De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Nederland als Provincie
van het Romeinse Rijk tot de Europese Unie.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen




We hebben van dit boek met name de eerste 4 hoofdstukken bestudeerd, immers daar gaat onze expertise over en daar hebben we al heel wat opmerkingen over te maken. Niet te hopen dat deze hoofdstukken model staan voor het hele boek, immers dan kan de historische wereld zich ernstig zorgen gaan maken.

De achterhaade opvattingen blijkt ondermeer uit de literatuur waarnaar verwezen wordt, zoals uit de jaren 1826,1888, 1905 en 1913. Die literatuur is op zich niet achterhaald, zoals de Monumenta Germaniae Historica, echter wel de interpretaties van de teksten, zoals door G.H.Pertz en W.Levison.
Dat 'achterhaald zijn' blijkt ook uit de Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 van Blok c.s. Veel van de interpretaties van Blok zijn volkomen ondertussen toch wel achterhaald en dan hebben we het niet eens over de 843 plaatsen die bij hem «onbekend» zijn, en allemaal in Frankrijk blijken te liggen.
Opvallend is ook dat er nergens naar de bekende toponymist M.Gysseling verwezen wordt. Worden zijn opvattingen niet meer gevolgd? Veel van Gysselings opvattingen komen overeen met die van Blok, of beter: Blok schrijft Gysseling in veel gevallen gewoon na: naschrijverij ten top.

Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.

Met Walacria (hiernaast punt 7) zit je precies in het probleem van de deplacements historiques, ofwel het hergebruik van plaatsnamen. Wat is dan de juiste plaats in de juiste tijd?
Het boek "Nederland als Provincie van het Romeinse Rijk tot de Europese Unie", uitgever Prometheus Amsterdam 2026, van Louis Sicking e.a., schetst een beeld van "Nederland' dat de traditionele opvattingen over het algemeen klakkeloos volgt. Dat kan ook niet anders als je enkele schrijvers kent en ook de verwijzingen naar de algemene literatuur erop naslaat. In die algemene literatuur worden weer veel van de inmiddels toch achterhaalde opvattingen gevolgd. We bespreken hier met name de hoofdstukken 1 t/m 4 en plaatsen onze opmerkingen in rood en lichten het verder toe in 3 thema's.

Thema 1: de inmiddels achterhaalde opvattingen die in dit boek weer opduiken als "ware geschiedenis".
Hier is toch weer sprake van "het rondpompen van honderden misverstanden van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel"(Jona Lendering).
Thema 2: opmerkelijke bevindingen die in tegenspraak zijn met de traditionele opvattingen. Toch nieuwe kennis?
Thema 3: plaats-, rivier- en streeknamen die nog steeds onjuist gelocaliseerd worden. Ook hierbij spreekt de twijfel een duchtig woordje mee, aangezien er verschillende opvattingen bestaan.

Allereerst zetten we enkele grote vraagtekens bij de titel "Nederland als Provincie van het Romeinse Rijk". Volgens de algemene literatuur blijkt dat Nederland als provincie van het Romeinse Rijk "nauwelijks iets heeft voorgesteld" (volgens W.A.van Es in 'De Romeinen in Nederland') en van Romeins Nederland boven het maaiveld is al helemaal niets te zien. Romeins Nederland was de Agri Decumates van Tacitus.
Het is verbijsterend te moeten constateren dat anno 2026 toch weer een aantal reeds jaren achterhaalde mythen gepresenteerd worden als ware vaderlandse geschiedenis. De Universitaire wereld leert er nog steeds niets bij en blijft hangen in opvattingen van de vorige eeuw en zelfs van de eeuwen daarvoor.

De visie van Albert Delahaye.
Zolang de historische wereld zich eens niet gaat verdiepen in alle argumenten die Albert Delahaye heeft aangedragen die tegen de traditionele opvattingen ingaan, wordt de geschiedenis nooit aangepast. Iedereen, en zeker zij die geschiedenis hebben gestudeerd, weten nu toch wel dat veel opvattingen slecht gebaseerd zijn op aangenomen inzichten. Steeds worden deze als ware geschiedenis gepresenteerd en duiken telkens weer op, ook in dit boek. Het is zoals prof.Hugenholtz het eens formuleerde: "Dat Karel de Grote een palts had in Nijmegen, hoeven we toch niet te bewijzen? Dat weet toch iedereen? Dat staat toch in alle schoolboekjes?" Inderdaad staat dat in alle schoolboekjes, maar het bleek nog nooit met feiten bewezen te zijn. "Als zou worden aangetoond dat Delahaye op één onderdeel gelijk heeft, dan wordt zijn hele theorie veel waarschijnlijker" erkende prof.dr.F.Hugenholtz, om er vervolgens twijfelend aan toe te voegen: "In dit ene geval wordt met Noviomagus zeker Noyon bedoeld". Dat ene onderdeel waarin Delahaye gelijk kreeg, werd ook al gegeven door prof.dr.R.Post die verklaarde: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Eerst in 1559 is Utrecht aartsbisdom geworden en voor die tijd kan er onmogelijk sprake zijn van een aartsbisdom van Utrecht"..
Het blijkt nog steeds te zijn, zoals Jona Lendering het eens omschreef: "honderden misverstanden komen voort uit het rondpompen van verouderde kennis. Driekwart van deze fouten komt voor in publicaties van mensen met een doctorstitel".

    Thema 1: achterhaalde opvattingen. (zie de opmerking in de linker kolom).
  1. Van Aken maakte hij zijn belangrijkste residentiestad en liet de dom daar verfraaien tot de kroningskerk van de Duitse koningen die zij eeuwenlang zou blijven. Ook in Nijmegen liet hij een residentie bouwen, strategisch gelegen in het huidige Valkhof. De achthoekige kapel was een kopie van de kroningskapel in Aken. De Romeinen hadden die locatie al uitgekozen voor de bouw van een fort. (p.88). Grote verbijstering slaat hier toe: dit schrijft Wim Blockmans, emeritus hoogleraar middeleeuwse geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Is Blockmans (Antwerpen 1945) niet op de hoogte van de ontwikkelingen op historisch gebied? Leren zijn studenten weer allerlei achterhaalde opvattingen? Waarom heeft de redactie hier niet ingegrepen bij dergelijk eclatante fouten en deze in dit boek geaccepteerd? Of betrof het bij de redactie eveneens onwetendheid? We merken het volgende op:
    Aken wordt hier de belangrijkste residentie van Karel de Grote genoemd. Daar denken de historici en archeologen in Duitsland toch anders over. In de tweedelige uitgave
    'Aachen, von den Anfängen bis zur Gegenwart' door Thomas R.Krause (redactie), concludeert men dat er geen enkel bewijs bestaat dat Aken ooit Aquis Granni geheten heeft. Het is een aangenomen opvatting, voortgekomen uit de opvatting dat Karel de Grote er verbleef, wat eenzelfde mythe is als dat in Nijmegen zou hebben verbleven. Op zoek naar het graf van Karel de Grote, blijken de oudste archeologische vondsten uit de 13de eeuw te stammen. Opvallend is ook dat Einhard Aken niet noemt als een van de hoofdsteden van het Karolingische rijk.
    In Nijmegen heeft geen enkele Palts van Karel de Grote gestaan. Daar is de archeologie welduidelijk over. Er is nooit iets van gevonden, wat bij Blockmans blijkbaar onbekend is. Ook alle teksten die men gebruikte om dat paleis Noviomagus aannemelijk te maken, bleken van Noyon te zijn. Het Bronnenboek van Nijmegen toont dat glashelder aan, waarin Leupen bisschop Harduinus van Noviomagus opvoert als bisschop van Nijmegen, terwijl hij onmiskenbaar bisschop van Noyon was. Heeft Blockmans de discussie over dat Bronnenboek gemist? Heeft hij het Bronnenboek zelf ooit eens gelezen? Heeft hij ooit een van de boeken van Albert Delahaye gelezen?
    De Kapel op het Valkhof stamt niet uit de tijd van Karel de Grote, maar uit eind 11de eeuw, al werd die kapel lange tijd Karolingisch genoemd. Momenteel wordt de naam Ottoonse Kapel gebruikt of St.Nicolaaskapel. St.Nicolaas patroon van schippers werd pas na 1080 in Nederland bekend en werd de patroonheilige van deze eerste Parochiekerk van Nijmegen.
    Deze kapel is ook niet gebouwd als kopie of naar voorbeeld van de kroningskapel in Aken, maar wordt als een kopie van de San Vitale uit Ravenna beschouwd. Hoewel? Ook daarover bestaat twijfel. Het enige argument is de 8-hoekige vorm, maar daarvan bestaan meerdere kerken. Het 'een kroningskapel' noemen zorgt weer voor verwarring. Karel de Grote is in elk geval niet in Aken gekroond, dat gebeurde in Noviomagus, wat Noyon was. Die kroning van Karel in Noyon en zijn broer Carloman in Soissons gebeurde op dezelfde dag en hetzelfde uur, om te voorkomen dat een van hen zich de eerste koning zou kunnen noemen. Het wantrouwen tussen beide broers heeft de gang van de geschiedenis behoorlijk beïnvloed.
    Dat de Romeinen het Valkhof hadden uitgekozen voor de bouw van hun fort, is eveneens een onbewezen aanname. De eerste en belangrijkste nederzetting van de Romeinen was op het Kops Plateau. Daar zou ook het Oppidum Batavorum van de Bataven gelegen hebben, al is het er nooit gevonden. Niet òp, maar rònd het Valkhofterrein is een laat-Romeinse gracht aangetroffen en een laat-Romeinse muur aan de Waalkade. De opgravingen zoals gepresenteerd in de Bastei laten ook hier weer een gat zien naar de 13de eeuw (zie ook p.58 in "Het Valkhof 2000 jaar"). Op het overzicht van Romeinse nederzettingen in Nijmegen (p.30 van "Het Valkhof 2000 jaar") wordt het Valkhofterrein niet genoemd. Er is in elk geval geen fort van de Romeinen gevonden.


  2. De Bataven vestigden zich op het Insula Batavorum een naam die voortleeft in de hedendaagse toponiem 'Betuwe' (p.32). Hoe kan Universitair hoofddocent Grieks-Romeinse geschiedenis, Liesbeth Claes, zoiets schrijven? Dan heb je totaal geen weet van historische geografie, noch kennis van toponymie of etymologie! De naam Betuwe (goede grond) als tegenhanger van Veluwe (vale, slechte grond) komt in de literatuur pas voor het eerst voor in de 11de eeuw. En toen had nog niemand gehoord van Bataven in de Betuwe. Dat werd voor het eerste genoemd in de 16de eeuw door Cornelis Aurelius.

  3. Ook in de plaatsnaam Utrecht zit het Latijnse woord voor oversteek trajectum (p.34). Zie vorige opmerking. De naam Trajectum werd pas op Utrecht toegepast, nadat er Romeins was gevonden en bekend was dat Willibrord in Trajectum werkte. Dat Willibrord in Utrecht/Nederland bekend werd gebeurde pas in de 13de eeuw. Melis Stoke is de eerste 'Hollandse' schrijver die Willibrord eind 13e eeuw noemt, al plaats hij Willibrod 'aan de Schelde' en helemaal niet in Utrecht. 'Aan de Schelde' was helemaal juist, echter niet de Schelde in Zeeland, maar in Noord-Frankrijk waar die ontspringt.

  4. Daarnaast gaat de naam van de provincie Friesland wellicht terug op de Germaanse Frisii die voor en tijdens het Romeinse Rijk de noord- en noordwestelijke kustgebieden van het huidige Nederland bewoonden (p.34). Uit het 'wellicht' spreekt al gerede twijfel. In de verwijzing voor deze opvatting wordt het Lexicon van Künzel, Blok en Verhoef genoemd. Maar dat is verwijzen naar de slager die zijn eigen vlees keurt. Lees meer over het Koch & Künzel en bij Blok. Er zijn meerdere historici die de mythe van de Friezen tegenspreken.


  5. Onder hen bevonden zich de Franken - een verzamelnaam voor verschillende stammen waarvan de precieze aard en afkomst grotendeels in nevelen gehuld blijven. Een deel van hen die Salii (Saliërs] genoemd werden, trok het Romeinse gebied binnen en vestigde zich in de rivierendelta van Midden-Nederland. Op basis van hun naam worden zij wel eens in verband gebracht met Salland, het stroomgebied van de Overijsselse Vecht en de Regge, maar dat blijft speculatief. We hebben slechts een vage indruk van hun oorspronkelijke herkomstgebied (p.48-49). Het in nevelen gehuld en vage indruk geeft al aan dat Van der Tuuk enkele opvattingen passend wil maken. Hij had zich beter kunnen beperken tot het speculatief, want dat is de ware kijk op de Salii en Salland, dat helemaal niets met de Salliërs te maken heeft. De naam Salland kreeg dat gebied pas vele eeuwen later nadat andere mythen er al waren ingevoerd. Bij Van der Tuuk is blijkbaar ook onbekend wat zijn collega van Museum Dorestad over de Friezen, Franken en Saksen schrijft: "die zijn als verschillende volksstammen archeologisch niet te bewijzen", maar ook met teksten zijn die stammen onderscheidenlijk niet aan te tonen. Het enige waarmee men de plaats van deze stammen kan aantonen zijn plaatsnamen, mits goed toegepast op de juiste locaties waarbij men zeer alert dient te zijn op doublure-namen.

  6. In de tweede helft van de zesde eeuw ontwikkelde het oostelijke deel van het rijk zich tot een gebied met een eigen, overwegend Germaanse identiteit, dat Austracië (het Oosten) genoemd werd (p.54 e.v.). Over Austrasië (het Oosten; 11x genoemd) en de landstreek Neustrië (6x genoemd) bestaan veel misverstanden. Het zijn landstreken in Frankrijk die aan de grondslag liggen van het Frankische Rijk. Karel de Grote kreeg bij zijn Kroning Neustrië toegewezen, zijn broer Carloman bij zijn Kroning (op dezelfde dag en hetzelfde uur) Austras(c)ië. Zie hierboven punt 1-④. Lees alles over Neustrië en Austrasië.

  7. Geestelijken als Amandus verrichtten missiewerk in het Scheldegebied. Daar ontstond aan de monding van de Schelde de havenplaats Walacria (Walcheren), de voorloper van het huidige Domburg, als een belangrijke schakel tussen Neustrië en de Noordzeehandel. (p55). Over Walacria (Walicrum) bestaan meerdere misvattingen. Het is een naam die op 3 plaatsen voorkomt zoals uit de deplacements historiques blijkt. Ook bij Brugge bestond een Walacria (Walcheren) waar, opvallend genoeg, ook de plaatsen Middelburg, Westkapelle en Vlissinghem bestaan. Omdat Zeeland vanuit Vlaanderen ontgonnen en van dijken voorzien is, is de herkomst van plaatsnamen als Walcheren, Middelburg, Westkapelle en Vlissingen wel duidelijk. Het zijn doublurenamen, meegekomen met de monniken die het land ontgonnen en dijken aanlegden. Daarnaast komt Walacria ook voor in het leven van St.Willibrord waar het over het Frans-Vlaamse Warcove gaat. En trilocatie voor een plaatsnaam is geen uitzondering, maar dan dient zorgvuldig opgelet te worden over welk Walacria het precies gaat, waarbij de tijdsindicatie van belang is. Een naam gebruikt in de 11de eeuw is geen bewijs voor de 8ste eeuw.
    Dat Amandus in het Scheldegebied missioneerde is helemaal juist, al was dat het Scheldegebied verder naar het zuiden rondom de plaats die naar hem vernoemd is: Saint Amand-les-Eaux. Daar zijn ook alle plaatsen die in zijn leven genoemd worden, zoals Chanelaus (=het Kanaal, later de naamgever van Calais) terug te vinden. Waar lagen die in Zeeland? Seven Meeder plaats Amandus in de Kempen en vanaf 647 bisschop in Maastricht? (met vraagteken: p.71) Dat Walacria de voorlopen van Domburg zou zijn geweest waar ooit Nehallennia-gedenkstenen zijn gevonden, is een onbewezen aanname van Van der Tuuk. Onbewezen duimzuigerij! Andere historici houden Domburg soms op het onvindbare Witla, soms op het eveneens onvindbare Ganuenta. Zowel bij D.P.Blok die als eerste attestatie Dumburch (1181) noemt, als ook bij M.Gysseling, die als oudste attestatie Duuenburg (1220) noemt, (die we hier even volgen), lezen we niets over dat Walacria het oude (Romeinse?) Domburg zou zijn. Het is een mythe uit de 17de eeuw. Uit de keuzen blijkt naast twijfel ook al het nodige misverstand.


  8. De Frankische heersers eisten goederen op van hun tegenstanders en voegden die toe aan hun bezittingen. Tot deze geconfisqueerde goederen behoorden verschillende voormalige Romeinse grensforten langs de Rijn, zoals de vesting Duristate op de splitsing van de Rijn en de Lek bij het huidige Wijk bij Duurstede, die in Frankische handen viel. (p.56). De vorm Duristate of Duristadum staat in geen enkele betrouwbare tekst. Hoe mooi het ook zou passen en hoe prachtig het zou uitkomen bij Duurstede. Geknutsel aan toponiemen moet men met beslistheid afwijzen; op deze manier kan men alles gaan veronderstellen. Dat Duristate een voormalig Romeins grensfort was en op de splitsing van Rijn en Lek lag, is net zo'n onbewezen geknutsel van Van der Tuuk. Mij is wel een tekst bekend waarin we lezen: 'in quo Rheni fluenta et Wal uno se alveo resolvunt' waarin (traditioneel vertaald) Rijn en Waal samenvloeien, niet splitsen. Het is ook onbewezen of de Lek in de Romeinse tijd überhaupt al bestond? Het Romeinse fort in of bij Wijk bij Duurstede, dat er overigens nooit gevonden is, heette toch Batavodurum, of was het toch Levefano? Het is daarom maar naar Maurik 'verplaatst', maar was volgens Blok en anderen allemaal 'weggespoeld'.

  1. De ontluikende handelsnederzetting Dorestad groeide uit tot een goed bereikbare ontmoetingsplaats, gunstig gelegen tussen de handelssferen van het Austrasische achterland en de Noordzeeregio. (p.56). Met Dorestad zijn we op het stokpaardje van Luit van der Tuuk beland. Museum Dorestad is de werkgever van conservator Van der Tuuk. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt, is hier onmiskenbaar dubbelzinnig van toepassing. In alle boeken die hij over Dorestad geschreven heeft, is geen enkele onweerlegbaar bewijs te vinden. Het is nog steeds zo als archeoloog en de opgraver van 'Dorestad' W.A.van Es verklaarde: "In Wijk bij Duurstede is geen enkel archeologisch bewijs is gevonden voor de determinatie Dorestadum. Een strikt bewijs is door de opgravingen nooit geleverd". Dat dit Dorestad goed bereikbaar zou zijn, is een mythe, wat wel blijkt uit de verzanding van de Rijn.

  2. Archeologisch vastgestelde werkzaamheden aan fortificaties, zoals in Roomburg (Leiden), en de muntslag in Dorestad, vormen samen met Frankische bodemvondsten overtuigende aanwijzingen voor de uitbreiding van de Frankische invloedssfeer in het Midden-Nederlandse rivierengebied.(p.56). Hier komen we op een interessant gegeven. Is invloedsfeer te meten met bodemvondsten? Wat zeggen werkzaamheden in Leiden of muntslag in Dorestad (zie daarvoor punt 7 en 9 hiervoor) over Frankische invloed? Over de bodemvondsten verwijzen we naar de opgravingsverslagen in Spiegel Historiael van april 1978. Daarin lezen we niets over rijkdom: slechts enkele munten (ook Romeinse!), een zwaar beschadigde inclompete gouden broche, een gouden (Romeinse?) ring en veel (Badorf? Reliëfband?) aardewerkscherven, waarvan de productie tot in de 13de eeuw loopt. Er is zelfs sprake van een weinig luxe leventje (p.282) in het opgravingsverslag. Lees alle 33 genoemde punten maar eens zorgvuldig door, er blijkt niets van een rijke handelsstad. De gevonden huisplattegronden waren onbruikbaar voor het nabouwen van een middeleeuwse boerderij in Park Schothorst in Amersfoort, waarvoor een huisplattegrond uit Kootwijk gebruikt werd. "Voorlopig komen we niet verder dan dat er een probleem bestaat of de streek al in de Karolingische tijd bewoonbaar was?" schrijft W. J. van Tent op p.214. We merken hier ook even op wat archeologe A.Willemsen vaststelde: "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".

  3. Binnen de vesting Traiectum (Utrecht) was een kerkje gebouwd, dat koning Dagobert formeel aan de Keulse bisschop had overgedragen. (p.57). Van dat kerkje van Dagobert is in Utrecht nooit iets, zelfs geen steen of scherf gevonden, zoals in de Archeologische en Bouwhistorische Kroniek van Utrecht (1991-1992) staat. Het heeft er niet bestaan, wat ook al blijkt uit de Utrechtse publicaties in de Jaarboeken van Oud Utrecht .

  4. Het begrip 'Friezen' in de vroege Middeleeuwen verwijst naar de bewoners van een uitgestrekt kustgebied dat veel groter was dan de huidige provincie Friesland. (p.57). We gaan met Van der Tuuk eindelijk toch de goede kant op: naar het zuiden. Eerder verklaarde hij ook al dat "De tegenwoordige Friezen die in Friesland wonen, zijn andere Friezen die niets te maken hebben met de Friezen uit de Romeinse tijd of die uit de vroege Middeleeuwen" (De Friezen, 2021).

  5. Hun macht (van de Franken) was persoonlijk en gebaseerd op militaire volgelingen in plaats van institutioneel gezag. De Friese samenleving vertoonde een aanzienlijk lagere organisatiegraad dan de Frankische, mede door het ontbreken van een sterke Romeinse bestuurstraditie. Dit verklaart waarom het Friese koningschap nooit diepgeworteld raakte. (p.57). Deze opvattingen ontstaan als je niet op de hoogte bent van de oudste bronnen. En sterke Romeinse of Frankische bestuurs-'traditie' hebben de Friezen nooit geaccepteerd, zoals uit de bronnen blijkt. Voor hen was vrijheid en zelfbeschikking het belangrijkste, zoals ook uit het Oera Linda Boek blijkt. Ja, als dat door onwetenden vals wordt verklaard, ga je het toch zeker niet lezen?

  6. In de Vechtstreek, direct ten noorden van Utrecht, woonde de edelman Wursing, grootvader van de geestelijke Liudger, die door zijn pro-Frankische houding in conflict kwam met Radbod. Hij moest met vrouw en kind zijn woonplaats bij de Vecht ontvluchten. Pippijns zoon Grimoald de Jongere verleende de uitgeweken Wursing asiel en verschafte hem landgoederen in Frankisch gebied, zodat hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. (p.61). Wat hier over Wursing en Liudger verhaald wordt zijn de traditionele, maar nog steeds onbewezen opvattingen. Liudger was geboren te Suabsna, waar zijn grootvader bezittingen had. Van Liudger (doorgaans Ludger genoemd) wordt verhaald dat hij vele nachten in gebed doorbracht in de kerk van St.Salvator van Trajectum die St. Willibrord gesticht had. Dit bericht veronderstelt een korte afstand tussen Trajectum en Suabsna. Op een afstand van ongeveer twee kilometer Van Trajectum (Tournehem) ligt de plaats Zouafques en hier past het bericht over de nachtelijke bezoeken geheel. In Holland heeft men Suabsna met Zuilen of Zwesen willen identificeren, wat onmogelijk is omdat er een afstand van minstens vijf eeuwen ligt tussen Suabsna en Zuilen. De taalkundige gelijkstelling, die eveneens zonder met de ogen te knipperen werd geponeerd, is ronduit lachwekkend. Opmerkelijk is dat Van der Tuuk die woonplaats niet noemt. Zuilen ligt inderdaad op loopafstand van 4 km van Utrecht. De historici hebben dus wel begrepen dat het Suabsna dicht bij Utrecht moest liggen. Liudger stichtte ook het klooster Werdina of Weretha, nabij Sangatte op de kust, dat daarom ook als een der eersten voor de Noormannen moest vluchten. Het kwam daarna onder dezelfde naam in Werden (Dl.) terecht, wat door de historici niet is opgemerkt. Het is een van de vijf klooster-herstichtingen vanwege vlucht voor de Noormannen (of politiek van de Karolingen): naast Aefternacum (ook voorkomend als Epternacum) dat Echternach werd, Corbeia dat Korvey werd Souastre dat Susteren werd en Laurisham dat Lorsch werd. Deze kloosters namen hun oude boeken en kronieken mee op de vlucht en hebben veel plaatsnamen (die men vaak niet meer -her-kende) vanuit die nieuwe kloosterplaats op de verkeerde omgeving toegepast. Sprekende voorbeelden daarvan zijn het klooster Echternach dat oude bezittingen niet in Frans-Vlaanderen ging zoeken, terwijl men wel Gravelines als aankomstplaats van Willibrord hanteerde, maar rondom Utrecht. Historici gingen ook bezittingen van Lorsch in Batua in de Betuwe zoeken, waarbij het niet vreemd is dat men ze niet vond op, een enkele doublurenaam na, zoals Gendt.

    De Batua is als geen ander historisch landschap zo overvloedig met namen-materiaal gedocumenteerd, waarbij ook grotten en rotsachtige eilanden genoemd worden. In het land van Béthune waar Delahaye de Batua plaatst, liggen verschillende grotten, zoals in Naours en bij Arras. Ook hier passen de teksten van Plinius over het weven in grotten perfect. Waar liggen die grotten in de Betuwe of in Noord-Brabant of die rotseilanden aan de kust van Nederland?


    De grotten van Naours (links) en die van Arras (rechts).

    In oorkonden van de abdij van Lorsch worden 130 plaatsen in de Batua genoemd. Ze zijn nooit in de Betuwe teruggevonden of aangewezen. Ook archeologisch ontbreekt elk spoor. Albert Delahaye heeft ze in Noord-Frankrijk allemaal aangewezen.
    Het betekent VAARWEL BATUA, FRISIA, TEXANDRIA, NOVIOMAGUS, TRAJECTUM EN DORESTADUM weg uit Nederland!


  7. Willibrord kreeg het voormalige Romeinse castellum in Utrecht als uitvalsbasis voor het missiewerk (p.61). Zelfs Utrechtse historici ontkennen het bestaan van Utrecht in de 7de eeuw.

  8. Willibrord, die in het kader van de Frankische verovering op persoonlijke titel de weidse benaming 'aartsbisschop van de Friezen' had verworven, zag voorlopig weinig mogelijkheden om die titel daadwerkelijk inhoud te geven. In plaats daarvan bestuurde hij zijn diocees liever vanuit het verre Echternach, waar hij in 698 een klooster had gesticht op familiegoederen van Pippijn (p.62). Wat hier gesteld wordt door Van der Tuuk zijn gewoon mythen. In noot 15 verwijst Van der Tuuk naar H.Wagenaar, die schrijft over "Kerk en theologie van Bonifatius en de Friese Landen". Daarin lees je niets over welke familielandgoederen van Pippijn daar in Luxemburg zouden liggen. De volgende mythen zijn dat Willibrord geen 'aartsbisschop' was, maar bisschop, niet van de Friezen in Nederland, maar van de Fresones in Frisia (Vlaanderen). Dat Echternach door Willibrord gesticht zou zijn is een volgende mythe. De abdij van Aefternacum kwam in bezit van de graaf van Luxemburg. Deze herstichtte in 973, derhalve na een interval van meer dan twee eeuwen, het Benedictijnse klooster te Berg aan de Sura in Luxemburg, waar een St.Pieters-klooster leeg stond. Toen en ook nog lang daarna is met geen woord gezegd dat St. Willibrord hier geresideerd had, omdat de tijdgenoten al te goed wisten hoe het zat. Vanuit Echternach heeft Willibrord dus helemaal niets ondernomen omdat het in zijn tijd nog niet eens bestond. Het klooster van Echternach was dus wel een 'herstichting' in 973 van het oude klooster Aeternacum van St.Willibrord. Hoe vreemd en wreed heeft de Muze Clio de geschiedenis vorm gegeven en daarmee de historici in verwarring gebracht. De herstichting in Luxemburg is bijna twee-en-een halve eeuw na St.Willibrord en sluit volledig uit dat het om het oude klooster van St.Willibrord zou gaan (zie vorige punt). Het klooster had in Luxemburg een voorganger in Berg, toegewijd aan St.Petrus. Dit klooster werd genoemd in 858, toen het aan bisschop Hunger van Trajectum werd toegewezen door Lotharius II. Dat Echternach op het familielandgoed van Pippijn zou liggen, zou inhouden dat Pippijn Luxemburg al veroverd zou hebben en er bezittingen had. Dat is een volgende mythe. Pippijn had slechts Neustrië en Austrasië in bezit, maar wel het echte Austrasië (zie punt 6).

  9. De crisis in het intern verdeelde Frankische Rijk bood Radbod de kans om zijn verloren machtsgebied in de Nederlandse rivierendelta te heroveren. Bonifatius kon dit met eigen ogen aanschouwen toen hij in de zomer van 716 in Dorestad arriveerde, de handelsplaats die kort daarvoor nog onder Frankisch gezag had gestaan. Van daaruit reisde hij naar het castellum Utrecht voor een ontmoeting met de Friese koning. Radbod gaf hem toestemming om door Fries gebied te trekken, inclusief de streken ten noorden van de Rijn, om de mogelijkheden voor een toekomstige missie te verkennen (p.63). Bonifatius kwam wel aan in Dorestad, maar dat lig in Frans-Vlaanderen vlak bij de plaats waar iedereen overstak en je de overkant kunt zien. In Nederland liggen Dorestad en Utrecht precies verkeerd om. Zie hieronder bij punt 26.

  10. Meteen na de dood van de Friese koning in 719 greep Karel echter zijn kans en viel Frisia binnen. Hij drong diep door in het voormalige machtsgebied van Radbod ten noorden van de Rijn, dat voortaan deel zou uitmaken van het Frankische imperium. Waarschijnlijk strekte de Frankische hegemonie zich uit tot aan het Vlie, het water dat Mid- en West-Frisia van elkaar scheidde. (p.64). Het gebruik van het woord "waarschijnlijk" geeft de nodige onzekerheid al aan. Dat Karel Martel 'even' naar Friesland ging is een mythe. Hij ging echter wel naar Frisia in Vlaanderen. Opvallend blijft dat alle veldslagen van de Romeinen en Franken tegen de Friezen in Noord-Frankrijk plaats vonden. Lees meer over het Vlie, over Vinciacum en bij thema 3

  11. De Frankische heersers breidden tijdens de Merovingische periode hun invloed uit over het gebied dat later Nederland zou worden. Zij vergrootten hun rijk steeds verder en kregen geleidelijk meer grip op een aanzienlijk deel van Nederland. De Franken maakten echter een einde aan deze verdeeldheid door vrijwel het gehele kustgebied in te lijven. Daarmee kwam het grootste deel van ons land onder Merovingisch bewind (p.65/66). Dat zou betekend hebben dat in 751 het grootste deel van Nederland al onderdeel uitmaakte van het Frankische Rijk. Dat is dan wel een heel erg traditionele opvatting, maar zolang bewijzen daarvoor ontbreken en het slechts bewezen wordt met aannamen en veronderstellingen, kan ook deze mythe geschrapt worden en dienen alle schoolboekjes en historische atlassen daarop aangepast worden.



  12. Het Karolingische Rijk begon met de troonsbestijging van Pippijn de Korte in 751 en bleef zo'n anderhalve eeuw bestaan. Het omvatte een groot deel van West-Europa, uitstrekkend van Noord-Duitsland tot Midden-Italië, en van de rivier de Elbe en de Donau in het oosten tot de Ebro in Noord-Spanje. De Lage Landen lijken hiermee tot de periferie van dit enorme rijk te behoren, maar in werkelijkheid is dit de achtertuin van het Karolingische politieke centrum. Die nabijheid zorgde ervoor dat onze regio snel meegevoerd werd in de brede Europese ontwikkelingen van kerstening, economie en handel, en de opleving van geleerdheid en kennis (p.68). Hier worden enkele mythen uit de traditionele geschiedenis herhaald en enkele beweringen gedaan die toch wel om bewijs vragen. Wat hier genoemd wordt als "een groot deel van West-Europa van de Elbe tot de Ebro" zou al groter zijn dan het rijk van Karel de Grote ooit wordt voorgesteld. Wat heeft Karel de Grote er dan nog aan toegevoegd? De grootste mythe is dat onze regio snel meegevoerd werd in de brede Europese ontwikkelingen van kerstening, economie en handel, en de opleving van geleerdheid en kennis. Daarvan blijkt in het geheel niets. Welk bewijs heeft men daarvoor? Om te beginnen: er waren geen kloosters, geen steden, geen hof van Karel de Grote, geen bestuurscentrum en geen (te bewijzen) handel. Zie ook de volgende twee punten.

  13. De geschiedenis van Gerward van Gendt laat zien hoe diep de integratie van onze streken in het Karolingische Rijk ging. (p.68). Deze opvatting zou het gestelde in het vorige punt moeten 'bewijzen'. Maar als deze Gerward in het verkeerde Gendt wordt geplaatst en men gemakshalve het klooster van Lorsch allerlei bezittingen in de Betuwe laat hebben, komt dit verhaal wel aardig uit. Het verhaal op zich gaan we niet betwijfelen, wel de locatie en de omvang van de bezittingen van Lorsch in Nederland. De oudste bibliotheekcatalogus van de Lage Landen? Vreemd is het dan deze boeken nooit in bezit van Karel de Grote in Nijmegen (sic!) zijn geweest. Karel had toch een omvangrijke bibliotheek?
    De verwijzingen in noot 1 (waarin ook verwezen wordt naar de oorspronkelijke bronnen) maken heel veel duidelijk. 'Hos libros repperimus in Gannetias, quos Geruuardus ibidem reliquit et ab inde huc illos transtulimus.' Vertaald is dat: "We vonden deze boeken in Gannetia, waar Geruard ze had achtergelaten, en van daaruit hebben we ze hierheen overgebracht". 'Hierheen' is naar Laureshamense(i)s (Lorsch). Centrale vraag is dan: Welke plaats was Gannetia, was dat Gendt? Welk klooster stond er in Gendt waar deze getijdenboeken werden gebeden? In de teksten wordt een "curtis" in Gannita genoemd en de 'villa' Gannita, Waar lag dat hof in Gendt? Waar die villa? Lees meer over Gendt in thema 3.


  14. De genoemde Gerward ('van Gendt'] was een telg uit een vooraanstaande adellijke familie uit de omgeving van Gendt (ten noordoosten van Nijmegen), met bezittingen in de hele Betuwe, de Veluwe en het IJsselgebied. Hij schonk veel van die bezittingen aan het klooster Lorsch, waar hij later ook zelf als monnik aan verbonden was. Het lijstje met boeken dat volgt op de notitie van de monniken beschrijft zijn indrukwekkende verzameling en daarmee vormt het waarschijnlijk de oudste bibliotheekcatalogus van de Lage Landen. Het toont hoe Gerward zich in het middelpunt van het Karolingische Rijk bewoog en een actieve deelnemer was aan de culturele, politieke en economische veranderingen die de Karolingische wereld in onze streken teweegbracht (p.68/69). Welke vooraanstaande adelijke familie betrof dit een waar woonden zij? Voor het lijstje en een toelichting daarop: zie het kader hieronder. Die bezittingen in de Betuwe zijn door Lorsch nadien niet in Batua, dat toch de Betuwe was, teruggevonden, ook niet op de Veluwe (wie woonde daar) of in het IJsselgebied. We hebben de verwijzing in noot 1 en 12 en 13 nagezocht, maar vinden hierin slechts de traditionele opvattingen en geen enkel bewijs dat die juist zijn, zolang men de Friezen in Friesland plaatst en de Batua met de Betuwe vereenzelvigt. De naam Betuwe (bet-goede grond) verschijnt in de geschreven bronnen pas in de 12de eeuw als tegenstelling tot Veluwe (vale-slechte grond).

    De notitie over Gerwards boeken vind je op: https://doi.org/10.11588/diglit.4556#0074. Dat lijstje noemt de volgende boeken: Breviariumboeken van Sint Nazarius. Het Evangelie geschilderd met gouden schrift met ivoren tabletten. Ook vier Evangeliën in een andere code. Ook in de derde op dezelfde manier ... (1v) Psalter II. (2r leer). (2v Supplementen). Boek met uitleg van de evangelielezingen en andere lezingen gedurende het jaar ... Boek van Felicis Capellae. (3r) Boek Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Rechters, Ruth in één code ... (33r) Passie van Sint Quintinus. Akte van de terugkeer van het Heilige Kruis en het leven van Sint Ambrosius en Sint Gregorius de Paus in één code. Passie van Sint Sebastiaan de martelaar.

    Breviarium (brevierboeken) is een officieel getijden- of gebedenboek van de Katholieke Kerk. Het bevat de dagelijkse gebeden, psalmen en lezingen die priesters en kloosterlingen op vaste tijden van de dag (de 'getijden') moeten bidden of zingen. Het noemen van Sint Nazarius, Sint Quintinus en Sint Ambrosius wijst duidelijk naar Noord-Frankrijk en wel naar de plaatsen St.Nazaire, St.Quentin en Tours (volgens Alcuinus).

    Ambrosius (van Milaan) wordt genoemd door Alcuinus als hij uitweidt over verschillende plaatsen waar de gelovigen naar toe trekken, te weten naar Rome vanwege de apostelen; naar Milaan om Ambrosius te vereren; naar Augst in de Alpen voor de Thebaanse martelaren; naar Poitiers voor de heilige Hilarius; en hij vervolgt dan (met een citaat uit een preek): Wat zal ik van jou zeggen, Toronica civitas, je bent maar klein in je muren en eigenlijk maar verachtelijk (“despectibilis”), maar door het patronaat van Martinus ben je groot en prijzenswaard. Wie zal naar jou toe komen om jezelf? Maar omwille van de zekere gunsten van hem (Martinus) stromen de gelovigen naar je toe.

    De context maakt duidelijk dat Alcuinus de Martinus-kerk van Traiectum (Tournehem) bedoelt. Bron: Alcuinus, Vita S.Willibrordi, AS, nov. Ill, p. 449. Voor de plaatsnaam gebruikt Alcuinus een uitzonderlijke vorm, die beslist niet op Utrecht van toepassing kan worden verklaard, maar wel op Tournehem van toepassing is. Prof.F.Hugenholtz meende dat Alcuinus helemaal niet Tournehem had bedoeld doch Tours, bekend door het graf van Martinus. Zo opgevat, zou de passage een belediging voor Tours zowel als voor Alcuinus zelf zijn geweest. Deze stond namelijk aan het hoofd van de Karolingische universiteit, die in Tours gevestigd was. Stel je voor, dat de rector magnificus van Tours, de aartsbisschop van Sens (in een preek) laat zeggen: “Tours, jij verachtelijk gat, je bent niks waard, maar door Martinus stel je tenminste nog wat voor”.
    Het is dan ook zonneklaar dat Alcuinus niet Tours bedoelde maar de kerk van Tournehem (dat maar een klein dorp was), wat natuurlijk de diepste en echte reden is voor het tegenspartelen van de geleerde professoren. Immers de veronderstelling dat Alcuinus voor de aartsbisschop van Sens een preek zou schrijven om af te steken in de St.Maartenskerk van Utrecht, zal door niemand worden aanvaard. En toen Hugenholtz in Tours zijn enorme bok had geschoten (zijn Franse collega schoot de andere kant uit, die veronderstelde dat het om Doornik ging!), maakte hij zich beroemd door de sneer, dat hij verder niet meer met Delahaye wilde praten omdat zijn “niveau” voor hem te laag was. Alcuinus het bevuilen van eigen nest aanwrijven, dat is pas niveau!

    Deze tekst is vooral van belang omdat het een tussenvorm levert van de oudste naam van Traiectum naar de eerstvolgende bekende naam Turringahem uit ca.877. En met Traiectum-Toronica-Turringahem is de naamkundige ontwikkeling tot Tournehem volledig te aanvaarden, ongeacht of de jongste fase daarbij al dan niet verband houdt met een volks-etymologie voor “bocht in de Hem”. Overigens is het bekend dat zowel Doornik als Tours ook onder de namen van Turonicum of Toronicum vorkomen, maar die worden hier zeker niet bedoeld. Ook in Frankrijk is het verschijnsel Deplacements Historiques bekend, sterker: het is een uit Frankrijk afkomstig begrip.
    Lees ook vooral het verhaal van de Thebaanse martelaren St.Victor en St.Ursus die niet in Xanten thuishoren maar in Saintes in Frankrijk.

  15. Hoewel het Nederlandse landschap met zijn vele rivieren en veenstromen te voet lastig te doorkruisen was, bood het een uitstekend netwerk voor vervoer over water. Per schip waren de Lage Landen goed verbonden met de rest van het rijk en de handelsstad Dorestad, een bloeiend knooppunt in de Merovingische tijd (p.70). Hoe verplaatsten die predikers zich door dit natte en drassige landschap? Per schip? Opvallend dat er uit die tijd geen scheepswrakken gevonden zijn, wel veel uit de eerdere Romeinse tijd? Dat die schepen uit de 9de eeuw veel beter waren dan die Romeinse, gelooft geen zinnig mens. Waar woonde de mensen die zij gingen bekeren? Op die paar terpen in Friesland? Het Nederlandse landschap was een moeras-landschap vol kreken en getijdenstromen die regelmatig onderhevig waren aan transgressies. Waarom ging men anders op terpen wonen? Waarom moest de bodem van Utrecht zeker 5 meter opgehoogd worden voordat men er kon wonen?

  16. Er worden in dit hoofdstuk door Sven Meeder de plaatsen Gendt, Wilp, Dorestad (in navolging van hoofdstuk 2) en de abdij van Lorsch genoemd (p.68-84). Wat hier genoemd wordt door Meeder is de traditionele opvatting. De ware bewijsbare opvattingen over Gendt, Wilp, Dorestad en Lorsch lees je bij thema3 hieronder!

  17. Hoe God verscheen in de Lage Landen. Frankische missionarissen hadden al in de zevende eeuw belangrijk missiewerk verricht in de zuidelijke Lage Landen. Willibrord in Utrecht. Bonifatius in Dokkum, Lebuinus in Deventer, Liudger in Wilp en Deventer, Werenfridus in Elst. Het christendom verspreidde zich niet als één grote olievlek, maar meer als een reeks kleine oliedruppels van geloof in een zee van heidendom. Uiteindelijk zouden die olievlekjes uitgroeien en in elkaar overlopen, maar dat zou nog generaties duren. De missionarissen wisten maar al te goed dat ze niet in één keer grote groepen mensen konden overtuigen van het nieuwe geloof en dat hun onderneming er een was van de lange adem. Daarom richtten ze hun boodschap op kleine gemeenschappen en investeerden ze tegelijkertijd in de opleiding van de volgende generatie missionarissen. Die 'oliedruppels' van geloof kregen vaak gestalte in kleine kloosters: half-afgesloten gemeenschappen van geestelijken, waar in alle rust en relatieve veiligheid onderwijs werd gegeven aan toekomstige predikers in een omgeving die meer doordrongen was van christelijke waarden dan de buitenwereld. (p.71-73). Hier worden de traditionele predikers opgevoerd, waar, voor hun aanwezigheid in Nederland, geen enkel bewijs bestaat. De plaatsen waar zij gemissioneerd zouden hebben bestonden in hun tijd (8ste-9de eeuw) niet eens, zoals Utrecht, Dokkum, Wilp, Deventer en Elst. Waar dan die kleine kloosters bestaan hebben is totaal onbekend. In de geschiedenis van Utrecht wordt de Paulusabdij in 1050 steeds als eerste, dus oudste klooster opgevoerd. Over Wilp lees je meer in thema 3.

  18. Invallende en plunderende Deense Vikingen (p.70,71 e.v.) Allereerst staat in geen enkele klassieke tekst het woord Vikingen en ten tweede ook niet dat zij uit Denemarken kwamen. Het Dania uit de klassieke teksten was Normandië, de landstreek die naar hen genoemd is en nog steeds zo heet.

  19. De tragische afloop van Bonifatius'missien naar Dokkum in 754 spreekt wat dat betreft boekdelen (p.71). Ook deze opvatting van de moord op Bonifatius kunnen we achterhaald beschouwen. Alleen in schoolboekjes duikt deze mythe steeds weer op. De plaats van de moord was Dockynchirica dat Duinkerke was.

  20. Karel de Grote die in 777 de Sit-Maartenskerk in Utrecht begiftigde met de villa Leusden, vier bossen aan de Eem, een kerk bij Dorestad en land tussen de Rijn en de Lek (p.75). Hier wordt de oorkonde uit het jaar 777 bedoeld, die andere gegevens beschrijft die hier zo klakkeloos genoemd worden. Lees meer over de oorkonde uit 777 en de vier bossen, maar vooral over Dorestad, waarvan opgraven W.van Es allang heeft toegegeven dat er in Wijk bij Duurstede geen enkel archeologisch bewijs is gevonden voor de determinatie Dorestadum. Dan houdt dit verhaal toch op?

  21. In de decennia na 772 ontving het klooster (Lorsch) van adellijke schenkers stukken land mét de daarbij behorende onvrije boeren in de Betuwe, op de Veluwe, langs de IJssel, en langs de Noordzeekust aan de monding van de Maas en Schelde (noot 12). In 814 schonk dus ook Gerward verschillende van zijn bezittingen aan het klooster, waaronder verschillende stukken bosland op de Veluwe, bezittingen rond de IJssel, land op Texel, een eiland in de Waal met een kerk erop, en vijf landgoederen in Gendt, inclusief dertig horige boeren. In hetzelfde jaar schonken ook zijn (waarschijnlijke) broers Lantward en Adalward stukken land en onvrije inwoners in en rond Gendt aan het klooster. In 828 zou Gerward ook nog eens familiebezittingen ten oosten van de Betuwe, inclusief veertig horigen, schenken aan de St. Maartenskerk in Utrecht (p.76). De hier genoemde broers Lantward en Adelward worden door Sloet (tekst 27) Franken genoemd. Dan moet wel bewezen worden dat Gelderland in 772 al tot het Frankische Rijk hoorde en er Franken woonden. Of kwamen zij vanuit Noord-Frankrijk hun goederen beheren of gebeurde dit hele verhaal in Noord-Frankrijk waar het Tecelia te vereenzelvigen is met Axles of Escalles. ook de Isla, Mosa, Falua en Valum zijn daar aan te wijzen in een beperkt gebied in Batua. In noot 12 wordt verwezen naar Erik Goosmann, die de geschiedenis van de bezittingen van Lorsch in de Lage Landen helder uiteenzet, temminste volgens zijn collega Sven Meeder. Zij schreven samen het boek over Redbad, ja, dan val je elkaar toch niet af? Goosmann, verwijst naar Claire de Cazanove Hannecart, cartulaires/Kartulare. Entre mises en ordre des archives et mises en ordre du monde (IXe-XIIIe siècle)/Ordnen der Archive und Ordnung der Welt (9.-13. Jahrhundert. Bij Goosmann lezen we echter slechts de traditionele opvattingen over Batua, Frisia en Hattuaria en heldere bewijzen ontbreken ook hier. Batua is niet de Betuwe, maar het land van Bethune, Frisia was niet Friesland, maar lag aan de kust van Het Kanaal, waar ze buren waren van de Moriniërs. Hattuaria, welke naam afgeleid is van de Germaanse stam der Attuarii, door de klassieken genoemd, duidt soms de bewoners van Attin aan, op 8 km zuid-oost van Etaples, soms op het land van Ath. In ander verband, bijvoorbeeld in de rijksverdelingen, wijst de naam op een streek bij de Aisne en de Oise, in alle gevallen in Noord-Frankrijk/zuidelijk België. De Hettergouw heeft met die naam bij Nijmegen nooit bestaan, maar moeten we zien als een van Bloks “karolingische” grapjes, uiteraard wel om er Gendt in te kunnen plaatsen. De (H)Attuarii kwamen onder de Oudengelse naam Hetware voor in het Beowulf-gedicht, een epos van Saksisch-Vlaams Erfgoed. Opmerkelijk is dan wel dat de Kerk van Utrecht al vóór zijn bestaan bezittingen verwierf. Welke adelijke schenkers hier bedoeld worden blijkt nergens. Bestonden in de 8ste eeuw al zoveel adelijke geslachten, voordat de graven van Holland en Gelre bestonden? De eerst graven van Holland en Gelre en de eerste bisschop van Utrecht kwamen pas in de 10de eeuw van het zuiden in Nederland aan. Het land dat zij weggaven, was dat wel van hen?

    Met noot 13 : dr.Erik Goosmann (van de Universiteit van Utrecht) 'Aristocratic Exploitation of Ecclesiastical Property in the Ninth Century', Francia (2018) 27-59, worden we ook niet veel wijzer. Het blijkt om een 12de eeuwse studie over de Codex Laureshamensis te gaan. En juist in de 12de eeuw kwamen tal van mythen rondom Willibrord en andere predikers op, aangezwengeld door de noodlijdende abdij van Echternach die op zoek was naar voormalig bezit vanwege de extra inkomsten ervan voorde abdij. Maar die voormalige bezittingen hoorden niet toe aan de abdij, maar feitelijk aan het bisdom van Willibrord. De abdij claimde dus ten onrechte bezit dat niet van de abdij was. De kerkelijke bezittingen van Utrecht uit de 9de eeuw zijn in Nederland ook nergens terug gevonden, aangezien ze nooit bestaan hebben, niet in Holland, niet in Friesland, niet in Oost-Nederland, zelfs niet in Brabant, waar de oudste Willibrordkerk van Nederland stond. Die kerkelijk bezitting lagen in Frans-Vlaanderen waar de abdij in de 12de eeuw wel de aankomst van Willibrord plaatste en toch op zoek ging naar voormalig bezit van de kerk van Willibrord van 4 eeuwen geleden, maar kreeg het niet aangezien het na 4 eeuwen in andere handen was gekomen, zoals van de Graven van Vlaanderen. Toen eenmaal in de 12de eeuw (weer die 12de eeuw) de opvatting had postgevat dat Utrecht de voormalige bisschopszetel van Willibrord was, ging Echternach daar in de buurt het verloren gewaande bezit zoeken. Men heeft het er niet gevonden, want het lag daar immers niet, sterken: heeft er nooit gelegen. In Holland kreeg de abdij nul op request, dan gekeerd naar Brabant waar enkele Willibordkerken bestonden, die men ging claimen. Daarin slaagde de abdij slechts op 4 plaatsen, maar de oudste Willibrordkerk van Nederland (op de Raamberg bij Klein-Zundert) heeft Echternach nooit geclaimd. Blijkbaar kon men geen naam vinden in de Liber Aurelius (het Gouden Boek, door Albert Delahaye heel terecht het dievenboekje genoemd) die een beetje op Sunderde leek, waar deze kerk, gesticht vanuit Tongerlo, stond.

    In dit artikel verwijst Goosmann naar Bert Thissen, Die Besitz der Reichsabtei Lorsch in der villa Geizefurt, die weer verwijst naar Franz-Josef Hetjens (ed.), Weeze und der Raum an Niers und Kendel im Mittelalter, Weeze 2008, p. 44–100, at p. 94; In dit laatste artikel wordt weer verwezen naar Bert Thissen, die we kennen als mede-auteur van het Bronnenboek van Nijmegen. En dan zijn we dubbel gewaarschuwd. Zo is de naschrijverij en de cirkelredenering weer rond en lijkt aardig te kloppen. Het is dan wel interessant wat Bert Thissen schrijft, maar vooral wat zijn redenering en argumentatie is om tot zijn conclusie te komen.

    De Villa "Geizefurt", bezit van de abdij van Lorsch 893.
    Met de centrale vraag in het al vaak besproken probleem van de "villa Geizefurt", houdt Bert Thissen zich uitvoerig bezig; zo levert hij voor de lokalisering daarvan de tot nu toe meest overtuigende oplossing. Volgens Thissen moet de "villa Geizefurt" gezocht worden in het gebied van de beboste heuvelrug die zich vanuit Nijmegen in zuidoostelijke richting uitstrekte, met als zuidelijkste punt de Gochfortshof. Deze heuvelrug was koninklijk bezit en waarschijnlijk ook koninklijk bos in de vroege middeleeuwen. Het district Uedem omvatte vermoedelijk het gehele oorspronkelijke zuidelijke deel van dit bos, tot aan de rivier de Niers. In dit bos werd de nederzetting Uedem gesticht, waarschijnlijk als een Frankisch-Merovijnse ontginningsnederzetting, en later als een ontginningsnederzetting in het district Uedem, vermoedelijk rond 800-855, de "villa Geizefurth". De belangrijkste boerderij bevindt zich vermoedelijk op de huidige Büssenhof aan de linkeroever van de Niers, niet ver van de molenbeek Kervenheim. Het is zeker dat de kerk die in 866 genoemd wordt als behorend tot de villa wordt genoemd, niet identiek is aan de Cyriakuskerk in Weeze.
    Zo bouwt historische Nederland, in dit geval Bert Thissen, met 3 x vermoedelijk, 2x waarschijnlijk en met moet gezocht worden, de bewijsvoering op. Daarmee bewijs je toch geen enkele zekerheid? Is dit voor historisch Nederland overtuigend? Op vergelijkbare wijze zijn ook de bewijzen in het Bronnenboek van Nijmegen 'bij elkaar gesprokkeld'!

  22. Een van de keizerlijke paleizen van Karel de Grote, was dat in Nijmegen (p.76). Hoe bestaat het dat het nooit gevonden paleis van Karel de Grote in Nijmegen toch steeds weer opduikt. Hebben die historici nooit begrepen dat het paleis van Karel de Grote zowel archeologisch, als tekstueel in Nijmegen nooit is aangetroffen of aangetoond. De teksten die men op Nijmegen toepaste bleken van Noyon te zijn. Lees hier alles over in het Bronnenboek van Nijmegen.

  23. Een schenking aan een klooster dat recent door een adellijke familie was gesticht, zorgde niet alleen voor een verbinding met de relevante beschermheilige, maar ook met de adellijke dynastie die daarachter zat. Via het klooster werd men bovendien deel van een breder netwerk van andere schenkers en beschermheren. Dit verklaart wellicht hoe er in de boeken van Lorsch tussen 793 en 892 maar liefst zeventien schenkingen zijn gedocumenteerd van bezittingen in en rond Gendt - honderden kilometers verder weg! In de boeken van Lorsch tussen 793 en 892 zijn maar liefst zeventien schenkingen gedocumenteerd van bezittingen in en rond Gendt - honderden kilometers verder weg! In een ongedateerde oorkonde zien we bijvoorbeeld hoe Gerwards broer Lantward land koopt van een vrouw genaamd Averhilde om het vervolgens aan het klooster Lorsch te schenken. Dezelfde naam waren we ook al tegengekomen toen aan het einde van de achtste eeuw de weduwe Averhilde Lebuinus hielp bij de bouw van een kerkje in Wilp. Er lijkt dus rondom Gendt een aristocratisch netwerk te zijn ontstaan waarin men door middel van onderlinge aankopen en schenkingen aan het klooster Lorsch prestige en connecties probeerde te verkrijgen. (p.77). Graag zouden van Sven Meeder (de auteur van dit artikel) dan eens vernemen welke 17 schenkingen dat betrof en welke beschermheilige hij bedoelt? Ook zijn we erg benieuwd naar de adellijke families hij op het oog heeft. Welke adellijke families leefden er in Gelderland voordat de graven van Gelre er verschenen? Zie ook punt 22 en 29. Er wordt maar steeds gestrooid met adellijke families, adellijke machtsheren of een adellijk centrum, terwijl niemand weet welke adellijke families dat betrof in de 8ste en 9de eeuw. In het Verhaal van Gelderland hoofdstuk 7 of 8 worden die ook niet genoemd. Men noemt soms de graven van Hamaland, maar die horen thuis in Frankrijk, immers Hamaland is in Nederland nooit gevonden, maar dan gaat het al over de 10de eeuw. Dat die schenkingen rondt Gendt lagen is slechts gebaseerd op de nog nooit bewezen aanname, dat Gannita uit die boeken ook Gendt was. Of is het zoals Meeder schrijft dat het slechts lijkt. Lees meer over Gannita en Gendt en over Wilp bij Thema 3

  24. Als we de oorkonden van alle schenkingen aan het klooster Lorsch bestuderen, zien we dat Gerwards schenking in 814 officieel werd bekrachtigd in Aken, waaruit blijkt dat hij toen al een positie bekleedde aan het keizerlijke hof. De daaropvolgende giften, waaronder die van Adalward en Lantward, werden echter in Gendt bevestigd. Tot het einde van de negende eeuw werden vrijwel alle schenkingen van land in de Nederlanden aan Lorsch in Gendt bekrachtigd en ondertekend. Dit wijst erop dat Gendt vanaf 814 uitgroeide tot het administratieve centrum van waaruit Lorsch het beheer voerde over zijn landerijen in de Lage Landen (p.79). Dat hier Aken genoemd wordt is opvallend, aangezien in januari 814 er juist overleden was en Lodewijk zijn vader juist was opgevolgd. Was hij dan meteen bezig met schenkingen? In de oorkonden gedateerd door Sloet (nr.27, Codex Laureshamensi I p.163) in 814 en 815, worden de schenkers Gerward, Adelward, Landward, Waldoen Alfger enige Franken genoemd. Was Nederland in 814 al in handen van de Franken? Ja toch? Karel de Grote had er in Nijmegen toch al een paleis. Begrjpt nu iedereen dat met het vervallen van dat paleis ook deze opvattingen vervallen? Andere schenkingen van Gerward tussen 827 en 838 (Sloet nr.28 en 29) betroffen schenkingen aan de St.Maartenskerk te Utrecht. Dat is dus onmogelijk geweest, immers in 838 bestond er geen Utrecht, laat staan een St.Maartenskerk. Daarmee wordt dus overduidelijk aangetoond dat de plaatsnamen uit deze oorkonden onjuist geïnterpreteerd zijn.

  25. De verspreiding van het christendom was ter hand genomen door de Karolingen vanuit de overtuiging dat vorsten ook verantwoordelijk waren voor het zielenheil van hun onderdanen. Hiertoe probeerden Karel de Grote en zijn opvolgers een echte christelijke maatschappij op te bouwen. In zijn Admonitio generalis, een algemeen schrijven uit 789 aan alle geestelijken, had Karel al aangegeven dat hij streefde naar een correcte uitvoering van religieuze rituelen, een juist begrip van de kerkelijke leer en het gebruik van correcte Latijnse (religieuze) teksten in zijn rijk. Dit streven naar correctie - correctio - creëerde een vraag naar geleerden op het gebied van Latijnse grammatica voor de vele scholen aan Karolingische hoven, bisdommen en kloosters. Het taalonderwijs zorgde voor een herwaardering van antieke teksten, maar ook een hernieuwde interesse in geschiedenis, Bijbelstudies, filosofie en astronomie. Het resultaat was een indrukwekkende culturele en intellectuele bloei en een explosie in boekproductie. (p.80). Vreemd is het dan dat van die bloei en explosie van intellectuele boekproductie in Nederland geen snipper papier is teruggevonden, niet in Nijmegen, niet in Utrecht of ook maar elders in Nederland, maar ook niet in welke nalatenschap dan ook. Bestudeer je de opkomst van Nederland en de oudste handschriften en drukken van de Utrechtse Universiteitsbibliotheek of "Stemmen op schrift" van Frits van Oostrom, dan begint dat allemaal pas in de 12de eeuw. Enkele oudere handschriften komen aantoonbaar uit Frankrijk en België, zoals het 'Psalter van Utrecht' en de 'Wachtendonkse psalmen'. Zou het dan toch juist zijn wat Jacob van Oudenhoven in 1654 opmerkte? Zie hierna punt 9 in Thema 2

  26. Dat Gerward zowel het oor van de keizer als de affectie van Einhard had, blijkt uit een anekdote uit 828 die Einhard optekende in een werk, waarin hij verslag doet van de manier waarop hij de relikwieën van de heilige Marcellinus en Petrus weet te verkrijgen. Hij beschrijft de vele wonderen die plaatsvinden in en rond het paleis in Aken zodra de stoffelijke resten van de martelaren gearriveerd zijn. De verhalen over deze wonderen bereikten zelfs Gerward op zijn reis van Nijmegen naar Aken. (p.81). 'Wonderverhalen' zijn doorgaans niet de meest betrouwbare historische bron, uiteraard bedoeld om het verhaal enig aanzien en betekenis te geven. Die reis van Nijmegen naar Aken in 828, wordt in het Bronnenboek genoemd, echter de wonderen vind je er niet. Het Bronnenboek rekonstrueert een reis van Aken naar Noviomagus als naar Nijmegen. Tussen de beide steden wordt Gangludem genoemd, op 8 mijlen van Aken gelegen, wat hij als Gangelt (D.) opvat. Deze identificatie heeft Blok onlangs verzonnen - in de eerste drukken van zijn ”De Franken in Nederland” komt zij niet voor - teneinde de tekst een draai naar Nijmegen te kunnen geven. De juiste determinatie is Gingelom, op op 8 km zuidwest van Sint-Truiden. Op het paleis in Aken valt ook heel wat af te dingen: zie bovenaan onder punt 1-②.

  27. In Gendt lijkt Gerward zich, naast het beheer van de bezittingen van Lorsch, ook te hebben beziggehouden met geschiedschrijving. Hij wordt gezien als een van de auteurs van de zogenaamde Annales Xantenses.F In deze jaarboeken worden onder andere de ontwikkelingen in de Karolingische dynastie beschreven, maar wordt ook veel informatie gegeven over de vele plunderingen, verwoestingen en veroveringen door de Deense Vikingen in de Lage Landen. In 847 noteert hij een Deense aanval op slechts kilometers van Gendt bij Meinerswijk, waar Lorsch bezittingen had die eerder geschonken waren door Gerwards broer Lantward. (p.82). Ook hier schrijft Meeder weer lijkt. Is dat omdat strik bewijs ontbreekt? Over aanvallen van de Denen op Nederland kunnen we slechts meedelen dat elk bewijs daarvoor ontbreekt. In de originele Latijnse tekst staat niet Meinerswijk, maar vicus Meginhardi (ook Meginhardeswich) wat Maninghen bij Etaples is. In 847 waren de Noormannen aan de kust van Francia aan het plunderen, waar ze ondermeer Bordeuax plunderden. Deze tekst bij dit jaartal ontbreekt ook het Bronnenboek van Nijmegen. Dat zal wel zijn omdat Nijmegen niet genoemd wordt. Maar als de Noormannen Meinerswijk plunderen, waarom dan niet even doorgevaren naar Nijmegen waar toch een rijk en groot paleis stond (dat ze in 880 wel plunderen)?

    De conclusie van het hoofdstuk van Sven Meeder moet dan ook zijn dat hij veel beweert, maar niets met klare feiten bewijst. Hij verwijst wel naar verschillende bronnen (waarvoor dank), maar daar vind je slechts een bevestiging achterhaalde opvattingen, wat toch weer neerkomt op naschrijverij. De kern van het verhaal van Meeder is of Gannita Gendt is. Dat steunt strak op het Paleis van Karel de Grote in Nijmegen en de bisschopszetel van Willibrord in Utrecht. Nu blijkt dat beide niet bestaan hebben, vervalt ook Gannita voor Gendt.



  28. Er waren wel etnische eenheden met wisselende samenstelling, zoals die van de Franken, de Saksen en de Friezen die toen leefden in de Lage Landen en het noordwesten van het latere Duitsland. Hun territoria waren niet vast afgebakend (p.86). Landinwaarts bestonden geen markante natuurlijke grenzen. Evenmin bestonden er scherpe culturele afbakeningen (p89). Dan kunnen in elk geval alle atlassen met steeds dezelfde kaartjes (zie voorbeeld hiernaast) bij het oud papier. Zij tonen een vals beeld dat nooit bestaan heeft, maar wel de doorslag heeft gegeven bij de vaststelling van de 'ware vaderlandse' geschiedenis en vooral de omvang van het Rijk van Karel de Grote en de locatie van de Friezen en Saksen. Daarnaast kwam Annemariek Willemsen al tot de conclusie dat "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen". Dan vervalt toch ook deze bewering van Wim Blockmans, de auteur van hoofdstuk 4 uit dit boek). lees meer over de ware geschiedenis van de Franken, Friezen en Saksen .

  29. Bonifatius kwam in 716 naar Dorestad, werkte samen met de Angelsaksische geestelijke Willibrord en volgde hem in 739 op in de missiepost in Utrecht. Hij was het die in 751 als pauselijk legaat Pippijn de Korte, een zoon van hofmeier Karel Martel, zalfde tot koning. Ruim een eeuw daarvóór, omstreeks 630, was in Utrecht een kerkje gesticht op de natuurlijke hoogte waar later de Domkerk zou worden gebouwd. Dat eerste kerkje werd echter al na korte tijd vernield door Friezen die ook Dorestad plunderden. (p.90). Voor dat nooit gevonden kerkje (zie punt 11 hiervoor). Lees meer over Wijk bij Duurstede, waar Bonifatius zogenaamd aan land gekomen zou zijn en vervolgens doorreisde naar Utrecht, tenminste volgens de traditie. Maar dan ging hij eerst Utrecht voorbij om er volgend terug te keren? Dat Bonifatius bisschop van Utrecht geweest is spreken de bronnen tegen, bovendien gaf Bonifatius zelf aan dat niet te wensen. Toen werd Gregorius bisschop van Utrecht.
    De zalving van Karel Martel door Bonifatius gebeurde in Soissons. Wat kwam die bisschop Van Mainz helemaal in Frankrijk doen? Waarom moest Bonifatius in een Frankische synode tot bisschop Van Mainz erkend worden? Of was het Moguntiacum niet Mainz, maar het Noord-Franse Mainvillers? Was geen van die Frankische bisschoppen van die Synode in staat om Karel Martel te zalven? Deze zalving past in een hele rij gebeurtenissen met Frankische bisschoppen, die ten dienste stonden van het Frankische hof, zoals Wulfram, Willibrord en Bonifatius. De relatie van bisschop Bonifatius met het Frankische hof, hun aartsvijand, was ook de reden voor de Friezen om hem te vermoorden. Dat gebeurde in Dockynchirica, dat Duinkerke was en niet Dokkum. Dokkum is de zoveelste mythe uit de 17de eeuw.


  30. Het zou duren tot de volle tiende eeuw, toen de geestelijken zich onder bisschop Balderik (918-975) veilig konden voelen voor de raids van Vikingen, alvorens Utrecht zou uitgroeien tot het kerkelijke centrum van de noordelijke Nederlanden.(p.90). Van raids van de Vikingen is in Utrecht (of waar ook in Nederland) nooit iets gebleken, gevonden of bewezen. Dat Utrecht in de tiende eeuw zou uitgroeien tot het kerkelijk centrum van de Noordelijke Nederland is een volslagen mythe. Hiermee wordt wel erkend dat de invloed van Willibrord niets heeft voorgesteld. Dat Utrecht uitgroeide tot kerkelijk centrum gebeurde overigens pas ná 1559, zoals Prof.Post en prof.Rogier duidelijk hebben aangetoond: "Op één punt moet ik Delahaye onmiddellijk gelijk geven. Sint Willibrord is geen aartsbisschop van Utrecht geweest. Eerst in 1559 is Utrecht aartsbisdom geworden en voor die tijd kan er onmogelijk sprake zijn van een aartsbisdom Utrecht. Vóór het jaar 1559 is van enige officiële verering van Sint Willibrord, Sint Bonifatius en andere geloofsverkondigers in Nederland geen spoor te vinden".

  31. Ook ruim een eeuw later, in de tijd dat Keizer Frederik Barbarossa bevorderde dat Karel de Grote zalig werd verklaard (1165). (p.93). Niet alleen zalig, zelfs heilig. Alleen ging de kerk van Rome daarin niet mee. Die heilig verklaring door Frederik Barbarossa was het gevolg van zijn ongekende bewondering voor Karel de Grote, die echter verre van Christelijk en al helemaal geen heilige was. Karel de Grote was geen heilige, maar een ordinaire machtspotentaat, die zelfs zijn eigen broer Carloman liet vermoorden om alleenheerser te kunnen worden. Ook is van hem bekend de moord op 4500 gevangen genomen Saksen in Werethina. De bekeringstrategie van Karel de Grote bestond uit de doop of de dood ofwel voor de overwonnene de keuze tussen het kruis of het zwaard, sterk gesymboliseerd op het schilderij van Albrecht Dürer. "Een groot rijk met één machtige vorst kan niet bestaan hebben zonder ellende, uitbuiting en onderdrukking, niet zonder haat en nijd, niet zonder dood en verderf" (Quote Geert Mak), wat geheel op Karel de Grote van toepassing was. Het was ook Keizer Frederik Barbarossa die in 1155 een nieuwe burcht liet bouwen in Nijmegen. Deze burcht werd lange tijd -en wordt door goedgelovigen nog steeds- gezien als een voorzetting van de Palts van Karel de Grote. De gedenksteen van Barbarossa spreekt deze opvatting radikaal tegen. Deze gedenksteen verwijst terug naar de Romeinen en Karel de Grote, zijn idool, wordt daarop niet genoemd, wat uiteraard dodelijk is voor de Nijmeegse traditie.
We zijn hiermee in de 12de eeuw aangekomen, waarmee mijn bespreking van dit boek hier stopt. De besprekingen van de overige hoofdstukken worden laat ik graag aan anderen over, waar zeker nog wel de nodige opmerkingen over te maken zijn, zoals Jacoba van Beieren die niet uit het Duitse Beieren kwam, maar, geboren in Le Quesnoy bij Bavay, daar haar naam aan ontleent. In klassieke teksten komt Bavay voor als Baioariorum / Baguarii / Bagacum/ Baca Conervio, wat voor de nodige verwarring heeft gezorgd.

    Thema 2: opmerkelijke bevindingen.
    Toch staan in boek ook enkele opmerkelijke uitspraken die de traditionele opvattingen tegenspreken, of in elk geval nuanceren. We noemen het volgende:

  1. Door Caesars troepen zou een slachting hebben plaatsgevonden nabij het huidige Kessel-Lith, niet ver van de plek waar de rivieren de Maas en de Waal samenkomen. Over deze geografische locatie bestaat echter discussie, aangezien Caesar in zijn De Commentaren over de Gallische Oorlog de Rijn noemt in plaats van de Waal. Omdat de Rijn en de Maas nergens samenvloeien, wordt aangenomen dat Caesar hier een geografische vergissing maakte. (p.31). Klassieke schijvers een vergissing in de schoenen schuiven is gebruikelijk onder historici als de tekst niet overeenkomt met hun opvatting. Zou niet de schrijver, maar de historici zich hier vergist kunnen hebben? In noot 2 (p.274-275 lezen we daarover: "Critici merken echter op dat deze vondsten geen sluitend bewijs vormen voor een veldslag, laat staan dat ze eenduidig kunnen worden gekoppeld aan de Usipeten en de Tencteren. Had nu die critici eens gevolgd, dan kwam men vanzelf tot de juiste opvattingen. De presentatie van deze veldstag gebeurde door N.Roymans in DWDD. op 9 dec.2015. Er bleef niets van over. Wat bewijs je met enkele botten en een zwaard over een omvangrijke veldslag?
    Als eerste had uitgezocht moeten worden waar Caesar verbleef in 55 v.Chr. Toch niet ver van zijn basis in Amiens af. Vervolgens wat hij bedoelde met Renus en Mosa? Was dat de Rijn en de Maas? Het feit dat Rijn en Maas nergens samenvloeien had historici toch in het juiste richting moeten wijzen: Noord-Frankrijk.


  2. Een nauwkeurige afbakening van het gebied was cruciaal. Zodoende werd er rond Voorburg een minutieus verkavelingsplan uitgewerkt. Een cruciale rol hierbij speelden vier Romeinse mijlpalen die zijn teruggevonden op het Wateringse veld te Voorburg. Archeologen beschouwden deze als het hoofdmeetpunt van het Romeinse verkavelingsplan (p.36). Dit is wel een van de traditionele opvattingen afwijkende bevinding van Liesbeth Claes. Het waren dan geen mijlpalen die de afstand tot een vorige en volgende plaats aangaven, maar verkavelingspalen, een soort 'reinstenen' om de grenzen van kavels aan te geven. Daat het mijlpalen zoude zijn geweest wordt al tegen gesproken door het feit dat er geen plaatsnamen genoemd worden. Het genoemde MAC werd ooit door Jules Bogaers verklaard met Municipium Aelium Canninefatium, wat een onbewezen aanname is. De Canninefaten hadden geen hoofdplaats in Holland. Zij woonden immers in Noord-Frankrijk naast de Moriniërs.

  3. Toch is van directe bestuurlijke, militaire of juridische invloed van het Romeinse Rijk op het huidige Nederland weinig of niets aantoonbaar. Als er al sprake is van een Romeinse erfenis in het Nederlandse bestuur of recht, dan is deze vaak pas in een latere periode - dus via een omweg - geïntroduceerd. (p.43.44). Hieruit blijkt onmiskenbaar dat Romeins Nederland weinig tot niets heeft voorgesteld, zoals ook W.A.van Es al constateerde. Romeins Nederland is geen colonia waardig geacht. Romeins Nederland was het Agri Decumates van Tacitus.

  4. Onze kennis over het Nederlandse gebied blijft fragmentarisch. Het ontbreken van lokale schriftelijke bronnen versterkt dit probleem, waardoor we voor een reconstructie van de Frankische invloed voornamelijk zijn aangewezen op archeologische vondsten en secundaire aanwijzingen. (p48). Hierover nadenken is te weinig gebeurd bij het vaststellen van de 'vaderlandse' geschiedenis die wat het eerste millennium betreft een uit Frankrijk afkomstige geschiedenis is.

  5. Er zijn vandaag de dag in Nederland nog weinig wegen waarvan het tracé rechtstreeks teruggaat op een Romeinse voorganger. Een van de weinige uitzonderingen is de Grotestraat in Cuijk. (p.34). Watererosie na de Romeinse tijd, die verschillende fases van intensiteit en frequentie kende, veegde het tracé grotendeels weg en zal mede verklaren waarom de weg in onbruik geraakte. Romeinse wegen die nog herkenbaar zijn in het huidige landschap zijn dus zeldzaam in Nederland (p.35). De transgressies waren ook de reden dat de Romeinen uit Nederland vertrokken. Wat hier over de Romeinse wegen wordt geschreven nuanceert het belang van Romeins Nederland. Het heeft niets voorgesteld en is zeker geen Unesco Werelderfgoed waardig.

  6. In het dunbevolkte gebied ten noorden van de heerbaan tussen Boulogne en Maastricht ontstonden tijdens het Romeinse bewind geen nederzettingen van betekenis. (p.49). Ook hier noemt Van der Tuuk iets heel juist en belangrijks, alleen trekt daar geen consequenties uit.

  7. Toch hadden de Franken weinig belangstelling voor de streken waar zij doorheen waren getrokken. Deze gebieden werden dan ook niet blijvend door hen gekoloniseerd.(p.49). Hun macht (van de Franken) was persoonlijk en gebaseerd op militaire volgelingen in plaats van institutioneel gezag (p.57). Loyaliteit was te koop, en op deze politiek van geven en nemen was de macht van de Frankische heersers grotendeels gebaseerd (p.63). De veroveringszucht van Karel de Grote had zijn rijk steeds verder uitgebreid, maar zijn zwakke organisatie maakte het onbestuurbaar. (p.86). De successen die de heerschappij van Karel de Grote kenmerkten kregen geen vervolg na zijn dood in 814 (p.70), De koningen van het Duitse rijk behielden ook een doorgaans louter theoretisch gezag over de Italiaanse gebiedsdelen, waarvan het koninkrijk Lombardije het belangrijkste was. (p.88). Het Duitse Rijk, ontleende zijn eenheid aan weinig meer dan het koningschap met zijn verkiezings- en kroningsrituelen, maar kende tot zijn opheffing in 1806 nauwelijks centrale instellingen (p.91). Hier lezen we dus dat de macht van de Franken in de traditionele geschiedenis altijd aardig overdreven wordt, zelfs in het Europees Parlement waar Karel de Grote toch als hét voorbeeld van de Europese Eenwording geldt. Dat het grote en krachtige rijk fors overdreven wordt, blijkt ook uit de onderlinge ruzies tussen 'erfgenamen' en de verdelingen van het rijk in 806, 839, 840, 843, 870 en 880, maar dan wel gebaseerd op de juiste grootte, bijvoorbeeld aan de hand van herkenbare plaatsnamen. Lees meer over de verdeling van Verdun in 843 en die van Meersen en Ribemont.

  8. Pippijn van Herstal kon met succes de strijd aanbinden met de Neustrische rijksgroten. In 687 versloeg hij zijn rivalen tijdens een veldslag bij Tertry in Picardië. Na zijn zege benoemde hij enkele vertrouwelingen op Neustrische sleutelposities en keerde naar Austrasië terug. Daarmee kon Pippijn - hoewel ongekroond - als feitelijke heerser over het hele Frankische Rijk regeren.(p.60). Hier wordt heel juist Tertry in Picardië genoemd. Plaats daar nu ook de hele geschiedenis, dan ben je in de juiste streek. Het hele Frankische Rijk bestond dan uit Neustrië en Austrasië, volgens de teksten slechts de gebieden tussen de Loire en de Somme.

  9. Het mondingsgebied van grote rivieren was echter dunbevolkt want weinig aantrekkelijk wegens zijn geografische gesteldheid: moerassig en met relatief geringe vruchtbaarheid. (p.87). Hier wordt de ware reden genoemd van het onbewoond zijn van de Lage Landen bij de Zee, wat ook precies aansluit bij de opmerking van Jacob van Oudenhoven, die vast stelde dat Nederland geen snipper papier over de eigen geschiedenis bezat. Hij schreef in 1654 in zijn "Out Hollandt, nu Zuyt Hollandt" al over "het ontbreken van elke schriftuur", geen enkel geschrift over de geschiedenis van Holland. Hij concludeerde terecht dat het onjuist moest zijn wat sommigen zeiden, namelijk "dat de eerste Hollanders ongeletterd waren en niet konden schrijven". "Het geeft geen pas", schrijft hij met enige verontwaardiging "zo een ongeletterdheid te veronderstellen bij een zo vief volk als de Hollanders, maar de geschriften ontbreken omdat het land niet bewoond was". Jacob van Oudenhoven had het perfect begrepen en het volslagen juist geformuleerd. Ook de Clerc Uten Laghen Landen had reeds in de 14e eeuw het juiste inzicht over het ontstaan van het alluviale Holland! Hij beschreef het als volgt: Holland, dat over het algemeen een broekland was en alleszins (=geheel en al) uit de armen van de zee en de Rijn gesalicht is (=ontstaan is). Met het broekland bedoelde de Clerc het moerasland, waaruit Nederland bestond.


    Thema 3: onjuiste gelocaliseerde plaats- rivier- en streeknamen.
    In dit boek worden veel plaats- rivier- en streeknamen genoemd die op de traditionele locaties worden geplaatst, maar die slechts op een aangenomen traditie steunen. Deze locaties dienen herzien te worden.

  1. Blariaco, Ceuclum en Fectio: waren niet Blerick, Cuijk en Vechten, ook al 'herken je enkele letters'. Bij historische geografie gaat het niet om het herkennen van enkele overeenkomstige letters, maar om teksten of archeologisch voorwerpen die de opvatting bevestigen. En die zijn er niet. Lees meer over de zogenoemde Limes in Nederland, waar ook deze plaatsen besproken worden en blijkt dat de opvatting nergens op steunt.

  2. Insula Batavorum: was de streek van Béthune in Frans-Vlaanderen, waar de Bataven naast de Friezen en Moriniërs woonden. "De gedachte dat de Bataven in de Betuwe en het Brabantse aanwezig waren vindt thans geen bijval meer". (Bron: W.A.van Es in 'Romeinen, Friezen en Franken in het hart van Nederland').

  3. De Cananefaten: als de Bataven uit Nederland verdwijnen (zie hierboven) dan gaan de Cananefaten met hen mee naar Noord-Frankrijk.

  4. Salland: hebben we hierboven onder thema 1 punt 5 al beschreven.

  5. Toxandri&3235;: was niet Noord-Brabant, maar het Textielland aan de kust in Frisia waar het Friese laken werd geweven in grotten, zoals Tacitus en Ptolemeus schrijven. Waar zijn die grotten in Brabant?

  6. Peppijn van Herstal wordt in dit boek 4x genoemd. Daar is het volgende over op te merken: de residentie Herstal, werd pas bekend als residentie van Pepijn toen hij regent was van Austrasië en Neustrië. In 714 overleed Pippijn. Herstal lag zeker niet in Neustrië wellicht in Austrasië? Neustrië lag tussen de Seine en de Loire, Austrasië lag tussen de Seine en Somme. De traditionele onjuiste weergave van Austrasië is terug te voeren op het Paleis van Karel de Grote in Noviomagus, dat niet Nijmegen was maar Noyon. Ook de Kroning van de broers geven de juiste locaties van Neustrië en Austrasië aan. Karel de Grote wordt gekroond tot Koning der Franken te Noviomagus Urbem (Noyon) en kreeg Neustrië als zijn gedeelte van het Frankische Rijk toegewezen. Carloman werd gelijktijdig tot (mede-)koning der Franken gekroond te Suessionis Civitatem (Soissons) de aloude stad van de Karolingen) en kreeg Austrasië. Zij kregen ieder hun deel, een helft, van het Frankische Rijk. Het Frankische Rijk was in 768 niet groter dan Neustrië en Austrasië samen, ofwel het gedeelte van Noord-Frankrijk ten noorden van de Loire en ten westen van de Maas. De zalving van Pippijn gebeurde in 751 door Bonifatius in Soissons (niet door de paus in Saint-Denis in Parijs), wat hem in de juiste streek plaatst, net zoals Pippijn in 714 door Willibrord werd gedoopt in Soissons en Bonifatius in 742 Karel de Grote doopt. Lees daar meer over in de mythen rondom Willibrord en Bonifatius.
    Einhard verhaalt in het jaar 776 dat Karel naar Gallië terugkeerde en in overwinterde in de villa Herstal. De Annales Laurisienses preciseren dit nader: "de koning keerde in Francia terug en vierde het Kerstfeest in Herstal". Herstal wordt hier zowel in Gallië als in Francia gesitueerd. Daarnaast hebben we dus Austrasië als locatie. Waar deze 3 overeenkomen moet Herstal gelegen hebben. Of was het Heristelli zoals het in de teksten genoemd wordt wellicht toch een van de volgende 4 locaties: 1. Herzeele, gemeente in het dép. Nord; Hersela, Hersales 1085. 2. Herlincourt. gemeente in het canton Saint-Pol-Sur-Ternoise; Herlincurtis 752, 869. 3. Herseaux, gemeente in het arr. Kortrijk; Hersele 1010. 4. Hértcourt, gemeente in het canton Saint-Pol-sur-Ternoise; Herikortis 1072; Lehericourt 1119.
    Karel de Grote kwam in 797 weer naar Wigmodinga (is Withmundi bij Wissant). Van alle kanten kwamen Saksen en Frisones naar hem toe. Na enige weken in Francia vertoefd te hebben, keerde de koning naar het land van de Saksen terug en liet er schone gebouwen neerzetten. Zijn zetel vestigde hij op een plaats waar de Timelle in de Lippia valt (de Melde, die bij Thiennes in de Lys stroomt, op 5 km van Aire-sur-la-Lys), welke plaats men ook Heristelli noemt, omdat zijn leger er vroeger een kamp gebouwd had. Tijdens dit verblijf liet Karel de Grote het derde deel van de Saksen met hun vrouwen en kinderen uit het land wegvoeren. Oorlogsmisdaad: genocide! Hij hield niet op voordat hij de uiterste gebieden van de Saksen onderworpen had, namelijk de streek tussen de Albis (Aa) en de Wissura (Wimereux), die door de Oceaan (Atlantische Oceaan) wordt omspoeld. De koning trok door de moerassen en ontoegankelijke plaatsen tot aan Hoduloha (Oudezeele op 4 km noordoost van Cassel). Deze gegevens die we bij vijf verschillende schrijvers lezen, plaatsen Heristelli niet als Herstal bij Luik, niet in Midden-Duitland bij de Lippe, maar in het gebied van de Saksen, die aan de kust van Het Kanaal woonden. Zie ook punt 5 en 10 bij thema1.


  7. Gannita: zou het plaatsje Gendt van Gerward zijn in de Nederlandse Betuwe en het klooster Lorsch in het Duitse Rijnland, zitten we midden in het grote probleem van hoofdstuk 3 van Sven Meeder, dat volledig is opgebouwd op deze twee locaties: Gendt en Lorsch. Op p.27 schrijft Louis Sicking Ghent: blijkt hier toch hoe verwarrend toponymie kan zijn? Als de premisse onjuist is, zijn ook alle daarvan afgeleide deducties onjuist. Gendt was niet Ganuenta of het Gandavum van St.Amandus uit de oorkonde van 635. De Nederlandse plaatsnamen Gendt, Genderen en Gendringen hebben een andere afleiding en worden zeker niet met het Romaanse Ganuenta bedoeld. Lees meer over Gendt, dat het Franse Gannita was en niet Gendt in de Betuwe die in de 8ste eeuw onder water lag. Het klooster van Lorsch geeft hier de oplossing. In de documentatie van Lorsch worden 130 plaatsnamen genoemd, die in Batua lagen. Waar liggen die in de Betuwe?
    In de oorkonden van Lorsch (772, 793, 814, 860, 863, 864, 1024, 1046, ca. 1050) wordt Gannita genoemd. Dat kan Gennes-Ivergny zijn, op 24 km zuid-west van St. Pol-sur-Ternoise. Waarschijnlijker is het Genech, op 15 km zuid-oost van Rijssel. Het neemt in de goederen van Lorsch een belangrijke plaats in, daar het een centrum geweest schijnt te zijn voor het beheer van de kerken en goederen in de streek. Het toepassen van de naam op Gendt in de Nederlandse Betuwe is een slag met de pet (o.a.van Blok), daar Gendt in 772 niet kan hebben bestaan, en noch uit de plaatselijke geschiedenis noch uit die van Gelderland iets blijkt van een regionale functie van Gendt. Volgens de plaatselijke historische kring dateert de oudste vermelding uit 793. Lees meer over Gendt hieronder en op Ganuenta.

    Verschillende citaten, uit een codex en een kroniek van de abdij Lorsch zijn een nadere beschouwing waard.
    In het jaar 793 of 794 schenken Walther en Richlint goederen aan de abdij: „in pago Batawe”. In 800 ruilt de abt een mansus te Gannita tegen een mansus te Adelricheim: „mansum unum in pago Batawa, in Gannitae marca”. Andere schenkingen worden vermeld in de jaren 814 en 815: „in pago Batawe, in villa Gannita. Precies dezelfde woorden vindt men in een vermelding van het jaar 854. In het jaar 860 geeft koning Lotharius goederen uit het beneficium van Rorik aan de abdij; „ex rebus iuris nostri ex beneficio Hrorici in villa Gannita ad ecclesiam sancti Nazarii”. In het jaar 863 schenkt paltsgraaf Ansfried goederen aan de abdij tegen een lijfrente op de goederen te Gendt (?): „in loco vel villa, quae dicitur Gannida”. In het jaar 891 of 892 worden eveneens goederen aan Lorsch geschonken: „in pago Batawa. . . dederunt ecclesiam in Gannita, constructam in honore sancti Martini”. In 1024 schenkt koning Conrad II het recht dat hij op de horigen van de hof te Gendt (?) heeft, aan de abdij: „omne ius, quod ad nostram regalem respicit manum in mancipiis ad curtem Gannitae pertinentibus”. Deze oorkonde wordt in het jaar 1046 door koning Hendrik III in dezelfde bewoordingen bevestigd.

    Uit de codex van Lorsch is een niet gedateerde lijst van cijnsen bekend, die echter met enige grond in tijdsorde na de oorkonde van 1046 mag worden gesteld. Zij bevat het volgende: „de pr&edio ecclesiae sancti Nazarii, in Gente. . . in curiam sancti Nazarii, quae est in Gente”. Tussen de jaren 1125 en 1137 moet de oorkonde van keizer Lotharius II gesteld worden, waarin hij een curia te Gent aan Lorsch schenkt: „curiam Gannitam”.

    Allereerst moet worden opgemerkt, dat het niet geheel duidelijk is dat alle vermeldingen van Gannita op Gendt in de Overbetuwe slaan; de vermelding van een kerk van St.-Nazarius, een bij uitstek Frans patronaat, en van Rorik, een locaal-historisch gegeven uit Normandië, maakt dit twijfelachtig. Van de andere kant echter schijnen de bezittingen van Lorsch te Gendt historisch zo vast te staan, dat minstens een deel der vermeldingen op Gendt in de Nederlandse Betuwe kan worden geïnterpreteerd. Wij hebben voorlopig nog geen gegevens om hierin een zakelijk onderscheid te kunnen toepassen.

    Een andere opvallende merkwaardigheid is van méér belang. In de gegevens van de jaren: 793, 800, 814, 854 en 891 wordt de Batua nominatim vermeld; maar in die van 860, 863, 1024, 1046, na 1046 en 1125 wordt het landschap niet meer genoemd. Wat kan hiervan de reden zijn?
    De eerste serie van gegevens zijn vermeldingen, die in de codex of het chronicon van Lorsch als feitenvermelding of in de vorm van een regest zijn opgenomen; van de tweede serie zijn de volledige oorkonden in afschrift voorhanden. In deze laatste teksten, die hun vroegere authenticiteit bewaard hebben, komt geen vermelding van de Batua voor. De eerste serie bevat derhalve, naast de zakelijke vermelding van een feit, een interpretatie, die hoogstwaarschijnlijk niet uit de originele oorkonden te putten was, want ook andere oorkonden, die verbaliter nog aanwezig zijn, houden hiertoe geen aanwijzing in. De eerste serie van gegevens, vermoedelijk aanzienlijk later opgesteld of overgeschreven, heeft derhalve geen waarde ten aanzien van de toponiem Batua in Nederland, daar zij reeds vermengd zijn met een interpretatie.

    Rangschikt men deze gegevens op een andere manier, dan kan nog scherper worden aangetoond, dat zij in het geheel niet de naam van Batua voor het Nederlandse landschap bevestigen. De teksten van 860 en van 1046 moeten om de vermelding van Rorik en de kerk van St.-Nazarius voor Nederland afgewezen worden. Dat de ene vroeg ligt, in 860, en de andere vrij laat, in 1046, houdt in, dat dit twee betrouwbare gegevens zijn, die het goederenbezit van Lorsch in de oorspronkelijke en authentieke Batua gedekt hebben. Dit bezit in Noord-Frankrijk moet op een zeker tijdstip vervreemd of in vergetelheid geraakt zijn.
    Op een andere plaats, die inmiddels de naam van Batua gekregen had, werd het weer levend gemaakt, waar de toponiemen —al waren die ontleend, doch dit realiseerde men zich niet— om en nabij de juistheid van de ontstane overtuiging schenen te staven. Bewust falsificerend werd hierbij niet opgetreden, zoals trouwens nergens geschied is in de essentiële zaken of de raakpunten van de mystificatie met betrekking tot de Karolingische residentie Noviomagus. Wel ging men al te oppervlakkig aan enige duidelijke vestigia voorbij, die in de oude teksten waren achtergebleven en die ons nu de veronderstelling mogelijk maken, dat het oorspronkelijk goederenbezit van Lorsch in Noord-Frankrijk lag.

    Daarom zijn wij verre van overtuigd, dat de andere teksten op Gendt in de Betuwe slaan. Wij vermoeden dat zij op Gendt passend zijn gemaakt op grond van de overtuiging, in of na de 12e eeuw ontstaan, dat de historische interpretatie van de oudere teksten op de Betuwe wees. Een andere mogelijkheid lag zó ver buiten het gezicht, dat deze in de verste verte niet opkwam. Doch er is geen bezwaar om bij wijze van veronderstelling aan te nemen, dat die teksten inderdaad Gendt in de Nederlandse Betuwe hebben aangeduid. Dan leggen wij echter de volle nadruk hierop, dat de vijf teksten, die de Batua noemen, geen authentieke oorkonden zijn doch regesten, waarin de toponiem Batua terechtkwam, nadat de Nijmeegse mystificatie gemeengoed was geworden en de toponiem Batua naar Nederland was ingevoerd.
    Uit de gegevens van Lorsch wordt dus geenszins bevestigd, al was dit in schijn wèl het geval, dat de toponiem Batua van de 8e tot de 11e eeuw reeds voor het Nederlandse landschap gold. Dit wordt geadstrueerd door een oorkonde over Angeren, die zonder enige twijfel in de Betuwe gelocaliseerd moet worden (Sloet, nr. 309). Tussen de jaren 1160 en 1164 ligt de regeling van een geschil van Lorsch en de parochianen van Angeren. Deze oorkonde is in haar geheel in het chronicon van Lorsch opgenomen en de tekst bevat de toponiem Batua niet. Opvallend is, dat er zelfs geen latere tekstverminking of een interpolatie is ingeslopen. Uit deze oorkonde, die toch vrij dicht na de bouw van het Nijmeegse paleis door Frederik Barbarossa ligt, blijkt dat de toponiem Batua niet onmiddellijk op de mystificatie van het Karolingische Noviomagus is gevolgd, maar dat het nog enige tientallen jaren heeft geduurd, alvorens deze in de locale oorkonden doordrong.
    De oorkonde van koning Zwentibold van het jaar 897 (Sloet, nr.70), die de woorden bevat: „in pago Batawi, in comitatu Dodonis, in villa Harawa ecclesiam”, en die op Herwen in de Betuwe is geïnterpreteerd, moet als zij authentiek is, zowel om de toponiem Batua als om het graafschap van Dodo voor de Nederlandse Betuwe afgewezen worden. Hetzelfde is het geval met een lijst der inkomsten van de abdij Corbey (Sloet, nr. 167), die tussen de jaren 1053 en 1071 gesteld wordt. Zij vermeldt: ,,in Husstin, in pago Bathua”. De interpretatie Heusden voor Husstin, evenals de interpretatie Herwen voor Harawa, wordt noch woordelijk noch zakelijk door een andere tekst gesteund. Husstin moet eerder geïnterpreteerd worden als Hesdin, een plaats in Noord-Frankrijk.

    Door middel van een oorkonde uit het jaar 1015 gaf Heribert, aartsbisschop van Keulen, aan het klooster van Deutz de kerk van Zetten, hem opgedragen door graaf Balderik en zijn vrouw Adela: „in villa quae dicitur Sethone. . . sitam in pago qui vulgo dicitur Betuam”. Deze oorkonde bevat een en ander, dat twijfels oproept. Bij de getuigen wordt bisschop Notker van Luik genoemd; deze overleed reeds in 1007. Ook de chronologie der indicties klopt niet; het is meer dan waarschijnlijk, dat deze oorkonde een post-factum is. De vulgo-uitdrukking bij de toponiem Batua is enigszins misplaatst; de Batua was immers reeds lang tevoren, vanaf de Romeinse periode, als een vast staande en ruim verbreide toponiem bekend, die ook in de schriftelijke bronnen als een overbekende naam gebruikt werd. Waarom dan dit vulgo? Waarschijnlijk was deze naam zich op het tijdstip, dat de oorkonde werd opgemaakt, in Nederland aan het inburgeren en hier was het „vulgo” wel zeer toepasselijk. Zo schrijft men echter niet, als men over een van ouds gebruikte naam spreekt. Het moet dus zeer waarschijnlijk worden geacht, dat de oorkonde in deze vorm opgemaakt is tegen het einde der 12e eeuw.


  8. Wilp: Het Nederlandse Deventer voert de traditie dat St. Lebuinus de apostel is geweest van de Saksen in de "pagus Islo” , dat hij in Deventer resideerde, in Wilpa een kerk bouwde en in Marklo een vergadering van de heidense Saksen binnendrong. Daarvan heeft men in Nederland de IJsselstreek gemaakt, Wilp bij Deventer en Marklo. Een aantal jaren geleden heeft een historicus uit België (de jezuïet Coens) op doorslaggevende manier bewezen dat de Nederlandse Lebuinus en de Vlaamse St.Lieven en de Franse St. Liévin één en dezelfde persoon zijn. Een trilocatie is teveel, zelfs voor een heilige. De Franse historici plaatsen St. Lebuinus, uiteraard onder de naam Liévin, in Noord-Frankrijk. De heilige is vanuit Engeland te Wissant aangekomen. Nadat hij zich enige tijd te Pont-de-Briques had opgehouden, vestigde hij zich te Merck-Saint-Liévin (het befaamde Marklo!), dat tot op de dag van vandaag zijn naam draagt. De plaatsen Sinte-Lievens-Essche en Sinte-Lievens-Houtem houden zijn traditie in Vlaanderen vast, die daar overigens nog rijker is dan in Noord-Frankrijk. De pagus Islo of Isla is het land van Lijzel, dat in oude bronnen voorkomt als Insula of Isel en in méér dan voldoende teksten te volgen is als Islo of Isla, waar onmogelijk aan de Nederlandse IJsselstreek gedacht kan worden. De kerk van Wilpa stond te Oppy, een gemeente in het kanton Vimy, welke plaats in oude teksten. Ulpi, Vulpi en Wilpa wordt genoemd. Men zal inmiddels gemerkt hebben dat in deze kwestie de doublures in plaatsnamen en zelfs in riviernamen niet van de lucht zijn. De traditie van St. Lebuinus te Deventer was vals en op deze steunde de traditie van Utrecht in belangrijke mate. Zo komt de ene mythe voort uit de vorige en steunen ze elkaar, maar stort het hele kaartenhuis van mythen in elkaar als de belangrijkste pijler (het paleis van Karel de Grote in Nijmegen) onderuit wordt getrokken.

  9. Dorestad: voor Dorestad verwijzen we naar het betreffende hoofdstuk waar alles te lezen is over het mysterieuze Dorestad in Nederland, waarvoor (volgens opgraver W.van Es) <i>geen enkel archeologisch bewijs is gevonden voor de determinatie Dorestadum. De opgegraven nederzetting bleek het vissersdorp Munna te zijn, dat een roversnest werd en in 1018 op last van de Duitse Keizer vernietigd werd.

  10. Vinciacum: De beslissende veldslag tussen Karel Martel en koning Radboud vond in het jaar 717 plaats te Vinciacum, tegenwoordig Inchy-en-Artois tussen Atrecht en Kamerijk. Deze geografische aanduidingen laten niets aan klaarheid te wensen over. Het zou een onvoorstelbare zotheid zijn te veronderstellen of te reconstrueren, dat de Nederlandse Friezen zo ver in Frankrijk slag gingen leveren tegen de Franken, temeer omdat de bronnen niet het minste verhalen over de reis naar die buitenlandse wedstrijd, wat ten overvloede tot een top-absurditeit wordt gevoerd door het feit, dat de archeologie in Nederland geen bewoning van betekenis heeft aangetoond in Friesland. Waar zijn in Nederland de relicten van dit grote volk van de Friezen, dat zich gedurende vier decennia gewapenderhand tegen de Franken verzette? Laat men eindelijk eens nuchter worden, en de duidelijke geografische aanduidingen van de bronnen stellen tegenover de vage en irreële fantasieën over Friesland, die geen enkele historicus nog ernstig neemt, maar die desondanks in de lucht blijven hangen. Bovendien zijn in de vroege bronnen de teksten niet te tellen, die met duidelijke woorden Frisia in Vlaanderen plaatsen. "Buren van de Moriniërs" (Boulogne-Terwaan) is een regelmatig terugkerende uitdrukking.

  11. Wat hier even tussen neus en lippen over Het Vlie vermeld wordt, zit helemaal niet snor. In de internationale traditionele geschiedenis is het honderden, nee duizenden malen herhaald : het grondgebied der Friezen liep van de Weser in Duitsland tot aan het Zwin in Vlaanderen, met daartussen de Lauwers en het Vlie die de grenzen vormden. Het is merkwaardige dat een waddengeul als de Lauwers of en een waddengeul als het Vlie de grote scheidslijnen aangeven tussen rechtsgebieden, terwijl Rijn, Maas en Schelde ongenoemd blijven. Maar deze internationale traditionele opvatting is ook volkomen fout!
    In de klassiek teksten genoemde Laubach is niet de Lauwers en met Wisar werd ook niet Het Vlie bedoeld? Kan Fli- of Fle[h]ite met het Vlie worden gelijkgesteld? Kan het Sincfal zomaar vereenzelvigd worden met het Zwin? Dat zijn immers de namen die in de historische bronnen staan. Laubach is in ieder geval niet de Lauwers nóch de Lauwerszee; het is de Lobbes in Henegouwen wat met parallelle teksten wordt aangetoond. De klassieke Frisi of Fresones woonden helemaal niet in het huidige Friesland, noch in westelijk Nederland; ze woonden in het noord-westen van het huidige Frankrijk, in een gebied grenzend aan Artesië (Frans Artois). In de oorspronkelijke teksten genoemde "Sincfala", was de zeebaai ten noorden van het Flevum of Almere, het transgressie-gebied tussen Oostende en Brugge, voor een deel gelijkvallend met het Zwin. De haven van het Zwin of Zwijn (of Sincfala) wordt reeds ca. 1180 vermeld in de wetten van de Angelsaksische koning Aethelred (978 - 1016). Ten tijde van koning Pippijn lag de grens lag tussen de christelijke Fresonen (lees: Vlamingen) en de heidenen" bij de rivier Lagbeki wat traditioneel werd opgevat als de Lauwers (Friesland en Groningen), maar dat echter chronologisch en etymologisch niet te aanvaarden is. Vat men het op als de Laak, dan is men dichter bij de historische en taalkundige waarheid. In Vlaanderen en Noord-Frankrijk bevinden zich verschillende rivieren en beken met deze naam, soms als Leek of Lacque geschreven. De meest waarschijnlijke toepassing is La Lacque, die te Aire ontspringt, bij Saint-Venant in de Lys valt en in oude bronnen als Laca bekend is.
    In de 9de eeuw zouden de Friezen ten oosten van Het Vlie tot aan de Wisar (Weser?), zich teweerstellen tegen Noormannen en Saksen. Archeologische sporen van die Noormannen in die contreien zijn nooit gevonden.

Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

Citaten van Historici


wetenschap is twijfel


ongelooflijk


onnozelheid


Heiligenlevens


Kletspraat



Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
11de en 12de eeuw
13de en 14de eeuw
Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
18de eeuw
19de eeuw
20ste eeuw


Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.