De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Het huis van Hilde: de geschiedenis van noord-Holland.

De ware geschiedenis van Nederland in het eerste Millennium, per onderdeel te lezen.
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

De grondfout in deze boeken over de geschiedenis van Noord-Holland is dat men het klassieke Frisia opvat als Friesland. De auteurs plaatsen die geschiedenis bijna helemaal in Kennemerland in Noord-Holland, wat door hen West-Friesland wordt genoemd. Men is blijkbaar uitgegaan van de Lex Frisionum, die men langs de kust laat gelden vanaf Zeeuws-Vlaanderen tot aan de grens van Denemarken, zoals afgebeeld op het bijgaande kaartje rechts (klik op het kaartje voor een vergroting) Op dat uitgangspunt is heel wat aan te merken, zoals uit de bespreking van deze boeken hieronder blijkt. Een aparte wet voor een onbewoonbaar wetlands gebied? zoals uit het gelijknamige boek van Bloemers en Therkorn (2003) blijkt. Zou dat echt zo zijn geweest. Had Karel de Grote dan zoveel last van de Friezen in Holland om er in 790 een aparte wet voor te laten maken?

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!

Lees meer over het Huis van Hilde in Archeologie Magazine in 'Romeinen in Noord-Holland' en in Archeologie in Nederland in 'De maker van Holland 900-1300'. Opmerkelijk: men laat de geschiedenis hier pas beginnen in 900, waarmee de aanwezigheid van Willibrord vervalt!

De naam ‘Holland’ wordt voor het eerst vermeld in 1101, waarbij het gaat om het gebied rond het huidige Dordrecht en Vlaardingen, later Oudt-Holland genoemd.



Het is een groot pluspunt dat de tekst van deze boeken op internet te downloaden is (Waarom is dat niet standaard bij wetenschappelijke literatuur?), zodat men die dikke en kostbare boeken (2 delen, 888 pagina's, toch € 75,- en slechts verkrijgbaar in de winkel van het museum) niet aan hoeft te schaffen. Voor de echte onderzoeker is een pdf-bestand ook snel doorzoekbaar. Nadeel van gedrukte boeken is wel dat het drukwerk als bewezen historie de geschiedenis in zal gaan en nog jaren nageschreven en rondgepompd zal blijven worden.

Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.

Zoals de vraag hiernaast al gesteld is: "Hoe kan men taalkundige ontwikkelingen in beeld brengen of welke taal er gesproken werd?", zonder dat de meest voor de hand liggende bronnen niet eens geraadpleegd zijn. In beide boeken lezen we niets over Linguae Teutonica, niets over het Diets, niets over Melis Stoke, niets over Fries-Saksische taal (de taal van Willibrord), niets over de Wachtendonkse Psalmen, niets over het Noordzee-Germaans of de Nederduytscher Sprache.
Maar ook missen we enig commentaar op het Oera Linda Boek, immers waar er ooit oud-Fries beschreven werd, was het daarin toch wel. Verder wordt ook Zannekin als bron niet genoemd, net zo min als de Westhoek in Frans-Vlaanderen.

Hoe komen deze auteurs (Arjen Versloot, Kees Nieuwenhuijsen en Rob van Eerden) dan aan hun wijsheid om te kunnen bepalen welke taal men tussen de 3e en 8ste eeuw sprak? Of is het precies zoals zij stellen: "Bij gebrek aan primaire bronnen in vroeger gesproken talen, wat zeker geldt voor Noord-Holland in de Vroege Middeleeuwen, maakt de historische taalwetenschap gebruik van de ‘historisch-vergelijkende methode’. Deze methode vertoont sterke overeenkomsten met andere historische wetenschappen die reconstructies van eerdere situaties maken, zoals archeologie, geologie en paleontologie.".

Hier wordt dus toegegeven dat men niets heeft en dan gaat men 'hinein-interpretieren' zoals dat in Duitsland heet. En zoals iedere geschiedenisstudent behoort te weten, moet men nooit vanuit het heden gaan terugredeneren, maar met de oudste teksten beginnen en naar het heden werken. Anders komt men in een moeras van absurditeiten terecht, zoals in Nijmegen gebleken is. Daar ging men uit van een palts van Karel de Grote en de teksten werden daar naartoe geïnterpreteerd, met een blunder als de bisschop van Nijmegen tot gevolg, die van Noyon bleek te zijn.


De Lex Frisionum.
De Lex Frisionum wordt in deel 1 zeven keer genoemd en in deel 2 dertig keer.
Over de Lex Frisionum zijn verschillende opmerkingen te maken, zoals hoe men tot de traditionele plaatsbepaling van de kust van Holland, Zeeland en Friesland kwam.
In de tekst van de wet worden slechts 4 geografische namen genoemd, waar deze wet zou gelden: Lavbaci, Wisar, Fli / Fle(h) en Sincfal. En daar gaat de discussie dan ook steeds over. De traditionele driedeling van Friesland, West-Friesland en Oost-Friesland, die men van deze namen afleidt, wordt in de wet niet genoemd. Over andere vragen gaat de discussie helemaal niet, zoals "zou Karel de Grote (ca.790) een aparte wet hebben laten maken voor een vrijwel onbewoond waddengebied?"

Er wordt gesproken over de grenzen waar deze wet gold, waarbij de wet zich blijkbaar netjes aan de landsgrenzen uit 1839 houdt. Zouden de Friezen in Zeeuws Vlaanderen nooit de grens naar België overgestoken zijn of in Groningen doorgetrokken zijn naar Denemarken? Als je die wet langs de kust in Nederland wil plaatsen, kom je uiteraard tot wonderlijke grenzen. Zie het kaartje hieronder. Klik op het kaartje voor een vergroting.



De tekst bij het kaartje (p.32) luidt: Volgens de Lex Frisionum strekte vroegmiddeleeuws Frisia zich uit tussen twee waterwegen: de Sincfal ter plekke van de Nederlands-Belgische grens in het zuiden, en de Wezer in het oosten. De kerngewesten binnen Noord-Holland zijn Kennemerland (Kinhem), Texel (Texla), Wieringen (Wiron) en Medemblik (vroegmiddeleeuwse naam onbekend. Is Medemblik -waar Redbad door St.Wulfram van Sens gedoopt zou worden- in dit boek plots niet meer Medemolaca wat de traditie toch was? Elders (p.10, 81, 205, 206 ) wordt toch weer de naam Medemolac(h)a genoemd.).

Over de Sincfal kunnen we het eens zijn, al plaatsen we die niet op de huidge grens, maar aan het Zwin bij Brugge. En dan gaat de Nederlandse traditie naar het noorden, terwijl onze opvatting naar het zuiden gaat. Immers in de tekst staat Wiseria en dat is niet de Wezer, maar de Wimereux. Een tekst uit 553 na Chr. over een veldslag van Franken tegen Saksen maakt dat duidelijk.
De Saksen kwamen in opstand tegen de Franken. Zij vielen talloze malen Francia binnen en werden geholpen door de Toringi (Doornik en niet Thüringen). De koning van Francia leverde slag tegen hen bij de rivier de Wisera. Hij keerde terug door het land van de Toringi (Doornik), dat ook Lorent werd genoemd. (Bron: Chroniques de St. Denis, HdF, VI, p. 197).
De rivier de Wisera (witte=Aa) is de Wimereux ten noorden van Boulogne. Het ligt buiten elke rede, dat de Frankische koning in 553 een veldtocht op touw zette naar de Duitse Weser.
Het genoemde Lorent is geen plaatsnaam, maar betekent 'het oosten' (l'orient).

De andere plaatsen hier genomd zijn:
  • Wiron, uit de goederenlijst van de St. Martinus-kerk van Trajectum, is Wierre-Effroy op 10 km noordoost van Boulogne.
  • Texla of Tecelia zoals Ptolemeus in de 2e eeuw schrijft, is Axles onder Coquelles, op 5 km zuidwest van Calais. Zij wordt in geen enkele bron als gouw vermeld. De naam Texel in Nederland is uit de 12e eeuw, directe vrucht van de grote namen-transplantatie vanaf het begin van de 11e eeuw.
  • De pagus Kinheim wordt door Theofried van Echternach in het Leven van St. Willibrord genoemd. Het is gewoon een plaats, die lag bij Adrichaim (Audrehem), op 5 km zuidwest van Tournehem (Trajectum). Een ander Kinhem, bij Obbinghem in de Batua gelegen, was Hinges, op 4 km noordwest van Béthune. Obbinghem is Obblinghem, vlak daarbij gelegen.

    De goederenlijst van Willibrord bevat 205 plaatsnamen, waarvan geen enkele in Nederland is aangewezen en dus niet in Nederland heeft bestaan. “Geen enkele” moet benadrukt worden, al heeft D.P.Blok uit deze lijst van 205 plaatsnamen welgeteld zes namen geplukt om die in Nederland te leggen, namelijk: Almere, Dorestad, Nifterlaca, Struona, Texla en Wiron, waarover niet meer gediscussieerd hoeft te worden, daar het determineren van zes namen en het overslaan van 199 rechttoe rechtaan een historische en geografische farce genoemd moet worden.

    Vergelijken we het gebied waar de Lex Frisionum gold, dan komt dat overeen met de andere bronnen: Frisia werd gevormd door het gebied ten noorden van de Leie (Frans Lys), vanaf St.-Omaars en het Almere tot aan Rijsel. De plaats waar Frisia lag is dus het fundament van dit misverstand. Was Frisia Nederland Friesland of lag het in Frans-Vlaanderen, waar de Fresones naar de Saksen (van de Litus Saxonicum) en de Bataven (van Béthune) woonden.

    Een meer bediscussieerde grens was de Laubacum of Laubachi. Volgens de traditionele opvattingen (die van Kees Nieuwenhuijsen) was het de Lauwers. Sinds wanneer vormt een waddengeul een belangrijke grens van een rechtsgebied? Nieuwenhuijsen beroept zich op de Von Richthofen (1866), die volgens hem een “coherent plaatje” had gegeven, met een beekje en een waddengeul als scheiding tussen rechtgebieden, terwijl Rijn, Maas en Schelde ongenoemd blijven. Het argument om voor Lauwers te kiezen is de gelijkenis tussen de namen en omdat anderen daar ook voor kiezen. Hoe bestaat het dat deze flut-argumenten van bestudeerde mensen komen?

    Naast de Lex Frisionum bestaan ook nog de Lex Saxonum en de Lex Francorm, ook wel de Lex Francorum Chamavorum genoemd en toen er nog een Lex Salica en een Lex Ripuaria werden ontdekt, had je de poppen helemaal aan het dansen. Juist over de niet overeenkomstige locaties ontstond de nodige discussie of werd het verzwegen. De Lex Frisionum maakt deel uit van een reeks van wetten waartoe ook die van de Saksen, Chamaven en Thüringers deel uitmaken. De wet van de Thüringers is afkomstig uit de Franse Abdij Corbie, die als Corvey verplaatst werd naar Duitsland en waarvan de oorspronkelijke streek van herkomst derhalve duidelijk is; de Warnen die in verband met de Thüringers worden genoemd zijn te vinden in Warneton (Nederlands Waasten, op de Belgisch-Franse grens). De Saksen zaten niet in het hoge noorden van Duitsland maar op de kanaalkust. De Chamaven bevonden zich niet in Oost-Nederland, maar tussen de Saksen en Bretagne. In het Duitse Sachsen, Thüringen is net als Nederland in de achtste en negende eeuw nog geen bevolking van enige betekenis te bespeuren waarvoor allerlei wetten buiten elke reden liggen. De genoemde streken lagen onwaarschijnlijk ver van het centrum van het Frankische Rijk in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België en dat in Duitsland niet verder doorliep dan tot Keulen. Ten noordoosten daarvan is er nooit enige aanwezigheid van een Frankisch Rijk aangetoond, ook in Nederland niet. Die vermeende aanwezigheid van de Franken in Nederland is volledig gebaseerd op dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen en de bisschopszetel van Willibrord in Utrecht, dat weer gebaseerd is op dat paleis in Nijmegen, zoals de oorkonde uit 777 en de goederenlijst uit 870 duidelijk maken.
  • Tussen het begin van de jaartelling en het jaar 1000 vonden in het gebied dat nu de provincie Noord-Holland is grote veranderingen plaats. Noord-Holland in het 1e millennium vertelt het verhaal van deze periode, waarin de Romeinen hun invloed in Europa verloren en het christendom de dominante culturele inspiratie werd. Het boek is een rijk geïllustreerde synthese van vele honderden wetenschappelijke publicaties over opgravingen en vondsten uit deze periode in de provincie, met de nadruk op de 3e-8e eeuw. De eerste hoofdstukken schetsen een beeld van de provincie in de genoemde periode: het landschap, de bestuurlijke indeling en de aard van de nederzettingen in de diverse regio’s. In de hoofdstukken daarna worden materiële resten van de bewoners behandeld: het aardewerk dat de mensen gebruikten, de huizen die ze bouwden, en de sieraden, gordels en wapens die ze droegen. De hoofdstukken daarop brengen de politieke, taalkundige en geestelijke wereld van de bewoners in beeld: de machtsstructuren en elitevorming, de omgang met overledenen, de gesproken en geschreven taal, en ook de godsverering. In het afsluitende hoofdstuk vormen al deze gegevens de basis voor een onderzoeksagenda waarin nieuwe inzichten worden gekoppeld aan nieuwe vragen die bij toekomstig archeologisch onderzoek centraal kunnen staan.

    Over deze tekst uit de inleiding van deze boeken, kunnen meteen al enkele vragen gesteld worden. Over welke grote veranderingen gaat het? Vanwege wat? Overstromingen? Hoe kan men een bestuurlijke indeling bepalen als er geen bewoning is aangetoond? En kan men de aard van nederzettingen bepalen als er geen plaatsen hebben bestaan? Hoe kan men taalkundige en geestelijke ontwikkelingen in beeld brengen of welke taal er gesproken werd, zonder dat bewoning is aangetoond? De eerste zinnen uit hoofdstuk 7.1 geven daar al deels antwoord op: "De studie van het handgevormde aardewerk uit de Romeinse tijd, in het voorgaande hoofdstuk, toont dat er in Noord-Holland geen nederzettingen bekend zijn die na het midden van de 4e eeuw bewoond bleven. Daarna volgde een ‘lege’ periode". Het midden van de 4de eeuw is dan wel de traditionele opvatting, maar dat dient het midden van de 3de eeuw te zijn. De Romeinen vertrokken immers rond 260 uit Nederland en zijn er niet meer teruggekeerd. Zie ook het artikel van Johan de Koning in Academia.edu en zijn artikel : Vikingen in Kennemerland? (met vraagteken). In dat artikel schrijft De Koning: "Een duidelijke Vikingvondst ontbreekt tot nu toe in Kennemerland, toch moeten ze hier geweest zijn." Dat 'moeten' is blijkbaar gebaseerd op genoemde teksten uit 850-855 over de Deense Viking Rorik. Zie voor die teksten: De Ware Kijk op en andere boeken van Albert Delahaye.

    Hoe werkt de cirkelredenering van de auteurs van dit boek?
    Dat kan aangetoond worden met het volgende tekstfragment: (p.10): In Kinhem (1) werden in het begin van de 8e eeuw (2) de eerste kerken van Noord-Holland (3) gesticht, kort daarop (4) gevolgd door de bouw van kerken op Texla (5) en Wiron (6), van waaruit later dochterkerken werden opgericht. De spreiding van deze kerken (7) vormt een mooie afspiegeling van de omvang (8) van de oorspronkelijke kerkelijke parochies (oerparochies) (9), en daarbinnen van de belangrijkste nederzettingsterritoria (10). Kerkelijke instanties (11) speelden een belangrijke rol bij dorpsvorming (12) en later vermoedelijk ook bij de (13) grootschalige ontginning (14) van de veengebieden (15).


    Verklaring van de noten: (1), (5) en (6) zijn aangenomen opvattingen voor Kennemerland, waarbij het slechts om drie plaatsen gaat: Petten, Heiloo en Velsen; (2) zou het jaar 720 zijn op grond van een onjuist geplaatste oorkonde; (3) en (7) van kerken is geen spoor gevonden (zie ook punt 3 over de 24 kerken) ; (4) Hoe kort daarop is dat? In het overzicht op p.111 staan ze niet, dus dan van ná 1063? (8) in een onbewoond gebied? (9) Welke patronaten hadden deze kerken en parochies? (10) en (12) Deze nederzettingen of dorpen zijn archeologisch nooit aangetoond. (11) Welke kerkelijke instanties waren dat? In Utrecht zetelde geen bisschop! (13) 'vermoedelijk', dus twijfel? (14) voor grootschalige ontginningen is een omvangrijke bevolking nodig, maar die wordt in Holland pas aangetoond in de 12de eeuw. Zie tabel op p.88. De tabel op p.753 is in die zin veelzeggend. Het gaat hier om doublurenamen vanuit Frans-Vlaanderen, waar men plaatsnamen aantreft met dezelfde grondwoorden, alleen eerder gedateerd dan de 9e tot 12e eeuw. Zie schema hiernaast van p.753. Klik op het schema voor een verdere toelichting. (15) Voor succesvolle ontginningen zijn dijken nodig. D.P.Blok stelt daarover dat er "vóór de 11de eeuw geen dijken van betekenis waren. Nu is het tegengaan van wateroverlast door het maken van dijken iets zo elementairs men daar vóór de 11de eeuw niet opgekomen zou zijn". Men had geen last van overstromingen omdat er niemand woonde! De West-Friese omringdijk bijvoorbeeld wordt als geheel pas voor het eerst vermeld in 1320 en kan toen nog niet lang hebben bestaan. Maar zonder dijken stond volgens Rijkswaterstaat alles meters onder water. Het idee dat het maaiveld veel hoger moet hebben gelegen kan, vooropgesteld dat het juist zou zijn, alleen tot de gevolgtrekking leiden dat er een voornamelijk onbewoonbaar moerasbos was dat pas door afwatering en dijkenbouw werd ontgonnen en voor bewoning geschikt gemaakt, waardoor de bodem vervolgens inklonk (daalde), wat het er voor de langere termijn weinig beter op maakte. Dat beeld wordt bovendien door de opgraafkunde volkomen bevestigd : de doorlopende Hollandse geschiedenis begint op zijn vroegst in de elfde eeuw, en dan nog alleen op de Zuid-Hollandse eilanden, en er is geen duidelijke continuïteit met eerdere bewoning. Ontginning van veengebieden vond niet eerder plaats dan in de 13de eeuw (ná 1200: p.57). Omstreeks 1250 n.Chr. was de Westfriese Omringdijk voltooid (p.89).
    Conclusie: op grond van 3 aangenomen plaatsnamen, worden kerkelijke instanties verondersteld, die in dorpen kerken bouwden voor een omvangrijke bevolking en veengebieden gingen ontginnen. Voordat er dijken waren had dat ontginnen geen enkele zin, dus dat gebeurde niet vóór de 11de eeuw! De hier genoemde plaatsnamen konden in Holland niet bestaan hebben, voordat er dijken en dorpen waren, bestonden vanaf de 8ste eeuw in Frans-Vlaanderen en zijn met de immigranten mee naar Holland gekomen.

    De visie van Albert Delahaye. wordt in de literatuurlijst niet genoemd ofwel vermeden.
    De eerste wet der geschiedschrijving is, geen onwaarheid te zeggen, noch enige waarheid te verzwijgen. (Cicero, 'De oratore' 2, 15.)
    De Franse (sic) kronieken uit de jaren 850-860 (die steeds genoemd worden) gaan duidelijk over Frankrijk! Prudentius verhaalt in 850 dat de Noorman Roerik in dit jaar met een aantal schepen Frisia (Vlaanderen) en het Eiland van de Bataven binnenviel en verschillende plaatsen in de omgeving van de Renus en de Vahalis vernielde. Een kroniek uit 853 noemt een inval van de Noormannen in Frankrijk, en somt de streken en plaatsen op: de Seine, Rouaan, Orleans, Parijs, Nantes, Tours, de Loire, Neustrie, Beauvais, Noyon en andere, en de schrijver roept dan vertwijfeld uit: ”Wat gaat er gebeuren met deze steden, die eens de voortreffelijkste van Gallie waren?” Een tekst uit 857 en uit 859 van Prudentius verhaalt dat in beide jaren de Noormannen Dorestadum en het Eiland van de Bataven aanvielen. De tekst van 859 voegt daar nog aan toe: ”De Noormannen kwamen opnieuw naar het klooster van St. Valery-en-Somme en naar de stad Amiens en omstreken, waar zij plunderden en brand stichtten. Dit is toch niet in Noord-Holland te plaatsen?
    Veel interpretaties van plaatsen die de toponymisten in Holland localiseren zijn niet te bestrijden, omdat het pure fantasterij is, die op geen enkele parallele tekst steunt. Fantasie is niet te weerleggen met feiten. In het licht van de transgressies kunnen we stellen dat de 24 parochies en kerken in Noord-Holland en enkele in Zuid-Holland, diep tot zeer diep beneden het huidige zeeniveau lagen en nu nog liggen. In de tijd van St. Willibrord derhalve onder het water lagen vanwege de transgressies. Derhalve is het onmogelijk dat ze ten tijde van St. Willibrord hebben bestaan toen de transgressie op een van haar hoogtepunten was. Het blijkt ook dat de abdij van Echternach nooit enig document van het bisdom Traiectum in bezit heeft gehad. Zij beschikte alleen over akten van de abdij Aefternacum. De abdij van Egmond had die documentatie van Traiectum in huis in de vorm van het Cartularium van Radboud. Hierin staat geen letter over de 24 Hollandse kerken. Sterker nog: Sint Willibrord wordt er niet in genoemd als bisschop van Utrecht. Zie afbeelding hiernaast. Klik op de afbeelding voor een vergroting.

    Zoals hierboven al aangegeven missen we voor de aangenomen geschiedenis van Noord-Holland en Kennemerland, zowel tekstuele als ook archeologische bewijzen. De teksten van Jan de Koning spreken boekdelen: "Voor het kustgebied is bewoningscontinuïteit tot nu toe nog nauwelijks ergens aangetoond". "Een duidelijke Vikingvondst ontbreekt tot nu toe in Kennemerland, toch moeten ze hier geweest zijn."
    Dat moeten is gebaseerd op de onjuiste opvatting dat het klassieke Frisia toch Friesland was. Alleen zijn ze nog niet gevonden. Zou het dan toch waar zijn, wat prof.F.Hugenholtz en nadien prof.W.van Es beweerden, dat de Noormannen na het plunderen alles netjes hebben opgeruimd en alleen dingen hebben meegenomen en niets hebben achtergelaten.

    Maar er is meer dat ontbreekt:
    1. Bewijzen: er wordt van alles beweerd, maar niets bewezen met duidelijke bronnen. In de historische geografie zijn ook nauwelijks nog ter zake kundigen. Dus komen ook in dit boek vooral on-deskundigen aan het woord, waar, bij gebrek aan beter, zelfs op folkloristen als Marco Mostert en Kees van Nieuwenhuijsen wordt teruggevallen. Maar ook zij roepen veel, maar bewijzen niets dan slechts achterhaald traditionalisme naschrijven. Te controleren bronnen geven ze niet, zoals "in welk document uit 885 heeft Kees Nieuwenhuijsen de naam ‘West-Frisia’ aangetroffen?" Ik heb het niet gevonden. De naam Hollant verschijnt pas in 1101 voor het eerst in schrift (gedoubleerd uit Frans-Vlaanderen), de naam “West-Frisia” nog veel later.

    2. Deskundigheid: In de opgraafkunde werd hier weinig meer gevonden dan de gebruikelijke ‘paalgaten en wat losse potscherven’. Op de plaatjes zijn allerlei dingen te zien die juist niet zijn opgegraven, netzomin als bijvoorbeeld Romeinse munten. Van vier diepere paalgaten, maakt men dan meteen een Romeinse wachttoren. Wat moesten de Romeinen met een wachttoren in Krommenie, waren ze bang voor agressieve Friezen uit Castricum (oudste plaatselijk document uit 1440) of Egmond (oudste - valse- document -afschrift- uit 1063, oudste plaatselijke akte uit 1592)? Of was het om konijnen te vangen, zoals de Canninefates, dat toch Konijnenvatters waren? Het kan zelfs nog absurder als men er een –vuurtoren" van maakt. Een Romeinse vuurtoren in Krommenie? Er wordt, zoals gebuikelijk, ook niet verwezen naar enig opgravingsverslag, maar de conclusies zijn al wel getrokken. Aan het eind van het artikel blijkt dat de archeologen helemaal niet zo zeker zijn van wat ze nu eigenlijk allemaal hebben opgegraven.
      Het is vergelijkbaar met die "Romeinse wachttoten" die archeologen in Leusden (bij Amersfoort) meenden gevonden te hebben, waar ze ook zo graag het Lisiduna uit de oorkonde uit 777 plaatsen. Wat moeten de Romeinen met een wachttoren in een gebied waar ze nooit geweest zijn? Wat het niet gewoon de contouren van een kippenhok of schuurtje? Zo worden er steeds nieuwe mythen aan de oude toegevoegd.
    Als je teksten mist, maar ook geen archeologische vondsten hebt, dan blijft slechts één conclusie over: waar geen bewoning was en niets is gevonden, heeft geen geschiedenis bestaan (die beschreven is). De geschiedenis die men er gebruikt is afkomstig van elders en wel van Frans-Vlaanderen wat de plaatsnamen wel aantonen.

    Voor Noord-Holland (en Kennemerland) blijven we opgescheept met drie Angelsaksische predikers:
    Willibrordus van Heiloo, die via Echternach vanuit Utrecht werd ingevoerd, en wel heel vroeg en verdacht dicht bij de Egmondse abdij, met een putje uit de eerste helft van de veertiende eeuw ; Willibrord van Heiloo is pas in de veertiende eeuw met Heiloo in verband gebracht; hij werkte in het noorden van het huidige Frankrijk;
    Adelbertus van Egmond, een opvolger van Willibrord als abt van Eperlecques, zijn verhaal komt via Gent in Egmond terecht en wordt daar, in samenhang met de grafelijke aanspraken tegenover Utrecht, al vroeg verplaatstelijkt; Adelbert van Egmond werd niet eerder dan de dertiende eeuw aan Egmond toegeschreven; hij was een opvolger van Willibrord in het noorden van het huidige Frankrijk;
    Engelmundus van Velsen: deze verschijnt pas in 1468 in Haarlem, zijn Vita is uit 1570, geschreven door de pastoor van Velsen zonder enige bijzonderheid over zijn heiligheid; die vrome pastoor gaan we niet meer lastigvallen, die is erbarmelijk aan zijn eind gekomen in Alkmaar. Er is overigens geen enkele zekere aanwijzing dat hij echt zou hebben bestaan.

    Het zijn onbewezen mythen, gebaseerd op het niet begrijpen van teksten door de oude geschied-vorsers vanaf de 14de eeuw en tot in 20ste eeuw werden deze mythen gehandhaafd.
    De eerste twee hebben alleen met Kennemerland of Holland te maken in de verbeeldingskracht van traditionalisten en folklorologen; de laatste kwam pas tot leven 700 jaar na zijn verondersteld verscheiden. Willibrordus van Trajectum hoort thuis in Frans-Vlaanderen. Er in de bodem van Holland in het geheel niets, nichts, nada, rien du tout, gevonden dat zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van Willibrord of zelfs maar op enige bewoning sindsdien, noch is er enige plaatselijke documentatie uit die periode. De oudste documentatie van de abdij van Egmond is uit de twaalfde eeuw en uit Gent afkomstig. Voor het bestaan hebben van Engelmundus van Velsen bestaat er geen enkele aanwijzing en Adelbertus van Egmond hoort thuis in de Franse Pas-de-Calais.

    Ondertussen wordt er niets meer over deze drie heiligen in druk uitgebracht; het duurde enige tijd voordat ze werden afgeschreven, of liever opgegeven, en dat gebeurt in doodse stilte omdat niemand er zijn vingers meer aan durft te branden ; de ‘traditionalisten’ met nog enige kennis van zaken lijken uitgestorven en zijn opgevolgd door ‘folklorologen’. Ook de folkloristische clubs hielden op te bestaan, zoals die van Noord-Brabant (Arnoud-Jan Bijsterveld ; het onderzoek “is opnieuw ter hand genomen”, 2004), die van Egmond (Jurjen Vis, eindigend in 2008, Marco Mostert, 2009) en die van Utrecht (Luit van der Tuuk en Marietje van Winter, 2007), zijn ontbonden.


    Hoofdstukken en auteurs.
    1. Inleiding: Noord-Holland in het 1e millennium (Johan Nicolay en Rob van Eerden)
    2. De ontwikkeling van het landschap (Rob van Eerden en Peter Vos)
    3. Gouwen, oerparochies en nederzettingsterritoria (Jan de Koning)
    4. De nederzettingen (Rob van Eerden, Johan Nicolay, Menno Dijkstra en Jan de Koning)
    5. Boerderijen en schuren (Menno Dijkstra)
    6. Handgevormd aardewerk, 2e-4e eeuw (Annet Nieuwhof en Frans Diederik)
    7. Import- en handgevormd aardewerk, 5e-10e eeuw (Jan de Koning)
    8. Sieraden, gordels en wapens, 3e-8e eeuw (Johan Nicolay)
    9. Politieke netwerken en Noordzee-koninkrijken, 6e-7e eeuw (Johan Nicolay)
    10. Omgang met de doden, 2e-10e eeuw (Johan Nicolay)
    11. De taal in Noord-Holland, 3e-8e eeuw (Arjen Versloot, Kees Nieuwenhuijsen en Rob van Eerden)
    12. Voorchristelijke goden en diersymboliek, 5e-8e eeuw. (Rob van Eerden en Johan Nicolay)
    13. De kerstening van West-Frisia (Marco Mostert)
    14. Synthese: provinciale onderzoeksagenda (Rob van Eerden)
    Hoofdstukken en auteurs.
    Onder de auteurs die aan dit boek hebben meegewerkt bevinden zich enkele bij ons bekenden, zoals Marco Mostert, Kees Nieuwenhuijsen. Nou niet bepaald auteurs waarvan we de indruk hebben dat ze altijd kritisch met bronnen omgaan. Ook Menno Dijkstra, Jan de Koning en Johan Nicolay kennen we van enkele publicaties o.a. uit Academia.eu, Archeologie in Nederland en de Friezen in Vlaanderen, waarin ze laten zien dat ze soms best wel kritisch kunnen zijn. Zo gaf Jan de Koning in zijn artikel over De betekenis van Noord-Holland binnen vroegmiddeleeuws Frisia (Academia.edu), waarin hij stelde dat voor het kustgebied bewoningscontinuïteit tot nu toe nog nauwelijks ergens is aangetoond. Wat gaf hij hiermee Albert Delahaye volkomen gelijk. Waarom houden ze er in dit boek toch een bijgestelde opvatting op na?
    Het koppel Johan Nicolay en Rob van Eerden, beide archief-vermijders, zijn in 'dienst van' het zo ongeveer leegste 'archeologische museum' in een heel wijde omgeving. Ze komen dan weer wel met buitenissige aanmatigingen en 'verdieping' in pseudo-wetenschappen, bekend onder de naam Het Huis van Hilde in Castricum, waar tussen 100 en 350 en daarna tussen 675-800 bewoning zou zijn geweest. Hoewel bewoning? Er zijn vondsten die in die perioden gedateerd worden, maar zijn die ook in die perioden verloren gegaan? Zo wordt een skelet van een vrouw uit de 4de eeuw genoemd, maar of ze Hilde heette is van eenzelfde fabelogie.

      De bespreking van deze boeken over de geschiedenis van Noord-Holland. We bespreken de afzonderlijke hoofdstukken en geven onze opmerkingen in rood

    1. Hierboven hebben we al vier belangrijke aspecten aangegeven die onze speciale aandacht hebben: 1.het ontbreken van teksten, 2. het (on-)bewoond zijn en 3. het gebrek aan aansprekende archeologische vondsten en 4. de toponymie van plaatsnamen. Begrijpelijk dat juist deze aspecten onze aandacht hebben, wil men aannemen dat er langs de kust waar de Lex Frisionum gold, een omvangrijke Friese bevolking woonde waarvoor een aparte wet nodig was, die het niet alleen de Romeinen lastig maakte, maar nadien ook de Frankische heersers. Voor punt 1 en 4 bekijken we uiteraard ook wat prof.dr.D.P.Blok die toch als deskundige te boek staat en waarnaar ruim 22 wordt verwezen, daarover schrijft. Wellicht aan deceptie, immers Blok schrijft zelf in "De Franken in Nederland" dat de schriftelijke bronnen waarop hij bouwt “wel erg schaars” zijn. Had hij zich daartoe beperkt – zo zegt hij – dan zou zijn boekje bij lange na niet eens het door de uitgever vereiste aantal bladzijden hebben gehaald! Maar geen nood: "Het gaat er om deze schaarse zekerheden aan elkaar te praten, dat wil zeggen ze te verbinden door uitweidingen die op zijn hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden bieden". Eerlijk vertelt hij nog dat hij de archeologie “niet zelfstandig kan beoordelen” – daartoe (erg veel is er nooit geweest) (stelt Blok toch) heeft hij zich kennelijk ook niet al te veel moeite getroost, en naar oordeelkundigen verwijst hij ook al niet –om zich te beperken tot louter de “nederzettingsgeschiedenis en de naamkunde, (zijn universitaire leeropdracht). Zet daar eens naast wat Annemarieke Willemsen van de RMO concludeerde: "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen". Dan houdt toch ook dit hele verhaal op?

      Prof.D.P.Blok heeft het in zijn boek "De Franken in Nederland" over "schaarse zekerheden". Die schaarse zekerheden spreken ook uit de tekst van deze boeken, waarin woorden als "mogelijk" (komt 346x voor in de tekst), "waarschijnlijk" (166x), "wellicht" (114x) en "misschien" (38x) te lezen zijn. Zet dit naast woorden als 'kunnen' (332x) en "verondersteld" (64x) worden (667x), dan blijft er weinig zekerheid over. En wat bedoelen de auteurs met "vrijwel"? Komt ruim 130x voor. Volgens Van Dale is vrijwel nagenoeg, zo goed als. 'Vrijwel afwezig' betekent dan gewoon dat het zo goed als afwezig is. Blijf ik toch benieuw naar wat er dan wèl aanwezig is. Conclusie? Dan houdt het gewoon op! Hoe kunnen de hierboven genoemde auteurs dan een boek met 888 pagina's vol schrijven?

    2. Punt 2 hierboven genoemd, is de vraag welke nederzettingen er waren, wordt bewoning aangetoond en is dat bewijsbaar, bijvoorbeeld met plaatsnamen? Als we de plaatsen bestuderen (zie ook punt 5 hierna), waar kerken van Willibrord zouden hebben bestaan, dan blijft er geen enkele bewijsbaar over. Uiteraard gaat het niet om wat in de 12de eeuw geschreven is, maar om de 8ste eeuw, of als U wilt zelfs de 9de eeuw zoals genoemd in de goederenlijst uit 870. Lees alles over die 24 kerken in Holland.

    3. De 24 (soms 25: dan verdwijnt er al één) kerken in Holland die genoemd worden, waren: Flardinge (Vlaardingen), Kiericwerve (Oegstgeest?), Velsereburc (Velserbroek), Heliglo (Heiloo), Pethem (Petten), Harago (Hargen), Sche (Overschie), Rinesburc (Rijnsburg), Warmonde (Warmond), Letthemuton (Leimuiden), Rinsaterwalt (Rijnsaterwoud), Asclerewalt (Esselijkerwoude), Agathenkiricha (bij Beverwijk), Hemetenkyricha (Heemskerk), Ascmannedelf (Assendelft), Sprirnerawalt (Spieringhorn onder Sloten of Spaarnwoude), Sloten (Sloten), Ekmune (Egmond), Alcmere (Alkmaar), Skimere (Schermer), Misenen (Mijzen bij Avenhorn), Woggungen (Wognum), Aldendohorp (Oudorp) en Vronen (Vronnen bij St.-Pancras, verdwenen). In 1156 maakt de abdij van Echternach op grond van een valse of vervalste akte gedateerd 1063 tegenover de graaf van Holland en de abdij van Egmond aanspraak op 24 kerken die 450 jaar eerder zouden hebben toebehoord aan Willibrord, een bezit dat de abdij al die tijd blijkbaar had laten verslonsen. Het bewijst wellicht het bestaan van deze plaatsen in 1156, maar allerminst dat ze ook al in de achtste eeuw bestonden. Zie verder bij punt 4.

      Op pagina 111 wordt een overzicht (zie hiernaast: klik op de afbeelding voor een vergroting) gegeven van de 37 moeder- en dochterkerken gesticht door Willibrord en in bezit van het klooster Echternach. In de opgave van 'moederkerken' missen we in dit overzicht Flardinge (traditioneel Vlaardingen) en Kiericwerve (traditioneel Oegstgeest). Velsen, Heiloo en Petten zouden gesticht zijn in 720, Limmen en Beverwijk ca.800, vervolgens de 12 dochterkerken (in de akte 'kapellen' genoemd) uit 1063 (die vervalste akte) zouden stammen, enkele nog later en van 14 kerken is de stichtingsdatum onbekend. Lees meer over de kerken in Holland die Echternach wilde claimen, maar waar graaf Dirk III van Holland niet in meeging.Opvallend blijft dat de lijstjes van kerken in bezit van Echternach die gehanteerd worden, op veel punten van elkaar verschillen. Vergelijk dit overzicht met de 24 kerken hiervoor genoemd.
      Echternach kreeg 'om dat verlies te compenseren (sic)! land in Zeeland aangeboden. Blijkbaar wist Echternach dat hun claim vals was en accepteerde ze zilt soppig waddenland, dat slechts bruikbaar was voor het houden van schapen.

      In 1157 legde Echternach een claim in HoÏland en beriep zich daarbij op een (vervalste) oorkonde uit 1063, waarin 25 Hollandse namen stonden, die, geen enkel verband vertonen met de documentatle van het oude bisdom Trajectum. Deze namen komen slechts voor bij Theofried van Echternach. Van de meeste plaatsen wordt ook niet eens een kerk genoemd. De graaf van Holland en de abt van Egmond, wiens kerk ook op het lijstje stond, togen naar Echternach om de abdij aan het verstand te brengen, dat zij hiervan nooit eerder gehoord hadden en dat dit dus niet waar kon zijn. Als pleister op de wonde van de afwijzing, kreeg de abdij van Echternach een paar bunders land op Schouwen, dat toen juist in bedijking en cultivatie werd gebracht. Weten we ook meteen dat dit pas in de 12de eeuw gebeurde! Het waren al echte Hollanders, die graaf en die abt, die zich niet zomaar een poot lieten uitdraaien.
      Enkele decennia later is men er in Brabant wel ingetrapt, al claimde Echternach slechts vier plaatsen: Baclaos, Durninum, Dissena en Waderlo en werd de oudste St.Willibrordkerk van Nederland 'over het hoofd gezien'. Blijkaar stond er in de stukken geen naam die enigszins op Sunderde leek. De overige plaatsen zijn er later door onbevoegde historici aan toegevoegd. Lees meer over de kerken in Brabant.
      In 1157 kreeg Holland wel de mening opgedrongen dat St.Willibrord de eerste bisschop van Utrecht was geweest. Die opvatting werd eerst in de kast gelegd, en pas in de 14e eeuw wat algemener geworden want pas toen begint de verering van St. Willibrord door te dringen. Vooral nadat het Oud-Munster van Utrecht zich met verbazing ging afvragen waarom Utrecht en Holland geen enkele reliek van St.Willibrord hadden. In 1301 werd de eerste relike aan Echternach gevraagd, die zonder bezwaar en zelfs met voldoening werden gegeven, Immers hun missie was geslaagd. Dat deze relieken prullaria uit de 12de eeuw waren, geeft aan de historische mythen van Nederland zelfs de bijsmaak van een lugubere grap.

      De eis van Echternach was een vijfvoudig vervalsing omdat nergens uit blijkt dat deze kerken ooit aan Willibrord hadden toebehoord :
      1. nóch in de documenten van zijn bisdom Traiectum, nóch in die van zijn abdij te Aefternacum worden deze kerken eerder genoemd;
      2. evenmin komen ze voor in de Vitae van Willibrord die door Alcuinus en door Theofried van Echternach werden geschreven;
      3. de plaatsen die daarin wél worden genoemd kunnen niet met Kennemerland in verband worden gebracht;
      4. ook in de plaatselijke bronnen van Kennemerland komen ze niet voor als kerken van Willibrord;
      5. er bestaat geen pauselijke bul ter bevestiging van deze bezittingen van vóór 1063 en aan de bul van Eugenius III uit 1148 zijn de namen van de kerken later toegevoegd.


      Waren de kerken van Willibrord geweest dan behoorden ze aan het bisdom Trajectum, en als Trajectum Utrecht was, dan had Utrecht Echternach niet nodig om die kerken in bezit te krijgen. Maar Utrecht beschikte over geen enkel bewijs dat de kerken van haar waren geweest en bijgevolg zag het de aanspraken van Echternach als een steun voor haar eigen politiek. Vandaar dat Utrecht en Echternach besloten om de buit, die nog moest worden binnengehaald, te delen. Zo kreeg Utrecht in 1156 aangepraat dat het ’t Trajectum van Willibrord zou zijn geweest, hoewel Utrecht over geen enkel document beschikte waaruit dát, of enig voormalig bezit in Holland, viel af te leiden. Van een overeenkomst tussen de graaf van Holland en de abdij van Echternach is in 1156 geen sprake geweest (de graaf trapte niet in de pretenties van Echternach of Utrecht), waarbij deze in plaats van haar prententie op 24 kerken in Holland genoegen nam met enig grondbezit op Schouwen (wat aantoont dat Holland die eisen nauwelijks serieus genomen heeft).


    4. De nederzettingen: patronen in tijd en ruimte (3e-8e eeuw) Hoewel rijk aan drasland beschikte het Noord-Hollands kustgebied ook over omvangrijke hoge en droge gronden: de oude duinen en de door landijs afgezette bodems van Texel en Wieringen, die alle redelijk dicht bevolkt waren. De meeste boerderijen stonden op verspreid gelegen woonerven, vaak langs onverharde paden of waterwegen. De kern van dit hoofdstuk is een bespreking van de vijftig in onze ogen belangrijkste archeologische onderzoeken in de provincie. Er zijn maar weinig nederzettingen uit het 1e millennium grootschalig, over een oppervlak van meerdere hectaren, onderzocht en dus is het beeld dat we van de woonplaatsen hebben, in de zin van de ruimtelijke inrichting ervan, verre van compleet (p.129) (hoofdstuk 4).Slechts met nederzettingen (steden en dorpen kwamen nog niet voor (p.134), dus blijft het beperkt tot gehuchten en boerderijen) is bewoning aan te tonen. De bewoningsperiode van de vijftig nederzettingen wordt in een schema weergegeven, waaruit duidelijk blijkt dat er een (nagenoeg) absoluut bewoningshiaat tussen circa 300/350 en 450/475 n.Chr. moet zijn geweest (p.11). Dit staat toch in schril contrast met het beweerde op p.134. Volgens het schema op p.130 en 131 gaat het niet om vijftig nederzettingen, maar om een overzicht van de vijftig belangrijkste archeologische onderzoeken in Noord-Holland, met archeologische resten uit de Romeinse tijd en/of de Vroege Middeleeuwen. Nu gaat het ons niet om "Wie er onderzoek heeft gedaan en wanneer?" (in 1863?) maar om wat er precies gevonden is en welke betekenis eraan wordt gegeven? Klik op de link van de plaatsnaam voor de verwijzing naar verdere informatie op deze website.

      1-2. Bloemendaal; 3. Velsen-Engelmunduskerk; 4.Velsen I en II; 5-6. Velserbroek en Velsen; 7 Wijk aan Zee; 8-10. Heemskerk; 11-13 Uitgeest; 14-17. Castricum ; 18. Bakkum; 19-21 Limmen; 22-23. Heiloo; 24-26.Egmond; 27. Schoorl; 28-29. Alkmaar; 30. Langedijk; 31. Warmenhuizen; 32. Blokhuizen; 33-37. Schagen; 38-39. Den Helder; 40-41. Den Burg; 42-43. Wieringen;
      Toen de bisschop van Utrecht zijn Goederenlijst in de 10e eeuw opstelde om zijn verloren bezit terug te krijgen waren deze inkomsten uit de handel nog steeds van belang. Dat blijkt eveneens uit de schenking van het koninklijk deel van deze inkomsten in 985.
      Met deze 10e eeuwse vermeldingen van Medemblik hebben we de karolingische periode allang achter ons gelaten. Doelgerichte Noormanneninvasies hebben het centrum van de Friese handel, b>Dorestad, mede ten gronde gericht. Ook andere vroeg-middeleeuwse handelscentra zoals Domburg (Walacria?) en Witla aan de Maasmond zijn geplunderd. Toch blijkt de Friese handel na de Vikingperiode niet gebroken, wel gedecentraliseerd. De functie van Dorestad wordt overgenomen door plaatsen als Utrecht, Tiel, Deventer, Staveren en Emden.
      44-45. Over Medemblik wordt geschreven dat de vroegmiddeleeuwse naam onbekend is (p.32). Medemblik zou de plaats zijn waar Redbad door St.Wulfram van Sens gedoopt zou worden. Elders (p.10, 81, 205, 206 ) wordt toch weer de naam Medemolac(h)a genoemd en wordt vermeldt dat we er archeologisch meer over weten, maar dat het officieel geen echte ‘gouw’ was (p.10). Op p. 32 lezen we dan toch weer dat van Medemblik de oorspronkelijke naam onbekend is. Voor de archeologie van Medemblik wordt verwezen naar Besteman 1977; 1979 en Van Leeuwen 2014.
      D.P.Blok vermeldt als eerste jaartal 918-948 cop. eind 11e e.: 'in Medemolaca regalis decima' met verwijzing naar Gysseling: Dipl.Belg. die slechts vermeldt: Medemolaca 9e kop. 103e kop. eid 11e en Medenblec 1118 kop. 12e) cop. 2e helft 12e e.: Medemelake (OBUtr I 49) 11 985 cop. voor of in 1559. Gysseling vermeldt over Medemolacha: waterloop die Medemblik bespoelde. Blok maakt ervan Medemelacha (985) waterloop, ligging onbekend, in de omgeving van Medemblik. De naam Medemolacha wijst dan niet op de nederzetting, maar op een water. verder heeft men niets van vóór 1559!

      Leest men de opgravingsverslagen door (zie bij Medemblik), dan leest men er doorgaans toch dat het uitgangspunt de traditionele opvattingen is (zie kader hiernaast).
      46. Andijk; 48. Muiderberg;

      Ad 4. In Velsen I en II laat men graag de Romeinen verblijven en zijn de speculaties steeds wilder, vooral met de opstand tegen of van de Friezen. Wat er in Velsen I gevonden is bestaat uit paalgaten van een houten hekwerk?, wat flonders en tentharingen, verder slingerkogels en een waterput met daarin de overblijfselen van een Romeinse soldaat uit de periode 15-30 na Chr. In Velsen II, op enige afstand, dateren de vondsten uit de eerste helft van de eerste eeuw en beiden kennen geen opvolging. Er is geen enkele inscriptie gevonden, laat staan een naam. Er is zelfs geen ‘spoor’ van aanvallers gevonden, en daardoor was een gebeurlijk bestaand hebbende verdediging tamelijk nutteloos. Daarna is er voor vele honderden jaren een archeologische leegte zodat de naam ter plekke niet kan hebben voortbestaan, terwijl Flevum, zuiver ‘toponymisch’, toch al niets met Velsen te maken had. Het castellum Flevum dat er wel eens gedacht is en waarvan men in Nederland meerdere locaties kent, lag aan het Flevum, wat de naam al zegt, en was het Fle, later Fle-landria, de naamgever van Vlaanderen.

      Bij opgraving in Castricum is het skelet gevonden van een jonge vrouw. Uit een datering van de skeletresten blijkt dat de vrouw in de 4e eeuw moet hebben geleefd, in een periode waarin in Noord-Holland nog maar beperkt mensen woonden. Dit skelet is opmerkelijk. Niet alleen werden er in Noord-Holland tussen de Midden-Bronstijd en Volle Middeleeuwen (een periode van bijna 2500 jaar) voor zover archeologisch bekend nauwelijks overleden mensen begraven, maar ook is er lang gedacht dat het gehele Nederlandse kustgebied tussen pakweg 250 en 500 leeg of hooguit schaars bevolkt was (p.31). Van even grote betekenis voor het huidige beeld van de (Laat-)Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen zijn de recente publicaties over oud, lange tijd ongepubliceerd onderzoek, zoals Uitgeest-Dorregeest en Texel-Den Burg, evenals een herbestudering van het inheemse aardewerk van Castricum-Oosterbuurt. Deze drie ‘sleutelsites’, waar een geringe restbewoning in de 4e en mogelijk ook een deel van de 5e eeuw wordt (of: werd) verondersteld, hebben met name ons archeologisch zicht op het weerbarstige midden van het 1e millennium vergroot (p.34-35). Met slechts één vondst van skeletresten (in een greppel! (p.45) en een geringe restbewoning, bewijs je toch precies niets?

      47-50. Over Beemster, Hilversum en Amsterdam valt weinig belangwekkends te vertellen. Het gaat om vindplaatsen in 'lege gebieden', zoals de kop van het artikel ook luidt. Eén in de Beemsterpolder en één nabij de monding van de Amstel bij het IJ, de tweede in latere tijden bekend als Aemstelredam. Het veen rond Hilversum werd pas tussen 1450 en 1850 afgegraven. Amsterdam bestond in 2015 pas 750 jaar. De eerste huizen werden er rond 1300 gebouwd. Ofwel: niet van belang voor onze studie.

      Wat weten we over de door Willibrord gestichte kerken, die later aan Echternach of Utrecht toekwamen?
      Bij het kaartje op p.852 (zie afbeelding hiernaast: klik op het kaartje voor een vergroting) wordt vermeld: "Vroegste parochies met hun moederkerken en de oudste dochterkerken in het westen van Frisia rond 1000. Per kerk is met een kleurtje aangegeven of deze door Willibrord (later eigendom van de door hem gestichte abdij in Echternach), door de bisschop van Utrecht of door de graaf van Holland zijn gesticht. Over de geologie van Noord-Holland in die tijd bestaan inmiddels nieuwe inzichten, (zie hoofdstuk 2), en voor Noord-Holland is een nieuwe kaart van de vroegste kerken en hun afsplitsingen gemaakt". Door Willibrord blijken alleen Petten, Heiloo, Velsen, Oegstgeest en Vlaardingen gesticht te zijn (groene stip), wat al niet overeenkomt met bovenstaand overzicht, waar alleen Velsen, Heiloo en Petten genoemd worden.
      Het blijken opvattingen te zijn, uitgaande van de cirkelredenering dat Utrecht de bisschopszetel van Willibrord was. Men heeft uit die oude akten plaatsnamen gezocht in Holland die er op leken of zelfs gelijk waren. Het zijn doublurenamen meegekomen met de immigranten. Bestonden deze plaatsen wel in de 8ste eeuw? Wellicht danken deze plaatsen hun naam juist aan de opvattingen over die oude oorkonden. Wat meteen opvalt dat er geen enkele plaats in de provincies Utrecht of Friesland bij is. Hoezo Willibrord 'bisschop van Utrecht' en 'apostel van Friesland'?

      Het pionierswerk van Willibrord in West-Frisia kan worden gedocumenteerd met behulp van enkele oorkonden die werden uitgevaardigd voor Echternach, het later door de Friezenbisschop gestichte klooster. De vroegste stukken stellen dat hij te Vlaardingen, Oegstgeest, Velsen en Heiloo kerken in zijn bezit had. Volgens de Utrechtse traditie bouwde Bonifatius op de plaatsen waarvan hij de heidense ‘ijdelheden’ verdreven had ‘kloosters en kleine kerkjes, en ook altaren, geschikt voor offers aan God, en daar beval hij de naam van de levende God aan te roepen, waar tot dan toe dode afgoden door de inboorlingen werden vereerd’. Willibrord kan iets vergelijkbaars hebben gedaan. In ieder geval hoorde het tot de taken van de missionaris kerken te bouwen, gebruikmakend van ‘giften van bescheiden plaatsen en stukken land’, afkomstig van de recentelijk bekeerde bevolking. De kerkjes, die vooralsnog in handen van de stichter bleven, waren eenvoudige bouwsels uit hout en leem, voor archeologen vrijwel niet te onderscheiden van woonhuizen. Van stenen kerken wat traditionalisten wel eens noemen, is dus helemaal geen enkel sprake geweest.

      1. In de goederenlijst van het bisdom Traiectum wordt Pathem genoemd, dat gewoonlijk als Petten wordt opgevat, maar dat Pitgam is, op acht kilometer ten zuidwesten van Winoksbergen, of Pihen, in de goederenlijst ook Pischem genaamd, dat in de achtste eeuw al bekend al was als Pithem, zes kilometer van Guînes. Over Petten schrijft D.P.Blok: Petten gem. Zijpe (Noord holland) 918-948 cop. eind 11e e.: in Pathem (met een verwijzing naar Dipl.Belg. van M.Gysseling, waarvan Blok het overgenomen heeft) 1e helft 11e e. aut.: Petheim capella - ecclesie quas Theodericus habet: nomina ecclesiarum de Fresia. M.Gysseling verklaardt het Puthem als 'putje bij een woning'. En dan schrijft Gysseling nog doodleuk: Geen enkele identificatie van Delahaye is juist! De eerste vermelding is dus uit de 10de eeuw, dus niet uit 720 de tijd van Willibrord. Een kapel wordt in Petten (als het wel Petten is?) pas in de 11de eeuw voor het eerst vermeld. Deze kapel heeft dan ook niets te maken gehad met een stichting door St.Willibrord.

      2. Voor Heiloo zie de kerken in Holland. Op p.844 lezen we 'Men zou met reden een stichting door Willibrord kunnen vermoeden in het geval van Heiloo op grond van de naam ('heilig, dus heidens, bos') bevond zich daar immers mogelijk een voorchristelijk heiligdom. Dat 'heiligdom' wordt ook door Kees Nieuwenhuijsen genoemd, maar in Holland is niets gevonden van een heiligdom of een tempel, zelfs geen enkele kerk. Restanten van tempels en heiligdommen uit het 1e millennium zijn in Noord-Holland niet bekend. Sporen van een voorchristelijk geloof in de grafcultuur zijn hier nagenoeg afwezig. (p.785). 'Nagenoeg' betekent hier gewoon 'niet' aanwezig. Dat de naam Heiloo zou afgeleid zijn van 'heilig', beweren daarvoor doorgeleerde personen op grond van eigen fabelogie! Hoe bestaat het? Ik dacht dat we geschiedenis op basis van volksverhalen, legenden en fabels toch wel achter ons gelaten hebben! Wat ook geschreven wordt over Hargen/Horgana (‘heiligdom’) (p.754) is eenzelfde onzin.

      3. De kerk van Velsen, ooit een belangrijke Romeinse vestiging die zich mogelijk nog steeds in de belangstelling van de Frankische vorsten mocht verheugen, kan in Willibrords bezit zijn gekomen door een schenking van Karel Martel (p.844). Romeins Velsen heeft nooit iets voorgesteld (zie hierboven bij punt 4) en waarna een groot gat zonder bewoning aanbreekt. D.P.Blok vermeldt als eerste de Vita Ludgeri: de 8ste eeuw in 786 cop. 16e e. (ad begin 8e e.): tertius (seil. locus) ... appellatur Felisa (Liudger, VitaGreg c. 20) en 918-948 cop. eind 11e e.: in Uelesan II (seil. mansa) - sunt maneipia que iure debentur propria fore almi Martini iuxta Felisun (DiplBelg 195). Het verhaal van Ludger heeft zich niet in Nederland voorgedaan en al helemaal niet in Holland. Waarom zou Willibrord een kerk hebben gesticht in een "vrijwel" (zie bij punt 1) onbewoond gebied en niet vlak bij huis in Utrecht of in zijn missiegebied in Friesland? De "villa Felison, in de pagus Kinnahem gelegen" uit een oorkonden uit 719 is Feuchy. Kinnahem is ook niet Kennemerland, maar Quingoie, een gehucht van Audrehem, waar in 884 de Noormannen, gekomen vanuit Normandië een versterking bouwden. Van de aanwezigheid van de Noormannen is in Nederland nooit enig bewijs gevonden. Lees er meer over de Kerken in Holland, over Ludger en over de Noormannen.

      4. Over Kiericwerve (Oegstgeest) hoeven we het niet te hebben. Dat wordt in de tekst in dit boek nergens genoemd en in de opsomming hierboven bij Kiericwerve staat ook al een vraagteken. Hoe dat etymologisch in elkaar zit wordt ook al niet vermeld. M.Gysseling kent de plaats al helemaal niet. D.P.Blok noemt de plaats Kerkwerve, oude dubbelnaam voor de parochie Oegstgeest (Zuidholland). Over Oegstgeest lezen we nog op p.747 dat het mogelijk Osgerestgeest heette, waarbij het element os-Germ. *ansuz ‘god’ (bekend uit de Noorse mythologie als de Asen) zit in de naam Oegstgeest. Noorse mythologie? Deze naam wordt voor het eerst vermeld in de 10e eeuw: Osgeresgeest, bestaande uit *Ansgar-s (persoonsnaam: goddelijke speer’) en ‘geest’ (= ‘hoge zandgrond’). Als je dit leest blijkt deze 'uitleg' op los zand gebouwd! In Oegstgeest werden enkele skeletdelen in losse begravingen en paalgaten (van schuren?) gevonden en gedateerd op 550-700. (p.703). Andere paalgaten werden vervolgens gedateerd naar "type Oegstgeest", dus ook 550-700. Waarop die datering gebaseerd is zou blijken uit "J. de Bruin, C. Bakels & F.Theuws (red.), Oegstgeest. A riverine settlement in the early medieval world system (= Medieval Archaeology in the Low Countries 7). Bonn, 218-235.". In de hier aangegeven pagina's gaat het over 'Mediterranean Bowls' (kommen). Wat bewijzen die voor Oegstgeest? Verder wordt vermeld dat: The total estimated number of houses is thus 29+5+2 is 36. The settlement existed between ca.550 ± 15 and 725 ±15; let’s for the moment accept that it existed some 175 years, maar dat kan ook 145 jaar zijn bij aftrek van de marges. De datering van 550-700 is dan toch het gevolg van slecht rekenen. Van een (stenen) kerk is er in elk geval niets gevonden. Over datering lezen we nog: Kennelijk vond er in het jaar 602 een zware overstroming van de Rijn plaats. Mogelijk leidde deze overstroming tot een onderbreking van de bewoning op de vindplaats in Oegstgeest. Dit beeld komt tot op zekere hoogte naar voren uit de dendrochronologische dateringen van de vindplaats, waarvan er voor het begin van de zevende eeuw niet veel beschikbaar zijn. De tweede helft van de zevende eeuw vormde wellicht de bloeiperiode van de nederzetting, aangezien het merendeel van de dendrochronologische dateringen na 650 valt. Veel van de onderzochte structuren in en langs de geulen werden in deze periode opgericht. De bewoning concentreerde zich waarschijnlijk in de clusters A en D, al moet er ook sprake zijn geweest van enige bewoning in cluster B en, naar vermoeden, cluster C. Munten zoals sceatta’s, die dateren van 680/690 en later, werden voornamelijk aangetroffen in de nederzettings-clusters A en D; dit versterkt het idee van een verschuiving van de bewoning naar de meer westelijke delen van de vindplaats, in de richting van de rivierloop. De jongste dendrochronologische datering is het jaar 700, wat erop wijst dat er na dat jaar geen vers gekapt hout meer werd gebruikt. Deze datering is gekozen door de algemene datering van de site te combineren op basis van de momenteel beschikbare dendrochronologische data, de datering van het aardewerk en de datering van metaalvondsten. Hoeveel zekerheid -let op de door mij- onderstreepte woorden- spreekt hieruit? Blijft onvermeld of er in Oegstgeest een door Willibrord gestichte kerk heeft bestaan?

      5. Vlaardingen zou Flardinge zijn, maar wordt in deze boeken nergens meer genoemd, dan in de opsomming hierboven. Blijkbaar geloven deze auteur hun eigen opvatting niet. Ze schrijven er immers verder helemaal niets over. Met Vlaardingen wordt traditionalistisch de omgeving Dordrecht / Vlaardingen aangeduid ofwel historisch “Maasland” en niet “Rijnland”.D.P.Blok geeft voor Vlaardingen: ca. 1018 cop. midden 14e e. (ad 1018): occisio in Flardingis (Ann.Elmar, p. 88); 1021-1024 cop. eind 11e e. (ad 1018): cum ... aceesserunt ad Flartdingun (Alpertus Mettensis) 1ste helft 11e eeuw.. In zijn artikel over de Echternachse lijst noemt Blok de kerken van Vlaardingen en Heilo, die door een Hollandse graaf aan Egmond gegeven waren. Van die van Vlaardingen wordt in de Egmondse Evangelie aantekeningen en in het tussen 1125 en 1150 geschreven falsum op 1083 als Egmonds bezit vermeld. Dr. A.F.C. Koch noemt het document uit het jaar 1063 ook vervalst, waarvan geen oorspronkelijk bestaat, er zijn alleen Utrechtse en Echternachse “afschriften”. Ook de hele serie oorkonden tussen 993 en 1101 blijken vervalsingen te zijn. Er wordt daarin naar eerdere gegevens verwezen die in de 8ste eeuw nog niet bestonden. M.Gysseling verklaart het als volgt: Flaridingun • (1021-24) kop. 4e kwart 11e eeuw en Alpertus Mettensis en Flardinge •1063 kopie midden 12e •. Met de verwijzing naar valse kopieën en naar Alpertus Mettensis gaat het over de 11de tot 14de eeuw en daarmee vervalt elk bewijs voor de aanwezigheid van Willibrord en Bonifatius in Holland. Merk ook op dat Blok en Gysseling het hier niet geheel met elkaar eens zijn.

    5. We kijken in dit hoofdstuk naar de nederzettingen binnen de gouwen Kennemerland (Kinhem), Texel (Texla) en Wieringen (Wiron), binnen de regio Medemblik (waarvan geen gouwnaam bekend is) en in mindere mate binnen de Gooi- en Vechtstreek (Nifterlake). Deze 4 hier genoemde locaties lagen niet in Nederland (Holland), maar in Frans-Vlaanderen: zie de linker kolom voor de juiste determinaties. Opmerkelijk dat hier niet de naam Medemolaca voor Medemblik genoemd wordt, wat overigens helemaal juist is. Medemolaca was Meldick in Frans-Vlaanderen, waar men al dijken aanlegde, lang voordat het in Holland bekend werd. De eerste dijken werden aangelegd in Zeeland, door Monniken van de St.Bertijns-abdij in St.Omaars, die ook de windmolen inroduceerden. Lees er meer over bij Opkomst van Holland.

    6. Dat ook de veengebieden intensief werden bewoond, weten we onder meer door de vele verdwenen of niet meer identificeerbare plaatsnamen in dit gebied. Het algemene beeld is dat het gebied tussen ruwweg de huidige duinen van Kennemerland en de hoge gronden van Texel en Wieringen een getijdegebied was dat in het tweede deel van het 1e millennium in hoog tempo bewoonbaar land verloor, maar dat in de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen een groot aantal nederzettingen kende waarvan we archeologisch nagenoeg niets meer terugvinden (p.187). De auteurs zijn wel eerlijk: er wordt nagenoeg niets, beter is helemaal niets gevonden, maar het moet er wel geweest zijn. Die verdwenen en niet meer identificeerbare plaatsnamen hebben deze auteurs op het onjuiste spoor gezet. Deze plaatsnamen die D.P.Blok en M.Gysseling ook niet konden vinden en in Nederland onvindbaar zijn, hebben wel degelijk bestaan, bestaan zelfs nog, maar liggen in Frans-Vlaanderen. Ook hier wordt weer het getijdegebied genoemd, dat het toch onbewoonbaar maakte. Het onbewoonbaar worden van dit gebied door vernatting vanaf de 3e eeuw n.Chr. was zeker van invloed op de afname van het aantal Noord-Hollandse vindplaatsen gedurende deze eeuw (p.211). Dat is toch duidelijke taal!

    7. De auteurs noemen drie redenen van het beperktheid van de archeologische waarnemingen: 1. veel sporen zijn verdwenen door erosie; 2. door later bodemgebruik zijn bovengrondse structuren verdwenen; 3. noodgedwongen is meestal een (klein) deel van de nederztting onderzocht (p.136-138). Het ontstaan van nieuwe getijdensystemen kon bewoning door erosie onmogelijk maken, maar ook verbeteren, doordat de bereikbaarheid tussen de woongebieden toenam (p.71).Erosie wordt 40 x genoemd: door werking van de zee, doordat de zee als gevolg van een steeds grotere eb- en vloedwerking om zich heen greep (p.10). Dus toch transgressies?

    8. Uit het geschreven recht van de vroegmiddeleeuwse Friezen (Lex Frisionum) is met enige voorzichtigheid op te maken dat er in elk geval vanaf de 9e eeuw een samenleving bestond van ‘rangen en standen’, naar Frankisch voorbeeld aangeduid met de termen edelen, vrijen, half-vrijen en slaven. Het is onzeker of het bestaan van een zekere elite, die in de 6e-7e eeuw aan hun gouden sieraden herkenbaar is en vanaf de late 7e eeuw ook historisch wordt vermeld, al voorafgaand aan de Frankische veroveringen een vorm van ‘bestuur’ vormde die tot het niveau van individuele nederzettingen doorwerkte (p.136). Terecht hanteren de auteurs hier de nodige voorzichtigheid.

    9. Wat ook een opvallend gegeven is, dat in de klassiek teksten steeds wordt gesproken over Noormannen of Danii, terwijl het in dit boek steeds over Vikingen gaat. De Noormannen worden slechts 5x genoemd, maar alleen in titels van boeken in de literatuurlijsten: dus niet in de tekst. Wanneer begrijpen historici en archeologen eens dat het verschillende volkeren waren. De Noormannen of Danii kwamen uit het zuiden (Normandië), terwijl de Vikingen uit het noorden kwamen (Scandinavië) en niet Denemarken. De Geograaf van Ravenna schrijft het vaderland van de Noormannen, dat vanouds ook Dania werd genoemd. Denemarken dankt haar onjuiste naam dus aan het fundamentele misverstand dat het de mark van de Denen was. Zo kwam St.Willibrord ook in Denemarken terecht, waar hij predikte samen met St.Wulfram. Met dit gegeven over St.Wulfram die predikte in Denemarken (sic) hebben de historici nooit raad geweest, dus werd het verzwegen. St.Willibrord liet men tot in Helgoland komen, wat wel het Forsitesland zou zijn geweest. Het was echter Le Fossé op 39 km ten noordoost van Rouaan Het is ook wonderlijk hoe de schrijvers van dit boek zich eruit draaien om de Deense Vikingen in Zweden te krijgen door Jutland gewoon bij Zweden te rekenen (kaartje p.40). Immers in Zweden zijn runenstenen gevonden, waarmee men zich schriftelijk kon uiten. Men wil zo graag de taalkundige ontwikkelingen koppelen aan die runenstenen (hoofdstuk 11). Maar in Holland zijn tot heden geen runenstenen gevonden (p.39). De Noormannen plunderden in Fresia (het gebied ten noorden van Artesië) in zuidelijke streken en niet in Holland waar ook geen enkele Noormannen-burcht is aangetroffen of resten van Noormannenschepen zijn er bijgevolg erg onwaarschijnlijk te vinden. Wat viel er te halen in dit onbewoonde gebied? Op zoek naar teksten waarin overduidelijk staat dat de Vikingen in Holland plunderden, stelt ook dit boek weer teleur. Je vind er geen. Het is zoals hierboven al aangegeven: "Een duidelijke Vikingvondst ontbreekt tot nu toe in Kennemerland, toch moeten ze hier geweest zijn." Let vooral op dat moeten, al zijn ze nooit gevonden!







    Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

    Citaten van Historici


    wetenschap is twijfel


    ongelooflijk


    onnozelheid


    Heiligenlevens


    Kletspraat



    Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
    11de en 12de eeuw
    13de en 14de eeuw
    Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
    18de eeuw
    19de eeuw
    20ste eeuw




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.