| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |
| Er blijkt nog steeds veel NEP te bestaan in de geschiedenis van Nijmegen. De grootste NEP wordt verkondigd in het Bronnenboek waarmee men Karolingisch Nijmegen meende te kunnen bewijzen. Met het opvoeren van een bisschop van Nijmegen, die de bisschop van Noyon bleek te zijn, viel men onherroepelijk door de mand. Het Bronnenboek is een blamage voor de Universiteit van Nijmegen. De club van historici die tegen beter weten in aan Karolingisch Nijmegen blijven vasthouden, kunnen niet meer terug om hun ongelijk toegeven. Dat geldt ook voor de redactie en auteurs van dit boek over Het Valkhof 2000 jaar. Er staan reputaties op het spel. |
EEN SPECIFIEKS NIJMEEGS PROBLEEM (Het Valkhof 2000 jaar, p.81).
Een specifiek Nijmeegs probleem is de identificatie van de vermeldingen. In de bronnen, die in het Latijn geschreven zijn, komen we naamsvormen als Neomaga, Neumaga, Niumaga, Nivimagun en Noviomagus tegen. Het is niet bij voorbaat duidelijk dat hiermee inderdaad Nijmegen wordt bedoeld, want er zijn andere plaatsen met vergelijkbare namen. Soms blijkt het bij de middeleeuwse vermeldingen bijvoorbeeld te gaan om het Franse Noyon, soms om het Duitse Neumagen. Voor de Nijmeegse archivaris Albert Delahaye vormde dit, in combinatie met het feit dat de Karolingische palts op het Valkhof voor zover destijds werd onderkend nog niet was teruggevonden, vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw aanleiding om het bestaan van heel Karolingisch Nijmegen te ontkennen: alle vermeldingen zouden betrekking hebben op Noyon in Noord-Frankrijk. Ook alle andere plaatsnamen die in de middeleeuwse bronnen direct of indirect met Noviomagus in verband worden gebracht, zouden in die contreien moeten worden gesitueerd. Noord-Nederland zou in de vroege en volle middeleeuwen een vrijwel leeg gebied zijn geweest. Toen dit in de twaalfde eeuw voor menselijke bewoning werd ingericht, zouden oude namen zijn gekopieerd en zou de mythe zijn ontstaan dat de bewoning hier al van eeuwen her dateerde. Delahaye, die zich uiteindelijk verloor in complottheorieën, is duidelijk te ver doorgeslagen in zijn kritiek, maar een feit blijft wel dat de juiste interpretatie bij naams-vormen als Noviomagus problematisch kan zijn. Vaak geeft de context uitsluitsel, maar soms resteert er een onzekerheidsmarge (aldus dit citaat op p.81).
Wat hier geschreven wordt op p.81 is inderdaad hèt Nijmeegs probleem. Dat er sprake is van verwarring tussen Nijmegen en Noyon, wat altijd ontkend werd, is hèt kernprobleem. De context dient de doorslag te geven en als er geschreven wordt over een bisschop van Noviomagus of plunderingen van de Noormannen die via de Seine en Oise komen, kan men daar niet Nijmegen van maken, wat dus wel gebeurd is. Waar die complottheorieën van Delahaye uit bestaan, hebben we nooit mogen vernemen. Of was er bij de gevestigde historici sprake van een complot tegen de opvattingen van Delahaye? Complot is (volgens Van Dale) immers een samenzwering met kwade bedoelingen tegen iemand of iets. Met wie zweerde Delahaye samen? Hij stond toch alleen in zijn opvattingen, volgens prof.P.Leupen? Waartegen had Delahaye kwade bedoelingen? Tegen de historische waarheid?
Het is niet alleen een Nijmeegs probleem! Het wordt een algemeen 'vaderlands' probleem. Immers als Nijmegen vervalt als Karolingisch, verdwijnen alle opvattingen die van Karolingisch Nijmegen afgeleid zijn, zoals de Bataven in de Betuwe, de Fresones in Friesland, St.Willibrord in Utrecht, St.Bonifatius in Dokkum en andere predikers die onjuist in Nederland terecht zijn gekomen.
|
De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stede-Atlas van F.Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stede-Atlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis. Stamt de Kapel op het Valkhof uit 1030? Dit jaartal dat algemeen aanvaard is, blijkt bij nadere bestudering van de bronnen zeer twijfelachtig. Het jaartal 1030 wordt 'als vaststaand' genoemd door J.F. van Agt in het artikel "De Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof" (p.52-58), opgenomen in 'Het Valkhof te Nijmegen' in Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.3. Maar wat schrijft Van Agt precies? "De bouw rond 1030 van een kleine kapel in Nijmegen als vereenvoudigde navolging van de Paltskapel te Aken past dus helemaal in dit kader". De vraag is dus: Welk kader wordt hier bedoeld? Over dat kader valt het nodige op te merken: De conclusie van J.F. van Agt luidt als volgt: "Welke invloed echter tussen het einde van de 10de eeuw en het midden van de 11 de eeuw van Aken uitging, bewijzen het westwerk van de Abdijkerk (nu Dom) in Essen, waarin een halve centraalbouw naar Akens model is opgenomen, de westgalerij van Sankt-Maria im Kapitol te Keulen en de achthoekige Mariakerk te Ottmarsheim. Hier sluit de dubbele zuilenopstelling in de openingen van de arcaden iedere twijfel uit. Het westwerk in Essen kwam tot stand onder Abdis Mathilde (974-1011) rond het jaar 1000; en de kerk te Ottmarsheim werd pas in 1049 gewijd, omstreeks welke tijd ook de westgalerij van de Kapitoolskerk gereed zal zijn gekomen". De datering blijkt dus te bestaan uit vergelijkingen met overeenkomstige gebouwen elders in Westelijk Europa. En zoals alle vergelijkingen het mis hebben, is op grond van al deze twijfel en onzekere 'vergelijkingen' van bouwwijzen, komt Van Agt op het jaar 1030! Hoe onzeker wil je het hebben? Er bestaat dus geen enkel rechtstreeks bewijs voor de datering op 1030! ![]() Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.
De oude parochiekerk op het Valkhof. Na de uiteindelijke instemming en de overdracht van de kerk aan de broeders van St. Jan , is de nieuwe St.Stevenskerk gebouwd. Gegevens over de bouw zijn niet bekend gebleven, enkel het feit dat Albertus de Grote, toen wijbisschop van Keulen, op 7 September 1272, de dag voor het feest van Maria Geboorte, de kerk heeft geconsacreerd. Bij deze gelegenheid heeft zich iets voorgedaan, dat van het hoogste belang is voor de Karolingische kwestie. Albertus de Grote legde namelijk aan de parochie de verplichting op om elk jaar, acht dagen na Pinksteren een processie te houden naar de plaats van de oude kerk, speciaal om de gelovigen te herdenken, die daar begraven waren. In die processie moesten het H. Sacrament, het beeld van de H. Maagd en de relieken van de heiligen meegedragen worden. Het staat vast, dat de processie het Valkhof als doel had. Dit voorschrift is door de parochie trouw opgevolgd en heeft geleid tot de beroemde Maria-Omdracht van Nijmegen, die in de middeleeuwen een grote faam genoot. Een zijdelings gevolg ervan is geweest, dat de schrijver van een mirakelspel dit in Nijmegen situeerde als Mariken van Nimwegen. Dit mirakelspel valt in de categorie nep in Nijmegen, want het heeft zich daar, of waar dan ook, nooit voorgedaan. Het is een mirakelspel, ook al wordt men in tegenwoordig Nijmegen er overal aan herinnert, zonder de nadruk te leggen op 'mirakel'. Tijdens de protestantse overheersing werd de Maria-Omdracht verboden; de traditie is vooral op instigatie van Prof. Titus Brandsma in 1926 hernomen, al bleek spoedig dat zij doodgebloed was en de mens van vandaag niet meer aanspreekt. In 1962 is plotseling en zonder enige uitleg de Maria-Omdracht van het programma geschrapt. Let goed op: in hetzelfde jaar werd het Keizer Karelbeeld in Nijmegen opgericht! Er behoeft nauwelijks op gewezen te worden dat dit gebeurde nadat Albert Delahaye met zijn publicaties over de Maria-Omdracht naar Brabant was verjaagd. De ware reden van de opheffing van deze aloude traditie is - en laat U niets anders wijsmaken - dat het voor de Karolingische toeteraars onverdraaglijk was, dit jaarlijks terugkerend bewijs dat de oude parochiekerk en het oude kerkhof op het Valkhof aanwezig zijn geweest, en er geen sprake is geweest van een Karolingische palts voor de burcht van Barbarossa uit 1155. De fraudes van het Bronnenboek zijn systeem geworden in Nijmegen. Om de mythe in stand te houden, ziet men er zelfs geen been in de ware historie om zeep te helpen. Uit de opdracht van St. Albertus de Grote blijken vier gewichtige zaken: 1. Voor de bouw van het Paleis van Frederik van Barbarossa, dat er in 1155 was gesticht, was het Valkhof het kerkelijke domein van de stad en was de St. Nicolaas-kapel de parochie-kerk. 2. Op het tijdstip van de bouw van deze kerk, het einde van de 11de eeuw -de kerk is immers aan St.Nicolaas gewijd en daarmee de oudste St.Nicolaaskerk van Nederland. Vóór 1087 was St.Nicolaas, die de patroon van de schippers was, in Westelijk Europa nog onbekend- ,was het Valkhof nog geen keizerlijk domein, laat staan een overblijfsel van een Karolingische residentie. Opvallend detail: de tweede voornaam van prof.dr.F.Hugenholtz was Nicolaas. Was hij daarom zo fel tegen Albert Delahaye die van Nicolaas meer bleek te weten dan hij? De naam Nicolaaskapel, zoals de kapel tegenwoordig heet, bevestigt immers het gelijk van Delahaye, dat er nooit een Karolingische residentie heeft bestaan. 3. Een en ander verklaart nog beter de aanvankelijke tegenzin van Nijmegen om toe te stemmen in de verplaatsing van de kerk, wat nog te aanvaarden was bij het vooruitzicht op een nieuwe en fraaiere kerk, maar wat pijnlijker was met betrekking tot het kerkhof, waaraan de mensen gevoelsmatig meer gehecht waren. De verplichting tot de jaarlijkse processie was dan ook het belagrijkste element dat Albertus de nieuwe kerk en parochie oplegde. 4. Het voorschrift van de jaarlijkse processie mag men terecht opvatten als een zacht protest tegen de houding van de graaf van Gelre, die de kerk en het kerkhof uit zijn voortuin weg wilde hebben. Met dit zacht protest wilde Albertus de gelovigen van Nijmegen op een devote manier op het hart binden door hen elk jaar eraan te doen herinneren, dat de kerk voor een wereldlijk heer had moeten wijken. De parochie had haar doden moeten achterlaten op een geprofaneerd terrein, waar de mensen van Nijmegen normaal geen toegang toe hadden. Die toegang kregen zij nu door jaarlijkse processie, voorgeschreven door de aartsbisschop van Keulen, die meer te vertellen had dan de graaf van Gelre. |
In Het Valkhof 2000 jaar (2014) wordt de geschiedenis beschreven, zoals historici menen dat die zich heeft voorgedaan. We hebben het hele boek bestudeerd en constateren daarbij tientallen fouten, onjuistheden en tekortkomingen.We hebben de redactie en auteurs meerdere keren om uitleg gevraagd, maar nooit enig antwoord op onze vragen gekregen. Elke discussie blijft men ontwijken. Eindredactrice prof.dr.Dolly Verhoeven van de Universiteit van Nijmegen wil geen discussie Zij blijkt niet eens op de hoogte van de vele fouten in de onder haar verantwoordelijkheid uitgegeven boeken. Het is nu eenmaal de stand van de wetenschap, zoals ze dat treffend verwoord, een wetenschap waarbij men alle fouten en tekortkomingen blijkbaar accepteerd. Mevrouw Verhoeven blijkt dan ook volkomen ondeskundig te zijn, wat de ware reden is dat ze geen discussie wenst. Die discussie, waartoe ze zelf opriep, gaat ze op alle punten verliezen en dat weet ze maar al te goed. Dan kun je maar beter zwijgen, wat dan ook volop gebeurt, dan je gezicht en reputatie te verliezen. Is alles in dit boek wel onbevooroordeeld en onafhankelijk beschreven, zoals de uitgever stelt? Zijn de auteurs op hun gebied wel de aangewezen deskundigen? Dat blijkt dus niet zo te zijn. Deze auteurs blijken niet deskundig te zijn, zelfs niet op hun 'eigen' vakgebied. Ze weten dan wel veel van de traditionele geschiedenis, maar niets van achtergronden en ook niets van reeds lang achterhaalde gegevens en nieuwe opvattingen. Men blijft de Bataven in de Betuwe plaatsen, terwijl er archeologisch geen enkel bewijs voor bestaat. Toch meent de redactie dat in deze uitgave nu alles wat men weet bij elkaar verzameld is. We kunnen daaruit dan ook concluderen dat er niet meer is dan hier gepubliceerd is. Het is de waarheid van deze auteurs die hier gepubliceerd wordt. Het is hùn waarheid, maar niet dè waarheid. Dat men alle bronnen kent, wat men steeds beweert, is eveneens onjuist. Heel wat bronnen waarop de geschiedenis vanouds is gebaseerd staan niet eens in de literatuuropgave. Die bronnen kent men dus niet of als je die verwerpt, zoals publicaties van prof.dr.R.R.Post en prof.dr.B.H.Stolte, de ultieme verdedigers van Karolingisch Nijmegen, vraagt het wel om een toelichting waarom deze vervallen zijn! Die toelichting ontbreekt, net als die bronnen.
Lees vooral ook wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien en over de Valkhofburcht. De 'bekering' heeft zich ingezet. Op Wikipedia lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven al aan dat er de nodige twijfel bestaat. In Nijmegen en historisch Nederland weten ze maar al te goed dat Albert Delahaye gelijk had. Van een palts van Karel de Grote is niets gevonden. In Archeologie Magazine nr.6 2023 lezen we: "In Nijmegen zijn nog resten te bewonderen van de keizerlijke palts waarin keizerin Theophanu in 991 overleed. De fraaie 11de eeuwse St.Nicolaaskapel maakte hiervan deel uit". Let op: Geen woord over Karel de Grote en een palts uit 777, maar een verwijzing naar keizerin Theophanu ruim 200 jaar later. Overigens is die verwijzing dubbel onjuist, aangezien keizerin Theophanu overleden is in Noyon en de St.Nicolaaskapel pas een eeuw later (ca.1089) is gebouwd is en nooit deel heeft uitgemaakt van welke palts dan ook. De St.Nicolaaskapel op het Valkhof wordt niet meer de 'Karolingische' Kapel genoemd, waarmee het gelijk van Albert Delahaye onmiskenbaar wordt aangetoond en erkend. In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. Het is de waarheid van deze auteurs die hier gepubliceerd wordt. Het is hùn waarheid, maar niet dè waarheid. De hoofdstukken zijn:
De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof is feitelijk buiten de oude stad gelegen. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.De eerste vraag is of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
De visie van Albert Delahaye.
De Karolingische Palts. Het meest essentiële onderdeel van het Valkhof is de aanwezigheid van de Karolingische Palts, waarop de hele middeleeuwse geschiedenis van Nijmegen is gebaseerd, en niet alleen van Nijmegen! Heeft dat Paleis van Karel de Grote met de naam Noviomagus of Numaga in Nijmegen gestaan, zoals traditioneel aangenomen is, of stond dit Paleis in Noyon, zoals Albert Delahaye beweerde? Wat schrijft men in 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' daarover? Op de pagina's vóór pagina 22 staan verschillende afbeeldingen van 'De Valkhofburcht'. Het betreft steeds de burcht die tussen 1155 en 1796 bestaan heeft. Wat lezen we zoal nog meer in dit boek over Het Valkhof? We bespreken hier de voor de studie van Albert Delahaye belangrijkste hoofdstukken en geven daarop in rood ons commentaar. Het gaat erom hoeveel zekerheid er uit dit boek spreekt en wat de bewijzen zijn. Een kleine inventarisatie levert al de nodige voorbeelden van twijfel en onzekerheid op. In de eerste 3 hoofdstukken (p.23-105; inclusief de noten: p.230-236) is liefst 278 keer sprake van twijfel. Dat is gemiddeld zo'n 5 keer per pagina tekst, dat er wordt getwijfeld. Een kleine inventarisatie van de teksten levert het volgende op: er wordt liefst 47 keer over een vermoeden of vermoedelijk gesproken, wordt 23 keer wellicht geschreven, 63 keer is iets mogelijk geweest, wordt 42 keer iets waarschijnlijk, 10 keer iets onduidelijk en 13 keer het problematisch of wordt het een probleem genoemd en 18 keer is zelfs het woord twijfel te lezen of wordt geschreven dat het aangenomen wordt of aannemelijk is . (Telling is uitgevoerd met een tekstgenerator!). Over hoeveel zekerheid gaat het dan? We geven hieronder een aantal (niet alle 278) letterlijke citaten waarin sprake is van die twijfel: (Voor Uw gemak en voor vragen of om opmerkingen te kunnen maken -zie email op de beginpagina-, hebben we de teksten van een nummering voorzien die kan wijzigen bij tussenvoegen van nieuwe gegevens).
Een interessante aanvulling over de Palts van Karel de Grote lezen we in het Verhaal van Gelderland, ook onder redactie van Dolly Verhoeven (e.a.).
Rode mortel bij de Romeinen De rode mortel wijst duidelijk op hergebruik van Romeins bouwmateriaal. Het bevestigt ook precies de gedenksteen die Frederik Barbarossa liet plaatsen, waarop vermeld staat dat hij het Romeinse bouwwerk herstelde. De Romeinen waren zeer deskundig op het gebied van mortel. Ruïnes van hun bouwwerken staan al eeuwen bloot aan weer en wind, zonder dat de mortel uitgespoeld is. Romeinse mortel bestaat meestal uit kalk, zand en water. Voor waterwerken kon de kalk door puzzolaan vervangen worden, dat bij Napels gewonnen werd. De Romeinse architect Vitruvius geeft een variant, die een rode mortel oplevert. Hij kiest daarvoor 1 deel kalk, 2 delen rivierzand, aangevuld met 1 deel gemalen dakpan, en 15 à 20% water. Het resultaat is herkenbaar aan de rood-roze voegen, bij beschadigingen is te zien dat het hele metselwerk met enkel restjes rode mortel waren gevoegd en werden door Van Agt in de Karolingische tijd geplaatst. Die rode mortel wordt nu gebruikt om het Karolingisch Paleis aan te tonen dat er bijna 300 jaar gestaan zou hebben. Zie de afbeelding hiernaast van de plaats waar die rode mortel 'aangetoond' zou zijn in de St.Maartenskapel, overblijfsel van de Barbarossa-ruïne. In het hierboven genoemde artikel van J.F. van Agt over de kapel op het Valkhof lezen we het volgende: "Wel werd op enkele plaatsen mortel aangetroffen met baksteenpoeder erin maar het bleek dat deze rood gekleurde specie bij puinblokken hoorde of aan stenen zat die kennelijk afkomstig waren van herbezigd sloopmateriaal. Deze alleen plaatselijk gevonden mortelresten zijn overigens van een heel andere samenstelling dan de zeer harde rode pleister, waarmee het gebouw - blijkens overgebleven resten - zowel binnen als van buiten afgewerkt is geweest De resten van rode mortel binnen in het metselwerk lijken op specieresten in twee muurfragmenten bij de westelijke uiteinden van de romaanse Barbarossa-ruïne en op mortelresten, aangetroffen op losse Romeinse fragmenten verspreid over het Valkhofterrein; ook werd op veel plaatsen puin met mortel opgegraven. Op het Valkhof terrein werden geen fundamenten of grondsporen van Romeinse gebouwen aangetroffen; de Romeinse fragmenten moeten dus van elders gehaald zijn. De muurgedeelten met de rode mortel bij de Barbarossa-ruïne beschouwde Weve als Karolingisch, zij zijn jonger dan een waarschijnlijk Merovingisch fundament met grijze mortel, dat langs de hele westrand van deze ruïne loopt, maar veel ouder dan het aansluitende muurwerk uit de 12de eeuw. Uit dit alles bleek, dat de Karolingische Palts met behulp van rode mortel was opgemetseld uit bouwstenen, die gedeeltelijk van Romeinse herkomst waren. De excentrisch gelegen polygonale kapel, zo concludeerde Weve, moest dus blijkens de rode mortel die op sommige plaatsen werd gevonden, gebouwd zijn met Karolingisch sloopmaterial en wel op een plaats, waar tevoren geen ander bouwwerk had gestaan". Deze rode mortel die in Nijmegen als Karolingisch wordt verklaard, is in werkelijkheid Romeins. Ook dit bevestigt weer het enorme gat van Nijmegen in de continuïteit tussen Romeins en 11de/12de eeuw. Dat gat wordt met die rode mortel niet kleiner, eerder groter. Het gat van Nijmegen zie je ook telkens terug in diverse publicaties. Zie als voorbeeld het eigen Museum Het Valkhof en bevestigt in Verhaal van Gelderland, maar ook in het Bronnenboek van Nijmegen waar men de 3de/4de eeuw (Peutingerkaart) laat volgen door de 8ste eeuw met de onjuist toegepaste oorkonde uit 777. Enkele opmerkingen daarover worden hierboven en hiernaast al genoemd. Verschillende afbeeldingen van de 2 delen van de Nijmeegse godenpijler (waaronder eigen foto's). Zie ook het Verhaal van Gelderland, hoofdstuk 4 pagina 145.
Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf! |
| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |