De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Het Valkhof, 2000 jaar geschiedenis. Hoofdstuk 4, p.106-127.

Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200.
De literatuuropgave in dit boek over Het Valkhof is veelzeggend. Verwijzingen naar bijvoorbeeld Smetius (1645), Daniëls (1921) en Schevichaven (1896) geven duidelijk aan dat er slechts oude opvattingen worden aangehaald uit de tijd dat archeologie en geschiedschrijving nog niet serieus bestonden. Ook de verwijzing naar de Stede-Atlas van F.Gorissen (1952) is wat dat betreft duidelijk. Gorissen ging bij zijn Stede-Atlas uit van het bestaan van een Karolingische Palts, terwijl dat juist eerst eens bewezen zou moeten worden, welk bewijs tot heden nog steeds ontbreekt. De verwijzing naar het Bronnenboek van Nijmegen van Leupen en Thissen (1981) is de beste bevestiging van achterhaalde geschiedenis.

Stamt de Kapel op het Valkhof uit 1030?
Dit jaartal dat algemeen aanvaard is, net zoals de opvatting dat de St.Nicolaas gebouwd is naar voorbeeld van het stift in Aken. Het is een mythe en het is eerder andersom geweest. Bij nadere bestudering blijken de bronnen zeer twijfelachtig.
Het jaartal 1030 wordt 'als vaststaand' genoemd door J.F. van Agt in het artikel "De Sint-Nicolaaskapel op het Valkhof" (p.52-58), opgenomen in 'Het Valkhof te Nijmegen' in Catalogi van het kunstbezit van de Gemeente Nijmegen nr.3.
Maar wat schrijft Van Agt precies? "De bouw rond 1030 van een kleine kapel in Nijmegen als vereenvoudigde navolging van de Paltskapel te Aken past dus helemaal in dit kader".

De vraag is dus: Welk kader wordt hier bedoeld?

Over dat kader valt het nodige op te merken:
  • Van Agt en anderen gaan uit van het feit dat de palts van Karel de Grote in Nijmegen heeft gestaan.
  • Dat deze palts in 1047 verwoest is door Godfried van Lotharingen, maar dat de kapel blijkbaar 'gespaard' is gebleven, misschien dank zij haar excentrieke ligging. Van Agt stelt het hier wel erg simplistisch voor. Zou Godfried en zijn troepen die kapel werkelijk over het hoofd hebben gezien?
  • Dat Sint-Nicolaas, de patroonheilige en patroon van de schippers, al in 1030 bekend was in Nijmegen. Nicolaas zou al in Duitsland bekend zijn geweest voordat zijn relieken van Myra naar Bari werden overgebracht, wat in 1097 gebeurde. Hier is dan ook zeker sprake van een wonder.
  • Dat ir. J.J.Weve, die de bouw na zorgvuldig archeologisch onderzoek, op 1046/47 stelde, het dus fout had.
  • De bouw van de ten onrechte 'Karolingisch' genoemde kapel heeft in ieder geval niet in de tijd van Karel de Grote, maar pas veel later plaatsgevonden.
  • De spaarvelden van de westelijke uitbouw, plaatsen de kapel in dezelfde tijd als ondermeer de in 1048 ingewijde Sint-Pieterskerk te Utrecht.
  • We mogen derhalve de polygonale kapel op het Valkhof zonder enige twijfel als een gebouw uit het tweede kwart van de 11de eeuw beschouwen. Dit vanwege vergelijkingen met de Michaëlkerk te Hildesheim, de Lebuinuskerk te Deventer en meerdere bouwwerken in de Rijnstreek. Noot 28 verwijst naar 2 publicaties: Edgar Lehman, Der frühe deutsche Kirchenbau, Berlin 1938; E.H. ter Kuile, De Romaanse kerkbouwkunst in de Nederlanden, Zutphen 1975.
  • Vervolgens worden vergelijkingen gemaakt met de kerk te Brugge (bekend door de moord op Karel de Goede in 1027) en de Saint-Jean te Luik, die sterk leek op het Akense voorbeeld. De veel kleinere kerk te Muizen bij Mechelen uit de 10de eeuw, die duiden op een soortgelijke opzet. De Walburgiskerk te Groningen waarvan de meningen over de dateringen uiteen lopen, maar de bouwtijd in de 11de eeuw is niet onwaarschijnlijk. Helaas kunnen we over het inwendige van deze gebouwen slechts vermoedens uiten.

    De conclusie van J.F. van Agt luidt als volgt:
    "Welke invloed echter tussen het einde van de 10de eeuw en het midden van de 11de eeuw van Aken uitging, bewijzen het westwerk van de Abdijkerk (nu Dom) in Essen, waarin een halve centraalbouw naar Akens model is opgenomen, de westgalerij van Sankt-Maria im Kapitol te Keulen en de achthoekige Mariakerk te Ottmarsheim. Hier sluit de dubbele zuilenopstelling in de openingen van de arcaden iedere twijfel uit. Het westwerk in Essen kwam tot stand onder Abdis Mathilde (974-1011) rond het jaar 1000; en de kerk te Ottmarsheim werd pas in 1049 gewijd, omstreeks welke tijd ook de westgalerij van de Kapitoolskerk gereed zal zijn gekomen".

    De datering blijkt dus te bestaan uit vergelijkingen met overeenkomstige gebouwen elders in Westelijk Europa. En zoals alle vergelijkingen het mis hebben, is op grond van al deze twijfel en onzekere 'vergelijkingen' van bouwwijzen, komt Van Agt op het jaar 1030! Hoe onzeker wil je het hebben? Er bestaat dus geen enkel rechtstreeks bewijs voor de datering op 1030!

    Feitelijk is Het Valkhof een misplaatste naam. Deze naam impliceert de bij de Karolingen gebruikelijk Valkenjacht. Maar van een Valkenjacht is daar nooit sprake geweest, immers de Karolingen zijn nooit in Nijmegen geweest.



    De Fundamentele verwarring bestaat uit de vraag of Noviomagus uit de klassieke teksten Nijmegen is of Noyon. Het kernpunt waar alles mee begon en waar alles om draait is deze hier genoemde fundamentele verwarring. Deze kwestie ligt aan de grondslag van talloze andere opvattingen, zoals de verwarring rond Trajectum: was het Utrecht of was het Tournehem en Dockynchirica, was dat Dokkum of Duinkerke? Immers als Nijmegen fout is, is Utrecht ook niet de bisschopszetel van Willibrord en werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en dan was de Betuwe ook niet het land van de Bataven. Dat gebeurde allemaal in Noord-Frankrijk!



    Keizerin Theophanu.



    Afbeelding op de zijmuur van het Casino in Nijmegen, met de levensloop van Keizerin Theophanu, die ten onrechte in Nijmegen wordt geplaatst. Het is een van de hardnekkige mythen die in Nijmegen gekoesterd worden. Klik op de afbeelding voor een vergroting.

    Het is opmerkelijk wat Willem van Berchen er ca. 1480 over schrijft.
    Frederik I... in het jaar 1150 tot rooms koning gekozen, liet in het derde jaar van zijn regering (d.i. 1152) Noviomagus in volle pracht herstellen, dat door de Noormannen en Boudewijn van Vlaanderen was vernield en oorspronkelijk door Julius Caesar was gesticht. Over deze restauratie handelen de verzen van een oud opschrift aan de kerk van Nijmegen ingemetseld, dichtbij de schatkamer, waarop staat gebeiteld: (dan citeert hij de tekst van de gedenksteen uit 1155 (zie daar) en vervolgt). Dit vers moet worden opgevat als te handelen over de stad Nijmegen die toen, zoals boven is gezegd, helemaal verwoest en ontvolkt was. Echter, het Paleis van de stad kan niet door deze keizer Frederik hersteld zijn, maar ook door andere roomse keizers. Want daarna (na de verwoesting) hebben zij er nog enige tijd gewoond, zoals Otto II (980-1002) en zijn moeder Theophanu, Hendrik II (973-1024) en Hendrik III (1017-1056), die er immers niet hadden kunnen wonen wanneer zij er niet het Paleis hersteld hadden. (Bron: Wilhelmus de Berchen, Chronicon Geldriae, p. 36.)

    De kroniekschrijver Willem van Berchen heeft enkele Nijmeegse mythen op zijn geweten, maar plaatst hier desondanks een kritische en juiste opmerking. Daarmee spreekt hij niet alleen zijn eigen kort tevoren gedane beweringen tegen, maar gooit hij in feite alle ruiten van het Karolingisch Paleis in Nijmegen in. Dit zich tegenspreken, maar toch aan traditionele opvattingen vasthouden, schijnt een typisch Nijmeegse eigenschap te zijn. Het Bronnenboek waarin ook deze tekst ontbreekt, ze kennen in Nijmegen de hele Willem van Berchen niet waaraan ze toch vele mythen te danken hebben. Zijn boeken ontbreken ook steevast in de vele literatuurlijsten.



    De kapel op het Valkhof zoals Ir.J.Weve dat schetste.




    De herbouwde kapel, een kapel van rommelsteen, herbouwt inclusief Romeinse dakpannen.

    Lees meer over Het Valkhof.



    De Gedenksteen uit 1155 van Frederik Barbarossa die hij liet vervaardigen bij de bouw van zijn Palts op Het Valkhof. Op de achterkant is te zien dat de steen is gehouwen uit een Romeinse zuil.

    Deze gedenksteen vormt het ultieme bewijs dat na de Romeinse periode de geschiedenis van Nijmegen pas weer begon in de 12de eeuw.

    Klik op de gedenksteen voor meer informatie!


  • Elizabeth den Hartog, de auteur van dit hoofdstuk, kennen we ook van haar publicatie over 'De oudste kerken in Holland'. In dat boek etaleert ze een aantal opvattingen die in strijd zijn met de tradities, waarmee ze Albert Delahaye onbedoeld (?) gelijk geeft. Andere opvattingen missen elke historische grondslag. Zo heeft de abdij van Echternach nooit bezittingen gehad in Holland, al heeft abt Theofried wel pogingen daartoe ondernomen. Er is ook geen enkel historisch bewijs dat St.Willibrord ooit kerken gesticht heeft in Holland. Dat is eeuwen later verzonnen door enkele fabelschrijvers. Maar, gelukkig voor de historische wetenschap, erkent Elizabeth dat ook, waar ze op het eind van haar verhaal op p.127 schrijft : "zullen we - zoals in dit hoofdstuk met hypotheses genoegen moeten nemen". Het zijn dus slechts hypothesen van wat ze stelt.

    In dit hoofdstuk wordt de geschiedenis van Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 beschreven, overigens met de nodige twijfel en slagen om de arm. Dat blijkt, zoals in dit hele boek, uit gebruik van woorden en zinnen als 'mogelijk' (12x), 'waarschijnlijk' (6x), lijkt (8x) en lijken (7x) de 'dateringen niet in de weg te staan' en 'geenszins uit te sluiten', moet (9x) 'hebben gehad' of 'het ziet ernaar uit dat...'.
    Als je leest wat Museum Het Valkhof zelf publiceert en laat zien, dan worden een aantal misvattingen vanzelf gecorrigeerd. Zo vertoont Museum het Valkhof tussen de 3de en 11de eeuw een gat van eeuwen. In 'Het Valkhof in Nijmegen' onder redactie van G.Lemmens (uitgave van het Nijmeegs Museum 'Commanderie van Sint-Jan') wordt vermeldt dat 'Nijmegen was als stad in feite ten onder gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang'.

    De 'bekering' heeft zich ingezet als we Wikipedia mogen geloven. Daar lezen we nu: "Omdat van Karel de Grote gezegd wordt dat hij een palts bij Nijmegen liet bouwen, wordt de stad Nijmegen weleens aangeduid als keizerstad. Karel de Grote was er op het paasfeest van 777 en meermalen tussen 804 en 814. Vermoedelijk heeft hij er toen zelfs gewoond". De (door mij) onderstreepte worden geven al aan dat er de nodige twijfel bestaat.

    In Nijmegen en historisch Nederland weten ze maar al te goed dat Albert Delahaye gelijk had. Van een palts van Karel de Grote is niets gevonden. In
    Archeologie Magazine nr.6 2023 lezen we: "In Nijmegen zijn nog resten te bewonderen van de keizerlijke palts waarin keizerin Theophanu in 991 overleed. De fraaie 11de eeuwse St.Nicolaaskapel maakte hiervan deel uit". Let op: Geen woord over Karel de Grote of een palts uit 777, maar een verwijzing naar keizerin Theophanu ruim 200 jaar later. Overigens is die verwijzing dubbel onjuist, aangezien keizerin Theophanu overleden is in Noyon en de St.Nicolaaskapel pas een eeuw later (ca.1089) gebouwd is en nooit deel heeft uitgemaakt van welke palts dan ook. Het was de oude parochiekerk van Nijmegen. P.S. Het was niet het gebouw dat er nu staat: dat is meerdere malen her- en verbouwd, waarin ook Romeinse dakpannen zijn verwerkt. Zie bij de St.Nicolaaskapel. In "Het Valkhof te Nijmegen" een uitgave van het Nijmeegs Museum Commanderie van St. Jan, lezen we in de Inleiding dat "op Het Valkhof Karolingische bouwwerken bestonden niet onomstotelijk te bewijzen is".In diezelfde uitgave lezen we ook dat "Nijmegen als stad in feite ten onder was gegaan aan het einde van de derde eeuw, pas in de dertiende eeuw was er weer een nederzetting van enige omvang".

    In de geschiedenis van Nijmegen neemt Het Valkhof steeds een centrale plaats in. Met het boek 'Het Valkhof 2000 jaar geschiedenis' willen de "Nijmeegse" historici nu eens uitvoerig aantonen dat omtrent het bestaan van de Karolingische Palts geen twijfel bestaat. In de 8 hoofdstukken die we bespreken nemen de auteurs hun standpunten in en menen ze alle twijfel over Karolingisch Nijmegen weg te kunnen nemen. De hoofdstukken zijn:
    1. Hoofdstuk 1.Het Valkhof en omgeving tot het einde van de Romeinse tijd, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    2. Hoofdstuk 2. Een noordelijk steunpunt. Vroegmiddeleeuws Nijmegen vanuit archeologisch perspectief, Joep Hendriks, Arjan den Braven, Harry van Enckevort & Jan Thijssen.
    3. Hoofdstuk 3. Centrum en symbool van koninklijk gezag. Het Valkhof en de palts te Nijmegen van 777 tot 1247, Bert Thissen.
    4. 'Buitengewoon en onvergelijkbaar', Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 , Elizabeth den Hartog.
    5. Hoofdstuk 5. Onder Gelders landsheerlijk gezag. De burcht in het spanningsveld tussen stad en landsheer, 1247-1543, Jan Kuys.
    6. Hoofdstuk 6. Het verval van een icoon. De Valkhofburcht gedurende de jaren 1543-1797, Jac Geurts.
    7. Hoofdstuk 7. Wie was de bouwer van de eerste burcht? Denken over de vroegste geschiedenis van het Valkhof in de twaalfde tot negentiende eeuw, Louis Swinkels.
    8. Hoofdstuk 8. Heimwee naar de burcht. Het Valkhof vanaf de sloop tot de herbouwplannen voor de Reuzentoren, Hettie Peterse.
    De centrale plaats die het Valkhof in de geschiedenis van Nijmegen inneemt, wordt tegengesproken door de excentrische ligging. Het Valkhof lag buiten de oude stad. Zie afbeelding hiernaast van Hendrik Feltman uit 1670. Klik op de kaart voor het detail met het Valkhof. Die ligging geeft al meteen aan dat het in opzet geen Karolingische maar een Duitse stad was. In een Karolingische stad lag de palts altijd in het centrum, met de bewoning daar omheen. Zie als voorbeeld de plattegrond van Noyon.

    De vraag is ook of die 2000 jaar geschiedenis slechts voor het Valkhof geldt of ook voor de hele stad? In Nijmegen meent men dan wel dat het de oudste stad van Nederland is, maar daarvoor bestaan bij voorbaat al vier problemen:
    1. Er is geen enkel bewijs dat Nijmegen ooit stadsrechten kreeg van de Romeinen. Lees daar meer over bij Stadsrechten.
    2. Er bestaat geen continuïteit in de geschiedenis van Nijmegen. Lees daar meer over bij Nijmegen oudste stad?, wat niet alleen in het Bronnenboek , maar ook door anderen bevestigd wordt, zoals in de eigen publicatie van Nijmegen van de Commanderie van St.Jan (zie hierboven). Hoewel deze publicatie wel in de literatuurlijst staat, blijken de auteurs van dit hoofdstuk dat niet gelezen te hebben. Hoe zorgvuldig wetenschappelijk ben je dan bezig?
    3. Het grootste probleem in de geschiedenis van Nijmegen is het veronderstelde Paleis Noviomagus van Karel de Grote dat er archeologisch nooit gevonden is . Dat Paleis stond in zijn kroningsstad Noviomagus, dat onmiskenbaar Noyon was?
    4. Met het Bronnenboek van Nijmegen is aangetoond dat alle teksten over Noviomagus tot 1047 niet over Nijmegen, maar over Noyon gaan. Lees meer over het Bronnenboek.

    De visie van Albert Delahaye.
    Het is wel duidelijk dat Albert Delahaye tijdens zijn werk in Nijmegen een totaal andere kijk kreeg op de continuïteit van de stad. Die bleek er niet geweest te zijn. Het Romeins wordt door hem helemaal niet ontkend, al beweren kwaadaardige opponenten dat wel eens. Maar zelfs in de Romeine periode zijn enkele hiaten aangetoond en daarna brak een lange tijd van een nagenoeg onbewoonde periode aan. Er zijn wel enkele graven gevonden uit verschillende eeuwen, maar met een graf bewijs je geen bewoning als er geen nederzetting wordt gevonden. Zo is van de aanwezigheid van een Karolingische Palts die er ruim 4 eeuwen gestaan moet hebben nog steeds niets teruggevonden. Maar het belangrijkste in de visie van Delahaye vormen de teksten. En die wijzen allemaal naar het Noviomagus waar Karel de Grote tot Koning van de Franken werd gekroond, wat onmiskenbaar het Noord-Franse NOYON was. Alle teksten die in Het Bronnenboek van Nijmegen opgevoerd worden om daarmee te bewijzen dat 'toch Nijmegen bedoeld zal zijn', blijken over Noyon en enkele andere steden te gaan die in de Romeinse tijd ook Noviomagus heetten. Ligt Nijmegen aan een rivier die uitstroomt in de Seine? Ligt Nijmegen vlak bij Parijs? Ligt Nijmegen tussen Soissons en Amiens? Ligt Nijmegen in Picardië? Heeft Nijmegen ooit een bisschopszetel gehad? Op al deze vragen is het antwoord volmondig NEEN. Dan was Noviomagus ook niet Nijmegen, maar Noyon.
    Het belangrijkste en keiharde bewijs die de aangenomen Karolingische geschiedenis van Nijmegen tegenspreekt is de gedenksteen van Frederik Barbarossa, die in Museum Het Valkhof te zien is. Lees meer over deze gedenksteen.

    We geven hieronder letterlijke citaten en hebben die in rood voorzien van onze opmerkingen en commentaren. De gebruikte nummering kan wijzigen door het tussenvoegen van nieuwe bevindingen.

    Hoofdstuk 4. 'Buitengewoon en onvergelijkbaar' Het Valkhof vanuit bouwhistorisch perspectief tot circa 1200 (p.106-127). Geschreven door Elizabeth de Hartog.
    We geven steeds de letterlijke citaten en in rood de opmerkingen.
    1. In 1796 en 1797 werd de Nijmeegse Valkhofburcht gesloopt. Alleen de twee 'Heidensche Capellen', die wij nu kennen als de Sint-Nicolaaskapel en de Sint-Maartenskapel of Barbarossaruïne, mochten vanwege hun oudheidkundige waarde blijven staan (p.107). Het was 'deskundig historicus' Anton van Hooff die ooit beweerde dat de St.Nicolaaskapel nooit 'Heidensche kapel' had geheten. Hiermee is dus zijn ondeskundigheid aangetoond. Of de St.Maartenskapel ooit een 'kapel' was is wel altijd aangenomen, maar nooit met bewijzen gestaafd. Enkele historici meenden dat het de apsis was van een grote zaal (zie p.108). Den Hartog baseert haar opvattingen op gegevens uit 1775-1726. Waarom zou Barbarossa nog een eigen kapel in zijn burcht nodig gevonden hebben, als de St.Nicolaaskapel er pal naast stond en via 'een kaemer daer doer men gaet op die kapelle' te bereiken was (p.107/108)?

    2. De oudste resten: Karolingische kapitelen. In 777 vierde Karel de Grote 'in villa, quae dicitur Niumaga' het paasfeest (noot 6). Karel was met Nijmegen begaan, zo blijkt wel uit de door zijn hoveling Einhard geschreven biografie. Niet alleen bouwde hij hier een 'schitterend Paleis', hij kwam ook nog driemaal terug voor het paasfeest, in de jaren 804, 806 en 808, en verbleef daarvoor of daarna enige tijd op de palts (noot 7). Er moet hier dus een residentie van enig belang zijn gebouwd (p.109).
      In noot 6 t/m 9, 11 t/m 13, 19 en 41 wordt steeds verwezen naar het Bronnenboek van Leupen en Thissen, waar de namen Niumaga, Nimagum, Noviomagum in de Latijnse teksten steeds 'vertaald' worden met Nijmegen.
      Met de verwijzingen naar het Bronnenboek valt Den Hartog door de mand. Als zij het Bronnenboek als referentie en bewijs opvoert, toont zij haar onkunde ten aanzien van mediëvistiek en haar nalatigheid om die bronnen eens te controleren en te bestuderen en niet slechts klakkeloos na te schrijven. Het Bronnenboek getuigt van wetenschappelijke geblunder, bevat ontelbare fouten en manipulaties en er wordt fraude en wetenschappelijk bedrog mee gepleegd. Zie kader onder punt 5.

      Die verwijten van nalatigheid gelden ook voor de redactie van Het Valkhof 2000 jaar, waarin toch heel wat keren naar Het Bronnenboek als referentie verwezen wordt. Zou de redactie i.c. Dolly Verhoeven het Bronnenboek ooit bestudeerd hebben? Of volgde de redactie de 'geleerde' heren Leupen en Thissen klakkeloos in de bestaande cultuur van naschrijverij in de historische wereld?

      Over noot 6 en noot 7 zijn de volgende opmerkingen te maken:
      1. In deze teksten (nr. 20, 23, 25, 27, 29, 31, 33, 37, 40, 42, 49, 51, 58, 59, 61 en 148 in het Bronnenboek) wordt ook vaak Aquis genoemd, dat vervolgens 'vertaald' wordt met Aken. Nu bestaat in Aken zeker een 'Karels-traditie', maar dat is ook een mythe. In Aken zou Karel de Grote begraven zijn, maar zijn graf is er nooit gevonden. De Duitse archeologen bevestigen eveneens dat er zelfs niets gevonden is uit de 9ste eeuw. De oudste vondsten dateren uit de 13de (dertiende!) eeuw. Lees meer over Aken.
      2. Voor de tekst uit 777 (noot 6) verwijzen we naar de oorkonde uit 777, waarvan het Bronnenboek slechts van 5 van de 15 genoemde plaatsen een 'vertaling' en een locatie geeft en dan nog "waarop gebaseerd?"
      3. Over de jaren 804, 806 en 808 zijn meerdere teksten bekend over Noviomagus, die niet in het Bronnenboek staan. Waarom zijn die weggelaten? Leupen en Thissen verklaren toch alle teksten te hebben meegenomen? Karel de Grote zou in 804 pas na 27 jaar weer eens in Nijmegen geweest zijn. Het Bronnenboek vermeldt daarover 2 teksten, maar slaat de Annales Francorum Mettensis over waarin Niumagun genoemd wordt. Dat is dus niet Nijmegen, maar Noyon.
      4. In het jaar 806 zien we het vergelijkbare: het Bronnenboek geeft 2 teksten, maar slaat er 2 over en wel de tekst uit de Annales Mettensis waarin wordt vermeldt dat Niumaga in Batua ligt (ligt Nijmegen in de Betuwe?) en de tekst uit de Chronicum Moissiacense waarin staat dat Karel na het Paasfeest te Neumaga naar de overzijde van de Sala (is de Selle bij Valenciennes) naar Huerenaveldo (is Hurionville op 3 km. van Lillers) ging. Gaat het hier over Nederland of Duitsland? Lees meer over de Selle in: "Turquin, ‘La Bataille de la Selle (du Sabis) en l’ An 57 avant J.-C.’ in Les études Classiques 23/2 (1955), 113-156."
      5. In het jaar 806 wordt ook de tekst uit de Divisio Regnorum overgeslagen. Dat is een groot gemis, immers daarin wordt de verdeling van het Frankische Rijk onder de zonen van Karel de Grote beschreven. En daarbij blijkt het om een veel kleiner gebied te gaan dan traditioneel wordt aangenomen. Deze verdeling was de opmaat voor de Verdrag van Verdun in 843, die ook geheel onjuist in de historische atlassen terecht is gekomen. Lees meer over de verdeling van Verdun in 843.
      6. Diezelfde 'overslagen' zien we ook bij de teksten uit 808, waar er in het Bronnenboek 2 teksten gegeven worden en er 4 (vier!) worden overgeslagen. Uit de teksten die overgeslagen worden en waarin het deels over dezelfde gebeurtenissen gaat, blijkt duidelijk dat het over Frankrijk gaat. Het is wel duidelijk waarom het Bronnenboek deze teksten overslaat: het blijkt al te duidelijk en onmiskenbaar dat het hierin niet over Nederland of Nijmegen gaat.
      Over het Bronnenboek van Nijmegen zijn we dan wel uitgepraat, al valt er nog heel wat over te vertellen: zie punt 5 hierna. Het is "ver beneden elk wetenschappelijk peil" (kwalificatie van Dagblad Trouw) en onzinnig om als bewijs op te voeren voor welke opvatting dan ook. Het Bronnenboek staat vol fouten en onmogelijkheden en bevat meerdere blunders, zoals een bisschop van Nijmegen die de bisschop van Noyon bleek te zijn. Dat Elizabeth den Hartog voor haar gelijk naar het Bronnenboek verwijst is een typisch geval van 'naschrijverij'. Zoek zelf die bronnen op en trek daaruit je conclusies!

      Lees ook meer over Einhard en die Vita Karoli Magni die we als een falsum mogen beschouwen vanwege de vele fouten en beschreven onmogelijkheden. Wie het hier niet mee eens is, moet dat dan eens aantonen met de beantwoording van de over deze vita gestelde vragen.

    3. Deels zal die residentie van hout zijn geweest, want in 8I7 wordt gemeld hoe Karels zoon Lodewijk de Vrome samen met twintig van zijn hovelingen een bijna-fataal ongeluk kreeg toen de houten gang waarin het gezelschap zich bevond instortte. Lodewijk liep alleen kleine verwondingen op, maar sommigen uit zijn gevolg waren er slechter aan toe (p.109).
    4. In Nijmegen is niets gevonden van een in pracht en praal gebouwde nieuwe Paleis. Niets gevonden, maar dan moet het dus van hout geweest zijn, zoals prof.F.Hugenholtz ooit opperde met zijn houten boerderijtje, waarmee hij van Karel de Grote een Gelderse boer maakte, zoals Albert Delahaye daarop ageerde. Dit idee van een houten Paleis wordt nu door Den Hartog hier bevestigd. Maar betekent een houten zuilengang ook een houten Paleis? In de tekst die hierover gaat staat 'dat de zuilengang bestond uit verrotte en vermolmde balken die het gewicht niet konden dragen en plotseling instortte juist toen de keizer er doorging'. Daaruit blijkt er van achterstallig onderhoud sprake te zijn geweest. Was Lodewijk er dan nooit eerder geweest? Volgens het Bronnenboek was het in 817 (na 815) de tweede keer in zijn regeringsperiode dat hij er kwam. Blijkbaar was niet eerder opgemerkt dat die zuilengang ernstig verrot was en op instorten stond.

    5. In de kroniek van Otto van Freising wordt rond 1160 gemeld dat de paltsen van Nijmegen en Ingelheim 'zeer sterke bouwwerken' zijn. Dat suggereert steenbouw. Van die Karolingische steenbouw zijn nu alleen enkele kapitelen over (noot 9). Twee exemplaren van marmer, afkomstig uit de marmergroeves in Carrara (Italië), werden in de twaalfde eeuw hergebruikt op prominente locaties aan weerszijden van de apsis van de Sint-Maartenskapel (p.109). In noot 9 wordt verwezen naar het Bronnenboek tekst 148 uit 1155. Die tekst wordt (bij uitzondering) nu eens wel vertaald. Daarin lezen we ''Noviomagum et iuxta villam Inglinheim" (nageschreven van Einhard?), wat die houten boerderij tegenspreekt. Maar hier wordt wetenschappelijke fraude gepleegd. Zie kader hieronder.
      De twee hergebruikte zuilen zijn niet Karolingisch, maar Romeins, wat ook in de tekst bij de foto op p.109 bevestigd wordt. Ook de
      de gedenksteen van Frederik Barbarossa is gemaakt van een Romeinse steenblok en verwijst naar Julius Caesar en opvallend helemaal niet naar Karel de Grote, dat toch het grote voorbeeld van Frederick Barbarossa was en hem in zowat alles navolgde. Deze gedenksteen wordt wel genoemd in tekst 147, maar er wordt geen vertaling bij gegeven, anders hadden Leupen en Thissen hun misvatting over tekst 148 kunnen corrigeren.

      Wetenschappelijke fraude!
      Hier blijkt voor heel Nederland en alle historici het bewijs van wetenschappelijke fraude en valsheid in geschrifte gepleegd door Leupen en Thissen. Daaruit zou onmiddellijk ontslag moeten volgen, maar dus niet aan de Universiteit van Nijmegen! Daar is fraude blijkbaar toegestaan als het maar ten goede komt aan het behoud van mythen in Nijmegen! In tekst 147 in het Bronnenboek is de Latijnse tekst van de gedenksteen van Frederik Barbarossa, wordt de vertaling (met opzet?) niet gegeven, omdat iedereen dan zou zien dat het de volgende tekst 148 categorisch tegenspreekt. En dan plegen Leupen & Thissen een tekstvervalsing in de kroniek van Otto van Freising door in deze tekst het woordje "et" tussen te voegen. Nu zult U denken? Slechts één woordje: "et". Maar door dat ene woordje wordt de inhoud geheel anders en wordt die ene plaats die Otto van Freising bedoelt, plots twee plaatsen. In alIe bronnen-uitgaven, zowel de Monumenta Germanica Historica als in de Histoire de France, zelfs bij de amateur-historicusL.A.J.W. Baron Sloet uit de 19de eeuw, staat de tekst correct als "Noviomagus iuxta villam Inglinheim":'iuxta betekent 'nabij'. De Nijmeegse vervalsers hebben ervan gemaakt : "Noviomagum, et uxta villam Inglinheim". De bedoeling van deze vervalsing is duidelijk. De juiste betekenis van de zin van Otto van Freising spreekt over een Noviomagus bij Inglenheim gelegen, waarmee onmiskenbaar Neustadt bedoeld wordt en niet Nijmegen.
      De Universiteit en de Club van Nijmegen kunnen dit niet straffeloos laten passeren, indien zij er nog prijs op stellen door de historische wereld serieus genomen te worden.

    6. Onder zijn opvolgers stagneerde dit bezoek enigszins, zeker toen aan het eind van de negende eeuw de Noormannen op het toneel verschenen. In 880-881 verschansten zij zich in het Nijmeegse Paleis en 'omgaven zij het met een zeer stevige wal en muren, en bereidden in het Paleis van de koning een plaats voor om te overwinteren' (p.109/110). Hier is van hetzelfde probleem sprake: met heeft wel teksten, maar geen archeologische bewijzen over die aanwezigheid van de Noormannen. Het Bronnenboek geeft 2 teksten, maar slaat er 7 (zeven!) over die over dezelfde gebeurtenis handelen. Die overgeslagen teksten blijken te duidelijk over Noyon te gaan. Kom je in Nijmegen via de Seine en Oise? Ligt Nijmegen in Gallia. Bestond er in Nijmegen een klooster in 880? Lees meer over de teksten uit 880 en 881.

    7. Na onderhandelingen bleken de Noormannen bereid zich terug te trekken, maar ze staken bij hun aftocht palts en versterking in brand. (noot 12) Hoe groot de schade was, is moeilijk te zeggen, maar al in 891 schreef koning Arnulf een akte uit te Nijmegen, dus blijkbaar was een en ander snel genoeg hersteld (noot 13) (p.110). Hier lopen enkele zaken door elkaar. In noot 12 wordt weer verwezen naar Het Bronnenboek en wel naar tekst 58 en 59. Maar in tekst 58 staat toch heel duidelijk dat de Noormannen in Gallia aan het plunderen waren. Behoorde Nijmegen bij Gallia? In noot 13 wordt ook weer verwezen naar het Bronnenboek, waar in tekst 61 wel 'actum Noviomaco' staat op een oorkonde uit 891, maar het gaat hier over koning Arnulf die op dat moment in het midden van Frankrijk opgehouden werd vanwege de Noormannen. Hij heeft beslist geen snipperdag genomen om in Nijmegen een oorkonde uit te gaan geven, zoals het Bronnenboek klaarblijkelijk meent. Wat ook hier weer opvalt is dat het Bronnenboek deze ene oorkonde uit 891 geeft, maar er 4 (vier!) uit hetzelfde jaar over dezelfde gebeurtenissen overslaat. In die vier oorkonden blijkt overduidelijk waar de Noormannen aan het plunderen zijn en wel in de plaatsen Angers, Tours en Poitiers. Ook wordt in een van die 4 overgeslagen oorkonden vermeld dat de Noormannen via de Oise de stad Novioma (=Noyon) bereikten. In 892 verlieten de Noormannen Francia vanwege een hongersnood die het gehele rijk trof en staken zij de zee over, maar dat heeft men in Nijmegen nooit geweten, want ook deze oorkonde ontbreekt in het Bronnenboek.
      Omdat er in Nijmegen nooit sporen van die Noormannen of brand gevonden zijn, kwam prof.dr.F.Hugenholtz eens met de opmerkelijke uitspraak dat 'de Noormannen bij vertrek alles netjes hadden opgeruimd'. Als een professor in de knel zit, komt hij blijkbaar tot dergelijke infantiele opmerkingen. Hij erkende hiermee echter wel dat er in Nijmegen (maar ook in Utrecht, Wijk bij Duurstede en Deventer) nooit iets gevonden is van plunderingen door de Noormannen. Deze opmerking van Hugenholtz werd later herhaald door prof.W.van Es met betrekking tot 'Dorestad' en ook door Caspar van Heel voor Brabant, waaruit blijkt dat 'simplistische napraterij' erg besmettelijk is in historisch Nederland.


    8. De Sint-Nicolaaskapel. Dat van de Karolingische palts niet meer dan enkele kapitelen zijn overgebleven, heeft er waarschijnlijk mee te maken dat het complex in 1047 door de troepen van Boudewijn van Vlaanderen en hertog Godfried van Neder-Lotharingen in de as werd gelegd. Hoewel de verwoesting aanzienlijk moet zijn geweest, bleef de Sint-Nicolaaskapel in overeind (p.110). In de loop van de tijd is de kapel diverse malen gerestaureerd, om te beginnen na de brand van 1047 (p.110). Doorgaans wordt de Sint-Nicolaaskapel beschouwd als een verkleinde kopie van de aan Maria gewijde paltskapel te Aken (p.112). Omdat schriftelijke bronnen over de bouwdatum ontbreken, is de datering van de Sint-Nicolaaskapel problematisch. In de loop der tijd is een scala aan data tussen 950 en 1050 genoemd (Weve, Van Agt, Meking, Perlich en Van Tussenbroek) (p.112).

      Over de St.Nicolaaskapel doen zich meerdere problemen voor ten aanzien de functie, het patronaat, de bouwdatum en de opdrachtgever en het jaartal 1047.
      1. Dat de palts Noviomagus door Boudewijn van Vlaanderen en hertog Godfried van Neder-Lotharingen in de as werd gelegd, is helemaal juist. Over de verwoesting van het Paleis in 1047 geeft het Bronnenboek 3 teksten, helaas niet volledig, maar slaat er liefst 6 (zes!) over die over diezelfde verwoesting gaan. En juist in die overgeslagen teksten wordt de reden aangegeven waarom Boudewijn van Vlaanderen erbij betrokken was en hoe de veldtocht verliep: vanaf Doornik, La Bassée, via Noyon naar Verdun dat ook verwoest werd. Boudewijn en Godfried en hun legers maakten echt geen omweg via Nijmegen, waar overigens niet eens een palts bestond (sic). Dat de kapel op het Valkhof bij de verwoesting van de palts gespaard zou zijn gebleven, wat men in Nijmegen meent, is uitgesloten. Boudewijn van Vlaanderen en Godfries van Lotharingen zouden deze niet gespaard hebben, zo furieus zijn zij tekeer gegaan: 'heel het land werd met moord, brand en roof geplunderd', volgens de Historia Episcoporum Virdunensium. De nevenschikking van Neomagus (Noyon) met Verdun in een zin is eigenlijk al een afdoende bewijs dat de interpretatie Nijmegen vals is.
        Volgt men de geschiedenis daarna, dan blijkt nog iets opmerkelijks. In 1064 stichtte bisschop Boudewijn van Noyon, het klooster van St.Bartholomeus. Daartoe had hij een overeenkomst gesloten met Hugo, de beheerder van de koninklijke domeinen in en om Noyon. Deze waren voorheen van het Duitse rijk doch sinds ca. 1031 door de Franse koning in bezit genomen. De bisschop kreeg verlof om een abdij te bouwen op de plaats van het voormalige Paleis, dat in 1047 door de Vlamingen verwoest was en waarvan een herbouw, gezien de veranderde politieke omstandigheden, niet meer in overweging werd genomen of in het verschiet lag. Dit gegeven wijst heel duidelijk op Noyon. Het is dan ook niet verwonderlijk dat deze tekst niet in het Bronnenboek te vinden is.

      2. De functie van de kapel is wel duidelijk: het was de eerste parochiekerk van Nijmegen, wat blijkt uit het feit dat St.Albertus de Grote, toen wijbisschop van Keulen, op 7 September 1272, de dag voor het feest van Maria Geboorte, de nieuwe Stevenskerk heeft geconsacreerd en daarbij de parochie de verplichting oplegde om elk jaar, acht dagen na Pinksteren, een processie te houden naar de plaats van de oude kerk, speciaal om de gelovigen te herdenken, die daar begraven waren. In die processie moesten het H. Sacrament, het beeld van de H. Maagd en de relieken van de heiligen meegedragen worden. Het staat vast, dat de processie het Valkhof als doel had. Uit deze verplichting is de Maria-Omdracht ontstaan die in 1962 plots afgeschaft werd (sic!).

      3. Pas in de elfde eeuw zou de Nicolaascultus meer verbreiding vinden in Italië. Waarschijnlijk hing dat samen met het overbrengen van de relieken van de heilige van Myra naar Bari in 1087. Ten noorden van de Alpen stonden de zaken er anders voor. Slechts incidenteel noemen bronnen van voor 970 Nicolaasrelieken. Wat Den Hartog hier schrijft, is bijna geheel juist (de relieken werden niet 'overgebracht', maar gestolen), maar het heeft haar niet aan het denken gezet. Met het patronaat van St.Nicolaas is de bouwdatum vast te stellen op ná 1087, eerder begin 12de eeuw, immers toen werd Nicolaas als heilige pas algemeen bekend in Westelijk Europa als patroon van de schippers, maar dat vermeldt Den Hartog nergens. Met bronnen van vóór 970 moet men voorzichtig zijn. Door wie en waar en wanneer werden die geschreven? In 1087, het eerst in Bari, kwam de naam St.Nicolaas in Europa terecht, nadat zijn corpus uit Myra (Turkije) was ontvreemd. De bouwdatum bepalen op grond van de bouwwijze is uitermate discutabel, zeker omdat de kapel meerdere malen her- en verbouwd is, zoals aangegeven op p.112. De oorspronkelijke staat is daardoor al niet te benaderen.


      4. Dat de St.Nicolaas gebouwd is naar voorbeeld van de Maria kapel in Aken is een mythe. Bekijk beide gebouwen eens. Ook wordt het Munster in Aken genoemd, dat van Ravenna is afgeleid. Ook deze kwestie is geheel vertroebeld door de historische misvattingen, vooral door de latere tendens van Nijmegen om in alles Aken te willen imiteren en de parallel met Aken te benadrukken, zoals met de bouw van het raadhuis, dat een kopie is van dat van Aken.

        Bij Den Hartog missen we een belangrijk gegeven over de bouw van de St.Nicolaaskapel. Heeft zij dit niet geweten of vermeldt zij dit opzettelijk niet? In beide gevallen toont het haar tekort aan wetenschappelijke kunde en instelling aan. Op p.116 noemt zij dan wel de crypte van Sinte-Gertrudis in Nijvel, maar verbindt dit niet met de bouw van de St.Nicolaaskapel in Nijmegen.

        In het verleden wees ir.J.Weve op de kunsthistorische bijzonderheid omtrent de rondbouw van de St.Nicolaaskapel, die een relatie met de abdijkerk van Nijvel aannemelijk maakt. Deze mededeling heeft zo goed als geen aandacht gevonden en is onder het tapijt geveegd ter behoud van de mythe van de Karolingische kapel. Toch is het niet onmogelijk, in verband met de historische gegevens is het zelfs zeer verklaarbaar, dat de vorm en andere kenmerken van de St.-Nicolaas-kapel via Nijvel in Nijmegen terecht zijn gekomen. De opvatting, dat de St.-Nicolaaas-kapel haar grondvorm te danken zou hebben aan het Akense Munster, dat op zijn beurt op Ravenna geïnspireerd zou zijn, wordt ook, afgezien van een andere historische bouwlijn, reeds lang als niet meer houdbaar beschouwd.

        Het horen van de naam van Ste.-Gertrudis roept als vanzelf de gedachte op aan Nijvel. Daar immers had de vrome Pepijnse Ida of Itta, weduwe van Pepijn van Landen, het klooster gesticht, waar Ste.-Gertrudis in geur van heiligheid leefde, stierf en begraven werd. En daar vinden wij mogelijk een deel van de oplossing van het raadsel van de Ste.-Gertrudiskerk. Bij een historische confrontatie tussen Nijmegen en Nijvel vallen namelijk enige belangwekkende bijzonderheden op. Van de strijd tussen de Welf en en Gibellijnen maakten tegen het einde van de 12e eeuw de hertogen van Brabant gebruik om een expansie-politiek te voeren. Hertog Hendrik van Brabant, schoonvader en krachtige steun van de Welf Otto IV, had de burcht van Nijmegen in bezit genomen en ook beslag gelegd op de koninklijke inkomsten van de abdij van Nijvel. In het begin van de 13e eeuw kwam er echter een omkeer, toen de aanhangers van Otto zich van hem afscheidden. Hendrik van Brabant bracht de Nijmeegse goederen in het Rijk terug en koning Philips beloofde hem hiervoor een schadeloosstelling. Van deze restitutie schijnt echter niet veel gekomen te zijn, want in 1283 verklaart koning Rudolf I, dat de aanspraken van Brabant wegens het terugbrengen van Nijmegen onder het Rijk geenszins vergeten zijn, doch nog gelden. Nijmegen en Nijvel worden in een adem genoemd en in eenzelfde gebeurtenis van politiek belang betrokken. Er heeft echter geen dieper verband bestaan tussen Nijmegen en Nijvel; hier hadden beide plaatsen slechts dit gemeen, dat zij van de keizer gekaapte objecten waren.
        Doch er is meer, dat de band nauwer aanhaalt. De vestiging van verschillende geslachten uit Noord-Frankrijk en West-België in de streken van Rijnland en Gelre, die omstreeks dezelfde tijd met name door de heren van Kleef, Gelre en Wassenberg geschied was, en de daarop volgende expansie, die waarschijnlijk door elkaar afbreuk doende vorsten werd toegelaten of gesteund, wijzen erop, dat er een intens verkeer heeft bestaan tussen onze streken en het land van Nijvel. Dit heeft niet ertoe geleid, dat Ste. Gertrudis als patrones van de Nijmeegse kerk werd uitgekozen; zo simpel hebben de zaken niet gelegen. Wel is daardoor een opmerkelijke cultuur-historische betrekking tussen Nijvel en Nijmegen ontstaan, die de bouwwijze van de St.Nicolaaskapel verklaarbaar maakt.


      5. Den Hartog besteedt liefst 2 volle pagina's aan de mogelijke opdrachtgever voor de bouw van de St.Nicolaaskapel. De opdrachtgever was zeker niet Karel de Grote al heette de kapel lange tijd Karolingische kapel, voortgekomen uit het feit dat men meende dat het onderdeel zou hebben uitgemaakt van de Palts van Karel de Grote. Daarvoor heette de kapel de Heidensche kapel, aangezien de gedenksteen die in de kapel ingebouwd was naar de Romeinen verwees, die men als 'heidenen' beschouwden. Zouden 'heidenen' een kapel gehad hebben? Dat deze gedenksteen uit 1155 in de kapel was ingebouwd, wijst op een bouwdatum eind 12de eeuw. De namen Heidens of Karolingisch heeft men inmiddels losgelaten en de naam van de kapel veranderd in Ottoonse Kapel. Die naamswijziging is helaas ook onjuist, immers de laatste keizer Otto overleed in 1002 toen van de bouw van de kapel nog lang geen sprake was. Uit de naamswijzigingen blijken twee zaken overduidelijk: in Nijmegen heeft men nog steeds geen weet van de ware geschiedenis van de stad en ook hier blijkt weer het gelijk van Albert Delahaye, dia er al in op 19 oktober 1954 over gepubliceerd heeft in de Gelderlander. Maar ook die artikelen ontbreken in de Literatuurlijst van dit boek over 2000 jaar Valkhof.

    9. Bekend is dat Otto III een speciale verering koesterde voor Karel de Grote. Op paasdag van het jaar 1000 liet hij de overblijfselen van zijn voorganger opgraven. Uit de tombe eigende hij zich delen toe van 's keizers kleding, het borstkruis van de overledene, nagels, een vinger en een tand, waarschijnlijk als relieken. Mogelijk was hij van plan een heiligverklaring van Karel de Grote in gang te zetten, maar ook daar stak zijn onverwachte dood een stokje voor (p.113). Dit wonderlijke verhaal van over de tombe en overblijfselen van Karel de Grote heeft zo'n groot fabelgehalte, dat het als historisch gegeven niet serieus genomen kan worden. Dat blijkt ook wel, immers het graf van Karel de Grote is in Aken nooit gevonden.

    10. Alles bij elkaar heeft Otto III dus de beste papieren. Niet alleen had hij nauwe banden met zowel Nijmegen als Aken, ook is hij de enige van de drie kandidaten die in de Akense paltskapel begraven ligt. Hij was in de omgeving van Nijmegen geboren en in Nijmegen overleed in 991 zijn moeder Theophano, die de Nicolaascultus in deze regio introduceerde (p.114). In deze opvatting van Den Hartog zitten enkele onbewezen aannamen. Dat Otto III al voor zijn dood de kapel gebouwd zou hebben is, behalve onmogelijk, een dwaze gedachte. Het is een van de hardnekkige mythen die in Nijmegen blijven rondgaan, zoals op de zijkant van het Casino het levensverhaal van Theophanu is afgebeeld. (zie afbeelding in de linker kolom). Van keizerin Theophanu is door Rudolf Janssen na een uitvoerige studie vastgesteld dat zij niet in Nijmegen, maar in Noyon is overleden. De gedachte dat haar Noviomagus Nijmegen was, is gestoeld op de aanwezigheid van dat Paleis van Karel de Grote, dat helaas niet in Nijmegen, maar in Noyon stond.

      Uit een studie van Rudolf Janssen blijkt de historische onjuistheid van deze opvatting, die volledig gebaseerd was op de aanwezigheid van de palts van Karel de Grote in Noviomagus. Het bleek om Noyon te gaan waar deze prinses verbleef. In Nijmegen bestond geen Paleis, slechts 'een lek schuurtje' (volgens
      Paul van der Heijden). En waar woonde de bevolking? Ook daarvan is nooit iets gevonden of gebleken. Dat Paleis kwam er pas in 1155 en werd gebouwd door keizer Frederik Barbarossa.

      Dat er in Nijmegen geen Paleis bestond in de tijd van Theophanu wordt ook bevestigd door kanunnik Willem van Berchen. (zie de tekst in de linker kolom). Maar ook deze tekst uit 1480 ontbreekt in het Bronnenboek. In NIjmegen kennen ze de hele Willem van Berchen niet, immers zijn boeken ontbreken in alle literatuurlijsten, terwijl enkele hardnekkige mythen juist door Van Berchen geïntroduceerd zijn.

      De St.Nicolaaskapel op het Valkhof dateert volgens Van der Heijden ná het jaar 1047 (p.51). Het zal dichter bij 1087 gelegen hebben, aangezien voor die tijd St.Nicolaas als patroonheilige in Nederland nog niet bekend was. Over die kapel schrijft Van der Heijden op p.50: 'Het is verleidelijk om de Nicolaaskapel te zien als mini-uitvoering van deze Paltskapel' (i.c. die van Aken). De hier uitgesproken 'verleidelijkheid' is in de geschiedenis van Nijmegen wel vaker de drijfveer geweest. Hij vervolgt even verder met: 'Inmiddels zijn de geleerden het er wel over eens dat de kapel niet Romeins (Caesar), niet Karolingisch (Karel de Grote) of Ottoons (Theophano) is, maar stamt uit de 11e eeuw'. Aangezien deze kapel het oudste bouwwerk van Nijmegen is, komt de hele geschiedenis ervoor tot aan de Romeinse tijd op losse schroeven te staan. Daarmee wordt pijnlijk het gat van Nijmegen tussen 270 en rond 1100 duidelijk in beeld gebracht. Het gat dat zo graag en nog steeds ontkend wordt, maar in Museum Het Valkhof onmiskenbaar en overtuigend wordt afgebeeld. Zie afbeelding hieronder waarop Dorestad (is niet Nijmegen) en het Paleis van Karel de Grote (is nooit gevonden) geschrapt zijn.




    11. De Sint-Maartenskapel of Barbarossaruïne is het andere middeleeuwse overblijfsel van de Valkhofburcht. Hoewel de ruïne wat de vormentaal betreft twaalfde eeuws oogt, zijn er in het muurwerk aan de binnenkant van de apsis aanwijzingen te vinden dat het gebouw een oudere kern bevat. De vraag is dus hoe oud het gebouw precies is en wat de functie ervan was. Was het eigenlijk wel een kapel? (p.117) Inderdaad is het de vraag of het wel een kapel was. Die kwalificatie kreeg deze ruïne te snel, vooral om de aangenomen opvatting van dat Paleis te bevestigen. Zo blijkt in die 'kapel' een houten vloer tussen twee verdiepingen te hebben gezeten (p.117), wat een kapel tegenspreekt. Een troonzaal (p.122) komt dichter bij de functie.

    12. Voor zover we uit de bronnen weten, kwam na de verwoesting van de burcht pas in 1125 weer een koninklijke bezoeker op de palts: keizer Hendrik V, die kort daarop in Utrecht overleed. Perlich en Van Tussenbroek dateren de herstelwerkzaamheden aan de Sint-Nicolaaskapel mede om die reden in het midden van de twaalfde eeuw, tijdens de regeringsperiode van Barbarossa (p.118). Voor zover we uit de bronnen weten, schrijft Den Hartog. Welke bronnen zouden dat zijn? Alle overgeslagen bronnen die niet in het Bronnenboek staan kan zij niet geweten hebben. In de tekst uit 1125 wordt Nijmegen voor de eerste keer met haar echte naam genoemd: NEUMAIA. Het was een nieuwe naam die voorheen nergens genoemd wordt. Vergeet vooral wat men iedereen voorheen heeft wijsgemaakt, namelijk dat de stad al meer dan vijf eeuwen tevoren bestond en dat haar naam een rechte afleiding van Noviomagus was. In teksten uit 1129 en 1145 wordt nog enkele malen Numaga genoemd, wat Neumagen bij Trier kan zijn geweest, doch waarschijnlijker is Neuville-en-Condroz bij Luik bedoeld. Maar die verschillen kent het Bronnenboek niet, waardoor Leupen & Thissen met een bisschop van Nijmegen komen opdraven en wat misschien wel erger is, een toernooi in Picardië waar Floris IV in 1234 sneuvelde, in Nijmegen laten gebeuren. Aangezien zelfs op de lagere scholen wordt geleerd, dat Floris IV in Noyon sneuvelde, hebben Leupen & Thissen en de Club van Nijmegen (waaronder professoren van de Universiteiten van Amsterdam en Nijmegen) een dubbele blunder begaan, nog erger dan “de bisschop van Nijmegen”.

    13. De functie van de Barbarossaruïne: kapel of troonzaal? Op zeventiende- en achttiende-eeuwse afbeeldingen wordt de Sint-Maartenskapel of Barbarossaruïne steevast beschreven als 'Romynsche Kappel op het Valkhof' of 'Kappel op 't Valkenhof'. De wijding van deze kapel aan Sint-Maarten wordt voor het eerst genoemd in een vijftiende-eeuwse bron (p.122). Een vijftiende eeuwse bron vormt geen enkel bewijs voor de 12de eeuw. In de vijftiende eeuw werd St.Maarten patroon van meerdere kerken

      We komen hier op een cruciaal punt in de geschiedenis van Nijmegen.
    14. Herbouw van de burcht door Frederik Barbarossa De eerdergenoemde kroniek over de regerings-periode van Frederik Barbarossa, de Gesta Friderici, maakt melding van een door deze keizer geïnitieerd burchtenherstelprogramma, waarin ook de Nijmeegse burcht ter sprake komt. De door Karel de Grote gebouwde burcht was door verwaarlozing en ouderdom aangetast, maar Barbarossa herstelde hem 'op passende wijze en toonde hierbij zijn aangeboren grootheid van geest (p.118) In Nijmegen herstelde Frederik Barbarossa niet de burcht van Karel de Grote, maar bouwde op de resten die de Romeinen achtergelaten hadden. Dat is ook precies wat hij op de gedenksteen heeft vermeld.
      Zie ook in de linker kolom.


    15. Een marmeren reliëf in Museum Het Valkhof van ongeveer 60 bij 45 centimeter, gemaakt van een Romeins stuk pilaster of pijler, vermeldt zelfs dat Frederik Barbarossa in 1155 repareerde wat Julius Caesar was begonnen (p.118). Keizer Frederik Barbarossa bouwde in 1155 een nieuwe burcht in Nijmegen, waarbij hij op de gedenksteen vermeldt dat deze burcht rechtstreeks gebouwd is op de Romeinse overblijfselen. Op deze gedenksteen staat geen woord over Karel de Grote, hoewel Frederik Barbarossa een groot bewonderaar van Karel de Grote was en hem in alles als voorbeeld nam! Barbarossa heeft zelfs moeite genomen om Karel de Grote heilig te laten verklaren, waar de Paus van Rome niet intrapte. Er is in de teksten ook slechts sprake van een burcht, over verdere bewoning wordt nergens iets vermeld, ook al zal er enige bewoning zijn geweest. De werklui moeten toch in de buurt gewoond hebben. Dat Julius Caesar nooit in Nijmegen is geweest, weet elke historicus. Dat wordt met deze tekst ook niet bedoeld. Caesar staat symbool voor al het Romeins en de Romeinse resten die bestonden en waarop Frederik Barbarossa rechtstreeks zijn burcht bouwde. Of de stad Nijmegen bestond, wat men in Nijmegen graag aanneemt, is hiermee niet aangetoond. Het gat van Nijmegen tussen het Romeins en de 12de eeuw wordt hiermee wel aangetoond. Zie voor dat marmeren reliëf de afbeelding en tekst hiernaast. Meer informatie vind je door op de afbeelding te klikken. Nijmegen de oudste stad kan men gevoeglijk vergeten. Er zijn teveel blanco hiaten in die continuïteit, wat ondermeer het Bronnenboek al aangetoond heeft, maar ook de afbeelding in Museum Het Valkhof toont dat aan. Zie afbeelding hierboven bij punt 10.

    16. De bogen aan de buitenzijde van de Barba-rossaruïne rusten op kapitelen met een zuiltje eronder of op kraagstenen. Ze werden waarschijnlijk gemaakt door een lokaal opererend atelier. Vermoedelijk is er sprake geweest van werkplaatsconnecties (p.119) Op p.120 en 121 wordt een overzicht gegeven van kraagstenen, waarbij talrijke vergelijkingen worden gemaakt met vergelijkbare stenen in andere gebouwen, zoals in Kleef en Elten. Zoals met elke vergelijking heel wat mis is, wordt ook hier met 'waarschijnlijk' en 'vermoedelijk' niets bewezen voor Nijmegen. Op p. 123 wordt aangegeven dat er veel gehandeld werd in bouwmateriaal. Dat deze handel van alle tijden is, zal toch wel bekend zijn in Nijmegen? Is de herkomst van diverse bouwmaterialen ook het gevolg van handel, zoals ook aangegeven is op 127? Dan valt daarmee niet te bewijzen ten gunste van Nijmegen.

    17. De functie van de Barbarossaruïne: kapel of troonzaal? (p.122).Op p. 122 en 123 wordt een heel verhaal geschreven over de functie van de Barbarossa-ruïne. Het meest opvallende in dit betoog is dat er onenigheid bestaat tussen Aart Mekking en Elizabeth den Hartog. Hier geeft Den Hartog een viertal argumenten van haar gelijk. Eindelijk discussie in Nijmegen met argumenten en iets slechts een botte ontkenning. Nu is het nog wachten op een discussie op grond van argumenten, over andere vermeende geschiedenis in Nijmegen!

    18. Informatie over de bouwgeschiedenis van de Valkhofburcht moeten we vooral destilleren uit de schaarse overgebleven bouwwerken en bouwfragmenten. Over de middeleeuwse inrichting van het kasteel is nog minder bekend. In het uit circa 1350 daterende Chanson du Chevalier au Cygne et de Godefroid de Bouillon, waarin veel oudere bronnen zijn verwerkt, wordt echter een beschrijving gegeven van een van de ruimtes in het Nijmeegse burchtcomplex. Deze is fictief (p.124). Gelukkig erkent Den Hartog dat alles hier fictief (= niet bestaand) is, waarmee je dus niets bewijst voor Nijmegen. Overigens, wist U dat Godfried van Bouillon afkomstig was uit Boulogne-sur-Mer in Frans-Vlaanderen en niet uit Bouillon in België? Deze Chanson du Chevalier geeft de juiste richting aan waar Nijmegen haar geschiedenis vandaan heeft gekregen: Noord-Frankrijk.

    19. De in het Chanson du Chevalier beschreven schilderingen zouden zijn aangebracht ter wille van een niet bij naam genoemde voorzaat van keizer Otto, vermaard om zijn verovering van de streek en het invoeren van rechtvaardige wetten. Met deze voorzaat is mogelijk Karel de Grote bedoeld, die bekend stond om zijn wetgeving. Hier wordt door Den Hartog weer vreselijk gespeculeerd. Immers als Otto (en Barbarossa) zo'n bewondering hadden voor Karel de Grote, dan zouden zij die naam toch in vette letters vermeld hebben? Was het niet eerder zo dat in hun tijd Charlemagne nog steeds als een Franse vorst werd beschouwd?

    20. Of de beschreven schilderingen zich daadwerkelijk in Nijmegen bevonden, is een vraag die door het verdwijnen van de burcht nauwelijks te beantwoorden is. De Rode Kamer in de noord-zuidvleugel zou een goede kandidaat kunnen zijn, want de kleur rood en rechtspraak gaan vaak samen. Zo werden de deuren van portalen waar in de middeleeuwen recht werd gesproken doorgaans rood geschilderd. Het vroegste voorbeeld van dit gebruik dateert van rond 1120 en betreft het portaal van de Sint-Victor in Xanten. Wat we hier lezen opent een geheel andere kijk op de op de Barbarossaruïne, waar men met wat restjes rode mortel wil bewijzen dat er een Karolingisch Paleis gestaan zou hebben, dat er bijna 300 jaar gestaan zou hebben. Met slechts enkel sporen van rode mortel kan men toch niet serieus menen de aanwezigheid van het Paleis van Karel de Grote te kunnen aantonen. Wellicht wel in Nijmegen. Daar is wel meer sprake van NEP.
    Hoewel enkele keren als zodanig genoemd, wordt ook in dit hoofdstuk geen enkel feitelijk bewijs geleverd over het bestaan van een Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Het heeft er niet bestaan!

    Tot zover Hoofdstuk 4 van Het Valkhof 2000 jaar. Lees verder bij
    Hoofdstuk 5 en volgende.

    Bestel en lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.