We bespreken uit de Jaarboeken alleen de artikelen die gezien onze studie van belang zijn.

Klik op de tekst voor een vergroting.
Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen.
Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen.
Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd.
Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.
Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
|
Andere artikelen uit dit Jaarboek zijn:
Lijst van publicaties van dr. Mari P. van Buijtenen
De kapel van Koelhorst op het Hoogland (ca. 1350-1843)
De dood in de Paulusabdij
De stichting van de eerste rooms-katholieke armenschool te Utrecht
|
Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een 'communis opinio' een steeds grotere verwarring is ontstaan en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Het vroegmiddeleeuwse Traiectum wordt als de voortzetting van het Romeinse castellum beschouwd en hebben de meeste historici aangenomen, dat er vroeger een rivier was die door het huidige Utrecht stroomde en dat die rivier de Rijn was. Tegenwoordig is er van die rivier niets anders over dan enige stukjes gracht en wat nietige waterlopen. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1975, p.44 e.v.).
De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.
De Willibrordherdenking van 1939.
Herdenkingen zijn doorgaans tamelijk zuivere graadmeters van stemmingen, verwachtingen en geschiedbeelden die bij de gedachtenishoudende generatie leven. Is de verering van Willibrord en Bonifatius een constante in het Nederlandse geestesleven, van een uitzonderlijke draagwijdte was de viering van het twaalfde eeuwfeest van Willibrords sterven. Herdenkingen zijn te vaak gebaseerd op 'tradities', weinig op historische feiten. Vraag is tot hoever terug die tradities dan gaan. Wat de traditie van Willibrord betreft, deze gaat niet verder terug dan 1559. Hierover schreef prof.L.Rogier het volgende: "vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrordus, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden".
De gedachte in het jaar 1939 tot een nationale herdenking van het twaalfde eeuwfeest van Willibrords overlijden te komen, is het eerst opgekomen bij pastoor E. Lagerwey van de oud-katholieke St. Getrudisparochie aan het Willemsplantsoen te Utrecht. Het twaalfde eeuwfeest mag dan juist zijn, als maar begrepen wordt dat Willibrord niet in Nederland gemissioneerd heeft. Het missiegebied van Willibrord lag 'ergens' in het land van de Friezen, zoals prof.R.R.Post al eens verklaarde, waarmee hij Albert Delahaye volkomen gelijk gaf. Dan is het wel noodzaak om uit te zoeken wat er bedoeld wordt met 'ergens' en waar het land van de Friezen dan wel lag. Was dat het moeras- en waddengebied in Nederlands Friesland of was het Frisia in Frans-Vlaanderen 'waar de Fresones naast de Moriniërs woonden', zoals Tacitus (eind 1ste eeuw) en Ammianus Marcellinus (Historiën, 4de eeuw) schreven..

De vier onderdelen: herdenkingsbijeenkomst, tentoonstelling, gedenkboek en een blijvende herinnering - er wordt niet meer van een standbeeld gesproken - moeten de kern uitmaken van een gemeenschappelijke door christelijk Nederland op te zetten viering. Het standbeeld van St.Willibrord te paard (sic)! zal er uiteindelijk wel komen, maar pas in 1942 na een kritisch artikel van dr.P.C.Boeren dat Sint Willibrord eerder 'apostel van Brabant' dan van de Friezen zou zijn geweest. Om de mythen van het grote missiegebied enigszins acceptabel te maken wordt St.Willibrord te paard afgebeeld, zoals op de schoolplaat van Isings (zie hieronder). Ook op het standbeeld te Utrecht is Willibrord te paard is gezeten. Immers, slechts te paard zou hij de enorme afstanden in zijn oneindige missiegebied hebben kunnen afleggen. Deze historische manipulatie is natuurlijk een farce, zeker als je bedenkt dat St.Willibrord een Benedictijner monnik was. Benedictijnen bezaten geen paarden. Een paard was bezit van de adel en vertegenwoordigde rijkdom, wat in strijd was met de leeflegels van de Benedictijnen. Bovendien is van Willibrord bekend (uit een brief van Bonifatius) dat hij tot op hoge leeftijd op dezelfde plaats verbleef. Het 'Stabilitas loci' gold voor de Benedictijnen als een der voornaamste regels!
Lees meer over die tentoonstelling uit 1939 en de Willibordtraditie, waarbij opgemerkt dient te worden dat van de Kunstvoorwerpen en beeldhouwwerk bijna alles uit het buitenland afkomstig waren. Nu wordt wel ter verontschuldiging aangegeven dat sommige landen en musea niets wilden uitlenen, maar dat betrof de Scandinavische landen, Engeland en Duitsland. De kunstvoorwerpen kwamen uit Dublin (meerdere stukken), Namen, Leeuwarden, Maeseyck, Parijs (enkele stukken) en St.Germain-en-Laye, London (toch nog enkele stukken, ondanks eerdere weigering), 's-Gravenhage, Luik, Deventer, Maastricht (enkele stukken), Amsterdam Rijksmuseum (betreft een jachthoorn uit Noord-Italië), Münster, Rouen (enkele stukken), Rotterdam (Byzantijnsch), Arnhem (Nederrijnsch), Utrecht (Keuls en Noord-Frans), St.Omer (enkele stukken). Wat in deze opsomming meteen opvalt is dat Echternach en de Hollandse en Brabantse St.Willibrordkerken ontbreken. Blijkbaar hadden zij niets wat tentoonstelling-waardig was.
Evenmin deugt op deze schoolplaat de stenen kerk. In Nederland is immers nooit enig spoor gevonden van een stenen kerk uit de 7e of 8e eeuw. De afgebeelde scene kan zich dus nooit in Nederland hebben voorgedaan. Het is pure misleiding.
Onthulling van het standbeeld van St.Willibord op het Domplein op 7 november 1947. Het standbeeld is nadien verplaatst en staat momenteel op het Janskerkhof in Utrecht..
Koningin Wilhelmina is echter niet van plan blijken van belangstelling te geven, en de secretaris laat zelfs weten dat hij het oprecht gesproken weinig waarschijnlijk acht dat de vorstin de tentoonstelling ook maar zal bezoeken. De Koningin (Wilhelmina) wilde met de herdenking eenvoudig niets te maken hebben en is voor de aandrang, van alle kanten instanter, instantius, instantissime op haar uitgeoefend, geen millimeter geweken. Haar geringe en dan nog voorgevormde historische interesse moet hieraan wel debet zijn geweest. Zij moet bovenal heel de zaak veel te katholiek hebben gevonden, en haar sympathie lag daar nu eenmaal niet. Haar kleindochter en latere Koningin Beatrix had blijkbaar minder problemen met dat katholieke. De onthulling van het standbeeld van Bonifatius in Dokkum werd in 1962 gedaan door prinses Beatrix, een protestants lid van het Koninklijk Huis.
Op de stoep vóór Pays-Bas hadden de genodigden een plaats gekregen, de minister-president voorop, en nu ook met een vertegenwoordiger van H.M. de Koningin. En met aartsbisschop De Jong die aan zijn fiere verzetshouding in W.O.2 het kardinaalspurper had verdiend. Maar met hem ook vertegenwoordigers van andere kerkelijke gemeenschappen in ons land.Het ruiterstandbeeld werd onthuld op 7 november 1947 door mevrouw Heerkens-Thijsen van der Kun in aanwezigheid van kardinaal H. de Jong. Het staat momenteel op het Janskerkhof in Utrecht.
Utrecht heeft na de Romeinse tijd tot in de 12de eeuw niet bestaan heeft als stad. St.Willibrord heeft er dan ook nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. Dat Willibrord hier dan gepredikt zou hebben is een volslagen mythe.
|