| Terug naar de beginpagina. | Naar het overzicht in het kort. |

Klik op deze tekst in het kader hierboven voor een kaart van Guines en omgeving als voorbeeld voor de vele plaatsnamen in het gebied rond Tournehem, waaronder Hames-Boucres en Brêmes, de naamgevers van Hamburg en Bremen.
|
Er komen steeds meer websites die actief zijn op het uitgebreide gebied van de geschiedenis. Daarbij moet scherp onderscheid gemaakt worden naar de vorm en de inhoud van die websites. Vind je op een website geen mededelingen over de nog alom aanwezige twijfel, dan is zo'n website te beperkt. Vooral op het gebied van naamkunde is er nog steeds veel twijfel en discussie en dat mag dan ook op geen enkele website ontbreken. Naamkunde is de sleutel tot de oplossing van veel historische problemen. ![]() Een voorbeeld van een onzinnige naamsverklaring is Antwerpen. Het zou afgeleid zijn van HAND-werpen waarbij de held Brabo de reus Antigoon zou hebben verslagen, zijn hand afgehakt en weggeworpen zou hebben. Deze onvoorstelbare stupiditeit wordt in Antwerpen ook nog met een groots beeld herdacht. Het is de 'Manneke Pis' van Antwerpen. Het werkwoord “opklimmen”, een begrip niet uit de naamkunde maar uit de sibbekunde, wordt steeds door dr. Maurits Gysseling gebruikt als hij het ook niet weet. Als bij dr. Maurits Gysseling iets “opklimt” dan is het als regel tot een naam die hij zelf heeft bedacht, hetgeen hij zelf aanduidt als “creatief wetenschappelijk werk”. Maar dr. Maurits Gysseling gaat wel erg ver in zijn proto-germaanse kabalistiek, met als hoogtepunt zijn “manna-rik-jan” waartoe Maurik (Gelderland) zou “opklimmen”, iets dat niemand hem durfde na te zeggen. Hij leidt geografische namen ook graag af uit persoonsnamen en dr. Maurits Gysseling neemt het daarbij erg ruim. De verklaring van M.Gysseling over de plaatsnaam Douia dat afgeleid zou zijn van de persoonsnaam Dous en aangezien uit de historische bronnen geen voornaam of familienaam Dous bekend is, blijft alleen over aan te nemen dat ’t de naam van zijn hond is! Deze methode moet verworpen worden, niet eens omdat zij ál te goedkoop is, maar vooral omdat zij het verder onderzoek afkapt en de serieuze onderzoeker afschrikt, die een betere verklaring heeft gevonden maar het niet durft opnemen tegen de “gezaghebbende” naamkundigen, die alles als “onmogelijk” betitelen wat niet uit hun koker komt. Zo'n afgeschrikte onderzoeker was Albert Delahaye allerminst. Hij zette Gysseling weg als theatraal fantast en wijde een heel hoofdstuk in zijn boek Holle Boomstammen aan hem met als titel "Een brullende Vlaamse Leeuw" met als eindkreet van die brullende leeuw 'Manna-rik-jan' wat bij Gysseling de etymologische verklaring was voor Mannaricium. |
"Alle identificaties van Delahaye zijn onmogelijk" riep M.Gysseling euforisch uit. Was dat om eigen fouten en onkunde te verhullen? Als toponymist zou hij als eerste moeten weten dat in naamkunde alles mogelijk is. Bij plaatsnamen, schreef de bekende en deskundige professor A.Dauzat, is alles mogelijk, doodgewoon vanwege het feit dat wij nooit de volledige ontwikkeling van de plaatsnamen met zijn volksetymologische veranderingen, plaatselijke spraakgebruiken of dialectische invloeden en andere factoren kennen. Wanneer historisch is vastgesteld dat een plaats een bepaalde naam heeft gehad, zegt hij, hebben we dat te aanvaarden, ongeacht of het al dan niet strookt met taalwetten. Geldt dit al voor de zuivere en onaangeroerde taalgebieden, bijvoorbeeld het centrum van Frankrijk waar geen vreemde invloeden gevreesd behoeven te worden, dan moet het dubbel worden aangeraden voor de streek van de taalgrens, waar twee talen de plaatsnamen beïnvloed en bepaald hebben. De historie van Frankrijk, Vlaanderen, Nederland en Duitsland zit vol historische mythen. De naamkunde is het eerste waarin men moet zoeken naar de historische waarheid, zeker omdat de locatie van die geschiedenis en zeker de historische geografie, volledig en uitsluitend gedragen wordt door de namen van plaatsen die in de bronnen voorkomen. Wie goed nadenkt over de ‘Nederlandse’ plaatsingen en er de literatuur op naslaat, moet de absurditeit van het geheel wel in het oog gaan springen. We hoeven ons niet eens af te vragen of de weinige plaatsingen in Utrecht en Holland gedekt worden door de archeologie, want dat is niet het geval. Maar of er negende-eeuwse kerken in Bevorhem, Galana, Haltna, Limbon, Riswic, Thorhem, Tlex, Upchirika en Valcanaburg kunnen worden aangewezen, wat ook niet het geval is, is op zich al afdoend om de historische mythen af te wijzen. Naast de namen uit de goederenlijst van het bisdom Traiectum kunnen de honderden namen uit de documentatie van het klooster Aefternacum in Nederland niet bestaan hebben, terwijl ze in dezelfde Noord-Franse streek worden aangewezen, wat de juistheid van de plaatsing bevestigd. Dit is feitelijk zo’n klare en evidente waarheid dat zij niet eens nader behoeft te worden toegelicht. Het is dan ook geen wonder, dat de mythen ten principale worden ontkend. Immers: wanneer zij op één punt zouden worden toegegeven, of dat nou het Karolingisch Noviomagus is, of de juiste plaats van Batavi en Fresones, of de juiste plaats van Willibrords bisschopszetel en abdij, of de juiste streek van de eerste zendelingen, of de juiste opkomst van Holland en Utrecht, of het ware begin van Friesland, dan zakt een op mythen gebaseerde naamkunde als een mislukte plumpudding in elkaar. Dit is ook een evidente waarheid, die nodig eens uitgesponnen dient te worden, daar het nu waarachtig lang genoeg heeft geduurd dat foutieve naamkundige paarden voor de wagens van de mythen zijn gespannen. In de Batua moeten onder meer de volgende plaatsen gelegen hebben: Andassale, Andleda, Argova, Arnestadi, Attiniacum, Aspanmora, Babinga, Bedensis, Bichendorf, Billiacum, Bloheim, Bollingen, Bosolvia, Buxingi, Colvidum, Conzteim, Crastlingi, Dagoradaville, Deddingwerbe, Dreise, Einingi, Elti, Ewic, Evitano, Gauriagum, Genesvurdhi, Getvurdh, Gladebach, Harawa, Haslum, Heddingrip, Hem, Hinlesum, Hlegilo, Hoensal, Holzheim, Humerki, Imiswalde, Kinhem, Langenrech, Linterwic, Lullingas, Luvigus, Machonvillare, Maquila, Midningi, Monicesloc, Nedervurdhi, Nommero, Nordmora, Obinghem, Oigmore, Officinus, Rorici, Russingi, Sceddanvurthe, Sedlingi, Seltnon, Silec, Trustlingi, Westracha, Winx, Wirem. Waar liggen al deze plaatsen in de Betuwe? En dan gaat het niet om vandaag of gisteren, maar om de 7de tot 9de eeuw! Zolang de Nederlandse historici deze plaatsen niet in de 7de of 9de eeuw in de Betuwe kunnen aanwijzen, moeten ze ophouden met de mythe van de Bataven in Nederland. Naamkundigen doen er verstandig aan het hoofdstuk over De dwaalwegen van de historische naamkunde in De Ware Kijk Op eens goed door te nemen. Voordat men een historische plaatsnaam ergens mag neerleggen, moet aan drie voorwaarden zijn voldaan: Ten eerste: dat ter plaatse ten tijde van de vermelding een menselijke nederzetting bestond, een stelling die zonneklaar is en niet nader behoeft te worden toegelicht. Ten tweede: dat die nederzetting die naam droeg waarover het gaat, ook een duidelijke zaak. Ten derde: dat de huidige plaats zowel een historische als een naamkundige continuïteit moet hebben met de oude naam. Daarbij moet de farce worden losgelaten, dat een naam kan worden doorgegeven in een onbewoond gebied! Bij de toepassing van deze drie voorwaarden op Frisia, Traiectum, Dorestadum, de Batua en Noviomagus - om de vijf pijlers van de mythen in Nederland te noemen - wordt in Nederland aan geen enkele van de drie voorwaarden voldaan. Er is geen bewijs dat de streken en plaatsen tussen de 3e en 10e eeuw in Nederland bestonden. Integendeel: de archeologie en de stratigrafie bewijzen dat zij niet bestonden. Dan kan de aangenomen geschiedenis er ook niet geplaatst worden en zijn de mythen in één slag opgelost. Maar er is meer: Omdat een plaatsnaam 'ipso facto' een historische lading heeft, houdt een verkeerd gelegde plaatsnaam vier kapitale fouten in: 1. de onjuiste schijn dat een plaats al zoveel eeuwen eerder bestaan zou hebben, 2. dat de plaats onder de oude naam bekend was, (Hollandse plaatsen in Franse bronnen genoemd?) 3. dat er een historische continuïteit bestaan heeft tussen een oude en de nieuwe plaats. 4. Het begin van de nieuwe plaats zal archeologisch of tekstueel bevestigd moeten worden en niet op grond van de aangenomen geschiedenis. Aan de hier genoemde vier kapitale fouten, kan nog een vijfde worden toegevoegd, namelijk die van het onbewoonbaar zijn van het land door langdurige en intensieve overstromingen, ofwel de transgressies. Rond 260 na Chr. vertrokken de Romeinen uit laag-Nederland vanwege de overstromingen. Zowel door de archeologie, de geologie en de stratigrafie worden overvloedige bewijzen aangedragen dat het maaiveld uit de Romeinse periode onder latere overslaggronden ligt, die zonder enige onderbreking tot in de 10e eeuw doorlopen, waardoor vaststaat dat Nederland toen overstroomd was en er geen plaatsen gelegen hebben en zeker niet de ca. 300 plaatsen, die in de bronnen van het bisdom Traiectum genoemd worden en in Nederland onvindbaar zijn. Dan verdwijnt met de onvindbare plaatsen ook de aangenomen geschiedenis, die juist op basis van die plaatsnamen er geplaatst werd. Het waren juist de 'naamkundigen' die de mythen hadden moeten ontdekken en oplossen. Maar omdat zij redeneerden in een vicieuze cirkel, steunt hun opvatting op de fout dat men een oude naam op een nieuwe plaats plakt. Naamkunde kan slechts bestaan als er een historisch of archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Is dat niet zo, dan moet men de aangenomen naam verwerpen! Het is ook overduidelijk dat een plaatsnaam nimmer als bewijs kan worden opgevoerd bij twijfel over de archeologische of historische zaken. En dat is helaas wel massaal gebeurd. Juist de naamkundigen hebben er een potje van gemaakt, door slechts met een plaatsnaam een bepaalde geschiedenis op een plaats te plakken. We geven als voorbeeld Deventer. Daarvan is archeologisch vastgesteld dat het ouder is dan de 10de eeuw. Dan was Deventer niet het Daventria uit teksten uit de 8ste eeuw. Immers toen is er geen bewoning in Deventer aangetoond! En zonder bewoning viel er ook niemand te bekeren door St.Lebuinus, die in Vlaanderen bekend is onder de naam St.Lieven. Dit gegeven gaat op ook voor andere plaatsen zoals Utrecht, dat in de tijd van St.Willibrord uit een laag afzettingssediment bestaat, of Dokkum waarvan is aangetoond dat er in de tijd van Bonifatius geen enkele bewoning was. Dan hebben de plaatsnamen 'Trajectum' en 'Dockynchirica' ook geen betrekking op Utrecht en Dokkum. De naamkundigen hebben de volgende kapitale punten gemist: 1. Ze vertrekken vanaf de moderne plaatsnaam en gaan dan in tijd, in bronnen en in taal achteruit om te kijken welke oude naam daarachter staat en of de etymologie zou kunnen kloppen. Deze manier van werken blijkt uit hun naamkundige woordenboeken, die immers gerangschikt zijn op de moderne namen. 2. Er bestaan een massa doublures van plaatsnamen waarbij de vraag gesteld moet worden wat dan de oudste, de oorspronkelijke plaatsnaam is. Doublures bestonden al in de Romeinse tijd. Er waren wel 12 plaatsen die Noviomagus heetten. Migratie van plaatsnamen heeft altijd bestaan. 3. Bij intervallen van vele eeuwen tussen twee namen moet aangetoond worden in hoeverre er van continuïteit sprake is, wil men beide namen aan dezelfde plaats toewijzen. 4. In de latere latiniseringen (vertaling in of vanuit het latijn) zijn niet als achterafse vertalingen onderkend. Een nieuwe spelling betekent nog niet een nieuwe plaats. Aken, Aachen en Aix-la-Chapelle zin toch echt dezelfde plaats. 5. Een massa Gallo-Romaanse namen zouden in zogenaamd Nederlandse bronnen voorkomen zonder tussenvorm of aannemelijke 'vertaling'. 6. Namen voldoen niet aan wat de naam zelf al inhoudt. Zo is bij de opgravingen in Wijk bij Duurstede geen stad gevonden en is de naam Dorestad er dus niet van toepassing. 7. Plaatsnamen worden gemaakt, bewaard en veranderd door de volksmond. De naamkundigen zien veel te gemakkelijk over het hoofd, dat een de evolutie van plaatsnamen in uitspraak en in geschreven vormen kan plaats hebben gevonden. En dan hebben we 'overschrijffouten' van de kopiïsten nog niet eens genoemd. 8. De oudste vorm is bepalend voor de naamsverklaring en de herkomst van de naam. Veel namen blijken te verklaren vanuit landschappelijke omstandigheden, zoals dat nog steeds zo is met (als voorbeeld) moderne namen eindigend op -veen, -broek of -duin. Als sprekend voorbeeld noemen we de fundamentele verwarring over de plaatsnaam Noviomagus, die opgevat werd als het Noviomagus van Karel de Grote, waar hij een nieuw paleis liet bouwen. Maar nu zowel historisch (zie het Bronnenboek van Nijmegen) als archeologisch gebleken is dat van dat veronderstelde paleis niets gevonden is, vervalt die naam Noviomagus voor Nijmegen. Maar het neemt dan ook de Romeinse naam Noviomagus voor Nijmegen mee in de val. Immers Romeins Noviomagus is gebaseerd geweest op de aanname dat Nijmegen Karolingisch Noviomagus was. En als de naam Noviomagus verdwijnt uit de Nederlandse geschiedenis, verdwijnen ook de hierboven genoemde namen Frisia, Traiectum, Dorestadum en de Batua voor Nederland en een hele lijst overige plaatsen die juist op het Noviomagus voor Nijmegen gebaseerd zijn geweest. |
Het is nog steeds niet te verklaren dat Nederlandse historici, die zomaar locaties uit hun mouw schudden alsof het niets is, er toch niet in slagen de ruim 96% van de plaatsen uit de oude kronieken in Nederland te lokaliseren en deze dan maar overslaan, alsof het ook maar niets is. Het aantal overgeslagen plaatsnamen is tekenend voor de geschiedenis van de Lage Landen (Les Pays-Bas) in het eerste millennium. De 'naamkundigen' prof.dr.D.P.Blok en dr.M.Gysseling schrijven in hun toponymische woordenboeken bij respectievelijk 843 en 511 plaatsen «onbekend». Als honderden plaatsnamen uit de klassieke teksten in Nederland onvindbaar zijn, maar in Frans-Vlaanderen zo zijn aan te wijzen, moet het toch wel tot je doordringen dat je in Nederland in de verkeerde streek aan het zoeken bent.
Laat je hierbij niet misleiden door een enkele overeenkomstige plaatsnaam die toch 'zeker' lijkt te zijn. Is Daventria Deventer of was het toch Desvres? Ligt Deventer in Gallië? Bekijk dan eerst in hoeverre er sprake is van een doublure.
De juistheid van de visie van Delahaye wordt bevestigd door de lijsten van plaatnamen uit de boeken van Albert Delahaye. Uit die boeken is een register van meer dan 10.000 plaats-, eigen- en begripsnamen samengesteld. Dat register vindt U in hier. De hier genoemde plaatsnamen komen overeen met wat de Romeinse (zoals Tacitus) en Griekse (zoals Ptolemeus) schrijvers vermelden. Een voorbeeld van plaatsen geven de Oorkonden van het klooster Werethina en plaatsnamen uit het Oera Linda Boek. Ook de lijst van goederen van St.Willibrord en de lijst van Echternachse goederen in Friesland en de lijst van ruim 500 plaatsnamern in de Batua en Taxandria bevestigen de juistheid van de visie van Delahaye.
Al deze plaatsen liggen in (Frans-)Vlaanderen.
