zelfs pas uit de 13de eeuw en is dus een kopie. Deze is zeker aangepast, immers er staan zaken in die Einhard in zijn tijd nog niet kon weten, zoals gegevens van Tacitus over de Bataven. Het werk van Tacitus is overigens pas in de 15de eeuw teruggevonden. Tacitus is de enige die 'het eiland der Bataven' noemt. Na de Romeinen verdwijnen de Bataven uit de schriftelijke bronnen tot 'het eiland der Bataven' weer opduikt bij Einhard. In de tussentijd heeft niemand daar over geschreven of het als zodanig genoemd.

Het is overduidelijk dat Einhard met de persoonsverheerlijking van Charlemagne het algemene gevoel van die tijd beschrijft. Charlemagne was toen ruim 20 jaar dood en men verlangde duidelijk terug naar de tijd van het machtige Karolingische Rijk met de krachtige vorst Charlemagne. Dat werd zeker versterkt aangezien zijn zoon en opvolger Lodewijk de Vrome het rijk danig heeft laten verloederen. Na die tijd viel het rijk al spoedig in drie delen uiteen, welke verdeling al sinds 806 in het verschiet lag, toen Charlemagne zijn rijk al onder zijn 3 zoons verdeelde. Die verdeling ging in 814 niet door, aangezien 2 zoons al overleden waren.

Omdat er tot wel 80 kopieën bestaan, meestal geklassificeerd in 'classe' A1 en A2, B1 en B2 en C, blijkt het al om overgeschreven exemplaren te gaan. Opmerkelijk is overigens dat deze kopieën van elkaar verschillen, wat voor de kritische onderzoeker interessante perspectieven opent. Vaak betreft het slechts namen die verschillend geschreven worden, maar ook andere zaken zijn niet altijd gelijk. Hieruit blijkt dat de verschillende kopieën aangepast zijn aan de tijd. De originele handschriften zijn echter verdwenen. Men weet dus niet meer wat er in het authentieke handschrift van Einhard heeft gestaan, wat is weggelaten en wat is toegevoegd. Van enkele zaken kunnen we dat overigens exact vaststellen (zie hiernaast).
Het oudste gedrukte exemplaar stamt uit 1521 en toen hadden verschillende mythen zich al in alle omvang verspreid in de historische literatuur.

De waarde van de getuigenis van Einhard moet men flink relativeren.

Het is wel duidelijk dat Einhard van enkele Romeinse geschriften (o.a. Suetonius wordt als bron genoemd) gebruik heeft gemaakt, waarvan hij de tekst soms letterlijk overgeschreven heeft. Hoe betrouwbaar is die tekst dan? Te vaak blijkt dat hij ook slordig en lichtvaardig met zijn bronnen is omgegaan, slechts om Charlemagne nog grootser te maken dan de Romeinse keizers Caesar en Augustus.
Ook de vele verwijzingen naar Bijbelse gebeurtenissen wijzen hierop. Niet vergeten mag worden dat hij een 'hofschrijver' was, die schreef in opdracht van zijn broodheer (Lodewijk de Vrome, de zoon van Charlemagne).

Einhard noemt zo vaak die alom geëerde grootsheid van Charlemagne dat het overdrevene er vanaf druipt. Maar zijn misstanden noemt hij nauwelijks of praat die goed onder het mom van de kerstening van het ware geloof.

Menig maal doet Einhard de historische waarheid geweld aan door zaken te vernoemen die hij beslist niet geweten kan hebben, omdat die pas nadien ontstaan zijn (zie voorbeelden hierna en hiernaast).
De vraag is dan ook gerechtvaardigd of deze 'Vita' wel door Einhard zelf geschreven is of slechts aan hem toegeschreven werd om het vertrouwen van de lezer te wekken dat een tijdgenoot van Charlemagne over hem schrijft. Wellicht in oorsprong wel, maar deze vita is nadien zeker aangepast, zoals dat van meer teksten bekend is. Er wordt ook al langer getwijfeld aan de juistheid van deze levensbeschrijving. Zie o.a. wat F.L.Ganshof daarover schreef. Zo zou Einhard waarvan we mogen aannemen dat hij rond 776 geboren is (hij vermeldt immers zelf dat hij in 836 zestig jaar was) in 788 liefst 6 charters geschreven hebben. Hij was toen 12 jaar! Dat gelooft toch niemand?
Het is overigens ook bekend dat de indeling in hoofdstukken niet van Einhard zelf is, maar van de abt Walahfried van Reichenau en van na 840 is. Dat was dus al de eerste modificatie van de tekst van Einhard. Hoeveel er in de meer dan 80 handschriften nadien is aangepast is moeilijker aan te tonen. Dat het aanpassen gebeurde kan men wel als een zekerheid beschouwen. Het was de gewone gang van zaken in de Middeleeuwen.

Die historische waarheid geldt ook voor Einhard zelf.
Einhard zou in het bezit geweest zijn van de abdij van St.Servaas in Maastricht. Maar in zijn tijd stond St.Servaas nog steeds te boek als bisschop van Tongeren. Pas in de 10e eeuw wordt hij voor het eerst als bisschop van Maastricht genoemd door Heriger, monnik en later abt van de abdij Lobbes. En zo zijn er wel meer onvolkomenheden aan te tonen in de Vita Karoli Magni van Einhard (zie hiernaast), waarvan we nu weten dat hij dat toen (in begin 9e eeuw) niet geweten kon hebben en waaruit dus ondubbelzinnig is vast te stellen dat de teksten van latere tijd of gemodificeerd zijn.

De teksten bieden voor historisch geografische gegevens derhalve geen houvast en dus zijn we aangewezen op andere teksten en de archeologie. En die zijn wat Nijmegen betreft wel duidelijk. Uit de tijd van Charlemagne heeft men er niets gevonden.

Door de levensbeschrijving van Einhard werd Charlemagne ten onrechte op een voetstuk geplaatst. Zijn 'Vita Karoli Magni' getuigt niet van een objectieve levensbeschrijving.





Einhard maakt in zijn 'Vita Karoli Magni' denigrerende opmerkingen over jaloezie, gierigheid en laksheid van de Merovingische vorsten. Het was slechts bedoeld om Karel de Grote op te hemelen en te kunnen verheerlijken als deskundig en getrouw vorst. De waarheid is dat Karel de Grote geen haar beter was dan Clovis of Chlotarius aan wie hij overigens zijn rijk te danken had.

Lees hieronder ook wat Ruud van Veen hierover schrijft op de website van SEM.
In de documenten die over Karel de Grote gaan is er met Nijmegen iets bijzonders aan de hand. Het is de enige plaats waarvan niet alleen vermeld is in welke streek ze ligt maar ook hoe je daar kunt komen. De beschrijving van de streek bevindt zich in de Vita Caroli. Daarin wordt uitgelegd dat Noviomagus aan de Vahal ligt, die langs de zuidelijke oever van het eiland der Bataven stroomt. Deze tekst kan alleen op Nijmegen slaan.

En de schrijver van de Vita Caroli Magni kan de naam van de Bataven en de gebeurtenissen aan de Waal alleen hebben gevonden in de Historiae van Tacitus. Dat werk is alleen (onvolledig) overgeleverd in een manuscript uit de 11e eeuw. De schrijver die die kennis in de Vita Caroli verwerkte kan dat dan dus niet eerder dan de 11e eeuw hebben gedaan. Maar het wordt nog erger, want dat manuscript uit de 11e eeuw werd niet direct in de 11e eeuw gepubliceerd. Het werd zelfs pas in 1370 ontdekt en pas in de tweede helft van de 15e eeuw gepubliceerd. Vóór die tijd waren ons de avonturen van de Bataven bij Nijmegen niet bekend. Dat betekent waarschijnlijk dat de Vita Caroli nog 7 eeuwen ná Karel de Grote is bijgewerkt of misschien zelfs wel helemaal verzonnen is.

Geen wonder dat de handschriften onbereikbaar zijn opgeborgen. Want het is niet ondenkbaar dat ze bewijzen dat de Vita Caroli Magni een middeleeuws fantasieverhaal is. Hoe je in de tijd van Karel de Grote in Nijmegen kwam staat in de Annalen. Over het doen en laten van Karel in het jaar 806 lezen we het volgende: "Zelf voer hij per schip vanuit het Paleis in Thionville de Moezel en de Rijn af naar Nijmegen en daar vierde hij de heilige veertigdaagse vastentijd en het meest heilige Paasfeest." Geen enkele andere plaats in de Annalen wordt voorzien van een routebeschrijving. Maar dat die er voor Nijmegen wel is kan natuurlijk toeval zijn. Het rare is alleen dat Nijmegen toen één van de bekendste plaatsen in het rijk van Karel geweest moet zijn. Want volgens de Vita waren de voortreffelijkste bouwwerken in Karels rijk de kerk in Aken, de brug over de Rijn bij Mainz en de paleizen van Ingelheim en Nijmegen. Toch moest de (buitengewoon gemakkelijke) weg van Thionville naar Nijmegen in Karels levensbeschrijving vermeld worden. Hoe je in Aken, Mainz en Ingelheim moest komen was blijkbaar wel algemeen bekend en behoefte geen routebeschrijving (?).
De "Vita Karoli Magni"geschreven door Eginhard (bij ons Einhard genoemd) is voor de Nijmeegse traditie altijd beschouwd als historisch goud, maar kent enkele problemen.

De zinsnede "Iuxta villam cui vocabulum Ingilenheim, alterum Noviomagi super Vahalem fluvium, qui Batavorum insulam a parte meridiana praeterfluit" werd altijd als het ultieme bewijs beschouwd van de aanwezigheid van een Paleis van Karel de Grote in Nijmegen en daarmee met de Karolingische waarheid voor Nijmegen.


Traditionele vertaling: (Karel liet nieuwe paleizen bouwen) "zowel de villa die Ingelheim heet, alsook te Nijmegen aan de rivier de Waal die het eiland van de Bataven in het zuiden voorbij stroomt".

Het bericht, altijd ontleend aan Einhard, komt in tal van andere kronieken voor. Er mag gewezen worden op de duitser Ekkehard, die de tekst overnam tot en met de Vahalis, en de rest wegliet omdat dit hem totaal vreemd of onaannemelijk was. Deze tekst is sinds de 15e eeuw, beslist niet eerder, op Nijmegen toegepast door de Nijmeegse fantast Willem van Berchen.

In deze zin worden 3 elementen genoemd: Noviomagus, het Eiland van de Bataven en de Vahalis. Toen eenmaal het eiland van de Bataven als de Betuwe en de Vahalis als Waal was opgevat, werd met Noviomagi toch duidelijk Nijmegen bedoeld? In die plaats liet Charlemagne dan ook een nieuw paleis bouwen.

Er zijnbewijzen te over, dat Einhard niet over Nijmegen schreef:
1. Tot en met 770 betekent Noviomagus altijd Noyon. We bestaan geen teksten waar de interpretatie Nijmegen zelfs in overweging genomen zou kunnen worden, wat het Bronnenbok van Nijmegen ook bevestigd. De gangbare rekonstruktie bevat derhalve de absurditeit dat Karel de Grote enkele jaren na zijn kroning te Noviomagus - Noyon, een tweede Noviomagus ver buiten zijn rijk stichtte, hij zijn kroningsstad en zetel Noyon verliet en als affront voor de Frankische edelen en bisschoppen aan die nieuwe plaats de naam Noviomagus gaf. Want voor hij er de palts kon bouwen, moest hij immers eerst een plaats stichten en die een naam geven, want Einhard zegt duidelijk dat de plaats al bestond. De archeologie heeft afdoende bewezen, dat in Nijmegen ca. 770 geen plaats en geen palts heeft bestaan, al willen de nieuwste fantasten er zelfs een merovingisch handelscentrum van maken.
2. Indien het nieuwe paleis werkelijk te Nijmegen lag, dan was dit een totaal nieuwe fase in het normale resideren van de Karolingers; dan zou dit ook een bepaalde reden hebben gehad, die helaas voor Nijmegen, nergens genoemd wordt. En dan zou Karel de Grote er slechts drie (3!) keer geweest zijn? Dat bliven ze in Nijmegen maar steeds volhouden, maar bewijzen blijven uit.
3. De Vahalis was de Oise; zie de index op deze naam en kontroleer dan de teksten die vanaf de Romeinse periode tot in de 10e eeuw de Oise ook als Vahalis aanduiden. De waternaam Vaha- kan ook betrekking hebben op Bacha-beek, zoals bij Bacha-lys.
4. De naam Waal, die helemaal niet van Vahalis is afgeleid, maar van “weel” (doorbraak), komt ca. 1009 voor het eerst in geschriften voor, een bewijs te meer dat het een nieuwe naam was, die niets uitstaande heeft met Vahalis.
5. Het Eiland van de Bataven of de Batua lag in Frankrijk. Er zijn ca. 180 teksten die dit bewijzen (zie de lijst met de plaatsnamen in de Batua), zowel bij de klassieke schrijvers als later.
6. Tussen de 3e en de 10e eeuw, toen de Betuwe onbewoond was (zij lag onder water; wie dit niet aanneemt, wordt door de archeologie wel verplicht om te erkennen dat zij niet bewoond was), blijft de Batua als een belangrijk landschap voorkomen. Het was de streek van Béthune tot aan de kust; het naamkundig relikt van Béthune is duidelijk.
7. De nieuwe naam van de Nederlandse Betuwe (goede aarde, vruchtbare grond), tegelijkertijd en als pendant ontstaan met de Veluwe (vale, slechte grond), komt in de noordelijke bronnen voor het eerst in 1015 voor.
8. Tenslotte heeft Einhard ook de west-orientatie gehanteerd zoals vrijwel alle klassieke en vroeg-middeleeuwse schrijvers. In de eerstvolgende alinea na de geciteerde passage staan hiervoor twee bewijzen. Hij schreef zuiden doch bedoelde oosten, zodat op grond hiervan de tekst niet thuis hoort bij de Betuwe doch te Noyon, waar de beschrijving van Einhard perfekt klopt.

Eigenlijk is de karolingische kwestie van Nijmegen met deze acht punten afgedaan, daar in alle teksten nergens een detail verschijnt waarbij men opeens aan Nijmegen zou kunnen gaan denken.

Er is echter een groot probleem in Nijmegen. Van dat Paleis is in Nijmegen archeologisch nog nooit enig spoor gevonden. In Nijmegen zou het er ruim 300 jaar gestaan moet hebben. Maar ook het Paleis in Aken en dat in Ingelheim leveren een probleem op. Van de oudste resten is archeologisch vastgesteld dat deze niet uit de 8ste eeuw dateren, maar uit de 13de eeuw (voor Aken) en de 10de eeuw voor Ingelheim.

De vraag is ook of we Einhard wel op zijn woorden kunnen geloven, of, is dit wel door Einhard geschreven? En wanneer is die Vita Caroli Magni geschreven?

Ten aanzien van de 'Vita Caroli Magni' bestaan veel onopgeloste vragen: (zie ook in de linker kolom het artikel van Ruud van Veen).
  • Met Nijmegen is iets bijzonders aan de hand. Het is de enige plaats waarvan niet alleen vermeld is in welke streek ze ligt, maar ook hoe je daar kunt komen. Noviomagus ligt aan de Vahal, die langs de zuidelijke oever van het eiland der Bataven stroomt. Deze tekst kan alleen op Nijmegen slaan. Dat zal niemand ontkennen. Maar is deze tekst betrouwbaar of is het een beschrijving uit een veel latere tijd?
  • De onbekende schrijver of 'aanpasser' van de Vita Caroli Magni kan de naam van de Bataven alleen hebben gelezen in de Historiae van Tacitus, dat alleen (onvolledig) is overgeleverd in een manuscript uit de 11e eeuw.
  • De schrijver die deze kennis in de Vita Caroli verwerkte, kan dat dan dus niet eerder dan de 11e eeuw hebben gedaan.
  • Echter het manuscript van Tacitus uit de 11e eeuw werd niet direct in de 11e eeuw gepubliceerd, maar werd pas in 1370 herontdekt en pas in de tweede helft van de 15e eeuw gepubliceerd. Vóór die tijd waren de Bataven totaal onbekend.
  • Dat betekent dat de Vita Caroli Magni pas 7 eeuwen ná Karel de Grote is geschreven en in elk geval is bijgewerkt. Geen wonder dat de originele handschriften onbereikbaar zijn opgeborgen. En in die handgeschreven tekst van de Vita zouden we kunnen lezen wat er werkelijk geschreven werd. Dat onbereikbaar opgeborgen, (als die nog bestaat), spreekt boekdelen. Vergelijkbaar is de tekst van Joannes de Beka over Ansfridus en de Hohorts. Wat er van gemaakt is staat niet in het handschrift, maar is erbij geschreven. Het is een algemeen probleem in de historische geografie, waar de lezing van teksten 'aangepast' wordt aan de opvatting van de historicus.
  • Hoe je in de tijd van Karel de Grote in Nijmegen kwam staat in de Annalen Regni Francorum. In het jaar 806 lezen we het volgende: "Zelf voer hij per schip vanuit het paleis in Thionville de Moezel en de Rijn af naar Nijmegen en daar vierde hij de heilige veertigdaagse vastentijd en het meest heilige Paasfeest." Geen enkele andere plaats in de Annalen wordt voorzien van een routebeschrijving. Maar dat die er voor Nijmegen wel is kan natuurlijk toeval zijn.
  • Het opmerkelijke is alleen dat Nijmegen toen één van de bekendste plaatsen in het rijk van Karel geweest moet zijn. Wist men dat niet waar die plaats lag of welk Noviomagus bedoeld werd? Hoe je in Aken, Mainz en Ingelheim moest komen was blijkbaar algemeen bekend, want daar wordt geen route van gegeven.
  • De gelijkstelling van Noviomagus met Nijmegen is erg onwaarschijnlijk, wat blijkt uit de bekende gedenksteen van Frederik Barbarossa, die wel terugverwijst naar de Romeinen waarvan hij het bouwwerk herstelt, maar geen woord over Karel de Grote die hij toch wel als zijn idool vermeld zou hebben.
  • Blijkbaar gebruikte Karel de Grote Noviomagus in Nijmegen alleen maar als een soort vakantieoord, om er Pasen te vieren. Hij is er na 777 (met de bouw) nog slechts drie keer geweest: in 804, 806 en 808 steeds om er slechts Pasen te vieren.
  • Opvallend blijft dan dat van dat Paleis archeologische nog steeds NIETS is teruggevonden, nog geen steen!
  • Uit recente studies blijkt de vraag of Karel ooit een paleis in Aken heeft gehad? Het was Frederik Barbarossa die daar een monument voor Karel wilde bouwen. Maar dat de plaats toen Aachen heette is een onbewezen aannamen. Maar werd het geassocieerd met een Aquae, een warme bron? In de Annalen heet de plaats aanvankelijk Aquis. Maar ook in Aken spreekt de archeologie de opvattingen van de geschiedkundigen radikaal tegen. De oudste delen in Aken stammen uit de 13de eeuw en niet uit de 8ste eeuw. Het graf van Karel de Grote is er ook nooit gevonden. Van het verhaal van Otto III, die Karel zittend op zijn troon zou hebben gevonden, is geen spaan heel gebleven.
  • Pas in 798 is er plots sprake van Aquasgranum. Waar dat 'granum' opeens vandaan komt en wat voor functie had blijft gissen? Men meende wel eens dast het wees het op warme bronnen. Maar warme bronnen waren in het hele Romeinse Rijk al bekend en heetten ze inderdaad Aqua. Alleen is het dan opvallend dat Aken niet op de Peutingerkaart vermeld werd.

    Het echte leven van Karel de Grote zoals beschreven door Einhard is nog steeds een raadsel en zit vol onopgeloste vragen.

    Is de Vita Caroli Magni een betrouwbaar verhaal, of is het een van vele overgeleverde en gemanipuleerde geschriften zoals in de hele geschreven geschiedenis voorkomen. Als we van een geschiedkundige bron niet precies weten hoe oud ze is, of ze ongeschonden is overgeleverd, wie haar geschreven heeft, of er afwijkende versies zijn en waar de verschillen dan in zitten. Vergelijk daarmee de Annaen van Egmond met het Cartularium van Egmond, waar Albert Delahaye een uitvoerge studie naar heeft gedaan en hij opvallende verschillen opmerkte.
    Is het geschrift dat voor ons ligt een originele versie (en hoe weten we dat) of is het één van de kopieën die in de loop der tijd door veschillende handen zijn geschreven? Met een handgeschreven document kan in de loop der eeuwen van alles gebeurd zijn. Het kan "gecorrigeerd" zijn, het kan in een kopieerslag zijn aangepast, dingen weggelaten, dingen toegevoegd, alles met volstrekt goede bedoelingen, of met de bedoeling om de betekenis van het document opzettelijk te veranderen.

    Valsheid in geschrifte kwam in de Middeleeuwen alarmerend vaak voor. Zeker in geschriften (oorkonden) waarin het om bepaalde rechten of om bezit ging, moet de onderzoeker dubbel alert zijn. De documentatie van de abdij van Echernach bewijst dit al. Er hoefde zelfs geen verlangen naar materieel gewin in het spel te zijn. Chauvinsme kon genoeg zijn. De menselijke ondeugden zijn van alle tijden. Documenten die onbereikbaar zijn opgeborgen zijn bij voorbaat al verdacht. Wat valt er te verbergen?

    Vergelijkbaar zijn de laatste woorden van Willem van Oranje "mijn god heb medelijden met mij en met dit arme volk". Die staan dan wel in het officiële 'Verhael vande moort', geschreven door Willems hofprediker en raadsman Pierre Loyseleur de Villers, maar we weten momenteel dat Willem op slag dood was en deze woorden dus nooit uitgesproken heeft. Hem werden deze woorden 'in de mond gelegd' uit chauvinistisch oogpunt.
    Gaat dat ook op voor die paleizen van Karel de Grote? Welke grootheid van Karel de Grote moest hiermee aangetoond worden? Dat ze niet gebouwd zijn, staat momenteel wel vast. De woorden van Einhard die schreef dat 'Karel begon met de bouw', zijn dus een farce. In Nijmegen is van een paleis in elk geval nooit iets gebleken. Maar ook in Aken en in Ingleheim is dat Karolingisch Paleis archeologisch nooit aangetoond, ondanks wat de historici en de plaatselijke VVV en Musea ons willen doen geloven. De bekende relicten en museale voorwerpen, stammen allemaal uit vele eeuwen ná Karel de Grote. Zie het voorbeeld van de beroemde buste van Karel die uit de 14de eeuw stamt. Lees er meer over bij Aken.
    Het komt er op neer dat wat Einhard geschreven heeft, net als andere delen in deze Vita, volkomen onbetrouwbaar is. Daar kun je geen geschiedenis op baseren!


    ENCORI UNE FOIS LE TEXTE D'EGINHARD. Nog een keer over die tekst van Einhard.
    Men kan zich onwillekeurig afvragen of Eeinhard niet de west-oriëntatie hanteert in de tekst, waar hij over Karel de Grote schrijft:
    Il commença aussi la construction de deux beaux palais: l'un non loin de Mayence et près du domaine d'Ingelheim, l'autre a Noviomagus, sux la Vahalis, cette rivière qui longe Ia rive mérionale de l 'Ile des Bataves - qui Batavorum Insulam a parte meridiana praeterfluit.
    SteI, dat Einhard ook de west-oriëntatie hanteerde en met zuid in werkelijkheid oost bedoelde, dan is, afgezien van alle andere argumenten, zijn beschrijving niet op Nijmegen en de Waal van toepassing, Deze rivier stroomt namelijk in het zuiden langs de Betuwe.
    In de volgende alinea na de bovenstaande tekst geeft Einhard het bewijs, dat hij inderdaad de west-oriëntatie hanteert. Hij zegt, dat Karel de Grote een vloot vormde tegen de Noormannen; hij liet zowel in Gallië aIs in Germanië (lees:op de kusten van Frankrijk en Vlaanderen) schepen bouwen bij de rivieren, die zich in de Noordelijke Oceaan werpen. Het is duidelijk, dat Einhard hier evenals de klassieke schrijvers de Atlantische Oceaan bedoelt, die door veel klassieken ook de Noordelijke Oceaan wordt genoemd, die in het westen van Frankrijk ligt. het was zeker niet de Noordzee, waar van plunderingen door de Noormannen niets te vinden is. Het hier genoemde Germanië was niet Duitsland, maar het Germania van Tacitus.

    De tekst over de Vahalis moet derhalve ook opgevat worden, dat de rivier het land van de Bataven in het oosten voorbijstroomt, en dan heeft Einhard de Oise bedoeld. Deze interpretatie correspondeert ook beter met andere details over de rivieren, onder andere met het bericht ven Caesar, dat de rivier, die het Eiland afbakant, zich op 80 mijlen (is ca.120 km) van de zee in de Renus werpt, wat de exacte afstand is tussen de uitstroming van de Oise in de Seine en de kust. Het kan hier niet over Nederland gaan, waar die afstand op geen enkele mogelijkheid passend te maken is, maar bovendien dat Julius Caesar nooit in Nederland geweest is. Het vraagstuk van de Renus is zo duister en complex, dat daaraan een apart hoofdstuk wordt gewijd. Etymologisch echter is de stap van Vahalis naar Oise moeilijker, terwijl die van Vahalis naar Gouhelle via de bekende tussenvormen Valis, Valum, Wala en Guala (W=Gu; Willem is Guilaume!) voor de hand ligt. De kwestie van de rivieren en hun diverse benamingen is erg verwarrend. Vraag is ook of Einhard wel de Nederlandse Waal bedoeld kan hebben, die in zijn tijd als grote doorgaande rivier tot de kust, nog niet bestond.

    1. De Vita Caroli Magni werd pas geschreven na het jaar 836. Dat is ruim 20 jaar na de dood van Karel de Grote. Waarom toen pas, terwijl het een verheerlijking van Karel de Grote betreft?
    2. Het boekje is slechts 45 pagina's in druk (afhankelijk van de uitgave), dus niet berg indrukwekkend als eerbetoon voor zo'n belangrijke koning en keizer.
    3. Aan de echtheid ervan werd in het verleden al sterk getwijfeld vanwege de vele (historische) fouten, onjuistheden en slordigheden (zie verder naar onderen).
    4. Veel wezenlijke zaken worden er niet in vermeld, zoals gegevens over Karel de Grote zelf, zoals zijn geboorteplaats en zijn jeugd en opvoeding Toch belangrijk bij de elite in verband met afstamming en erfrecht e.d..
    5. Wat wij bezitten is een kopie uit de 13de eeuw, misschien zelf van later. Vraag is wat is er in die tijd aan veranderd of toegevoegd is, zoals informatie over Aken?
    Uit mededelingen van de klassieke Romeinse en Griekse Geografen blijkt, dat het Eiland der Bataven in Noord-Frankrijk lag. Zeer in het bijzonder is dit uit de P.K. af te leiden. Het Eiland ligt dààr, waar het vasteland van Europa het dichtst bij Engeland komt. De vroeg-Middeleeuwse bronnen wijzen de Batua eveneens aan Frankrijk toe. Hiermede staat vast, dat Einhard met de woorden, "dat Karel de Grote zijn nieuw paleis bouwde te Noviomagus bij het Eiland der Bataven", met het Eiland beslist niet de Nederlandse Betuwe bedoelde, maar een landstreek in Frankrijk. Noviomagus kan derhalve Nijmegen niet zijn, maar het moet als Noyon worden opgevat, wat vooral uit het eigen Bronnenboek van Nijmegen blijkt (sic)!.

    Het tweede element uit de tekst van Einhard is het eiland van de Bataven (de Batua), in Nederland altijd opgevat als de Betuwe. De codex van Lorsch noemt op het jaar 814 een eiland, gelegen tussen de rivier de Wal en Gannita. Deze bron werd uiteraard op de Nederlandse Betuwe toegepast, omdat zowel de Batua, als Gannita (Gendt) en de Wal zeer duidelijk op Nederland zouden wijzen. Echter, alle plaatsnamen in diezelfde codex van Lorsch zijn in de Betuwe onvindbaar. De Batua blijkt een landstreek in Frankrijk te zijn, waar al die plaatsen wel aangewezen konden worden.

    Einhard schrijft dat de Karolingische residentie bij de rivier de Vahalis ligt, welke rivier als Vahalis, Valum en Guala in de bronnen voorkomt. Deze namen wijzen niet op de Nederlandse Waal, doch op de Franse Gouelle. Het Noviomagus uit de tekst van Einhard kan derhalve ook hierom niet Nijmegen zijn, maar was het Noyon dat aan de Guelle ligt. De Wal uit de tekst van Lorsch kan dan ook niet de Nederlandse Waal zijn geweest. Lees alles over de Waal.


    Noviomagi(us) wordt door Einhard in het begin van de Vita Karoli Magni twee keer genoemd:
  • 1. als plaats waar Karel de Grote gekroond werd tot koning van de Franken en
  • 2. in de hierboven vermelde tekst. De eerste vermelding heeft duidelijk betrekking op Noyon, dat immers onmiskenbaar als kroningsstad overbekend is; bij de tweede vermelding zou het Nijmegen zijn.

    Immers, zeggen historici, Einhard maakt onderscheid tussen de twee Noviomagi door bij de tweede te vermelden dat het aan de Waal en bij het Eiland van de Bataven lag. En precies dat is nu het probleem. Die vermelding over Noviomagus aan de Waal komt verder nergens meer voor. Het is steeds gewoon Noviomagi(us). Waarom dan die ene keer er dat zo nadrukkelijk bij vermelden dat het Noviomagus aan de Waal bedoeld is? Was dit Noviomagus dan zo onbekend dat een nadere toelichting noodzakelijk was?

    Bijkomende problemen zijn: 1. is de vertaling van Vahalem met Waal wel juist? Lees meer over de Waal. 2. Was het Eiland van de Bataven wel de Betuwe? Lees meer over de Bataven.

    Als de historici gelijk zouden hebben, dan had dat Karel de Grote twee paleizen Noviomagus: één in Frankrijk en één in Nederland. Zou Einhard om verwarring te voorkomen dan bij dat Paleis in Nederland opzettelijk vermeld hebben dat het aan de Waal lag? Maar waarom doet hij dat niet bij de overige vermeldingen van Noviomagus? Waarom wordt daar nergens meer onderscheid gemaakt tussen beide Noviomagi? Dat was zeker nodig geweest om verwarring te voorkomen in welk Noviomagus Karel de Grote dan verbleef.
    En juist die verwarring heeft voor alle misverstand gezorgd. Het Franse paleis werd met het misverstaan van de teksten in Nijmegen gedacht. Immers de schoolboekje vermelddem dat paleis, dus dat was toch alom bekend, zoals F.Hugenholtz ooit argumenteerde?
    Het heeft dan ook veel belang om bij de veldtochten en/of reizen van Karel de Grote dan te vermelden over welk Noviomagus het dat gaat. En dat doet Einhard nergens en in de Annalles Regni Francorum wordt het ook nergens vermeld over welk Noviomagus het gaat. En dat nu is het volgende probleem. Vertrok hij uit Nijmegen of uit Noyon als hij aan de kust de Noormannen bestreed? Kwam hij aan in Nijmegen of in Noyon aan, toen hij uit Aquitanië terugkeerde in het Frankische Rijk. Hoorde Nijmegen bij het Frankische Rijk of lag Nijmegen in Francia toen de Noormannen plunderden in Amiens, Abbaville en Parijs?

    En er zijn meerdere zaken in het Vita Karoli Magni die onjuist, dus onbetrouwbaar zijn, zoals hierna zal blijken.
    Deze zin is zo goed als zeker een interpolatie van een latere kopiïst, toen de mythe alom had postgevat, dus van na de 15e eeuw. Dat is ook de enige verklaarbare reden waarom de kopiïst er deze toevoeging heeft bijgezet.Immers hij wist terdege dat Karel de Grote in Noviogus, zijnde Noyon gekroond was. Dat nieuwe paleis in Noviomagus werd opgevat als Nijmegen, waar toen de burcht van Frederik Barbarossa en de Karolingische kapel stonden. Het was ook precies in de 15de eeuw dat de Nijmeegse Kanunnik Willem van Berchen (in 1480) voor het eerst iets schreef over de aanwezigheid van Karel de Grote in Nijmegen. Ook zijn verhaal zit vol onjuistheden en mythes en is volstrekt onbetrouwbaar, maar dat wist toen (en nu nog!) ook niemand. Toch wordt zijn verhaal in Nijmegen nog steeds gevolgd als ultieme waarheid, al ontbreekt het in het Bronnenboek van Nijmegen. Heeft men het nu ook eindelijk begrepen in Nijmegen?

    Waarom is deze tekst van Einhard onjuist?
    In de Vita Karoli Magni wordt vermeld dat Karel de Grote nieuwe paleizen liet bouwen, één in Nijmegen en één in Ingelheim. In Nijmegen heeft men deze tekst altijd opgevat als het ultieme bewijs dat het nieuwe Paleis in het jaar 777 voltooid was en dat het in Nijmegen stond. Lees meer over het jaar 777. Echter in de Annales Regni Francorum (ARF) wordt in het jaar 774, dus 3 jaar eerder, al vermeld dat Karel de Grote een plaats bereikt die Ingilinhaim wordt genoemd (afschrift A1 schrijft Ingelheim; B2 hengilinheim; B4 ingilinahim; B5 Ingelingam; C3 ingelhaim en D3 ingilinheim) en hij er de Saksen bestreed. Met rijke buit keerde Koning Karel weer terug naar het Frankische Rijk. Uit andere teksten blijkt dat het Frankische Rijk ook Francia wordt genoemd.
    We kunnen hieruit al meerdere conclusies trekken of vragen stellen:
    1. Karel bereikt de plaats Ingelheim. Het woord bereiken ('pervenisset') houdt in dat er een lange reis aan vooraf gegaan is. Ingelheim werd na een lange reis bereikt en lag ook buiten het Frankische Rijk. Anders kan er ook geen sprake zijn van terugkeren naar het Frankische Rijk.
    2. Stond er toen al buiten het Frankische Rijk een Paleis in Ingelheim, immers waar verbleef Karel de Grote met zijn gevolg onderweg? Legerde Karel de Grote in een tent in het bos? Verblijven heeft (volgens Van Dale) betrekking op een woongelegenheid. Was het Paleis in Ingelheim al voltooid? Dan liet Karel het niet pas in 777 bouwen.
    3. Woonden de Saksen dan bij Ingelheim in Rijnland-Palts (zuid-westen van Duitsland) aan de Rijn? Of kwamen zij vanuit Noord- of Oost-Duitsland naar het zuiden of westen (het is maar in welk gebied de historici de Saksen traditioneel plaatsen) om tegen de Franken te strijden?
    4. Waar haalden de Franken dan die rijke buit vandaan? Droegen de Saksen die rijke buit bij zich? Of werd die rijke buit geroofd uit hun huizen, toen de Saksen verslagen waren?
    5. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er in Ingelheim wel resten van een groot gebouw zijn aangetroffen, maar die stammen uit de 10de eeuw en dus niet uit de 8ste eeuw. Het is wel duidelijk dat deze tekst, indien juist gelezen, vele vragen oproept die de traditionele geschiedenis sowieso al weerspreken.


    Nog enkel opvallende zaken.
    Zo is het opvallend dat dit belangrijke Noviomagus van Karel de Grote in de tekst van Einhard nadere toelichtingen nodig blijkt te hebben. Er wordt specifiek bij vermeld dat het aan de Vahalis lag, die het eiland van de Bataven in het zuiden voorbijstroomt. Was dit Paleis dan zo onbekend? Of wilde de kopiist met deze toelichting iets bevestigen? Van de Bataven had men in de tijd van Karel de Grote geen enkele notie. Die naam verdween in de 4e eeuw! Van de Peutingerkaart kon men het ook niet weten, want die werd pas eind 15e eeuw 'teruggevonden', maar daar staan de Bataven ook niet op, slechts de Patavia. Op de Peutingerkaart blijkt dit Noviomagus overigens aan de verkeerde kant van de Vahalis te liggen. Een opmerkelijke fout.
    De vermelding van de Bataven in de Betuwe is een opvatting die pas in 1533 voor het eerst genoemd wordt door Gerard Geldenhauer. Tevoren plaatste Cornelis Aurelius de Bataven in Zuid-Holland. Ook dit detail geeft aan dat de tekst van Einhard geïnterpoleerd is in de 16de eeuw.
    En waarom wordt dat zo belangrijke Paleis Noviomagus als tweede genoemd na Ingelheim? Was het toch niet zo belangrijk of bekend vanwege de toevoegingen?

    Maar nog belangrijker en tevens het grootste probleem: van dat Paleis is in Nijmegen is geen enkel archeologisch bewijs gevonden. Het Paleis dat omschreven wordt als groots en belangrijk en van een ongekende pracht en praal, heeft er dan bijna 3 eeuwen gestaan, maar er is geen steen van teruggevonden, nog geen scherf! Het heeft er dan ook NOOIT gestaan.
    Ook de palts van Ingelheim die in dezelfde zin wordt genoemd, bestond in de tijd van Karel de Grote niet. De oudste archeologische vondsten zijn van na het jaar 900.

    En Ingelheim? Wat weten we van het Paleis van Ingelheim?
    Allereerst dat Multatuli (Eduard Douwes Dekker) er enige tijd heeft gewoond en er overleden is. Maar ook dat de archeologie in Duitsland aantoont dat er niets uit de tijd van Karel de Grote gevonden is, ook niet in Aken (sic). Je gaat zelfs twijfelen of die Karel de Grote feitelijk wel bestaan heeft. In de 10de eeuw was die Karel de Grote geheel 'onbekend'. Zo noemde Frederik Brabarossa Karel de Grote ook niet als zijn voorbeeld, bij de bouw van de burcht in Nijmegen in 1155. Pas rond 1300 werd Karel de Grote een twistappel tussen de Franse en Duitse geschiedschrijvers. (Info: Piet Leupen, Keizer in zijn eigen Keizerrijk, 1996, p.157).
    Op veel plaatsen in Duitsland (maar ook in Nederland!) begint de archeologie (na de Romeinse tijd) pas in de 10e eeuw, ook in Ingelheim, waar men altijd een palts van Karel de Grote had gedacht. Momenteel is daarvan niets te zien dan 'enkele brokstukken' van wat ooit een kaiserpfalz geweest moet zijn, die men voor de Palts van Karel de Grote houdt. Doch deze brokstukken zijn ook niet ouder dan de 10de eeuw. Opvallend hierbij is dat de Pfalts niet aan de Rijn ligt maar er ver vandaan, bovendien niet op de heuvel, maar dan wel meer centraal in de stad. Ingelheim is één van de plaatsen die wordt genoemd als geboorteplaats van Karel de Grote, nog zo'n sprookje. Hij zou er dan geboren zijn voordat de palts bestond en voordat dit gebied in bezit van de Franken was? Karel de Grote is geboren waar zijn moeder Bertha was en dat was in of bij Noyon, dat later ook zijn kroningsstad werd en waarmee hij altijd een bijzondere band heeft gehouden.
    Ingelheim wordt ook nog genoemd als (geboorte-?)stad van de enige vrouwelijke paus, pauzin Johanna (Johannes Anglicus), die in de negende eeuw zou hebben geleefd. Nog zo'n verzonnen verhaal dat opdook in de 13e eeuw en afkomstig was uit Ingelheim. Ook daar heeft de historieschrijver de nodige mythen aan de stad toebedeeld om een stad meer aanzien te geven. Men deinste ook in Ingelheim ('huis van Engelen') niet terug in het verzinnen van aansprekende verhalen. Je moet toch iets doen om je stad in de belangstelling te brengen, precies wat in Nijmegen, maar op meer plaatsen in Nederland, gebeurde en nog gebeurt. Oude mythen, door de echte deskundigen als achterhaald beschouwd, duiken weer op om een plaats weer leuke verhalen te bezorgen. De hele traditie van Nederland zit er vol mee.

    De Peutingerkaart geeft toch ook een andere beeld. Daarbij stroomt de Patabus (wat algemeen als de Waal wordt opgevat) ten zuiden van Nijmegen. En Nijmegen, dat de hoofdstad van de Bataven zou zijn, ligt op die kaart dan wel in de Patavia wat men op het land van de Bataven houdt, maar in werkelijkheid ligt Nijmegen niet in de Betuwe, wat men voor de Patavia houdt, maar er tegenover. Vandaar dat men het Eiland van de Bataven wat heeft opgerekt met het land van Maas en Waal, zodat Nijmegen er toch wel binnen ligt. J.E.Bogaers houdt dan ook de Maas voor de Patabus. Maar dan klopt de zin van Einhard ook weer niet, want daar staat toch duidelijk Vahalis en niet Mosa.

    Zolang er geen ander bewijs dan de Peutingerkaart bestaat dat Nijmegen ooit Noviomagi heette, zal men ook dit bewijs moeten schrappen.

    Ook kan er twijfel bestaan over dat 'in het zuiden'. Als deze windrichting gebaseerd is op de Peutingerkaart (wat enkele historici menen.) kan dit niet van deze kaart afgeleid zijn. Immers van de Peutingerkaart zijn geen windrichtingen te herleiden. Daarvoor is deze kaart te schematisch, bovendien staat ze vol aantoonbare fouten. Zie bij Peutingerkaart.

    Conclusie: in Nijmegen heeft men geen enkel bewijs dat er ooit een palts van Karel de Grote heeft bestaan.

    Zowel in Nijmegen als in Ingleheim stond ten tijde van Karel de Grote geen Karolingisch Paleis.
    Ondanks meerdere pogingen is zowel in Nijmegen als in Ingleheim het bestaan van een Karolingisch Paleis nog nooit archeologisch aangetoond. Er bestaan van Ingelheim wel aansprekende tekeningen, maar wat men daarop laat zien is niet uit de 8e eeuw, maar uit de 12e eeuw. De waarheid zal zijn dat Frederik Barbarossa beide paltsen liet pas bouwen en in Nijmegen herstelde wat de Romeinen hadden achtergelaten, zoals de gedenksteen die hij liet maken duidelijk vermeld. De zogenaamde Karolingische Kapel, het oudste stenen bouwwerk in Nijmegen (en van Nederland), stamt aantoonbaar uit 1085. Deze kapel werd tot in de 20e eeuw aanvankelijk heidense (?) kapel genoemd (gebouwd door de Romeinen die men toen als heidenen beschouwde) en heette daarna Karolingische kapel. Momenteel heet deze kapel de Ottoonse kapel. Hiermee is overduidelijk aangetoond dat de geschiedenis is gaan schuiven en dat de Nijmeegse mythe heeft opgehouden te bestaan. Met de naam Ottoonse kapel erkent Nijmegen de valsheid van de Karolingische periode.
    In Ingelheim is ook niets gevonden uit de tijd van Charlemagne. De oudste archeologische vondsten zijn van ná het jaar 900, vermoedelijk zelfs nog later en wel uit de 11de eeuw. De archeologie stond ook hier onder zware druk van de traditie en de historische opvattingen.
    Uit de vermelding van de paltsen Noviomagi en Ingelheim is dan ook op te maken dat de oorspronkelijke tekst van Einhard aangepast is aan de later ontstane situatie en de toen heersende opvattingen.

    Zowel Nijmegen als Ingelheim bestonden in de 8e eeuw niet als plaats, ook dat staat archeologisch volkomen vast. Er zijn geen domeinen bekend rondom Nijmegen, die er beslist geweest moeten zijn, als in Nijmegen een Karolingisch Paleis heeft gestaan. Charlemagne ging ook nooit alleen op reis. Zijn hele hofhouding en gevolg bestond vaak uit meer dan 1000 (duizend) personen, inclusief zijn omvangrijke familie die altijd mee op reis ging. Waar hebben die gewoond in Nijmegen? Waar woonden de werklieden die het Paleis bouwden? Van een omvangrijke hofhouding is niets gevonden en ook tekstueel niets gebleken. Uit de Annales Regni Francorum (ARF) blijkt ook duidelijk dat Ingelheim, als het al bestaan heeft, buiten het Frankische Rijk lag. Welke koning of keizer bouwt een paleis buiten zijn eigen rijk?
    Ook in de (verre) omgeving van Nijmegen zijn geen bewijzen te vinden van een Paleis aldaar in de 8e eeuw. Nijmegen heeft geen Karoligische traditie gehad, wat het gemis van een bisschopszetel wel bevestigd. 'Karolingisch' Nijmegen had niet eens een kerk! We kunnen slechts de conclusie trekken dat de archeologie de zin van Einhard faliekant tegenspreekt. Einhard kan dus nooit geweten hebben wat hij schrijft, een latere kopiïst echter wel. Daarmee is aangetoond dat de tekst van Einhard een falsum is, waar beweringen aan zijn toegevoegd.

    Aangezien Nijmegen pas na 1283 voor het eerst Noviomagus werd genoemd, is het aangepaste afschrift van de tekst van Einhard dus van na die tijd. Ten aanzien van beide paltsen bestaat de opvatting dat Frederik Barbarossa deze liet herstellen of bouwen. Van die in Nijmegen is momenteel wel vastgesteld, ook door een aangebrachte herdenkingssteen en oorkonde, dat dit op een groot misverstand berust. Dat geldt ook voor Ingelheim, waar nu archeologisch is vastgesteld dat er geen enkel archeologisch relict te vinden is uit de tijd van Charlemagne (9e eeuw).

    Bovendien zijn er veel tekstuele bewijzen dat het Noviomagus van Charlemagne niet Nijmegen was, maar Noyon. Dat heeft Albert Delahaye als eerste en belangrijkste stelling in zijn onderzoek ondertussen wel aangetoond. Het wordt door serieuze historici momenteel ook aanvaard, behalve in Nijmegen waar men tegen beter weten in, steeds nieuwe uitvluchten verzint.

    Een kritische twijfel ten aanzien van de tekst van Einhard is dan ook zeker terecht. Deze tekst kent meerdere onjuistheden en kan dus algemeen als een falsum opgevat worden.


    Onjuistheden in de tekst van Einhard.
    Neemt men de hele "Vita Karoli Magni" (VKM) door, dan blijkt deze vrij veel controleerbare onjuistheden te bevatten. Daarmee wordt aangetoond dat de tekst van Einhard gemodificeerd is, ofwel door een kopiïst is aangepast aan later bestaande situaties. Dat de tekst waarover we beschikken een afschrift is, is wel zeker. Er bestaan meerdere kopieën die van elkaar verschillen. F.Kurze heeft er een uitgebreide studie van gemaakt en noemt de volgende afschriften: A1. A 2. B 1. 2. 3. 4. C 1. 2. 3. 4. D1. 2. 3. E 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. Bij elkaar dus 22 verschillende afschriften, die in mindere of meerdere mate van elkaar verschillen. De vraag is alleen in welke tijd is elk afschrift tot stand gekomen en door wie is het gemaakt? De tekst van Einhard moet daarom als
    een falsum beschouwd worden. De originele tekst is namelijk niet bekend. Waar wij over beschikken zijn slechts afschriften.
    Naast de Vita Karoli Magni beschikken we ook over de Annales Regni Francorum (ARF) die over dezelfde periode handelt en over dezelfde jaren deels dezelfde informatie geeft. Lang ging men ervan uit dat de ARF ook door Einhard (in elke geval deels) geschreven was. Daarover ontbreekt echte alle bewijs. Het was een aanname die niet op inhoudelijke bewijzen gestoeld was. Tussen de VKM en de ARF blijken de nodige verschillen te bestaan en het is juist interessant om die verschillen met elkaar te vergelijken.

    De Vita Karoli Magni bevat enkele onverklaarbare fouten. Deze zijn echter wel te verklaren als men ervan uitgaat dat de tekst meerdere keren overgeschreven is, waarbij de kopiïsten de voor hen onbegrijpelijke zaken hebben vervangen door hen wel bekende zaken.
  • Bij het noemen van het aantal concubinen (bijzitten, maîtresses) blijkt al dat het om overgeschreven afschriften gaat. Er bestaan immers meerdere afschriften. Het ene afschrift noemt 3 namen, een andere 4 en weer een andere liefst 7 concubinen. Zie daarvoor de studie van F.L.Ganshof.

    Maar er zijn meerdere slordigheden, onjuist- en onduidelijkheden te constateren in de tekst van Einhard.

  • Einhard vindt het zinloos om over de geboorte van Charlemagne, zijn kinderjaren en zijn jeugd te schrijven, omdat er nooit over geschreven is (hij beschikte blijkbaar niet over deze bronnen) en er toch niemand meer leeft die daarover iets kan vertellen. Hij heeft er Charlemagne blijkbaar ook nooit naar gevraagd. Daaruit blijkt dat Einhard dus niet de vertrouweling is geweest van Charlemagne wat hij ons wel steeds wil laten geloven. En zou er niemand meer geleefd hebben van een jaar of 80 die veel daarvan nog zou kunnen navertellen? Maar in hoofdstuk 26 noemt Einhard overigens toch dat Charlemagne sinds zijn kindsheid met het Christelijk geloof is opgegroeid. Hoe weet hij dat dan? Bij de opsomming van de 'getuigen' van zijn verhaal noemt hij ook abt Angilbert van St.Riquier (750-818) die sinds hun beider jeugd als vriend van Charlemagne te boek stond en Einhard zeker over de jeugd van Charlemagne had kunnen informeren. Ook aartsbisschop Hildebald van Keulen († 819) die Karel het H.Oliesel gaf, kende hem vanaf hun jeugd. Als zij beiden niet meer leefden, schreef Einhard deze Vita pas na 819. Enkele onderzoekers houden het op ca.830. Waarom zo lang gewacht met een Vita ter verheerlijking van Charlemagne? Waarom niet meteen geschreven na zijn dood, of zelfs nog tijdens zijn leven, als je zo'n verheerlijker bent van deze keizer?

    In hoofdstuk 18 schrijft Einhard dat de eerste vrouw van Charlemagne door hem om onbekende redenen na een jaar verstoten werd. Deze wettelijke eerste vrouw was de dochter van de Longobardische koning Desiderius en wordt daarom vaak Desiderata genoemd, al is die naam verre van zeker. Dat er onbekende redenen waren tot deze verstoting is onjuist, immers in de kronieken van het klooster St.Galliën wordt vermeld dat ze verstoten werd omdat ze onvruchtbaar was en ongeneeslijk ziek (zie noot). Ook hier doet Einhard Charlemagne weer mooier voorkomen dan hij in werkelijkheid was. Overigens kan het 'repudiavit' naast verstoten ook 'scheiden van' betekenen. Einhard zal zeker bedoeld hebben dat Charlemagne zich liet 'scheiden van' zijn eerste vrouw om te kunnen trouwen met Hildegard. Dat maakt de gebeurtenis in 770 wat minder zwaar dan 'verstoten'. De reden van de verstoting was ook zeker een politieke door de gebeurtenissen in Italië. Uit wraak voor deze verstoting van zijn dochter die door Desiderius als een belediging werd opgevat, nam Desiderius Gerberga, de weduwe van Karels broer Carloman I, in bescherming en erkende haar zonen als zijn erfgenamen. Hij verklaarde tevens de oorlog aan de paus van Rome omdat die weigerde Gerberga’s zonen tot koning te kronen. De paus wist Charlemagne ervan te overtuigen (van) zijn eerste vrouw te verstoten (te scheiden?) en ook in 773 een oorlog te beginnen met de Longobarden. Het is nog een niet verder onderzocht gegeven of de 'Italiaanse' Longobarden dezelfde stam was als de germaanse stam uit het noorden van Frankrijk. Is ook hier sprake van 'delacements historiques'?
    Overigens waren beide broers Karel en Karloman getrouwd met 2 zusjes, dochters van Desiderius.
    (noot) Hoe constateerde men toen dat iemand ongeneeslijk ziek was? Blijkbaar omdat ze kort daarna is overleden. Waaraan blijft een vraag al dringt zich wel een 'vergiftiging' op, aangezien Charlemagne 'van haar af moest' om te kunnen trouwen met Hildegard.

  • Einhard schrijft niets over de geheimzinnige dood van Carloman, de broer van Karel de Grote, waardoor Karel alleenheerser werd over het Frankische Rijk. Lees meer over de dood van Carlomans.

  • Einhard schrijft dat de meisjes (de dochters van Charlemagne) linnen moesten spinnen [coloque ac fuso]. Hieruit blijkt dat Einhard niet goed op de hoogte is van de gang van zaken op een hof, aangezien het spinnen van linnen in alle sociale lagen slechts aan vrouwen was voorbehouden, nooit aan meisjes. Het was namelijk een werk waarbij veel ervaring en grote deskundigheid nodig was en jonge meisjes hadden die ervaring en deskundigheid nog niet.

  • Ook zou Charlemagne op al zijn reizen zijn kinderen meegenomen hebben. Arme kinderen. De jongens reden naast hem, de meisjes volgden. Dit is echter niet juist, want uit de Annales Regni Francorum blijkt juist dat Charlemagne bij hoge uitzondering zijn kinderen meenam op zijn reizen. Overdrijven ter meerdere eer en glorie van Charlemagne is een slechte gewoonte bij Einhard. Bovendien was Karel de Grote bijna jaar in jaar uit op (oorlogs-)pad. Zijn kinderen, waar Karel de Grote toch erg trots op was, zouden zo een onverantwoord risico gelopen hebben.

  • In hoofdstuk 16 schrijft Einhard de overwinningen op de Moren aan Charlemagne toe, terwijl die in 797 en 798 behaald werden door koning Alphonse II van Galicië en Asturië. Uit de Annales Regni Francorum is overigens op te maken dat Charlemagne daar niet eens geweest is, maar in 798 alleen een door Alphonse II behaalde overwinningstrofee ontving. Alphonse II was dus verre van een vazal van Charlemagne, wat Einhard wel schrijft. Alphonse II regeerde van 791 tot 842, dus heeft Charlemagne verre overleefd, overigens ook diens zoon Lodewijk de Vrome. Galicië en Asturië zijn ook nooit in bezit geweest van de Karolingen, ook niet als vazalstaat. Een aantal kaarten in historische atlassen zijn dus aan herziening toe. (Feitelijk alle kaarten uit het eerste millennium).

  • De mededeling van Einhard dat Charlemagne Spanje van de Pyreneeën tot de rivier de Ebro (Hiberum) veroverd zou hebben, berust op een ook pas later ontstane situatie en was in de tijd van Einhard onjuist.

  • In datzelfde hoofdstuk 16 vermeldt Einhard dat de Schotse Koningen zich aan Karel de Grote onderdanig zouden hebben gemaakt. In de hele verdere bronnen is als zodanig nergens sprake van Schotse koningen. Het is totaal onbekend welke koningen hier bedoeld worden. Ook hier blijft slechts twijfel aan de juistheid van de tekst van Einhard bestaan. De eerste Schotse koning was Kenneth I die regeerde van ca.843 tot 858. Omdat Einhard in 840 overleed kan dit bij hem nooit bekend zijn geweest zijn en blijkt hier nogmaals duidelijk uit dat dit gegeven later aan de tekst is toegevoegd. De Vita Karoli Magni kan in oorsprong wellicht authentiek zijn, maar is later duidelijk gemodificeerd.

  • De onderwerping van Hunold en zijn volk is een volgende onjuiste mededeling: dat is nooit gebeurd.

  • Einhard verward in zijn tekst voortdurend de Avaren met de Hunnen.

  • Ten aanzien van de verdeling van het rijk op 9 oktober 768 vergist Einhard zich door te stellen dat Pepijn deze verdeling nog bepaald zou hebben. Dat is niet juist. Pepijn stierf vrij plotseling en was feitelijk nog vrij jong (54 jaar). Hier wordt door Einhard duidelijke een legitimatie van de verdeling gegeven, waarmee de rechten van Karel de Grote op de helft van het rijk bepaald zouden zijn, iets wat zijn broer Karloman steeds betwistte. Hij zou als enige wettige erfgenaam het hele rijk hebben moeten erven.

  • Ten aanzien van de regeringsjaren van Charlemagne vergist Einhard zich ook. Karel is gekroond tot Koning op 9 oktober 768. Op 9 oktober 813 heeft hij dus 45 jaren geregeerd. Tot zijn sterfdag 28 januari komen er nog 3 maanden en 19 dagen bij. De 47 jaar die Einhard noemt zijn dus onjuist. Maar had Einhard een bedoeling met het getal 47? In het Oude Testament gaat juist psalm 47 over de lofzang aan de Heer: "Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over ganser aarde...". In de hele ophemeling van Charlemagne past deze psalm als geen ander.

  • Hier sluit hoofdstuk 33 bij aan, waarin Einhard schrijft dat Charlemagne in 811 in het 43ste jaar van zijn regering zijn testament opmaakte. Dan is zijn sterfdag in januari 814, dat dus maar net begonnen was, dus het 46e regeringsjaar zijn en niet het 47e. Ook in hoofdstuk 33 wordt het onjuist gegeven.

  • In hoofdstuk 26 beschrijft Einhard de bouw en de inrichting van de kerk in Aken. Er mocht zich niets onchristelijks of onreins in de kerk bevinden. Is dat de reden dat hij de troon van Charlemagne niet noemt? Of bestond die marmeren troon toen nog niet? Het is of een onjuiste weergave of een vertekend beeld. De troon is wel het zinnebeeld van wereldlijke macht die verre stond van het Christelijk geloof. Christus had zelf gezegd dat 'zijn rijk niet van deze wereld was'.

  • In hoofdstuk 16 wordt door Einhard een verwijzing gemaakt naar een pas veel eeuwen later ontstane sage over de kruistocht van Charlemagne naar Jeruzalem (die hij overigens nooit gemaakt heeft). Ook dit geeft aan dat het verhaal van Einhard nadien aangepast is. Einhard kon in de 9e eeuw nog niets weten over de Kruistochten naar het H.Land. Dit geeft tevens aan dat het verhaal van Einhard na 1099 (einde eerste Kruistocht) aangepast is of wellicht toen pas geschreven is.

  • Charlemagne zou van Kalief Haroen het protectoraat over het H.Land en de heilige plaatsen gekregen hebben. Van een bescherming van het H.Land is voor het eerst pas sprake na 866 en teksten over bescherming van pelgrims zijn pas verschenen in de 10de en 11de eeuw. Ook dit geeft aan dat de Vita van Einhard later bewerkt is met diverse toevoegingen, slechts om de grootsheid en de Christelijke moraal van Charlemagne te onderstrepen.

  • Dat is met name te constateren uit de overschrijffout van de naam Harun (koning van Perzië), waar de kopiïst Aaron van gemaakt heeft. De naam Harun zei hem blijkbaar niets, de naam Aaron kende deze kopiïst wel uit de Bijbel.

  • Het verhaal over Roeland en de slag bij Roncevalles komt voor in een sage die in de tijd van Einhard nog niet bestond en dus nadien pas in zijn tekst verwerkt kan zijn. Zo bestond de 'goedendag' als wapen nog niet in 778. Ridder Roeland hanteerde het zwaard, geen knots. J.de Prince heeft aangetoond dat de mark van Roeland die voorkomt in het Roelandslied, 'Hruodlandus Brittannici limitus praefectus', zich bevond aan de kust van Frans-Vlaanderen. De genoemde plaats Wissant geeft dat al aan. Roeland was een 'zee-graaf'. De plaats Seinz was ook niet Xanten, maar Sens in Frankrijk.

  • De door Einhard genoemde Wilten (ook Vilten of Waletabi genoemd) als een stam aan de Oostzee is eveneens niet juist. Zo ver oostelijk is Charlemagne nooit geweest. De Vilten waren een stam van de Slavi die weer een onderdeel van de Saksen waren. Het waren de Vilten in noorden van Frankrijk waar hun hoofdstad Viltaburg (=Trajectum ofwel Tournehem) was. Uit deze mededeling bij Einhard is duidelijk op te maken dat zijn 'Vita' aangepast is in de tijd dat de 'deplacements historiques' al in volle omvang waren toegeslagen.
    Overigens maakt traditioneel Nederland van dit Viltaburg de stad Utrecht. Maar ook die ligt niet aan de Oostzee, waarmee de mythe van het Trajectum van St.Willibrord te Utrecht nog eens wordt onderstreept.

  • Bijbelse symboliek en beeldspraak in de Vita Karoli Magni.
    In de Vita Karoli Magni worden een aantal keren opvallende zaken genoemd, die geheel overeenkomen met gebeurtenissen zoals die in de Bijbel beschreven zijn. Einhard heeft met deze Bijbelse symboliek zeker een bedoeling gehad. Wilde hij hiermee de grootsheid van Charlemagne benadrukken, die de grootsheid van Christus benaderde? Dat hij in zijn beschrijving de gebeurtenissen soms net iets anders weergeeft zal slechts te maken hebben met het feit geen heiligschennis te willen plegen ten aanzien van Jezus Christus en de Bijbel. De overeenkomsten en de symboliek zijn echter frappant te noemen.

  • De meest opvallende gebeurtenissen zijn de talrijke voortekenen bij de dood van Charlemagne. Die waren behalve de talrijke zons- en maansverduisteringen ook het instorten van de zuilengalerij tussen kerk en Paleis te Aken (al gebeurde dat feitelijk pas enkele jaren later in 817). Op het derde uur van de dag stierf Charlemagne.
    In het lijdensverhaal van Christus op Goede Vrijdag worden ook juist deze aspecten genoemd. Christus sterft op het derde uur van de middag, er is eveneens sprake van een zonsverduistering en een aardbeving waarbij het voorhangsel van de tempel in Jeruzalem in tweeën scheurde en instortte.

  • Ook in de aardbeving die zich volgens Einhard in het Paleis te Aken voordeed, kan men de relatie met de kruisdood van Christus zien, waarbij de aarde beefde, de rotsen spleten en de doden opstonden. De hier bedoelde aardbeving heeft zich wellicht inderdaad voorgedaan in Aken maar wordt in 803 gedateerd, terwijl de laatste Saksische oorlog die genoemd wordt (zie volgende opmerking) in 804 plaats vond. Ook hier wordt de symbolische betekenis van een natuurverschijnsel aangewend voor geen andere verklaring dan om de grootsheid van Charlemagne te onderstrepen.

  • Een ander Bijbels tafereel deed zich voor tijdens de laatste veldtocht tegen de Saksen. Een felle lichtstraal doorkliefde de heldere hemel en Charlemagne stortte met zijn paard op de grond. Ditzelfde tafereel zien we bij de bekering van Saulus, die zich daarna Paulus noemde en in naam van Christus ging prediken. Die 'bekering' zien we ook bij Charlemagne, al noemt Einhard het niet als zodanig. Deze veldtocht in 804 was wel de laatste tegen de Saksen. Heeft Charlemagne zich hier bekeerd? Einhard vermeldt wel dat iedereen zich verwonderd afvroeg wat dit voorteken betekende. Hij zag er dus een voorteken in en gaf er een symbolische betekenis aan. Dat Charlemagne deze voortekenen 'schijnbaar' onberoerd lieten, zoals Einhard ons meedeelt, daarmee wilde hij uiteraard slechts de grootsheid van Charlemagne benadrukken. Immers een groots vorst toont geen twijfel, geen angst en zeker geen onzekerheid.

  • In de Vita is sprake van zeven dagen zwarte vlekken op de zon. En Charlemagne stierf zeven dagen nadat hij ziek werd. Het getal zeven komt in de Bijbel en de kerk erg veel voor. De symbolische betekenis, de verwijzing naar de volmaaktheid, is wel duidelijk. Te denken valt aan de zeven dagen in de scheppingsverhaal, de zeven erfzonden, de zeven werken van Barmhartigheid (al worden er in de Bijbel maar zes genoemd), de zeven sacramenten en in de oudheid kende men ook de zeven vrije kunsten, de zeven planeten en de zeven wereldwonderen. (Voor de hedendaagse lezer: toen meende men dat de zwarte vlekken een teken van dreigende duisternis waren, maar ze ontstaan juist door intensieve uitbarstingen van de zon.)

    De steden van het rijk.
  • Charlemagne deelde zijn rijk in 21 delen in met 21 hoofdsteden, die hij allen veel rijkdom schonk. Zie kaart hiernaast. Klik op de kaart voor een vergroting. In werkelijkheid waren er 22 hoofdsteden (Narbonne wordt door Einhard overgeslagen) en 21 delen in zijn rijk. De keuze voor het aantal 21 is eveneens Bijbels georiënteerd: 21 is 3 keer 7. Zowel 3 (de drie-eenheid) als 7 (zie de vorige opmerking) zijn heilige getallen, volmaakte getallen.
    Op het kaartje hiernaast, overgenomen uit een bekend voorbeeld, worden enkele zaken onjuist weergegeven, zoals Austrasie dat in werkelijkheid veel kleiner van omvang was. Austrasie lag helemaal ten westen van de Rijn! Bij 'Saxe' en 'Thuringe'(rechtsboven) staan terecht een aantal vraagtekens.

    Deze hoofdsteden worden genoemd door Einhard. Zet men deze 21 hoofdsteden op een rij, dan blijkt daaruit meteen de beperkte omvang van het rijk van Charlemagne. Het zijn de steden (op de kaart hiernaast rood onderstreept): Rome, Ravenna, Milaan, Cividale del Friuli (Forum Julii), Grado (Gradus) in Italië, Keulen (Colonia), Mainz (Mogontiacus), Salzburg (Juvavum), Trier (Treveri) in Duitsland, Sens, Besançon, Lyon, Rouen, Reims, Arles, Vienne, Moutiers, Embrun, Bordeaux, Tours en Bourges in Frankrijk. De enige plaats in Duitsland 'over de Rijn' is Salzburg (vanwege het zout belangrijk). Uit deze opsomming blijkt al dat België, Nederland en Noord-Duitsland tot de Elbe niet tot het rijk van Charlemagne hoorde. Aken en Nijmegen missen we in dit rijtje, evenals Noyon dat, gelegen tussen Reims en Rouen, geen hoofdstad genoemd wordt. Het zou vreemd zijn dat Soissons, Laon, Noyon ontbreken als hoofdplaatsen. Het is dan ook geen opsomming van de Frankische hoofdsteden, maar het betreft de bisdommen die een schenking uit het testament van Karel de Grote kregen. Bisdommen? Daar hoorde Nijmegen en Aken ook niet bij: dat waren ook geen bisschopssteden. Maar Noyon was dat wel, wat aangeeft dat deze opsomming niet uit de tijd van Karel de Grote stamt. De genoemde plaatsen kregen uit naam van Karel de Grote schenkingen, waarmee niet gezegd is dat die plaatsen al eerder in het bezit van de Franken waren. Daarnaast blijft de vraag gerechtvaardigd of de 'traditionele vertalingen' van alle plaatsen wel juist is, of wellicht later aan de tekst zijn toegevoegd toen de Frankische Karel de Grote als vorst naar Duitsland getrokken was, wat overigens pas in het tweede Millennium (na 1300!: zie hierboven) gebeurde. Voor Colonia, Mogontiacus, Treveri en Juvavum bestaan ook 'Franse' alternatieven, t.w. Cologne bij Calais, Mainvillers bij Metz, Terdeghem en Vionville (woonplaats van de Jovanii). Hiermee wordt duidelijk de valsheid van de mythe, zowel in Aken als in Nijmegen, aangetoond. De omvang van het rijk van Karel de Grote was nauwelijks groter dan de helft van Frankrijk! Zie de kaart van de hoofdsteden die Einhard noemt.
    De teksten maken bovendien duidelijk dat de Karel de Grote en zijn broer Carloman, slechts Neustrië en Austrasië erfden van hun ouders. Wat zij er zelf aan toegevoegd hebben blijft een onopgelost probleem. Zo bestaat er geen enkele tekst dat Karel de Grote ooit Nood-Nederland veroverd zou hebben. Slechts de Friezen worden genoemd als tegenstanders, maar die woonden toen in Frisia in Frans-Vlaanderen.

    Het probleem bij deze opsomming is ook dat als een stad in bezit van een vorst was, dat dan ook gold voor het land eromheen of het land tussen die steden. Zo hebben Bretagne en Normandië nooit tot het rijk van Karel de Grote gehoord, net zo min als Vlaanderen waar de Friezen en Saksen woonden. Nog in de 14de eeuw bestond Frankrijk uit vele vorstendomeinen en gebieden die niet tot de Franse Koning behoorden. Het was een lappendeken van bezittingen van zowel wereldse heren, als van kerkelijke bisdommen. De landkaarten die ervan bestaan, zelfs in de Franse 'Atlas Historique', zijn net zo onduidelijk en onjuist als de kaartjes in Nederland van de traditionele indeling in Friezen, Franken en Saksen. Een kaart van de verschillende dialecten en talen in Frankrijk geeft een beter overzicht, al is de indeling nog vrij grof. Zie kaartje hiernaast. De verschillende volkeren onderscheiden zich in taal, cultuur en gewoonten. En veel volkeren (ook in Frankrijk) zijn niet veroverd door de Romeinen en later ook niet door de Franken.

    Als we eenmaal hebben vastgesteld dat de tekst van Einhard vele onjuistheden en nog meer symboliek bevat, moeten we ons om de letterlijk tekst feitelijk niet meer druk maken. Wat beeldspraak is en wat feiten zijn, is niet altijd duidelijk te onderscheiden. Een aantal zaken is zeker later aan de teksten toegevoegd, zodat het in de tijd van de aanpassing inderdaad ook klopte. De hele 'deplacements historiques' gaat juist over de veelheid van gedoubleerde plaatsnamen die ook op de nieuwe plaats vaak wonderwel in het landschap pasten. Alleen aan plaatsnamen die op meerdere plaatsen voorkomen kan men dus geen bewijs ontlenen.


    Brengt men de geschiedenis van Charlemagne terug tot de ware proporties, dan worden de historisch geografische vraagstukken meteen opgelost. De voorstelling van het Rijk van Charlemagne van de Pyreneeën tot de Elbe is een van de grootste mythen die uit deze verwarring is voortgekomen. Ook de onmogelijk grote missiegebieden van St.Willibrord en St.Bonifatius worden bij een ware kijk tot hun juist proporties teruggebracht, namelijk tot een beperkt gebied in het noordwesten van Frankrijk.

    Welke conclusie kunnen we nu trekken?

    De tekst van de 'Vita Karoli Magni' is niet ongeschonden overgeleverd, maar op meerdere plaatsen aangepast en met allerlei zaken aangevuld. Het is dus een falsum, een met latere gegevens aangepaste kopie. De hierboven vermelde zinsnede over 'Noviomagus, de Vahalem en het Insula Batavorum' is zeker later aan de tekst van Einhard toegevoegd. Immers de archeologie heeft onweerlegbaar aangetoond dat in Nijmegen geen Karolingisch Paleis heeft gestaan, ja zelfs dat Nijmegen in de tijd van Charlemagne niet eens bestond. En daar veranderen enkele vaag gedateerde graven niets aan.
    En Ingelheim? De oudste archeologische vondsten op de plaats waar het Paleis gestaan heeft zijn enkele scherven van Pingdorf-aardewerk. Dit wordt gedateerd ná 900, maar kan dus ook uit de 12e eeuw zijn. En dan zijn we precies bij Frederik Barbarossa. Toevallig of niet, maar op beide plaatsen heeft Frederik Barbarossa in latere tijd een palts gebouwd. Niet herbouwd of hersteld zoals altijd beweerd werd, maar gebouwd, wat hij in Nijmegen ook zelf aangaf op de gedenksteen.
    Ook Aken past in dit beeld. Zie daarvoor Aken.

    Dat over de 'Vita Karoli Magni' door historici gesproken wordt als een betrouwbare feitenbron, geeft dan ook te denken. Dat de beroepshistorici dit werk te serieus nemen maakt het lastig het werk kritisch te beschouwen. Maar het blijft onvermijdelijk en noodzakelijk dit wel te doen.

    De 'Vita Karoli Magni' bevat enkele onverklaarbare fouten. Die zijn echter wel te verklaren als men ervan uitgaat dat de tekst meerdere keren overgeschreven is, waarbij kopiisten de voor hen onbegrijpelijke tekst hebben vervangen door hen wel bekende zaken.

    De enige conclusie moet dan ook zijn dat de tekst die in Nijmegen als doorslaggevend bewijs voor de aanwezigheid van Charlemagne wordt gehanteerd, een falsum is.