De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Jaarboek Oud-Utrecht 2020.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen


We bespreken uit dit Jaarboek alleen het artikel Jos Stöver, waarin het Cartularium van Radboud de centrale plaats inneemt en in onze studie van centraal belang is. Zie het kader "achtergrond" in de tekst hiernaast.




Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.
Over de vroegste geschiedenis van de stad Utrecht is door geleerden uit verschillende vakgebieden zoveel geschreven en als hypothese of theorie geponeerd, dat in plaats van een 'communis opinio' een steeds grotere verwarring is ontstaan en een 'status questionis' nauwelijks meer te geven valt. Het vroegmiddeleeuwse Traiectum wordt als de voortzetting van het Romeinse castellum beschouwd en hebben de meeste historici aangenomen, dat er vroeger een rivier was die door het huidige Utrecht stroomde en dat die rivier de Rijn was. Tegenwoordig is er van die rivier niets anders over dan enige stukjes gracht en wat nietige waterlopen. Tot zover is men het in grote trekken met elkaar eens, maar dan beginnen de moeilijkheden. (Bron: Jaarboek Oud-Utrecht 1975, p.44 e.v.).

De visie van Albert Delahaye.
Over de geschiedenis van Utrecht is veel geschreven, maar nog meer verzonnen. St.Willibrord is voor Utrecht volkomen legendarisch, hij is er nooit geweest, omdat Utrecht in zijn tijd vanwege de transgressies, onder water lag. Een Romeinse aanwezigheid is er zeker geweest, maar rond 260 n.Ch. hebben de Romeinen Nederland verlaten vanwege de toenemende wateroverlast en zijn zij naar het zuiden vertrokken op ongeveer de taalgrens. Pas in de 11de eeuw is er weer sprake van enige bewoning in Utrecht.

In het Jaarboek Oud-Utrecht 2020 staan twee artikelen die gezien onze studie van belang zijn. Het betreft de artikelen "Proh dolor! De Utrechtse ballingschap (857-circa 925) in ander licht" door Jos Stöver en "De toren van de Utrechtse Buurkerk, het Keulse Rijnfront en de schilder Jacob van Utrecht" door Aart J.J.Mekking. Voor dat laatste artikel verwijzen we naar de beschrijving ervan in Jaarboek Oud-Utrecht waar vervolgens enkele verwijzingenen naar eerdere artikelen over de Buurkerk te vinden zijn. De belangrijkste conclusie is dat de 'geleerden' het niet altijd met elkaar eens zijn.

In de geschiedenis van Utrecht is een van de uitgangspunten nog steeds de plunderingen van de stad door de Noormannen, vaak onjuist Vikingen genoemd. In de klassieke Latijnse teksten staat nergens Vikingen, maar Nortmanni of variaties daarvan. Daarbij worden ook steeds bepaalde jaartallen genoemd, zoals 834, 857 en 880. Blijkbaar hebben auteurs die daarover schrijven nooit de originele teksten gelezen, maar schrijven ze anderen na zonder die teksten te controleren.

In het artikel van Jos Stöver (in Jaarboek Oud-Utrecht 2020) wordt dit uitgangspunt ten volle uitgemeten. Maar lezen de auteurs elkaars artikelen niet? Is er geen redactie die op de opvallende verschillen wijst? Immers in het Jaarboek van 2003 schrijft Luit van der Tuuk: 'De voorstelling dat de Utrechtse bisschoppen vanwege Vikingaanvallen moesten vluchten is onjuist. Van Vikingaanvallen wordt in Utrecht niets gevonden'. Lees meer over dit artikel in het Jaarboek Oud-Utrecht 2003.
Lees ook wat Van der Tuuk schrijft over "Denen in Dorestad, De Deense rol in de ondergang van Dorestad" in Jaarboek Oud-Utrecht 2005.


De Utrechtse ballingschap (857-circa 925) in ander licht.
  • Uiteindelijk hebben de Utrechtse bisschoppen zo’n veertig jaar in Deventer gezeteld, toentertijd een mensenleven voor velen en meer dan voldoende voor de aanzet tot een vestigingstraditie. Dat die traditie postvatte lijkt zich te weerspiegelen in de quasi kathedrale status die de Deventer kerk in het bisdom tot in de late middeleeuwen wist te behouden. Van een ballingschap, zoals men het verblijf in Sint-Odiliënberg zal hebben ervaren, lijkt in Deventer uiteindelijk geen sprake meer te zijn geweest.
    Het verhaal van Stover is het gebruikelijke traditionele verhaal. Dat ander licht blijk te bestaan uit de opvatting dat er geen sprake was van een ballingschap, maar een bewuste keuze om vrjwillig en door omstandigheden langer in Deventer te verblijven.

    Het traditionele wordt aangetoond met de interpretatie van de plaatsnamen (zie hierna) en de vele keren dat twijfel of onzekerheid wordt uitgesproken, zoals dat veel niet of onbekend is (wordt 8 keer genoemd) en het gebruik van woorden als 'niet ondenkbaar', 'interpretatie', 'mijn reconstructie', 'lastig grip op te krijgen', 'onsamenhangende informatie', 'aannemelijk', 'mogelijk' (komt meer dan 30 keer voor!), 'ik sluit niet uit', 'meen gaat ervan uit' en 'Kaj van Vliet, Van Rooyen of Halbertsma suggereert'. Het geheel blijkt te bestaan uit (zoals Stöver het zelf noemt "een weliswaar laatmiddeleeuwse, maar krachtige overlevering", met een verwijzing in noot 26 naar de 'onduidelijke' Johannes de Beka. Hoezo 'krachtige overlevering' als de bron onduidelijk wordt genoemd?

  • Opvallend in dit artikel is ook dat Stöver het de ene keer over Noormannen heeft, ze dan weer Denen, dan weer Vikingen noemt. Alsof het verschillende bendes betreft. Plunderingen noemt hij maar één keer, wel een brandlaag, maar daar bewijs je niets mee, zoals uit de studie van Barbara Wouters gebleken is.

  • Die ballingschap betrof bisschop Hunger die vanuit Trajectum voor de Noormannen moest vluchten en zich tijdelijk in Daventria vestigde en na bijna 70 jaar zijn opvolger terugkwam in Trajectum. Wat in het verhaal van Stöver geschreven wordt is historisch gezien helemaal correct. Maar het heeft zich niet voorgedaan in Nederland, maar in een andere streek en wel in Frans-Vlaanderen. Immers wat moet verstaan worden onder Trajectum, wat onder Daventria waar de Noormannen aan het plunderen waren? In Utrecht of Deventer is van plunderingen door de Noormannen nooit iets gebleken, niet tekstueel en ook niet archeologisch, ook al noemt men ze Vikingen. De teksten uit de jaren 880-882 die men daarvoor doorgaans gebruikt gaan over Gallia, waarbij plaatsen genoemd worden als Amiens, Arras, Beauvais en Cambrai.

  • De opvolger van Hunger zou Alfried zijn geweest en deze was afkomstig van de West-Frankische abdij van Saint-Amand (bij Valenciennes). Hierop doordenkend zou het Stöver dicht bij de oplossing gebracht kunnen hebben. Immers in de lijst van Utrechtse bisschoppen komt Alfried niet voor, zoals hij zelf opmerkte, zeker nu hij Saint-Amand ook noemt als de herkomstplaats van de vita van Lebuinus. Balderic bestelde bij de abdij van Saint-Amand de door Hucbald (840-930) geschreven nieuwe vita ter ere van Lebuinus.Ook noemt Stöver het 'Fragment van een rond 880-890 in Reims gemaakt sacramentarium' dat vermoedelijk in bezit was van bisschop Odilbald. Ook dit had hem op de juiste streek kunnen wijzen, waar deze hele geschiedenis geplaatst moet worden.

  • Ook andere plaatsen die genoemd worden, zoals Wadenoijen, Susteren, Asselt, Oldenzaal, Staveren, worden in de klassieke Latijnse teksten nergens genoemd. Het zijn traditionele interpretaties waarvoor geen enkel bewijs bestaat. Lees meer over Plechelmus en Oldenzaal, over Hamaland en Nifterlake. Hamaland is in elk geval in Nederland niet gevonden en voor Nifterlake bestaat ook al geen bewijs dan slechts een aantal aangenomen opvattingen, vooral van prof.dr.D.P.Blok.

  • Van belang voor de herkomst blijft bij personen steeds met wie en waar zij trouwden, waar ze verbleven en vooral waar ze begraven zijn. Dat zegt meer dan de interpretaties van plaatsnamen. Tiel wordt in de tekst niet genoemd, maar komt slechts voor in noot 44, waarin Halbertsma veronderstelt dat bisschop Radbod een zoon is van een broer van Gerulf. Gerulf wordt als grondlegger van het grafelijke huis van Holland beschouwd. Hij zou volgens Halbertsma zelf uit ‘de kuststreken tussen Vlie en Eems’ afkomstig moeten zijn. Deze Gerulf, inderdaad grondlegger van het grafelijk huis van Holland, kwam echter uit Vlaanderen en wel uit Gent. Lees meer over de graven van Holland
    Ook het genoemde geslacht Van Loon geeft aan dat het om Frankrijk gaat. Het geslacht Van Loon kwam uit Frans-Vlaanderen. Imago, de dochter van Gerard van Loon, was gehuwd met Willem, kastelein (drossaard) van St.-Omaars. Na de dood van haar man heeft zij zich teruggetrokken in de abdij van Susteren, waar zij in 1147 tot abdis gekozen werd. Het Evangeliarium, dat zij aan de abdij schonk, is niet voor Susteren gemaakt, doch behoorde aan het huis Van Loon of aan de familie van Willem van St.-Omaars. Deze opmerkelijke band tussen Susteren en St.-Omaars, nog in stand in de 12e eeuw, heldert de herkomst van Susteren geheel op. Het is ook volledig uitgesloten dat Gregorius en Alberik in Susteren begraven zouden zijn. Lees meer over Het graafschap Loon in Archeologie Magazine nr.3 2019.

  • Stöver schrijft dan een zekere Hunger, wiens achtergrond onbekend is. En juist dat onbekende is het grootste probleem in dit verhaal: als iets onbekend is, vult de fantasie het onbekende in en verdwijnt de waarheid.
    Die waarheid is dat bisschop Hunger ressorteerde onder aartsbisschop Hincmar van Reims, die zowel Hunger, als de bisschop van Terwaan (dit detail laat Stöver vervallen, net zoals hij niet noemt dat Hunger abusievelijke door menig historicus ook als bisschop van Dorestad genoemd wordt, (gebaseerd op een leesfout (sic)!), gewaarschuwd had tegen het verlenen van steun aan Boudewijn graaf van Vlaanderen. Dit gegeven is onmogelijk in Utrecht te plaatsen, natuurlijk wel als je de bisschop van Terwaan weglaat. Maar dan nog niet, immers het bisdom Utrecht was vanaf het ontstaan in de 10de eeuw niet onderhorig aan Reims, maar aan Keulen. Ook het noemen van Koning Zwentibold van West-Francië plaatst Hunger precies dáár! Trajectum lag dus in West-Francië, waar ook Daventria (=Desvres) lag en ook Dorestad lag, dat dus niet Wijk bij Duurstede was. De opgegraven nederzetting in Wijk bij Duurstede voldoet ook niet aan alle kenmerken genoemd in de teksten.

    De opvolger van bisschop Hunger (851-870) was bisschop Odilbald (870-899), in sommige literatuur abusievelijk Adelbold genoemd. Waar Odilbald in eerste instantie resideerde, is onbekend. Mogelijk verbleef hij aanvankelijk in het refugium in Sint-Odiliënberg. Maar in de winter van 881-882 deed zich wederom een aanvalsgolf van Vikingen voor. Ditmaal richtten de Denen zich ook op het mondingsgebied van de Schelde en drongen zij tot in de Maasstreek door. Zij sloegen zelfs een winterkamp op in Asselt, vlakbij Sint-Odiliënberg. Er zijn evenwel geen berichten dat het bisschoppelijke ballingsoord is aangevallen. Het winterkamp in Asselt heeft echter net zo min bestaan als een aanval op Utrecht. Lees meer over Asselt, dat tot 2017 voor Ascloa is gehouden. (De Limburger, sept.2017).
    Asselt koesterde vanaf 1929 ten onrechte zijn Noormannengeschiedenis.

  • Interessant is het verhaal van Stöver zijn de jaartallen die hij noemt: met name over de invallen van de Noormannen in 834, 857 863, 880, 885 en 925. Deze jaartallen en de teksten komen allemaal uit Franse bronnen. Opvallend is ook dat het Bronnenboek van Nijmegen deze jaartallen (op 880 na) niet noemt. Sloegen de Noormannen Nijmegen over op weg naar Deventer of komend uit Utrecht op weg naar Asselt? Nederland heeft geen enkele authentieke tekst op dit gebied. Dat leidt al tot de volgende opmerkelijke vragen:
    1. Hoe konden Franse schrijvers op de hoogte zijn van soms zeer gedetailleerde gebeurtenissen in verre streken?
    2. Waarom beschreven zij de geschiedenis ver van huis en lieten zij die van hun eigen streek onbeschreven?
    3. Was het wel de geschiedenis ver van huis, of was het toch de geschiedenis van hun eigen streek, zeker als er in de kroniek van St.Omaars letterlijk staat dat "velen van de onzen" werden gedood?
    Was het dan waar wat Jacob van Oudenhoven in 1654 zijn kroniek "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" over "het ontbreken van elke schriftuur" schreef? Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd.

    Centraal in dit verhaal van Stöver staat het Cartularium Radbodi (hij noemt het 10x), waarbij hij (gezien de verwijzing in noot 32) de opvatting van Henderikx volgt. Dat maakt zijn verhaal nog onaannemelijker. Immers Henderikx blijkt ook slechts anderen na te schrijven zoals Blok&Koch, Gysseling, Camps en Byvanck en enkele anderen: er is ruim 450 keer sprake van 'naschrijverij'. Van de 201 plaatsen waarvan Henderikx een locatie geeft, noteert hij bij 58 «onbekend» en plaats hij ook nog 83 vraagtekens bij zijn interpretaties.


    Even wat achtergrond geschiedenis: het Cartularium Radbodi.
    Voor het onderzoek naar de juiste plaats van Traiectum staan ons twee soorten bronnen ter beschikking, namelijk de oorkonden van Traiectum en de Levens van de heiligen die in deze plaats of vlak daarbij of in de streek gemissioneerd hebben. De oorkonden van Traiectum zijn verzameld (gekopieerd) in een register dat men het Cartularium van Radboud noemt, welke kopie in de abdij van Egmond is gemaakt. Men neemt aan, daarbij gesteund door een in het Cartularium aanwezige akte van de abdij van Egmond, dat de afschriften in de 12e of 13e eeuw zijn vervaardigd. De Vita Radbodi bevat elementen die op een ontstaan later in de tiende eeuw wijzen, toen Utrecht weer het centrum van het bisdom was, schrijft Stöver. Maak daar maar 13de eeuw van!

    Tegelijk wordt op de merkwaardigheid gewezen dat in de Annalen van Egmond, die in dezelfde tijd ontstonden en later werden aangevuld, geen gegevens uit het Cartularium voorkomen, zelfs niet de vermelding van Willibrord als eerste bisschop van Utrecht. Met andere woorden: de monniken van Egmond, die als kinderen van hun tijd zeker niet overgevloeid hebben van historische kritiek of gereserveerdheid, hebben desondanks geweten of intuitief aangevoeld dat dit rijke materiaal niet van Utrecht was. Zij hadden de wording van Nederland, de opkomst van een nieuw bisdom en de vorming van een nieuw graafschap van te nabij meegemaakt om niet te beseffen dat dit nieuwland niet de voorgeschiedenis kon hebben gehad die in de uit Gent gekomen akten was uitgedrukt. Wanneer de Annalen van Egmond dan beginnen te verhalen over de bisschoppen van Utrecht, is er geen woord bij over Willibrord en zijn opvolgers.

    De verzameling van deze oorkonden schrijft men algemeen toe aan bisschop Radboud, die omstreeks 900 de stukken kopieerde om daarmee de rechten en waarschijnlijk ook het voortbestaan van het bisdom te verdedigen. Deze oorkonden kwamen vanuit Frankrijk in Egmond terecht! Dat lijkt een groter probleem dan het in werkelijkheid is. De abdij van Egmond was een stichting van Gent, omstreeks 950 tot stand gekomen. Zij werd in de eerste tijd van haar bestaan bemand met monniken uit Gent, terwijl door de moeder-dochter-verhouding tussen de beide kloosters nog lang een intensief onderling verkeer is blijven bestaan.
    Hoe de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, valt gemakkelijk te verklaren. De graaf van Vlaanderen heeft de abdijen krachtig gesteund en verrijkt, eerstens om hem te helpen bij zijn politiek van het weren van vreemde invloeden, tweedens om ook op kerkelijk gebied orde te scheppen in de chaos, veroorzaakt door de Noormannen. Zo heeft hij de St.Bertijns-abdij te St.-Omaars gedwongen om haar monastieke beslotenheid van een zuiver beschouwend leven te verlaten en de zielzorg in het omliggend gebied aan te nemen. In dit verband is het veelzeggend, dat deze abdij dan optreedt in verschillende parochies die voorheen tot het bisdom Traiectum behoorden; en dat deze parochies juist in het noorden liggen, het huidige West-Vlaanderen.

    Tegen deze achtergronden is het helemaal niet vreemd dat de documentatie van Traiectum in Gent terecht kwam, waar zij na enige tijd niet meer werd begrepen en in de 12e eeuw -die beruchte 12e eeuw die we steeds weer tegenkomen als het begin van de fundamentele verwarring (zie kader lnks)- de mening ontstond dat die documentatie van Utrecht was. Zo kwam zij in Egmond terecht, waar zij desondanks als niet toepasselijk op Nederland voorlopig in de kast werd gelegd. De toepassing op Holland en Utrecht begon pas, weer een hele tijd later, toen het bisdom Utrecht een volledig afschrift kreeg van het Cartularium van Radboud, daarvan een ‘Liber Donationum’ maakte, dit aanvulde met enige valse oorkonden en verder bijhield, waardoor een continuïteit tussen het oude Traiectum en Utrecht werd gesuggereerd die in het pure Cartularium van Radboud niet te vinden is.

    Een en ander verklaart ook dat deze documentatie de weg terug naar de authentieke streek niet vond en dat de andere geschreven bronnen zoals kronieken, oorkonden en Levens van heiligen ook in de geest der
    historische verplaatsingen werden opgevat. Daardoor kon bij de Franse en Vlaamse historici zelfs in de verste verte niet de gedachte nog opkomen dat dit historisch materiaal van Frans-Vlaanderen was. Die gedachte kon pas ontstaan nadat -als eerste stap- de mythe van Nijmegen was doorzien.

    Wie mocht menen dat deze reconstructie ten aanzien van de dwaalwegen van Radbouds Cartularium te ver gezocht is, begaat een vergissing, daar dit Cartularium zelf een doorslaand bewijs bevat dat die reconstructie de juiste is. Het geeft namelijk een goederenlijst uit ca.870 van het bisdom Traiectum. Daarin zijn 205 plaatsnamen genoemd waar het bisdom rechten en goederen bezat. Het zijn allemaal Franse plaatsen, nooit in Nederland teruggevonden of ook maar getipt; buiten enkele pogingen van prof. D.P.Blok, die reeds zonder meer te verwerpen zijn omdat hij schermt met nauwelijks 1% van de lijst en de rest maar stilzwijgend overslaat. En wanneer zo’n vindingrijk iemand in ’n mum nooit bewezen localisaties van historische plaatsnamen uit z’n mouw schudt alsof het niets is, doch daarbij ruim 99% van die namen overslaat (ook alsof het niets is!), dan staat het als een paal boven water dat er in Nederland geen plaatsings-mogelijkheid aanwezig is voor dit enorme historische materiaal; nog ervan afgezien dat in 870 nooit en te nimmer 205 plaatsen in de omgeving van Utrecht kunnen hebben bestaan, waar het ‘bestaan toen’ van Utrecht zelf nog geheel in de lucht hangt of veeleer in het water ligt.

    De akten van de lijst zijn, in origineel, ter plaatse van de feiten opgesteld, wat de opsteller duidelijk laat merken; zodat de mythe van Utrecht reeds door deze ene bron volledig de grond in wordt geboord.

    Maar bij dit aantal van 205 plaatsnamen blijft het niet; tevens zullen ook uit de overige bronnen een nog groter aantal i.v.m. Traiectum genoemde plaatsen en de geografische details daarvan verzameld moeten worden. En dit zowel om met zo’n vijfhonderd bewijzen aan de fabel ‘Willibrord in Utrecht’ een eind te maken, alsook om de Nederlandse historici voor te houden wat historische geografie is.

    Het valt op, dat in de verzameling van bisschop Radboud alleen stukken voorkomen van en over het bisdom. De schenking uit 722 van Karel Martel lijkt zo te zien uit de toon te vallen, omdat zij een schenking is aan het klooster van Willibrord. Gezien de aard van het geschonkene (nl. de materiele bezegeling van de abdij zelf) blijkt zij echter een schenking aan het bisdom, hetgeen tevens laat zien welk nauw verband -niet alleen geografisch maar ook organisatorisch- er vooral in de beginperiode bestond tussen de bisschoppelijke zetel en de abdij van Willibrord.

    Anderzijds blijken in de documentatie van dit nabije Aeftemacum (=Eperlecques), die op een heel andere manier verwaaid is, geen documenten voor te komen van het bisdom. Oorzaak hiervan is, dat de nabije abdij na Willibrords dood weldra haar eigen weg ging en binnen een eeuw haar spiritueel en zendings-karakter geheel verloor en slechts als goederenpakket voortbestond (wat elke authenticiteit van het verre Echternach als de abdij van Willibrord uitsluit).

    Bisschop Hunger heeft in 857 de zetel van Traiectum (=Tournehem) moeten verplaatsen toen de Noormannen de stad veroverden en verwoestten. Hij week uit naar de abdij van Prüm, van waaruit hij een tijdelijk onderdak kreeg te Berg aan de Sauer.

    Na enige jaren is hij naar zijn bisdom teruggekeerd. Daarna resideerden de bisschoppen te Dorestadum (=Audruicq) of te Daventria (=Desvres). Door een veelheid van verschillende omstandigheden was het bisdom Traiectum (=Tournehem) ten dode opgeschreven. Bisschop Radboud heeft, volledig uitgerangeerd, omtrent 900 nog kort als bisschop van Traiectum wellicht in Daventria (=Desvres) geresideerd totdat het bisdom omstreeks 917 geruisloos uit de geschiedenis verdwijnt. Stöver noemt Dorestad één keer, maar gaat daar verder niet op in. Een bisschop van Dorestad noemt hij terecht niet!

    Het andere materiaal voor onze uiteenzettingen wordt geleverd door de levensbeschrijvingen van de zendelingen onder de Fresones en Saxones. Weer een materiaal dat in zijn toepassing op Nederland als los zand aan elkaar hangt, doch in de authentieke streek integendeel een logisch en sluitend beeld oplevert, bovendien gedekt door een groot aantal geografische details die de plaatsing ervan in de juiste streek afdoende bewijzen.
    Het spreekt vanzelf, dat we dit onderzoek beginnen met de eerste berichten over de christelijke zending onder de Fresones en Saxones met Liudger en Lebuinus. Want die zending bestond daar ter plekke al minstens 80 jaar voor Willibrords komst, wat tevens een doorslaggevend bewijs vormt dat die niet op Holland, Utrecht en ons Friesland gericht was.

    Het lag voor de hand dat de Nederlandse historici deze voorgeschiedenis maar als legendarisch of hoogst dubieus zouden afdoen omdat die vroegere geloofsverkondiging al helemaal niet in Nederland te plaatsen is. In ruil daarvoor hebben zij de Hollandse legenden, pas na de 12e eeuw uitgevonden, wel als historisch betrouwbaar aanvaard. Het was een slechte ruil, reeds volkomen te verwerpen als men de chronologie in de gaten houdt; want een tekst uit de 13e of 14e eeuw moet het per definitie afleggen tegen een authentiek eigentijds document uit begin 7e eeuw. Het gaat natuurlijk niet aan, alles maar legendarisch te verklaren wat niet klopt met hetgeen sinds de 12e eeuw is uitgebroed. Wanneer men dan tot overmaat van ramp het onderzoek pas na de 12e eeuw begint, wordt de ruil niet eens opgemerkt.

    De chronologische serie van teksten uit de 'bronnen van het bisdom Utrecht' sinds het midden van de 10e eeuw maakt wel definitief duidelijk dat het bisdom Traiectum van Willibrord en het bisdom Utrecht twee geheel onderscheiden instituten zijn, die alleen vanwege de ongelukkige doublure van dezelfde naam aan elkaar zijn geknoopt: Traiectum, de oude en authentieke naam van Tournehem; en Traiectum, de achteraf ingevoerde latinisatie voor Utrecht, wat voor die tijd ’n aanvaardbare en volkomen normale gang van zaken was. Het had niet noodzakelijk tot de vergissing behoeven te leiden en heeft dat ook gedurende de eerste drie eeuwen niet gedaan. De ontsporing begon pas toen de abdij van Echternach in de 12e eeuw pretenties in Holland ging stellen. Al werden die pretenties maar zeer ten dele gehonoreerd, het gevolg ervan was wel dat Utrecht en Holland de opvatting kregen opgedrongen van Willibrords zetel te Utrecht. Reële of fictieve verplaatsingen zoals van Frisia en Saxonia naar het noorden en het oosten, van Lebuinus en Ludger naar de IJsselstreek enz. hadden het bedje al gespreid voor de Utrechtse localisatie, die er tenslotte inging als koek (Deventer koek!); al is het merkwaardig, dat (en dit verraadt toch weer een zekere aarzeling) deze in feite pas in de 14e eeuw beklonken werd. Dit laatste is in hoge mate bevorderd door Friesland, waar de fabel van Dokkum als plaats van Bonifatius’ marteldood al enige tijd met open armen was verwelkomd. De uitgeslapen Friezen hadden al heel vlug begrepen dat hun streek er wel bij kon varen. En och, waarom ook niet? Zij hadden immers de heilige niet vermoord; dat hadden toch de Groningers gedaan?

    Bisschop Hunger van Trajectum.

    Bisschop Hunger van Trajectum (=Tournehem) was in 857 voor de Noormannen gevlucht. Hij keerde na verloop van tijd in zijn bisdom terug en zette zich aan het werk om weer orde op zaken te stellen. Daartoe riep hij groepen mensen op om te getuigen wat het bisdom in bezit had gehad. Het relaas van zijn onderzoek heeft een lange opsomming van plaatsen opgeleverd. De namen uit zijn lijst en uit de oorkonden zijn verzameld. Ze zijn niet terug te vinden in Nederland (op enkele duidelijke doublures na), maar liggen allemaal in Frans Vlaanderen: het is de bekende goederenlijst uit 870.

    Als voorbeeld uit die lijst kan het volgende gesteld worden: "In het jaar 915 verleende Karel de Eenvoudige, koning van West-Francië, aan de abdij van Epternacum, waarvan graaf Reginarius als lekenabt fungeerde, een uitbreiding van de stipendia (vaste inkomsten) der regulieren van het klooster; hij voegde er de villa Waderlo in Taxandria aan toe". In Nederland is dat Waderlo altijd opgevat als Waarle en zo werd Taxandria als Noord-Brabant opgevat, terwijl Taxandria het 'textielland' in Frans-Vlaanderen was.
    Het blijkt niet uit de oorkonde, dat dit de restitutie was van een vroeger bezit, doch er staat evenmin vast dat dit niet mag worden aangenomen. De koning kon enkel beschikken over een goed in zijn eigen rijk; daar Waalre niet tot zijn rijk behoorde, is deze lokalisatie feitelijk al uitgesloten. In de akte wordt Waderlo in één adem genoemd met Trinmitha, een schenking van Thiatbere. Deze plaats is in de verre omtrek van Waalre niet aan te wijzen. Zij wordt als Trinmithi genoemd in een akte van bisschop Hunger uit het jaar 850, waarin 15 plaatsnamen voorkomen (alle eveneens Gallo-Romaans!), die geen enkele mogelijkheid tot situering in Nederland bieden. Indien de akte authentiek is -waaraan niet getwijfeld behoeft te worden - dan heeft zij als een schenking of restitutie van een goed in Noord-Frankrijk betrekking op het bisdom van Trajectum, een onderscheid dat verschillende andere afschriften van Echternach uit het oog hebben verloren.
    Het is opmerkelijk dat Stöver nog wel Plechelmus noemt als patroonheilige van de kerk van Oldenzaal. De oorspronkelijke plaats Audenzeele in Vlaanderen is blijkbaar nog onbekend bij hem.


  • Bij de verwoesting van Tournehem door de Noormannen in 857 en de vernieling van de kerk had bisschop Hunger slechts met moeite kunnen ontkomen. Hij vluchtte naar de abdij van Prürn, waar koning Lotharius II vertoefde. Op 2 januari 858 schonk de koning hem het klooster ’’Berg, in de pagus van de Maas, aan de rivier de RURA gelegen, toegewijd aan St. Petrus”. Utrecht heeft nooit enige relatie gehad met de abdij van Prüm, ook later niet. Daaruit blijkt al de misvatting van deze tekst.

    Men heeft dit met Nederlandse ogen altijd opgevat als St. Odiliënberg in Limburg ten zuiden van Roermond, ofschoon het wel vreemd was dat bisschop Hunger een vluchtoord gekregen zou hebben op korte afstand van Susteren, waar St. Willibrord al een abdij had, althans volgens Bartjes. Het bezit van de abdij van St. Odiliënberg scheen overigens door enige latere oorkonden van Utrecht bevestigd te worden. Onder de drie oorkonden over dit zogenaamd bezit van Utrecht zitten twee vervalsingen en één, die op een geheel andere zaak dan het klooster slaat, zodat het overbodig is het evidente feit te bewijzen, dat Utrecht de abdij van St. Odiliënberg nooit in bezit heeft gehad wat, als het waar was geweest, wel helder uit de dokumentatie van Utrecht te voorschijn was gekomen, die in de 9e eeuw rijker begint te vloeien.

    De oplossing van ” Berg aan de Rura” ligt anders. Bisschop Hunger met zijn klerus en monniken (er zijn aanwijzingen dat toen al seculieren onder de missionarissen waren) vluchtten in november of december 857 van éperlecques naar Prüm. Zij kregen daar het klooster van ” Berg aan de SURA” aangewezen. Langs Echternach stroomt de Sauer, welke naam als Sura in de bronnen van Echternach voorkomt. Het klooster werd vanzelfsprekend Epternacum genoemd, wat later verduitst is tot Echternach.
    De akte bestaat alleen in afschrift in het cartularium (oorkondenverzameling) van Egmond. Het kan voor zeker gehouden worden, dat ”Sura” in de tekst heeft gestaan; de rest van de passage bleef even toepasselijk, zodat men geen interpolatie behoeft te veronderstellen, doch een simpele verlezing of verschrijving van één letter. Dat lettertje heeft heel wat op zijn geweten! De kopiïst van Egmond uit de 12e eeuw kon niet verder kijken dan Limburg en maakte er natuurlijk RURA van.

    De abdijkerk van Echternach heeft altijd het patronaat gehad van St. Petrus en St. Paulus. Al noemt de akte van 858 alleen de eerste, toch is het dubbele patronaat van de twee heiligen onafscheidelijk, zodat blijkt dat het nieuwe klooster dit patronaat heeft gehandhaafd. De kerk van St.Odiliënberg was aan de HH. Wiro, Plechelmus en Otger toegewijd welk patronaat al uit de 8e eeuw bekend is, een bewijs temeer dat deze niet in de akte kan zijn bedoeld. De naam Berg is later vervallen. Echternach was een import-naam, die voor het klooster en de plaats ging gelden. Hieruit volgen acht belangrijke konklusies:
    1. Echternach is een verplaatst klooster, dat met recht de traditie mocht voeren van door St. Willibrord te zijn gesticht, evenals Werden naar de volle waarheid beweerde door St. Ludger te zijn gesticht.
    2. St. Willibrord is persoonlijk nooit in Echternach geweest.
    3. Zijn corpus aldaar is vals, daar hij er niet begraven kan zijn en de relieken in de tijd van de Noormannen niet zijn meegenomen, vooral omdat Echternach in 1031 beweerde, dat men toen voor het eerst sinds de begrafenis het corpus ontdekte.
    4. Bij de vlucht van het klooster verloor dit al zijn goederen en die van het bisdom. Na enkele jaren is bisschop Hunger naar zijn missie teruggekeerd en doet zich één zeldzaam geval voor dat hij of het klooster een goed terugkreeg, bij welke akte overigens enkele vraagtekens gezet kunnen worden.
    5. Echternach had met enig recht de goederen mogen claimen in Noord-Frankrijk en Vlaanderen. Aanvankelijk is dat niet overwogen. Toen tegen het einde van de 12e eeuw (vier eeuwen na de vlucht!) de hebzuchtige Theoderich van Echternach daaraan begon, had niemand meer enige notie van de juiste plaats dier goederen, kerken en plaatsen, en kon men uitsluitend in noordelijke richting denken, daar St.Willibrord al werd opgevat als bisschop van de Nederlandse Friezen, omdat men de echte Friezen niet meer in het vizier had, vanzelfsprekend omdat de oude klassieke stamnaam daar verdwenen was, zoals in Duitsland en Frankrijk op dat tijdstip reeds lang alle stamnamen verdwenen waren. Nederland vormt weer de uitzondering, waar klakkeloos werd aangenomen, dat tussen de Frisones en de Friezen, en tussen de Batua en de Betuwe een historische en taalkundige lijn is blijven hangen, en dat terwijl het land niet is blijven bestaan. Toen begon een inmense spraakverwarring, die vooral in Noord-Brabant tot zoveel onjuiste voorstellingen leidde.
    6. In sommige, zelfs zeer oude akten van Echternach (alle enkel in afschrift bewaard) van vóór 858 staat de bewering, dat de abdij door St. Willibrord was gesticht. Dit is juist, met het voorbehoud dat het niet ter plaatse is geweest. Dat voorbehoud was evenwel niet bedoeld, zodat die passages duidelijke toevoegingen zijn.
    7. Totaal onjuist zijn de teksten, die meedelen dat schenkingen in de omgeving van Echternach en Trier aan St. Willibrord persoonlijk zijn gedaan. Deze akten kunnen van het klooster Berg zijn geweest, welke goederen terecht op Echternach zijn overgegaan, maar waarin de naam van St. Willibrord niet had mogen zijn toegevoegd.
    8. Toen Theoderich, de grote vervalser van Echternach, in de 12e eeuw de afschriften liet vervaardigen, had hij natuurlijk geen oog voor deze kleine, maar zeer belangrijke details, omdat de persoonlijke tegenwoordigheid van St. Willibrord in Echternach bij hem zó voorop stond, dat hij het liet toevoegen waar hij het miste.

    SOUASTRE EN SUSTEREN
    Soastre en Susteren zijn sterk verweven met elkaar, al is het geheel wat de Nederlandse opvattingen betreft het gevolg van dezelfde verwarring als het Noviomagus van Karel de Grote dat Nijmegen zou zijn geweest, maar het Noyon was.

    Plectrudis, de echtgenote van Pepijn van Herstal, had te Suestra een klein klooster gesticht op een voormalig eigendom van haar neven Alberik en Hederik. Alberik was de vader van St. Gregorius van Tournehem, bisschop van ca. 754 - ca. 775. Dit klooster bestemde Plectrudis tot rust- en pleisterplaats voor de rondtrekkende missionarissen. In het jaar 714 schonken Pepijn en Plectrudis dit klooster met een landgoed aan St. Willibrord op de voorwaarden, dat het klooster van Suestra zou voortgaan met gastvrijheid te verlenen aan de priesters, de monniken zich na de dood van St. Willibrord een eigen abt konden kiezen, en dat het klooster onder de voogdij van Pepijn en zijn opvolgers zou blijven. De juiste plaats is SOUASTRE, ca. 15 km ten zuid-westen van Atrecht gelegen, waar een Merovingische begraafplaats is ontdekt. De naamkundige identiteit, die evident is, wordt geïllustreerd door het feit dat in deze streek veel goederen van St. Willibrord of diens abdij zijn aan te wijzen, vooral de zogenaamde Noord-Brabantse.
    Met Souastre en Susteren, beide als Suestra bekend, stoten wij op een van de merkwaardigste doublures uit de historische mythen. Het klooster van Susteren heeft mèt de naam de gehele traditie toebedeeld gekregen van het eerste klooster. Het lag zo mooi, ongeveer in het midden tussen Utrecht en Echternach, dat dit niet kon uitblijven. Hier immers had St. Willibrord een pied-à-terre op zijn reizen tussen Utrecht en Echternach, en hier was de voorwaarde ook recht in de roos, dat dit klooster als rust- en pleisterplaats diende voor de rondtrekkende missionarissen. De abdij van Susteren is in het jaar 891 door keizer Arnulf geschonken aan Seginand, abt van Priim; deze gaf haar kort daarna aan zijn abdij. In het jaar 948 bevestigde keizer Otto dit bezit van Prüm. Uit de eerste oorkonde blijkt met zekerheid, dat Susteren toen een vrouwenklooster was, welk detail van belang is voor het eerste Suestra.
    Toen bisschop Hunger in 857 een wijkplaats zocht, kwam hij in Echternach terecht. De abdij van Suestra vestigde zich te Susteren. Nergens staat geschreven, dat de twee kloosters op hetzelfde tijdstip vluchtten; gezien de verschillende richtingen is dit zelfs niet waarschijnlijk. De nieuwe vestiging kreeg vanzelfsprekend de naam van het voormalige missiehuis. Toen Susteren door de priesters van Tournehem of de Benedictijnen verlaten was (de missie in Frans Vlaanderen is immers kort nadien weer voortgezet), lag het enigszins voor de hand dat de abdij van Prüm het klooster kreeg, dat zij wellicht gefinancierd had, zoals zij ook bemiddeld had bij de vestiging van de anderen te Echternach.

    Afbeelding uit het Evangeliarium van Susteren, waarop twee heiligen met aureool zijn afgebeeld en daartussen een vrouwenfiguur.

    Men kan echter ook met recht de vraag stellen, of het klooster van Souastre reeds vanaf de oorsprong een vrouwenklooster is geweest. Met recht, omdat de akte van 714 mede ondertekend werd door vijf abten en een abdis Blandumen, die toch zeker niet bij het opstellen van een akte zou zijn gevraagd voor een zaak waar zij alleen voor de eer optrad. Enkele historici hebben al eerder gedacht in de richting van een dubbelklooster, waarop ook andere gegevens wijzen. Zeer goed mogelijk is, dat Souastre een vrouwenklooster is geweest, wiens taak het onder andere was de ’’fratres peregrini” , zoals in de akte staat, de vreemde paters (nl. Engelsen en Ieren) een onderkomen en verzorging te verschaffen. De monniken, die uit de aard van hun rondtrekkende zending geen vaste, permanente en dagelijkse kloostergemeenschap konden vormen, moesten St.Willibrord als hun abt of overste beschouwen. Na diens dood zouden zij een eigen abt mogen kiezen, wat nog niet wil zeggen dat Souastre dan als mannenklooster werd voortgezet, maar even goed kan betekenen dat zij dan een klooster mochten of moesten kiezen, waartoe zij wilden behoren. In het geval van ’’moesten” : zeer redelijk is de veronderstelling, dat dit een eis is geweest van St. Willibrord, die het klooster aanvaardde als steunpunt voor de missie, maar toch niet wilde hebben dat het na zijn dood tot nadeel van zijn eerste abdij en zo dicht daarbij tot een tweede abdij zou uitgroeien.

    Tussen Utrecht en Susteren is geen enkele relatie aan te wijzen, evenmin als tussen Susteren en Echternach. In de gangbare opvattingen is het feit onverklaarbaar, dat de abdij in 891 aan Prüm werd gegeven en het bisdom Utrecht of de abdij van Echternach op een vreemde manier werden gepasseerd. Uit de akte blijkt, dat de abdij van Susteren al rijk was door het bezit van verschillende kerken, hoeven en landbouwgronden. In 916 werd het bezit van Prüm door de keizer bevestigd, nadat enige Lotharingse edelen zich van Susteren meester hadden gemaakt. Bij deze gelegenheid lieten Utrecht en Echternach evenmin iets van zich horen, wat zij zeker zouden hebben gedaan als een en ander van de latere historische opvattingen op waarheid had berust.
    St. Gregorius en St. Alberik, bisschoppen van Tournehem, zijn in Susteren begraven, natuurlijk herbegraven toen het klooster voor de Noormannen uit Frankrijk moest vluchten en de relieken van de heiligen meenam. Het bekende Evangeliarium van Susteren heeft een miniatuur, waarop twee bisschoppen en een vrouwenfiguur zijn afgebeeld. Voorheen meende men hierin Ste.Amelberga, St.Willibrord en St.Wiro te moeten zien. Prof.dr.Coens heeft evenwel aangetoond dat de beide bisschoppen St. Gregorius en St. Alberik zijn. De abdis, in het midden zonder aureool afgebeeld, is de schenkster van het Evangeliarium. Even dwingend heeft deze schrijver aangetoond dat dit Imago is, dochter van de graaf van Loon. Zij was gehuwd met Willem, de kasteelheer van Sint-Omaars. Na de dood van haar man trok zij zich terug in de abdij van Susteren, waar zij in 1174 tot abdis werd gekozen.
    Het Evangeliarium, dat zij aan de abdij schonk, is niet voor Susteren gemaakt maar behoorde toe aan het huis van Loon of aan de familie van Willem van Sint-Omaars. Deze feiten zijn slechts voor één uitleg vatbaar: dat men in de 12e eeuw in de omgeving van Sint-Omaars nog terdege wist welke banden er bestonden tussen de eigen streek en het klooster van Susteren, waar de relieken van twee heilige bisschoppen van Tournehem.


    Utrecht heeft na de Romeinse tijd tot in de 12de eeuw niet bestaan als stad. St.Willibrord heeft er dan ook nooit gemissioneerd. Daarvoor ontbreekt elk bewijs, zowel tekstueel als archeologisch. Dat Willibrord hier dan gepredikt zou hebben is een volslagen mythe.


    Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

    Citaten van Historici


    wetenschap is twijfel


    ongelooflijk


    onnozelheid


    Heiligenlevens


    Kletspraat

    Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
    11de en 12de eeuw
    13de en 14de eeuw
    Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
    18de eeuw
    19de eeuw
    20ste eeuw




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.