De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Romeinse wegen in Nederland, een actueel overzicht.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!




Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.




Zelfs de RMO (Rijksmuseum van Oudheden) houdt men vast aan de traditionele opvatting van de mijlpalen, al geeft men de betekenis van de tekst die luidt: “Aan keizer Marcus Aurelius Antoninus, opperheerser, hogepriester, voor de zestiende maal volkstribuun, voor de derde maal consul, en aan keizer Lucius Aurelius Verus, opperheerser, voor de tweede maal volkstribuun, voor de tweede maal consul. Vanaf Municipium Aelium Cananefatium 12 (of 7) mijlen.”
Het is dus een lofzang op Keizer Marcus Aurelius Antoninus. Men blijft wat het A MAC betreft dus vasthouden aan de aangenomen opvatting van Jules Bogaers.

Maar is de vindplaats ook de plek van de oorspronkelijke locatie? De mijlpalen werden door het hele Romeinse rijk versleept waar deze reclame-zuil overal van toepassing geweest konden zijn. Als eerste zal dan bewezen moeten worden of met A MAC een plaats bedoeld werd. Zou het ook een lofspreuk voor de keize geweest kunnen zijn? Wat staat er zoal op andere mijlpalen? Daarop worden ook geen plaatsen vermeld.
Lees bijvoorbeeld wat op de palen van Wateringse Veld staat. Duidelijk is dat er aan die paal (zuil) gekutseld is. Op de onderste twee regels zijn in het gemetselde deel tekens weggevallen. Volgens de officiële versie zou er A M?C E (of F) gestaan hebben. Zou dat M?AC ook Marcus Aurelius Caesare of Maximus Augustus Caesare kunnen betekenen? Dan houden we nog wel een probleem met het gat tussen de M en ACE. Welke letter stond daar? Het waren toch vooral reclamezuilen voor de keizer en geen afstandspalen. Het MP wordt traditioneel opgevat als Millia Passuum, maar kan ook staan voor Maximus Pontifex, ofwel opperpriester. Het VIIII wordt dan ook weer als een afstand opgevat, maar kan evengoed een tijdsbestek van 9 jaar aangegeven hebben, zoals op de zuil van Antonius Pius met XIIII IMP II CO het 14de jaar van zijn 2de consulaat als betekenis wordt opgevat.



Over de 'mijlpalen' van Wateringse veld zijn nog enkele opmerkingen te maken:
  • het waren beslist geen mijlpalen. Er staan immers geen plaatsnamen met afstanden op, anders dan de 'fabel' van Bogaers zou inhouden.
  • gezien de tekst waren het een soort reclame-zuilen, met een lofdicht voor de dan regerende keizer. Die werden dan bij een nieuwe keizer onder de grond gestopt en in stukken geslagen, immers er ontbreken steeds stukken, die ook niet in de buurt gevonden zijn.
  • deze zandstenen zuilen zijn van elders afkomstig geweest: zandsteen wordt in de Nederlandse bodem immers nergens gevonden.
  • is de vindplaats ook de oorspronkelijke standplaats? Eenzelfde zuil met dezelfde tekst, werd ook in Duitsland (afkomstig uit Ladenburg) gevonden.
  • er worden vier mijlpalen uit verschillende perioden bij elkaar gevonden: uit ca.150, 212, 242, en 250. Zijn die door iemand verzameld als curiositeit of om te gebruiken in een tuin-ornament, zoals ook met andere Romeinse relicten volop is gebeurd?
  • dat de vindplaats van de mijlpaal enige zekerheid biedt blijft onzeker. Een Romeinse mijlpaal vormde een goede scheepsbalast in landen zonder natuurlijke steen. Zeker die van afgezette keizers. Een dubbelexemplaar is te Remagen in Duitsland gevonden.
  • de zuil is beschadigd en mist een letter (of iets?) tussen de M ? en A C. De opvatting van Bogaers gaat dus in het geheel niet op.
  • dat er aan de mijlpaal flink "gerestaureerd" is door terzake zeer ondeskundigen (wat ook Bogaers erkent), waarmee deze onbruikbaar wordt als historische bron.
  • dat de Cananefaten niet voorkomen op de Peutingerkaart vormt geen bewijs. Er kunnen van die kaart geen gegevens ontleend worden ten gunste van welk betoog van Bogaers dan ook.
  • dat de Cananefaten in Zuid-Holland woonden is wel altijd aangenomen, maar nooit met een tweede gegeven bewezen. De Cananefaten worden gekoppeld aan de Bataven, waarvan ze afgesplitst waren. Van de Bataven is momenteel wel vastgesteld dat hun plaatsing in de Betuwe momenteel geen bijval meer vindt (volgens W.van Es in 'Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland').
  • op andere vergelijkbare mijlpalen wordt altijd de provinciale hoofdstad vermeld, met uitzondering van die van Monster/Naaldwijk. Over welke zekerheid gaat het dan nog?
  • over de nederzetting van Arentsburg valt niets met zekerheid te zeggen, wat behalve Bogaers zelf, ook andere historici erkennen. Er is nooit aangetoond dat Arentsburg/Voorburg een marktplaats (Forum) was.
  • dat Bogaers zijn eigen betoog een hypothese noemt, aangezien de beschikbare gegevens wel "zeer summier" zijn, wat hij ook zelf erkent, is ongetwijfeld de enige juistheid van zijn betoog.
  • zo'n mijlpaal was een lofgedicht voor de keizer en kon feitelijk overal staan in het Romeinse rijk, wat de zuil van Tongeren ook aantoont, waarbij de interpretaties van de plaatsnamen doorslaggevend is.

    De traditionele opvatting van de Romeinse weg die langs het Wateringse Veld liep, was dat het een belangrijk logistiek en militair onderdeel van de infrastructuur in de provincie Germania Inferior. Dankzij uitgebreid archeologisch onderzoek (waaronder de spectaculaire vondst van de vier mijlpalen in 1997) hebben we een scherp beeld van het tracé en de functie van deze weg. Maar er bestaan nog wel een aantal vragen, zoals over het tracé: Hoe liep de weg?

    De weg was een zogeheten heerbaan (een verharde hoofdweg). Hij verbond de Romeinse stad Forum Hadriani (het huidige Voorburg) met het kustgebied en het mondingsgebied van de Maas (de Helinium).
  • De route: De weg liep vanaf Park Arentsburgh in Voorburg via Rijswijk (over het tracé van de huidige Sir Winston Churchilllaan) naar Wateringen. Daar vervolgde de weg zijn route over het tracé van het Oosteinde, dat destijds pal langs een natuurlijke restgeul of kreek liep. Via het Westland (langs Poeldijk en Naaldwijk) liep de weg waarschijnlijk door richting Monster of de Romeinse vloothaven aan de Maasmonding.
  • In het Wateringse Veld: In de Haagse Vinex-wijk is de weg over een lengte van zo'n 750 meter kaarsrecht getraceerd, parallel aan het Oosteinde.
  • De constructie: Het was een knap staaltje Romeinse waterbouwkunde. Omdat het kustgebied erg drassig was, werd de weg ca. 6 meter breed aangelegd op een verhoogde dijk (een agger). Aan de noordzijde groeven de Romeinen een diepe bermgreppel voor de afwatering (de greppel waarin later de mijlpalen zijn gekieperd).
    Opmerking bij de afstandsverwarring: Hoewel op latere mijlpalen een afstand van 12 mijl (18 km) staat aangegeven, was de kortste paal (van keizer Antoninus Pius uit 151 n.Chr.) gemarkeerd met IIII MP (4 Romeinse mijlen, oftewel circa 6 kilometer vanaf Forum Hadriani). Dit komt exact overeen met de werkelijke, hemelsbrede afstand tot de opgravingslocatie in het Wateringse Veld.

  • Wat was de functie van de weg?
    De weg had een multifunctioneel karakter en was cruciaal voor de Romeinse controle over de regio:
    Bij dat cruciaal kunnen enkele vraagtekens gezet worden, zoal uit hoofdstuk 2 blijkt (zie hiernaast). De eigenschappen die hieronder genoemd worden (punt 1, 2 en 4) gelden toch voor alle wegen, toen en nu nog steeds. Punt 3 propaganda geldt ook tegenwoodig nog voor wegen waarlangs reclame-zuilen en reclame-borden staan.
    1. Militaire en logistieke verbinding. De weg vormde een directe verbinding tussen de regionale hoofdstad (Forum Hadriani) en de militaire posten en havens aan de kust en de Maasmonding (zoals de vermoedelijke Romeinse vloothaven bij Naaldwijk). Troepen, koeriers en militaire voorraden konden zich via deze weg snel verplaatsen, onafhankelijk van het getijde of weersomstandigheden op het water.
    2. Economische levensader. De weg was essentieel voor de handel en transport. Lokale boeren uit de regio (de stam van de Cananefaten) gebruikten de weg om hun landbouwproducten, vee en ambachtelijke goederen naar de markten van Forum Hadriani te brengen. Omgekeerd vonden Romeinse importgoederen, zoals wijn, olijfolie en aardewerk (terra sigillata), via deze weg hun weg naar het achterland.
    3. Keizerlijke propaganda (Politieke functie). De weg fungeerde letterlijk als het uithangbord van de macht van Rome. De mijlpalen langs de weg gaven niet alleen de afstand aan, maar toonden prominent de naam, titels en prestaties van de regerende keizer. Reizigers werden er zo continu aan herinnerd dat zij zich op Romeins grondgebied bevonden en dat de keizer zorgde voor vrede, veiligheid en goede infrastructuur.
    4. Watermanagement. De weg, de duikers en de parallelle bermgreppels hielpen bij het reguleren van het waterhuishouden in dit laaggelegen kreek- en veengebied. Het zorgde ervoor dat het omliggende landschap beter begaanbaar en bruikbaar bleef voor de bewoners.

  • De Romeinen rolden duizenden kilometers aan wegen uit naar alle hoeken van de toen bekende wereld. Ze legden wegen aan op een tot dan toe onbekende schaal. Legioenen verplaatsten zich hierover met nog nooit vertoonde snelheid en handelaren brachten handelsgoederen uit verre en onbekende streken naar de Lage Landen. Met de uitbouw van het wegennet brachten de Romeinen ook hun cultuur naar Nederland. De Romeinse wegen waren niet uniform. Het uiterlijk van wegen kon per streek verschillen, al naar gelang het landschap en beschikbaarheid van bouwmateriaal.
    In dit boek is helaas toch weer teveel sprake van "het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel"(Jona Lendering) Toch lezen we ook een aantal zaken die in tegenspraak zijn met die verouderde opvattingen, zoals het Trajectum bij Utrecht dat geen oversteekplaats ('voorde') kon zijn geweest (zie punt 6). Ook over de aanleg van de eerste wegen lezen we dat die pas in de periode van Keizer Domitianus (81-96) zouden zijn aangelegd. Zie bij punt 10. Dat weerlegd een aantal traditonele opvattingen die daardoor veel later geplaatst moeten worden, zoals de stichting van het oudste Romeinse kamp in Nijmegen!

    De visie van Albert Delahaye.
    « De eerste wet der geschiedschrijving is, geen onwaarheid te zeggen, noch enige waarheid te verzwijgen. » (Cicero, 'De oratore' 2, 15.)
    Het moet goed begrepen worden dat het Romeins in Nederland allerminst ontkend wordt, zoals in het Verhaal van Gelderland kwaadaardig beweerd wordt. De Romeinen zijn zeker in Nederland geweest, maar Romeins Nederland heeft nauwelijks iets voorgesteld (volgens W.A.van Es in de "Romeinen in Nederland"). Romeins Nederland was de "Agri Decumates" zoals Tacitus beschreef. Onder de volken van Germania mogen we hen niet tellen, die zich hebben gevestigd aan de overzijde van de Rhenus en de Danuvius en daar de Agri Decumates bezetten. Het schuim van Gallia, en allen die de miserie tot dit waagstuk had gedwongen, hebben een land ingenomen waarvan het bezit onzeker was. Daarna heeft men een grensweg aangelegd, hier en daar enige legioenen gelegerd, en zo zijn zij een vooruitgeschoven punt van het rijk en deel van een provincie geworden.
    Ten aanzien van de plaatsnamen is er zeker sprake van een fundamantel verwarring. Geen enkele Romeinse plaatsnaam wordt naast de naam op de Peutingerkaart bevestigd met een tweede onafhankelijke klassieke bron, ook Nijmegen niet. De Peutingerkaart wordt zelfs door M.Gysseling, nou niet meteen een fan van Delahaye, 'een corrupte kopie' uit de 13de eeuw genoemd. Dat Nijmegen ooit Batavodurum of Ulpia Noviomagus heeft geheten is altijd zwijgzaam aangenomen, maar nooit met klare feiten bewezen. Het Oppidum Batavorum is door W.Willems in Nijmegen nooit gevonden (zie punt 8c hieronder).
    Wie die feiten wel heeft, laat het ons weten! We houden ons aanbevolen voor elk nieuw gegeven.

    In dit boek Romeinse wegen in Nederland (een actueel overzicht, uitgave Matrijs 2026) worden de Romeinse wegen in Nederland besproken in acht hoofdstukken. "Die wegen kennen we uit historische bronnen en archeologische opgravingen. Vaak zijn de wegen in de grond alleen herkenbaar als een reepje grind, maar toch vormden ze onderdeel van het netwerk dat Nederland verbond met de rest van het Romeinse Rijk", lezen we. Op de besprekingen in dit boek is toch het een en ander aan te merken. Allereerst is er veel sprake van twijfel, wat wel uit de gegeven teksten blijkt, waarin nogal vaak worden als 'waarschijnlijk', 'vermoedelijke' en 'wellicht' worden gebruikt. Onze opmerking geven we in rood.
    1. Hoofdstuk 4, een onzichtbare weg in Gelderland (door Paul van der Heijden) geven we hier als voorbeeld hoe met veel onzekerheid, nog meer aannamen en vermoedens, de historische opvattingen worden 'geconstrueerd'. We geven slechts de letterlijke citaten van zinsdelen, die in de tekst gegeven worden. Het hele hoofdstuk dient U zelf te lezen.
      1. Nadeel is wel dat bij die identificatie opeens weinig meer deugt van de eerder vrij goed kloppende afstanden op de Peutingerkaart. De discussie over de naamgeving zal daarom nog wel een tijdje voortduren. (p.58).
      2. op de Peutingerkaart zien we een probleem. opgelost als we ervan uitgaan... het is goed mogelijk... Maar het is ook denkbaar dat... (p.59).
      3. ...nam men zonder meer aan... is dat niet meer zo zeker. Maar de limesweg zelf is nooit meer opgedoken. Verwachten we hier eigenlijk ook een limesweg. (p.60).
      4. Groot probleem is echter dat de weg zelf nooit is gevonden, ook niet op het verwachte tracé. kan hebben gelopen... vermoedelijk... 'iets militairs' moet hebben gelegen... de Rijn de sporen van forten en wegen heeft opgeruimd. . moeten inpassen in de bestaande theorie... lijkt... Maar dat bijt weer met de theorie dat de 'officiële' Iimesweg juist wel naar het noorden ging... hele kwestie stemt tot nadenken. Hoewel de gegevens nog erg schaars zijn. (p.61). Hopelijk gaat het nadnken nu toch eens beginnen.
      5. De ligging van de Iimesweg tot Kleve is vrij nauwgezet weergeven. Die luxe ontbreekt op het Nederlandse traject. (p.62).
      6. Zoals altijd heeft de archeologie het laatste woord. En zolang er niets is opgegraven, zullen deze vragen ons blijven prikkelen en pijnigen. (p.63).


    2. Hoofdstuk 5, stedelijk knooppunt, een netwerk van wegen rond Nijmegen (door Paul Franzen en Sigrid va Roode) is vergelijkbaar. Ook hiervan geven we letterlijke citaten uit de tekst, waarmee men meent de traditionele historische opvattingen te kunnen 'bewijzen'.
      1. het is nog maar de vraag of.... lag mogelijk een weg... is niet altijd even duidelijk. Mogelijk... Hoe dan ook... de naam Hertogstraat herinnert nog aan de Romeinse voorganger. Op middeleeuwse kaarten heet deze straat 'Hertsteeg'. Dat is een variant op 'Heerstraat', waarbij 'heer' een oud woord is voor 'leger'. (p.67). Wat hier beweerd wordt over de naam Hertogstraat is een fabel, een mythe, ofwel een geval van NEP in Nijmegen. Het is wel een opvatting die zich inmiddels zelf tot in WIKIPEDIA verspreid heeft.
        In het verlengde ligt de Prins Hendrikstraat, een zijstraat van de Hetogstraat is Van Broeckhuysenstraat (geslacht van oude Gelderse adel) en in diezelfde buurt in het centrum rond Mariënburg ligt ook nog de Koningstraat, de Ridderstraat en de Burchtstraat. Op de informatie van Straatnamen in de gemeente Nijmegen, lezen we: in een raadsbesluit 1926 werd de naam Hertogstraat heringevoerd, met als toevoeging: "Langs dezen weg trokken de Hertogen van Gelre in 't Nederrijksche woud ter Hertenjagt" en "Hertogstraat, oudtijds Her- Hert- Hyrt- Hyrtzsteeg, platea Cervina; blijkbaar was men in twijfel over den waren vorm van dien naam". Cervina-cervus=hert. De straatnaam had dus helemaal niks te maken met 'heer' of 'leger' of met de Romeinen. Op deze wijze wordt nog steeds de geschiedenis van Nijmegen bij elkaar geschraapt met valse of verzonnen argumenten. Er wordt weer een mythe aan de geschiedenis van Nijmegen toegevoegd, die met de voorspraak van enkele 'geleerden' wordt toegedekt.
      2. die kunnen duiden op... Verdere aanwijzingen voor de brug zijn nog niet gevonden en inmiddels is er ook twijfel over de Romeinse datering. Hoe snel inzichten ook weer kunnen veranderen....die volgens verwachting... De weg is ondanks meerdere onderzoeken daar niet aangetroffen. Mogelijk liep de weg .... is mogelijk wel... of misschien was het... (p.68).
      3. ... lijken... is het verleidelijk te denken dat.... Echt bewijzen kunnen we het (nog) niet. (p.69). Het gaat toch uiteindelijk om het echt bewijzen? En zolang dat niet is gebeurd blijven het hypothesen, ofwel onbewezen veronderstellingen.
      4. ook zijn er aanwijzingen....mogelijk.... mogelijke...steeds sterkere aanwijzingen... het lijkt erop... voorbeelden elders zullen hebben... versterkt het vermoeden... Rond 100 verleende keizer Traianus deze nederzetting stadsrechten. Daarmee werd de nederzetting een municipium met de naam UIpia Noviomagus Batavorum. Ook hier klinkt het verleden weer door in het heden: de huidige naam Nijmegen is afgeleid van deze Romeinse naam. (p.70). Wat hier geschreven wordt zijn nooit bewezen, slechts aangenomen en inmiddels achterhaalde opvattingen. Lees er meer over bij Neumagen, het èchte Ulpia Noviomagus. Er bestaat geen enkel bewijs dat Traianus ooit in Nijmegen was en hij de plaats stadrechten heeft gegeven. Ook dit zijn enkele fanasietjes van Jules Bogaers, die Van Buchem "een treffende gedachte" noemde, maar die nog steeds bewezen moeten worden.
      5. Maar misschien hebben we al die jaren ook wel door de verkeerde bril naar Ulpia gekeken. ... zou het goed kunnn dat... mogelijk... vermoedelijk... algemeen werd tot nu toe aangenomen dat de stad rond 270-280 ten onder ging, maar ook dit staat dankzij nieuw en lopend onderzoek meer ter discussie. Rond die tijd werd op het huidige Valkhof een castellum gebouwd, waarbij de Romeinen sloopmateriaal gebruikten uit het grotendeels verlaten Ulpia. (p.72-73). Met deze erkenning kunnen we Nijmegen als oudste stad wel schrappen. Ulpia was verlaten en de Romeinen vertrokken rond 260-270 ook uit Nederland. De continuïteit meent men te kunnen bewijzen met enkele vierde eeuwse munten zoals in het Valkhof te Nijmegen p.11-13 te lezen valt, enkele 'Frankische' graven in Lent en een vervalsing op een Romeinse scherf wat het zogenaamde bewijs voor die 4de eeuw zou zijn. Maar wat bewijs je met munten? Als ik een Spaanse Euromunt vind, ben ik dan in Spanje? Of heeft een Spanjaard die dan verloren?


    3. Het is opvallend dat ook meerdere keren over problemen wordt geschreven, niet alleen bij de aanleg en het onderhoud van de wegen, maar ook vanwege het drassige landschap en het regelmatig wegslaan door overstromingen. de Sporen daarvan zijn door overstromingen in de vijftiende eeuw (p.22) Nog tot in de Middeleeuwen was er sprake van overstromingen. De Romeinse grensweg is hier dus deels op de oude, door overstromingen aangetaste oostelijke verdedigingswal gebouwd (p.38). Oeververstevigingen (p.44). ..ontstond door overstromingsgeulen van beide rivieren (p.46) Grote delen van de weg waren weggeslagen door overstromingen (p.47). Activiteit twee eeuwen van geploeter opgeleverd: verspoelde weggedeelten, weggeslagen rivierbeschoeiingen, eindeloze reparaties en vergeefse wegomleggingen. Brak de rivier door zijn oever, waarbij de Iimesweg over een lengte van zeker 150 meter werd weggevaagd. Die calamiteit liet een flinke doorbraakgeul achter in het landschap. Bruggen in het rivierengebied waren kwetsbaar voor kruiend ijs en overstromingen (p.49). Waar het overstromingswater zich van nature verzamelde. Omdat de limesweg in dit zompige terrein de vorm kreeg van een heuse dijk, leidde dit in het natte seizoen tot een groeiende watermassa aan de noordzijde van de weg. Aan het begin van de tweede eeuw ging het eveneens mis. Hier moest in het jaar 125 een wegsectie van circa 100 meter worden omgelegd en gereconstrueerd, wederom in zwaar kistwerk, nadat de rivier kort daarvoor een flinke bres in zijn oever had geslagenzodat overstromingswater weer op natuurlijke wijze naar de komgebieden kon afvloeien. (p.50). De latere geschiedenis van de limesweg is veel moeilijker te reconstrueren dan de eerste fasen. Door erosie, afvlakking en bodembewerking is de kruin van de Romeinse wegdijk grotendeels verdwenen, en daarmee juist ook veel van de jongere sporen van de weg (p.53). lets verder naar het oosten werd de moerasbrug, nadat deze was weggevaagd door het water, vervangen door een gronddam (p.54). Net als in de provincie Utrecht zullen overstromingen enj of strategische redenen hebben gezorgd voor aanpassingen en wegverleggingen (p.61) Op de Scheidemakershof kwam onder een metersdik ophogingspakket een Romeinse weg te voorschijn (p.72). was gevrijwaard van overstromingen (p.80). Het is een (beperkte) selectie uit de teksten en allemaal verschijnselen waarbij sprake is van transgressies, die door historici nogal makkelijk worden ontkend, maar hier toch duidelijk genoemd worden. Wie zou dat metersdikke ophogingspakket hebben aangebracht? De bewoners of de overstromingen van de Waal? Opvallend is ook dat in dit boek het vertrek van de Romeinen in ca.260 niet wordt genoemd. De strijd met het water hebben zij uiteindelijk niet kunnen winnen en zijn vertrokken, of zoals D.Blok dat eens formuleerde: 'ze hebben de boel maar laten gaan'.

    4. Over sommige hoofdstukken zijn we snel uitgepraat. Zo lezen we over hoofdstuk 2, de zuidroute van Noviomagi (Nijmegen) naar de kust: Merkwaardigerwijs weten we veel minder over het tracé van Nijmegen tot Naaldwijk: er is nog nooit een meter van gevonden. De weg lijkt spoorloos verdwenen. Of hebben we niet goed genoeg gezocht? Dat de weg er moet hebben gelegen, weten we door de Peutingerkaart. Daar staat de weg ingetekend van Nijmegen via Voorburg (Forum Hadriani) naar Katwijk aan Zee (Lugduno). (p.21). De Nederlandse traditie schermt dus maar met een halve Peutingerkaart. Van de onderste weg geen spoor!Zou het misschien ook zo kunnen zijn dat die weg er nooit bestaan heeft? Immers de Peutingerkaart vormt daarvoor geen enkel bewijs vanwege de vele fouten en onmogelijkheden op die kaart. De Peutingerkaart kunnen we als falsum beschouwen (zie ook punt 7). Dat Voorburg Foro Adriani (om de juiste naam van de Peutingerkaart te gebruiken) zou zijn, is een aanname die men met twee duigen van een wijnton van Caligula (?) meent bewezen te hebben. Katwijk wordt hier geïnterpreteerd als Lugduno, terwijl dat eerder Leiden of soms de Brittenburg was.

      Volgens opgave op p.21 zou het gaan om de volgende plaatsen aan deze route: Van Noviomagi (Nijmegen) naar Ad duodecimum (onbekend) 18 mijl, Grinnibus (waarschijnlijk Rossum) 6 mijl, Caspingio (onbekend) 16 (niet 16, maar XVIII=18 mijl), Tablis (onbekend) 12 mijl, Flenio (wellicht Elini of Helinium of Naaldwijk) 18 mijl, Foro Adriani (Voorburg 12 mijl, en ten slotte Lugduno (Katwijk aan Zee of de Brittenburg), waarbij de afstand niet is genoemd. Het zijn 8 plaatsen, waarbij 6 afstanden gegeven worden. Deze 6 afstanden zijn samen 84 mijl ofwel 185 kilometer. Door het gemis van één afstand is de route nog langer geweest. Vergelijk je de afstanden die op de Peutingerkaart gegeven worden (84 leuga (x2,22) =186 km) met de afstand van Nijmegen via Voorburg naar Katwijk wat 140 km is, dan levert dat al een verschil op van 46 km, ofwel twee dagmarsen (volgens opgave op p.36). Konden de Romeinen niet rekenen of liepen ze steeds om? Maar ze legden toch zoveel mogelijk rechte wegen aan? Overigens: ligt Rossum in de Betuwe? Dat zou gezien de onderste weg in Patavia wel zo moeten zijn! (zie afbeelding hieronder: klik op de afbeelding voor een vergroting). Ziet U ook dat aan de overkant van de Fl.Patabus plaatsen als Castello Menapiorii (Cassel), Tervanna (Thérouanne), Virovino (Wervicq) en Turnaco (Tournai) liggen? Dat is toch duidelijk Noord-Frankrijk!


    5. Op die route zijn de volgende plaatsen en afstanden in leugae vermeld: het startpunt Noviomagi (Nijmegen). Dat Nijmegen hier Noviomagi genoemd wordt is een mythe die pas sinds 1480 bestaat, door een opvatting van Willem van Berchen, kanunnik van de Stevenskerk in Nijmegen, die meende dat Nijmegen het Noviomagus van Karel de Grote was. Hij had dit, zoals hij zelf verklaarde, gelezen bij Gregorius van Tours. Hier valt kanunnik Willem door de mand, immers Gregorius kan nooit over Karel de Grote hebben geschreven want hij leefde twee eeuwen eerder. Nadien heeft niemand deze opvatting van Willem weerlegd, tot 1956 Albert Delahaye dit sterk in twijfel trok. De reacties van de gevestigde historici zijn bekend.

    6. Waar onze aandacht speciaal naar uitgaat zijn de plaatsnamen en wat er over geschreven wordt. Zo komt het Trajectum van Utrecht ter sprake (p.43-44) met de volgende tekst, die we in een kader plaatsen vanwege het feit dat de traditionele opvatting hier tegen gesproken wordt.

      Traiectum en de oversteek.
      Romeins Utrecht mag dan enigszins afzijdig van de Iimesweg hebben gelegen, maar het was wel een strategisch belangrijke plek waar men de rivier kon oversteken. Een aftakking of een parallel tracé dat de rivier volgde, verbond de limesweg met het castellum Traiectum ter plaatse van het tegenwoordige Domplein. Het is moeilijk voorstelbaar dat, zoals in het verleden wel is beweerd, bij Utrecht een voorde in de Rijn heeft bestaan. Uit de aard van de ondergrond blijkt dat de rivierbedding hier minstens 5 meter diep moet zijn geweest. De 'oversteekplaats', waar de Romeinse naam naar verwijst, zal ook geen brug zijn geweest. Waarschijnlijk moeten we ons bij de rivierkruising in Utrecht een veerpont voorstellen. De reguliere oversteekplaats die de naam Traiectum suggereert, zal niet alleen militaire betekenis hebben gehad, maar de route langs en over de Vecht zal allicht ook een handels route naar de woongebieden van de Frisii zijn geweest, de noorderburen over de rijksgrens.

      Hier worden enkele uitvluchten bedacht om de onbewezen naam Trajectum voor Utrecht vooral te kunnen behouden! Met de cirkelredenering van de betekenis van Trajectum als oversteekplaats, menen historici hun visie voor de naam Utrecht te kunnen bewijzen, terwijl de oudste naam voor Utrecht Uit-rek (uteht en was. De stad Utrecht verschijnt als "Uttrech", “Uttrec”, “Utret” of "Trehct" tegen het midden van de 10e eeuw in de bronnen, na een onderbreking in het bestaan vanaf het midden van de 3e eeuw. De enige naam voor Romeins Utrecht die uit opgravingen is gebleken, was de naam Albiobola (Vollgraff, 1929). De naam Trajectum (onjuist) voor Utrecht (gehouden) wordt het eerst genoemd door Beda, waarbij hij ook vermeldt dat het Wiltaburg heette, in het Gallisch Trajectum, in zijn taal (Engels?) Aettreocum (dat een latere toevoeging was).
      Dat was ook geen uitzondering: aan weerszijden van de taalgrens zijn méér plaatsen met twee namen, een in Nederland onbekend verschijnsel. Dat de Galliërs een Latijnse naam gegeven zouden hebben aan een stad in Nederland, is een van de absurditeiten in de gangbare opvattingen die men niet eens meer opmerkte, verblind als men was door de zogenaamde historische zekerheid. Het échte Trajectum van St.-Willibrord had derhalve reeds een respektabele voorgeschiedenis toen de missionaris zich daar vestigde. Het heeft ook daarna een historische kontinuïteit, die pas verbroken werd door de verwoesting door de Noormannen in het jaar 857. Pas in de 12de eeuw werd Romeins Trajectum aan Utrecht gekoppeld vanwege de opvatting dat Willibrord er zijn zetel zou hebben gehad.
      Dat die 'oversteekplaats' geen enkel nut had wordt ook hier niet genoemd, terwijl er wel steeds vermeld wordt dat de Romeinse wegen op de slappe bodem aanhoudend voor onderhoud zorgden. Ten noorden van Utrecht zou een oversteek ook geen enkel nut hebben gehad, immers men ging er rechtstreeks het moeras in, dat pas bij de ontginningen vanaf de 12de eeuw bewoonbaar werd. Het is ook hier weer opvallend dat Utrecht een strategisch belangrijke plek wordt genoemd, terwijl Utrecht op de Peutingerkaart ontbreekt. Hoe belangrijk was die plaats dan feitelijk? Welke Romeinse legioenen waren hier gelegerd? Dat de Frisii de noorderburen van Utrecht zijn geweest is een onjuiste en allang achterhaalde opvatting. De Frisii (Friezen) woonden in het klassieke Frisia en waren de buren van de Moriniërs in Frans-Vlaanderen.

      De ware aard van de Peutingerkaart. (PK).
      Dat de PK is getekend in de 13e eeuw en zou een kopie zijn van een kaart uit de 3e of 4e eeuw: het zijn twee nooit bewezen veronderstellingen. De PK is een falsum uit de 16e eeuw en is niet voor niets vernoemd naar Peutinger. Er zijn sterke aanwijzingen dat Konrad Peutinger deze kaart zelf getekend heeft.

      Het was beslist geen omvangrijk en ingewikkeld werkstuk. In minder dan een werkweek van 38 uur teken je de hele kaart na. Peutinger zal het nog sneller hebben gedaan, gezien de vele onzorgvuldigheden op de kaart. Het voorbeeld van segment II hieronder, tekende ik binnen 3 uur zelf na. Het geeft aan dat het geen moeilijk en omvangrijk werk was! (klik op de afbeelding voor een vergroting).



      De PK bracht veel onheil voor zijn bezitters.
      Konrad Celtes overleed een jaar nadat hij in 1507 in het bezit van de PK was gekomen. Waar hij de kaart gevonden had is onderhevig aan vele speculaties. Konrad Peutinger die de kaart in 1508 in bezit kreeg, overleed in 1547 vlak voordat hij de kaart zou gaan uitgeven. Daarna is tussen 1547 en 1591 niet bekend waar de kaart gebleven is, ofwel kwijt geweest. Marcus Welser die in 1591 in het bezit van de kaart kwam wilde deze gaan uitgeven, maar overleed toen hij net een deel had gerealiseerd. Abraham Ortelius was voordien door Welser gevraagd een volledige uitgave van de PK te verzorgen. Hij stierf echter in 1598 voordat hij het werk afhad, maar een half jaar later had Jan Moretus de klus geklaard en begin 1599 drukte de uitgeverij Plantijn te Antwerpen er 250 exemplaren van, op halve grootte en verdeeld over 8 drukplaten.

      De hele mythe is gebaseerd geweest op het verkeerd begrijpen van een tekst in de Annales Colmarienses Minores. Die tekst luidde "Anno 1265 mappam mundi descripsi in pelles duodecim pergameni". Op grond van deze tekst is altijd aangenomen dat met de hier genoemde wereldkaart
      de Peutingerkaart bedoeld werd en dat
      deze kaart door een monnik van Colmar is gemaakt en dat
      de kaart bestond uit 12 vellen.

      Maar dat laatste klopt al niet, immers de Peutingerkaart bevat slechts 11 vellen. Bovendien werd de PK begin 16e eeuw niet teruggevonden in 11 losse vellen, maar was het een rol! Zouden die 12 vellen ook 3 rijen van 4 vellen geweest kunnen zijn, zoals de kaart van Pierre Desceliers uit 1550? Zo zijn er wel meer verschillen aan te geven tussen de PK en die tekst uit Colmar. Zie het artikel De PK is een falsum uit de 16e eeuw.

    7. De Peutingerkaart levert ons veel informatie, maar ook een hoop problemen. (p.21) Een Romeinse weg is pas 'bewezen' als hij ook archeologisch is aangetoond. Gevonden mijlpalen kunnen ons kunnen helpen bij het opsporen en dateren van die wegen. Daarnaast zijn er andere bronnen die ons van dienst kunnen zijn: drie 'reisgidsen' uit de Romeinse tijd. Archeologen en historici die Romeinse wegen in Nederland bestuderen, maken dankbaar gebruik van deze merkwaardige bronnen uit de oudheid: de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana), het Reisboek van Antoninus (Itinerarium Antonini) en de Kosmografie van Ravenna (Cosmographia Ravennatis), waarvan de Peutingerkaart ook nog in de vorm van een landkaart. Omdat de Peutingerkaart het meest uitgebreid is, krijgt hij hier ook de meeste aandacht. (p.13).

      De Peutingerkaart (verder PK) is een falsum. Probeer maar eens de bekendste Romeinse weg de Via Appia, te reconstrueren. Het zal niet lukken. Het onlogische verhaal over de Peutingerkaart staat ook nog steeds in allerlei dikke boeken en het wordt nog steeds alom zonder tegenstribbelen als volledige waarheid geaccepteerd. De Peutingerkaart wordt ook in dit boek liefst 44x als bron genoemd, waarbij al enkele onjuistheden worden vermeld. Zie de ware aard van de Peutingerkaart hiernaast. Het zijn dus 'bewijzen' gebaseerd op een getekende en valse kaart.

      De Nederlandse opvattingen over de Peutingerkaart levert niet alleen veel problemen op, maar ook tegengestelde opvattingen, zoals uit de keuze voor verschillende locaties blijkt. Zo heeft men voor Castra Herculis liefst 24 locaties bedacht in de loop der jaren. Daarvan zijn er dus sowieso al 23 onjuist. Vergelijk ook eens de afstand tussen Nijmegen en Cuijk. Op de PK 3 leuga (=7km), in werkelijkheid het dubbele (14 km), tenminste volgens de traditionele opvatting dat Cevelum (waar men traditiegetrouw Ceuclum leest) Cuijk zou zijn. Voor de 2 routes door de Patavia, blijkt er al één onvindbaar. Zie punt 4 hierboven. De Nederlandse traditie schermt dus slechts met een halve Peutingerkaart.


      Over die mijlpalen schrijft Liesbeth Claes het volgende in 'Nederland als Provincie': "de vier teruggevonden mijlpalen op het Wateringse veld te Voorburg, beschouwen archeologen als hoofdmeetpunt van het Romeinse verkavelingsplan" (p.36). Dit is wel een erg van de traditionele opvattingen afwijkende opvatting van Liesbeth Claes. Het waren geen mijlpalen die de afstand tot een vorige en volgende plaats aangaven, maar verkavelingspalen, een soort 'reinstenen' om de grenzen van kavels aan te geven. Dat is ook eerder juist, aangezien op die mijlpalen geen plaatsen genoemd worden. Dat het A MAC een plaatsnaam zou zijn, is een bedenksel van Jules Bogaers, die er Municipium Aelium Canninefatium van maakte, waar bijv. Hans Wijffels het al niet mee eens was. Die letters MAC kunnen ook een andere betekenis hebben gehad (zie enkele voorbeelden in de linker kolom). Deze voorbeelden zijn net zo 'overtuigend' als die van Bogaers.

      Maar was Voorburg de hoofdstad van de Canninefaten? De Canninefaten waren toch een afsplitsing van de Bataven en die woonden toch niet in de Betuwe? Zie punt 8 hieronder! De Canninefates worden in het jaar 410 nog door Julius Honorius (Cosmographia,12) genoemd tussen Chatti (Katsberg) en Cimbri (Simencourt) als volkeren aan de Oceaan. In 410 was er geen Romein meer in Nederland, dus de genoemde volkeren hoorden ook niet meer tot het Romeinse rijk. De Canninefates worden door Tacitus ook genoemd samen met de de Menapii van Cassel en de Morini van Terwaan in Frans-Vlaanderen, waar zij naast de Bataven van Béthune woonden. Er bestaat geen enkel bewijs dat de Canninefaten in Nederland verbleven. Het is een opvatting gebaseerd op de achterhaalde opvatting dat de Bataven in de Betuwe verbleven.


    8. Het Tiende Legioen (Legio x Gemina), het enige legioen dat voor langere tijd in ons land gelegerd is geweest. In 63 vertrok dit legioen van Spanje naar Carnuntum (Wenen), in 68 ging het terug naar Spanje, in 70 tijdens de Bataafse Opstand werd het naar Nijmegen gestuurd, rond 104 naar Aquincum (Boedapest) en ten slotte in 114 weer naar Wenen. (p.10). Het Tiende Legioen kwam niet in 70 tijdens de Bataafse Opstand naar Nijmegen, maar pas in 71 de Bataafse Opstand. Het legioen kwam uit Norroy in Noord-Frankrijk.
      1. Het Tiende Legioen dat in 69 en 70 n.Chr. in de Betuwe tegen de Bataven zou hebben gestreden, werd pas na het voorjaar van 71 n.Chr. vanuit Frankrijk (Norroy) naar Nijmegen overgeplaatst. (Bron: J.Bogaers).Dit feit wordt zelfs bij 4 verschillende Nederlandse historici genoemd: doordenken op de consequentie ervan schijnt er niet bij geweest te zijn. Als het Tiende Legioen bij de opstand van de Bataven in 69 en 70 n.Chr. nog niet in Nijmegen was, maar in Norroy in Frankrijk, dan heeft de strijd zich ook dáár voorgedaan: ergo verbleven de Bataven ook dáár en niet in de Betuwe!
      2. "De gedachte dat de Bataven in de Betuwe en het Brabantse aanwezig waren vindt thans geen bijval meer". (Bron: W.A.van Es 'Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland').
      3. Opgravingen naar het Oppidum Batavorum in Nijmegen: "We hebben het niet gevonden". "Als er al Bataven in Nijmegen of omgeving zijn geweest, dan hoorden zij bij het Romeinse leger ter plaatse" (Bron: dr.W.Willems).
      4. 'De Betuwe was te klein om zoveel Bataafse legionairs voor het Romeinse leger te leveren'. (bron: S.Heeren in 'The Limesfall').
      Na deze erkenningen houdt de hele discussie over Bataven in de Betuwe toch op?


    9. Hoe zagen Romeinse wegen er nu uit? Bij de meeste mensen dringt zich meestal een standaardbeeld op van een geplaveide weg, gemaakt van onregelmatige, maar netjes gerangschikte stenen, door de eeuwen heen wat hobbelig geworden en met onmiskenbare, uitgesleten karrensporen. Dit 'typische' voorbeeld van een Romeinse weg is juist helemaal niet typerend, maar een zeldzaamheid. Feitelijk konden Romeinse wegen er op vele manieren uitzien. Er was geen standaardisatie. Sommige zijn groot en doorgaand, maar er zijn ook vele veldweggetjes of paadjes. En uiteraard alle variaties daartussen. Niet alle wegen hadden een fundament, en als ze dat wel hadden, kon het bestaan uit verschillende materialen (p.9). Er is veel gespeculeerd over een standaardbreedte van Romeinse wegen. Sommige antieke bronnen lijken daarop te wijzen, maar in de praktijk is daar weinig van terug te vinden (p10). De grote variatie aan soorten wegen heeft de archeologen al tientallen jaren zand in de ogen gestrooid. Wie op zoek was naar het ideaalbeeld van de Romeinse weg, werd maar al te vaak teleurgesteld. (p.17).
      Die standarisatie is wel altijd het aangenomen uitgangspunt geweest. Daar komt nu dus op terug, omdat die standaard wegen in Nederland niet gevonden werden! Om dan een weg toch Romeins te verklaren kan elk type weg daarvoor gebruikt worden en komt men dus altijd uit op eigen aangenomen opvatting.

    10. Opvallend is dat de weg langs de Rijn pas (veel) later is aangelegd (p.10). Opmerkelijk is dat de wachttorens zijn gebouwd vóór de aanleg van de Iimesweg. Allereerst moet de oudste weg in Veldzicht en ook Weerd-kampen veel later gedateerd worden, in het tijdvak van Domitianus (81-96). De foutieve dateringen van het hout dateren dus niet de oudste weg, maar dateren de bouwfase van het legioenskamp. Daaruit valt ook af te lezen dat de Romeinen in de vroegste decennia alleen de Rijn als (water)weg gebruikten en dat pas later er een degelijke land route ontstond. (p.41). De oudst dateerbare wegbeschoeiingen dateren zowel in Leidsche Rijn als in Valkenburg uit 99-100 (p.41-42). Het lijkt er dus heel sterk op dat we met de aanleg van de Iimesweg in West-Nederland uitkomen tussen ongeveer 85 en 90+ (p.42). De vroegste bouwfase van de limesweg mag in de Flavsche periode worden geplaatst (p.44).
      Het is een interessant gegeven dat hier een geheel stuk van de traditionele opvattingen wordt tegen gesproken. Hier wordt over de weg langs de Rijn, de 'bovenste' weg op de Peutingerkaart, een tot nu toe gehanteerde opvatting gecorrigeerd. Dat plaatst ook de geschiedenis in een andere periode, niet die van Augustus (27 v.-14 n.Chr), Tiberius (14-37), Caligula (37-41), Claudius (41-54), Nero (54-68), Vespasianus (69-79) of Titus (79-81), maar van Domitianus (81-96). Dat plaatst ook de opstand van de Bataven in een ander daglicht. Die heeft dan ook niet in de Betuwe of omgeving plaats gevonden, maar in Noord-Frankrijk.

    11. Het Kanaal van Corbulo is met afstand het oudste stuk infrastructuur ter plekke: minstens een eeuw vroeger dan de Romeinse weg, en ook ruim eerder dan de stad die later aan het kanaal gebouwd zou worden. De vondst van het Kanaal van Corbulo blijkt ook duidelijk uit de dendromonsters van in het kanaal gevonden houten beschoeiingen: die geven consequent een kapdatum aan in het voorjaar van het jaar 50 (p.30). Recent onderzoek toont bovendien aan dat er soms meerdere tracés waren. Er gaan dan ook stemmen op om de eerste aanleg van het kanaal te vervroegen en rond 40 na Christus te plaatsen, in de periode dat de eerste forten langs de Rijn werden aangelegd. Hoe dan ook: het is zeker dat het kanaal heeft gelopen langs Forum Hadriani. Maar hoe was het verdere verloop richting Maasmond? Ook daarvan lijken we delen goed in beeld te hebben (p.31). En waterwegen zijn er natuurlijk ook veel meer geweest. Interessant is de onlangs geopperde gedachte dat kanalen als die van Corbulo wellicht ook in het zuidelijker deel van het kustgebied voorkwamen, zoals bij Goedereede. Tot nu toe zijn daar echter geen fysieke sporen van herkend. (p.33).
      Met geopperde gedachte wenst historisch Nederland opvattingen te 'bewijzen'. Ter plekke is het gebied tussen Voorburg en Naaldwijk. Een kapdatum in het jaar 50 betekent dat het kanaal dus niet eerder is gegraven, misschien pas veel later afhankelijk van de
      dendrochronologische uitkomsten. En dan willen Paul van der Heijden en Ab Waasdorp (de auteurs van dit hoofdstuk) de aanleg nog vervroegen? Waarom? Om het passend te maken met hun opvattingen? Wat zij 'zeker' noemen, wordt al meteen gerelativeerd met 'lijken'. Ze noemen het dan ook 'te mooi om waar te zijn' en 'te gek voor woorden'. Het is dan ook sterk de vraag of het kanaal van Corbulo (ca.47 n.Chr), dat een voortzetting was van de kanalen van Drusus, in Nederland gegraven werd voordat er wegen waren aangelegd of er legerkampen waren. Wie groef dat kanaal dan? De kanalen/grachten van Corbulo en van Drusus zijn door verschillende teksten der klassieken geografisch sterk verbonden met het Insula Batavorum verbonden. Daar het kanaal van Corbulo de voltooiing was van het werk van Drusus, moeten de twee werken niet ver van elkander gezocht worden, wat in Nederland nooit van toepassing is geacht. Daar wordt getwijfeld tussen de Vliet, bij Wateringen, bij Leidschendam de Rietvinkpolder. Of worden enkele oude afwateringskreken daarvoor aangezien? In Frankrijk vormen beide kanalen inderdaad één waterstaatkundig plan tussen Schelde en Rhône, waarvan de onderdelen elkander aanvulden.

    12. Romeinse wegen zijn lang niet altijd gemakkelijk te traceren en hebben vele verschijningsvormen gekend. In de oudheid was het ongetwijfeld direct duidelijk waar de Romeinse heerbaan liep, maar tweeduizend jaar later is het soms moeizaam puzzelen om de daadwerkelijke route te bepalen. Archeologen hebben de neiging om sporen en vondsten in te delen naar typologie, om zo greep te krijgen op de ontwikkeling van historische verschijnselen. Voor de Romeinse weg in West-Nederland is dat niet anders. Zo zijn in de loop van het onderzoek verschillende 'profieltypen' herkend op basis van een aantal variabelen zoals wegverharding, beschoeiing of bekisting, een verhoogd weglichaam (oftewel een dijk) en de aanwezigheid van bermsloten. (p.36).
      De grilligeid van het deltalandschap van West-Nederland (p.38) wordt door archeologen te gemakkelijk als greep gebruikt om de weg terug te vinden. De veengebieden in West-NederLand waren drassig, vrijwel onbegaanbaar en meestal dus ook nagenoeg onbewoonbaar. (p.40) Hiermee wordt erkend dat de Romeinen in een vrijwel onbewoond gebied kwamen. Woonde hier dan het grote volk van de Bataven en Canninefaten?

    13. Nijmegen oost: de eerste Romeinen. Het begin van deze ruggengraat werd aangelegd tussen 19 en 16 voor Christus, toen de Romeinen op de Hunerberg een groot legioenskamp bouwden. Dit kamp, naast het recent ontdekte legioenskamp in Valkenburg (ZuidHolland) een van de twee bekende castra in Nederland, bleef in gebruik tot ongeveer 10 voor Christus. (p.66).
      Deze jaartallen 19, 16 en 10 en dit kamp zijn grote mythen in de geschiedenis van Nijmegen. Het geheel is gebaseerd op enkele onjuist gedateerde stukken aardewerk (weer Jules Bogaers), die elders gedateerd worden in 20 na Chr. en de vermeende aanwezigheid van Drusus waarmee men op 10 v.Chr. kwam.
      Jules Bogaers heeft Nijmegen voorzien van een aansprekende geschiedenis die gebaseerd was op zijn 'gedachten'. Meerdere historici en publicaties hebben de jaartallen 19 en 16 al vervangen door 10 v.Chr., zoals in "De Kapel op het Valkhof". Zie afbeelding hiernaast.
      Het mede aan de vroege aanwezigheid van de Romeinen opgehangen Oppidum Batavorum is in Nijmegen ook nooit gevonden. Zie bij punt 8 hiervoor.
      Maar ook het jaartal 10 v.Chr. is een onbewezen aanname, immers er is geen enkel tekstueel of archeologisch bewijs dat Drusus ooit in Nijmegen is geweest. Het Kanaal dat hij tussen de Rijn en de IJssel gegraven zou hebben is al achterhaald als een mythe en 'verplaatst' naar de Vecht in Utrecht. Maar ook daar is het een aangenomen, dus onbewezen opvatting.


    14. Bataafse cohorten die onder bevel van de gouverneur en (beoogd) keizer Vitellius naar het zuiden trokken, kregen bij Lyon ruzie met Romeinse soldaten. Dat liep stevig uit de hand. Kort daarop kwamen de Bataven in opstand tegen de Romeinen, al dan niet op aandringen van een andere troonpretendent, Vespasianus. Maar toen Vespasianus uiteindelijk keizer werd, ging de opstand gewoon door. Aan het einde van de opstand besloten de Bataven en de Romeinen te onderhandelen over vrede. Daartoe vernielde men de brug over de Nabalia (Waal), waarna beide aanvoerders (Civilis en Cerialis) de onderhandelingen begonnen, elk aan hun kant van de brug. De meest logische plaats voor deze brug is Nijmegen, waar immers verschillende forten en de hoofdstad van de Bataven (Oppidum Batavorum) lag. Verdere aanwijzingen voor de brug zijn nog niet gevonden en inmiddels is er ook twijfel over de Romeinse datering. Op de noordoever van de Waal zochten archeologen vergeefs naar een weg die op deze brug zou moeten aansluiten. Hoe snel inzichten ook weer kunnen veranderen, blijkt uit de Romeinse weg van Nijmegen naar Elst die volgens verwachting dwars door het oude centrum van Lent liep. De weg is ondanks meerdere onderzoeken daar niet aangetroffen. (p.68).
      Wat hier geschreven wordt over de aanleiding van de "Opstand van de Bataven" is helemaal juist. Opgemerkt moet worden dat die opstand begon bij Lyon en niet heeft plaats gevonden in de Betuwe of waar dan ook in Nederland of West-Duitsland, maar in Noord-Frankrijk. Het in de Betuwe plaatsen van de opstand is net zo'n onbewezen onzinverhaal als bij punt vermeld is over de Hertogstraat. Het Oppidum Batavorum lag ook niet in Nijmegen (het is er ook nooit gevonden: zie hierboven punt 8c), maar de plaats Béthune. Deze 'inzichten' zou men nu ook eens snel moeten veranderen om de juiste geschiedenis te krijgen. De genoemde brug over de Nabalia was niet de Waal, maar de Naviette, een zijriviertje van de Deule tussen Séclin en Gondecourt, op ca. 10 km zuidwest van Rijsel. Deze plaats is tevens de meest logische daar Cerialis, de Romeinse aanvoerder, zich waarschijnlijk te Colonia Traiana (Tressin) bevond, dat altijd in Romeinse handen is gebleven, en Julius Civilis vanuit het westen van de Batua (Béthune), moest komen, waar hij zich blijkens de voorafgaande berichten bevond. Bekijkt men de volkeren die deelnamen aan die opstand, dan zijn die ook niet in Nederland, maar allemaal in Noord-Frankrijk te plaatsen. Waarom zouden de Chauken uit Noord-Nederland en Noord-Duitsland en de Friezen uit Friesland (volgens de tradities) zich bezig houden met een opstand in West-Duitsland rond Xanten en Keulen? Plaats men de Chauken in Chocques en de Friezen in Frisia aan de kust van het Kanaal, dan is hun betrokkenheid bij een opstand rond Béthune geheel logisch. Zie ook punt 8 en 10 hierboven.

    15. Ook zijn er aanwijzingen... mogelijk... een mogelijke wachtoren... steeds sterkere aanwijzingen... het lijkt erop... voorbeelden elders zullen hebben... mogen verwachen... nog onduidelijk... dit versterkt het vermoeden... (p.70).
      Deze citaten geven duidelijk aan hoe men in Nijmegen bewijs opbouwt om de geschiedenis te 'bewijzen'

    16. Na het jaar 70 ontstond ten westen van Batavodurum een nieuwe burgerlijke nederzetting. Aanvankelijk was deze vergelijkbaar met een vicus, maar rond 100 verleende keizer Traianus deze nederzetting stadsrechten. Daarmee werd de nederzetting een municipium met de naam UIpia Noviomagus Batavorum. Ook hier klinkt het verleden weer door in het heden: de huidige naam Nijmegen is afgeleid van deze Romeinse naam (p.70).
      Met Ulpia Novimagus komen we op een van de grootste misvattingen in de geschiedenis van Nijmegen. Door wie werd deze nieuwe Romeinse stad gebouwd, zoals die wordt afgebeeld? (zie afbeelding op Ulpia Noviomagus, die al herschreven is) Door de Romeinen of door de Bataven? Behalve dat onbekend is of Trajanus ooit in Nijmegen was, is wel bekend dat hij geen steden stichtte zoals ook prof.A.W.Byvanck vaststelde, of dat hij er zijn familienaam 'Ulpia' aan gegeven zou hebben. Zelfs Jules Bogaers die regelmatig "treffende gedachten" lanceerde, betwijfelde of Nijmegen wel ooit een keizerlijke bijnaam zou hebben ontvangen. Bogaers is het niet eens met zijn collega J-K Haalebos (die het jaartal 98 noemt) en houdt die 'verlening van stadrechten' eerder op eind tweede eeuw en zelfs op begin 3de eeuw. Hij noemt als jaartal 212. Feitelijke bewijzen voor deze opvattingen ontbreken. Lees alles over de 'stadsrechten' van Nijmegen en over Ulpia Noviomagus. Blijkbaar zijn hedendaagse historici van al deze feiten niet meer op de hoogte en hanteren ze slechts 'schoolboekjes wijsheid'. Met deze 'verleidelijke gedachten' heeft men van Nijmegen ook maar meteen de oudste stad van Nederland gemaakt (p.66), waarvoor ook hier geen enkel bewijs bestaat. Het is een deductie uit een hypothese, ofwel een afleiding uit een onbewezen aanname. Dat de huidige naam van Nijmegen afgeleid is van Noviomagus is een onbewezen veronderstelling. De keltisch naam Noviomagus komt niet overeen met de Germaanse naam Nijmegen, in Duitsland terecht Nimwegen genoemd. Nij- is dan wel nieuw, net als Novio, maar -megen is niet afgeleid van -magus, dat meer betekent, terwijl -megen net als Megen (Megene-1139) een veldnaam is. Nijmegen is afgeleid van Nieuw-megen, terwijl de oudste vermelding de plaats Neu-maia noemt.

    17. De Romeinse A73 van Tongeren naar Nijmegen. De belangrijke Romeinse weg op de westoever van de Maas - bekend van de Peutingerkaart - diende als snelle verbinding tussen Nijmegen en Tongeren. De weg is slechts op een enkele plek archeologisch onderzocht. Het kost daarom moeite om de route over het hele traject te reconstrueren. Gelukkig kunnen we terugvallen op verschillende soorten aanwijzingen. Archeologen zijn pas overtuigd als ze de weg ook in de grond kunnen aantonen (p.75). Volgens de negentiende-eeuwse onderzoekers J.Habets, A.W.Byvanck en J.Ort lag de weg in Ittervoort langs kasteel de Borgh. Archeologen vonden op deze plek de weg inderdaad terug, in de vorm van een aaneengesloten kiezelpakket. Ook in Thorn en Wessem zouden vroeger delen van de weg zijn gevonden, maar helaas ontbreken de oorspronkelijke gegevens (p.77).
      Onderstreping van mij. Juist die aanwijzingen zijn van belang. Hiernaast het kaartje van pagina 76 Klik op het kaartje voor een vergroting. Aan de hand van de traditionele opvattingen van de Peutingerkaart (PK.) wordt de route gevolgd. Noviomagi=Nijmegen, Ceuclum=Cuijk, Blariacum=Blerick, Catualium=Heel, Feresne=Dilsen en Atuatuca Tungrorum=Tongeren. Overigens staat op de PK slechts Atuaca zonder -tu- en zonder Tungrorum. Nu gaat het ons niet over de mogelijke route, maar of de route overeenkomt met die op de PK. De gegeven afstanden aangegeven in MP (Romeinse mijlen=1,48 km, maar -volgens traditionele opvatting- omgerekend in Leuga=2,22) komen aardig overeen met de huidige afstanden in kilometers. Alleen tussen Nijmegen en Cuijk is er een groot verschil. Waar de PK 3MP (=6,6km) geeft, is de huidige afstand (te voet en over de brug over de Maas bij Cuijk) bijna 14 km, ofwel het dubbele. Liepen de Romeinen destijds om of is die III MP een (over-)schrijffout, zoals er wel meer op de PK staan. Maar is er in de genoemde plaatsen ook zoveel Romeins gevonden dat de plaats op de PK kwam te staan? Voor Nijmegen, Cuijk en Tongeren is dat geen vraag. Maar voor Blerick, Heel en Dilsen? In Blerick zijn meerdere Romeinse vondsten bekend. Er worden greppels genoemd, delen van een reiskoets, paardentuig en een villa. Over Heel wordt slecht meegedeeld dat er en bolvormig grindpakket met Romeins materiaal is gevonden. Over Dilsen lezen we verder niets. Daarvan wordt slechts vermeld dat de meeste onderzoekers Dilsen gelijk stellen aan de plaats Feresne? (met vraagteken op het kaartje). Opvallend blijft dat Maastricht, waar veel Romeins is gevonden en zelfs een brug over de Maas bestond, niet op de PK staat. Maastricht kan zich ook bogen op de oudste stad van ons land te zijn, waar een continuïteit heeft bestaan, die Nijmegen mist.

      Atuatuca wordt al in 53 v.Chr. door Julius Caesar genoemd als een plaats waar hij de Germanen aanviel. Atuatuca was de versterkte plaats Douai. Deze was gelegen nabij in het centrum van het gebied van de Eburones (Beaurain). Caesar liet er het 14e legioen onder bevel van Cicero achter, die ook 200 cavaleristen ter beschikking kreeg. Labienus kreeg opdracht om met 3 legioenen naar de Oceaan (Atlantische Oceaan) te trekken naar de streek die aan de Menapii (Cassel) grenst. Trebonius werd met 3 legioenen uitgezonden om de streek naast de Atuatuci te plunderen. Caesar zelf trok met de resterende legioenen naar de rivier de Scaldis, die een zijrivier is van de Mosa, tegen het uiteinde van het woud Arduenna, waar men zei dat Ambiorix zich had teruggetrokken met een kleine troep cavalerie. Dit hele verhaal dient in Gallia geplaatst te worden, ten zuiden van de taalgrens. Dit kun je niet in Limburg plaatsen. Het sluit ook aan bij de bevindingen van prof.H.Thoen die in heel België geen spoor van kampen van Julius Caesar heeft gevonden.
      De Scaldis, zijrivier van de Mosa, is natuurlijk niet de Rijn, eerder de Ecaillon, zijrivier (en naamgeefster) van de Schelde, die ten zuiden van Le Quesnoy ontspringt en bij Thiant in de Schelde valt, op 8 km zuid van Valenciennes. Deze zijrivier stroomt midden door het gebied van de Eburones, zodat het geheel logisch is dat Caesar daar op zoek ging naar Ambiorix. De rivier waarin zij uitmondt is namelijk niet de Mosa maar hier genoemd de Renus, wat duidelijk de Schelde was.

      Volgens het Itinerarium Antonini blijkt dat Aduaga Tungrorum als Douai moet worden opgevat. Het lag tussen Bavay en Peronne. De naam Tungri is niet beperkt gebleven tot deze stad, daar Turnacum (Doornik) en later Thoringia of Thuringia er naamkundig verband mee hebben. Het was natuurlijk ongerijmd wat men van deze tekst heeft gemaakt, namelijk dat een deel van de Germanen, die “van over de Renus Gallia waren binnengevallen”, vanuit het Duitse Thüringen was gekomen. Hadden ze daar zoveel last van de Romeinen, om ze in Gallia (Frankrijk) te gaan bestrijden?. Door deze misverstanden heen speelt nog een andere, namelijk dat Tungri soms werd aangezien voor Tongeren. Bij deze verwarringen is ook vaak sprake van de deplacements historiques waarbij een naam in meervoud bestaat, maar steeds toegepast wordt op dezelfde plaats, of andersom, de naam van een plaats in enkelvoud bestaat, maar wordt toegepast op meerdere plaatsen, wat het kenmerk van de deplacements historiques is. Dat bewijst ook de zogenaamde mijlpaal (zuil) van Tongeren, waarvan een deel in Tongeren is gevonden, maar geen afstanden tot of vanaf Tongeren op staan.


    18. De hoofdweg staat bekend als Via Belgica. Die naam is bedacht door hedendaagse onderzoekers die zich lieten inspireren door de Romeinse provincienaam Gallia Belgica. Dat de weg voor een belangrijk deel ook door de provincie Germania Inferior (Neder-Germanië) voerde, vinden we niet terug in de naamgeving. Hoe de weg in de Romeinse tijd werkelijk heette, weten we niet. Voor het gemak gebruiken we daarom de moderne naam. (p.87).
      Hier wordt mooi geschetst hoe mythen ontstaan, uit het gemak, maar worden weer voortgezet als ware en bewezen geschiedenis. Datzelfde van het bedenken van een naam geldt ook voor de naam Limes. Die naam is ook bedacht door hedendaagse onderzoekers, die zich lieten inspireren door het Latijnse woord 'limes' wat een 'grenspad' was, maar dat grenspad liep niet langs de Rijn, maar was de grens tussen Germanen en Romeinen ofwel de de taalgrens. Het blijft een gemis dat hedendaagse historici nooit hebben doorgedacht over deze 'via Belgica'. Hadden zij dat wel gedaan dan waren veel mythen allang opgelost. Dan hadden zij begrepen dat veel gebeurtenissen die men in Nederland en Duitsland plaatsten, ten zuiden en rond de taalgrens geplaatst hadden moeten worden. Dan waren de Bataven verre van de Betuwe gebleven, dan waren de Friezen niet in Friesland en Karel de Grote nooit in Nijmegen terecht gekomen, dan was Willibrord niet in Utrecht gearriveerd en zou Bonifatius niet in Dokkum zijn vermoord, maar in het echte Dockynchirica dat Duinkerke was.

    19. In Noordwest-Europa vond deze ontwikkeling (red. van handel, ambachten en landbouw) plaats na de verovering van Gallië door Julius Caesar (p.87).
      Het staat wel vast sinds het utveorig onderzoek van 50 jaar door prof.dr.H.Thoen dat Julius Caesar nooit ten noorden van de taalgrens is geweest. Nadien zijn de Romeinen ten tijd van keizer Augustus (27v.-14 n.Chr) nooit in Nederland gearriveerd. Dat ia wel altijd stilzwijgend aangenomen, maar nooit met klare feiten bewezen. Lees daar meer over bij Nijmegen al vóór Chr. door Romeinen bezet?

    20. Het voedsel en alle andere benodigdheden (zoals leer en metaal) moest dus van elders uit het Romeinse Rijk worden aangevoerd. Juist in oorlogstijd zijn korte aanvoerlijnen cruciaal: ze zijn sneller en minder kwetsbaar (p.89).
      Wat hier geschreven wordt is zeker waar en gold bijvoorbeeld ook in de Tweede Wereldoorlog bij de bevrijding van West-Europa. Maar ten tijde van de Romeinen? Allereerst viel dat oprukken van de Romeinen erg mee; In Tongeren arriveerde de Romeinen volgens de traditie in ca.10 v.Chr. In Cuijk arriveerden de Romeinen in ca.50 n.Chr. (halverweg de eerste eeuw: p.84). Daarna bereikten ze stroomafwaarts rond 47 n.Chr. (of zelfs pas na 50?) Voorburg (zie punt 4 en 11). Tegenstand ondervond men nauwelijks, wat er woonde in dit verlaten gebied bijna niemand (p.27 en 57). Men had dus alle tijd om aan voedsel en materiaal te komen.

      In de jaren 276 - 282 verdreef keizer Probus de Germanen uit Gallië; hij nam 60 steden in, die zij in Gallië bezet hadden. Velen van hen werden gedood; de overigen, die de Romeinse grond bezet hadden, dreef hij over de Zwarte Rivier (de Noir d'Aa) en de Albis (Albion = wit) terug (de -witte- Aa: ten overstaan van de zwarte Aa. Deze river was wit door de kalkrijke bodem waar die door heen stroomde. Het was Franse Aa bij St.Omaars die uitstroomde in het Almere en niet de Elbe. Zover zijn de Romeinen nooit geweest).
      Ogenschijnlijk past het bericht goed in Noord-Duitsland. Tegen het midden van de 3e eeuw na Chr. hadden de Romeinen grote delen van Germania-Inferior, waaronder Noord-Nederland prijsgegeven. In Noord-Duitsland is zelfs in het geheel geen Romeinse colonisatie geweest. De Romeinse "limes" (de grens waarachter de Romeinen zich vanaf het midden van de 3e eeuw terugtrokken) moeten veel zuiderlijker gereconstrueerd worden dan in de gangbare opvattingen tot heden is aangenomen. Deze limes vielen voor een groot deel samen met de Renus, die men vanzelfsprekend moet reconstrueren overeenkomstig de Romeinse opvatting van de Renus, wat de Schelde was.

      De Romeinen bezetten het grondgebied van Nederland ná het midden van de 1ste eeuw, al kan dit niet op een jaar nauwkeurig bepaald worden. Er zijn zelfs aanwijzingen, dat eerder aan de tweede, dan aan de eerste helft der 1ste eeuw gedacht moet worden. Tegen het midden van de 3e eeuw heeft het Romeinse leger het grondgebied van Nederland verlaten, in elk geval het midden van Nederland. In Limburg, voornamelijk in Zuid-Limburg, kan het terugtrekken van het leger later zijn geschied. Vanzelfsprekend is de romanisatie met het vertrek van de legers niet volledig stopgezet of afgebroken. In de vroegere Romeinse gebieden zijn zeker kolonisten achtergebleven, of was de authochtone bevolking zo ver geromaniseerd, dat het door de archeologie gevonden materiaal, van ná het midden der 3e eeuw nog zuiver Romeins kan zijn. Dit doet niets af aan het feit, dat na het midden van de 3e eeuw Nederland niet meer tot het Romeinse rijk behoorde.

      Een legioen van Bataven strijdt in 366 ná Chr., meer dan een eeuw nadat de Romeinen Nederland verlaten hadden! Kwamen zij vanuit de Betuwe om in het noorden van Frankrijk tegen de Romeinen onder leiding van keizer Valentinianus te strijden? Wie is toch de kwaadaardige geest (Clio?) geweest die de hollandse historici zo verblindde dat zij de helderste feiten niet meer zagen?

    21. Hoewel Romeinse wegen zich over het algemeen moeilijk laten dateren, gaan de meeste onderzoekers ervan uit dat de Via Belgica inderdaad is aangelegd in de regeertijd van Augustus. Die theorie wordt ondersteund door de vele vroeg-Romeinse vondsten uit nederzettingen aan de weg. Het gaat daarbij vaak om materiaal dat van ver weg is gekomen, zoals terra sigilla ta-aardewerk uit het huidige Italië en Zuid-Frankrijk, wijnamforen uit Zuid-Italië en amforen met olijfolie uit Spanje. Deze handelswaar legde meestal meer dan 1000 kilometer af om a~n te komen in plaatsen als Maastricht en Heerlen. Dat zou vrijwel onmogelijk zijn zonder de Via Belgica. (p.89).
      Die ondersteuning is gebasserd op verplaatsbare relicten, dus een aanname dat de amforen uit Zuid-Frankrijk en Spanje ook in hetzelfde jaar als het productiejaar langs de via Belgica zijn gebruikt en verloren zijn gegaan. Het is zoals gesteld 'dat de meeste onderzoekers ervan uitgaan'. Bij zo'n stelling weten we graag wat is 'de meeste', maar vooral welke onderzoekers gaan er niet vanuit en wat zijn hun argumenten? Hierbij willen we nog een drietal opmerkingen plaatsen:
      ook al zijn alle geleerden het met elkaar eens, dan hoeven ze nog geen gelijk te hebben, zeker als
      hun opvattingen gebaseerd zijn op de klakkeloze naschrijverij zoals in de historische literatuur (helaas) gebruikelijk is of zoals Jona Lendering al constateerde:
      "honderden misverstanden komen voort uit het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel".


      Om bij deze punten aan te sluiten moet het toch bij alle historici bekend zijn dat de Via Belgica pas halverwege de 3de eeuw grensweg werd, toen de Romeinen Nederland verlieten vanwege het opkomende water en zij zich terugtrokken op de taalgrens, het hogere gebied op de lijn vanaf Boulogne via Bavay naar Keulen.


    22. Coriovallum is Romeins Heerlen (p.89). Overal in de traditionele literatuur, wordt Heerlen vereenzelvigd met Coriovallum dat in dit boek 11x wordt genoemd en 1x als Corriovallio/Cortovallio. Deze opvatting is gebaseerd op de Peutingerkaart en het Itinerarium Antonini, waar overigens Cortovallio staat. Volgens A.W.Byvanck wordt de naam bij geen enkele klassieke auteur genoemd en komt evenmin voor op inscripties (p.488). Daarmee ontkennen we niet Romeins Heerlen, dat heeft zeker bestaan, slechts de naam voor Romeins Heerlen vormt een probleem, zoals P.L.M.Tummers stelde in "Problemen rond de namen Coriovallum en Heerlen. Bull. Land v. Herle; 6 (1956): 89-93. Het waren volgens hem Keltische toponiemen die in Nederland niet juist kunnen zijn. Hetzelfde geldt voor Catualium voor Heel, maar ook voor Noviomagus voor Nijmegen. Lees meer over Coriovalum l

    23. (p.).


    24. (p.).


    25. (p.).



      Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

      Citaten van Historici


      wetenschap is twijfel


      ongelooflijk


      onnozelheid


      Heiligenlevens


      Kletspraat





      Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
      11de en 12de eeuw
      13de en 14de eeuw
      Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
      18de eeuw
      19de eeuw
      20ste eeuw




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.