De historische geografie van de lage landen.
Terug naar de beginpagina.
Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
Naar het overzicht in het kort.

Het huis van Hilde: de geschiedenis van noord-Holland.

Dit dubbelboek over de geschiedenis van Noord-Holland staat symbool voor heel veel geschiedenis in Nederland: het is geïmporteerd vanuit Frankrijk. De traditionalistische en folklorologische stellingen waarop dit dubbelboek is gebaseerd zijn achterhaald.

Historische Mythen. "Van veel gebeurtenissen bestaan verschillende, soms tegenstrijdige versies. Sommige verhalen zijn ronduit onwaar.
Toch blijven ze in omloop, soms eeuwen lang, tot in onze tijd. Het zijn historische mythen". (Citaat uit Geschiedenis Magazine nr.3 uit 2015).
Nijmegen
Karel de Grote
Willibrord
Bonifatius
Bataven
Franken
Friezen
Saksen

De grondfout over de geschiedenis van Noord-Holland is dat men het klassieke Frisia opvat als de kust van Nederland van Zeeuws-Vlaanderen tot Denemarken. De auteurs van dit boek plaatsen die geschiedenis bijna helemaal in Kennemerland in Noord-Holland, wat bij hen West-Friesland is. Over de provincie Friesland hebben ze het nauwelijks. Men is blijkbaar uitgegaan van de traditionele opvatting van de Lex Frisionum, die zou gelden langs de kust vanaf Zeeland tot aan Denemarken, zoals afgebeeld op het bijgaande kaartje rechts hieronder, verdeeld in West-Friesland, Friesland en Ostfriesland. (Klik op het kaartje voor een vergroting) Op dit uitgangspunt is heel wat aan te merken, zoals uit de bespreking van dit dubbelboek hieronder blijkt. Zo wordt in de Lex Frisionum deze driedeling nergens genoemd. Goed beschouwd kan deze hele geschiedenis van Noord-Holland naar het rijk der fabelen verwezen worden. Het is immers volledig gebaseerd op het feit dat St.Willibord in 720 drie kerken gesticht zou hebben in Felison, Heligelo en Pethem, terwijl het bisdom Utrecht toen nog niet eens bestond. Deze drie plaatsen lagen in Frans-Vlaanderen en waren Feuchy, Helfaut en Piham. De plaatsen in Nederland danken hun naam aan de deplacements historiques. Met deze drie plaatsen zal de daarmee onderhavige geschiedenis van Friezen en Franken ook naar Frankrijk verplaatst moeten worden.

Aan deze pagina wordt nog gewerkt!

Lees meer over het Huis van Hilde in Archeologie Magazine in 'Romeinen in Noord-Holland' en in Archeologie in Nederland in 'De maker van Holland 900-1300'. Opmerkelijk: men laat de geschiedenis hier pas beginnen in 900, waarmee de aanwezigheid van Willibrord vervalt!

De naam ‘Holland’ wordt voor het eerst vermeld in 1101, waarbij het gaat om het gebied rond het huidige Dordrecht en Vlaardingen, later Oudt-Holland genoemd.



Het is een groot pluspunt dat de tekst van deze boeken op internet te downloaden is (Waarom is dat niet standaard bij wetenschappelijke literatuur?), zodat men dit dikke en kostbare dubbelboek (2 delen, 888 pagina's, toch € 75,- en slechts verkrijgbaar in de winkel van het museum) niet aan hoeft te schaffen. Voor de echte onderzoeker is een pdf-bestand ook snel doorzoekbaar. Nadeel van gedrukte boeken is wel dat het drukwerk als bewezen historie de geschiedenis in zal gaan en nog jaren nageschreven en rondgepompd zal blijven worden.

Klik op de tekst voor een vergroting.

Het FUNDAMENT van alle verwarring is het Karolingisch Paleis van Karel de Grote in Nijmegen. Dat paleis blijkt gebouwd op los zand, op nooit bewezen losse beweringen. Op dat losse zand zijn alle volgende mythen gebouwd. Immers als Nijmegen fout is, was de Betuwe ook niet het land van de Bataven; was Utrecht niet de bisschopszetel van Willibrord, werd Bonifatius niet in Dokkum vermoord en hebben de Noormannen nooit in Nederland geplunderd.
Dan stort het hele kaartenhuis van de Nederlandse mythen in elkaar.


Bonifatius, Willibrord, Karel de Grote en de Noormannen zijn voor Nederland volkomen legendarisch.

Zoals de vraag hiernaast al gesteld is: "Hoe kan men taalkundige ontwikkelingen in beeld brengen of welke taal er gesproken werd?", zonder dat de meest voor de hand liggende bronnen niet eens geraadpleegd zijn. In beide boeken lezen we niets over Linguae Teutonica, niets over het Diets, niets over Melis Stoke, niets over Fries-Saksische taal (de taal van Willibrord), niets over de Wachtendonkse Psalmen, niets over het Noordzee-Germaans of de Nederduytscher Sprache.
Maar ook missen we enig commentaar op het Oera Linda Boek, immers waar er ooit oud-Fries beschreven werd, was het daarin toch wel. Verder wordt ook Zannekin als bron niet genoemd, net zo min als de Westhoek in Frans-Vlaanderen.

Hoe komen deze auteurs (Arjen Versloot, Kees Nieuwenhuijsen en Rob van Eerden) dan aan hun wijsheid om te kunnen bepalen welke taal men tussen de 3e en 8ste eeuw sprak? Of is het precies zoals zij stellen: "Bij gebrek aan primaire bronnen in vroeger gesproken talen, wat zeker geldt voor Noord-Holland in de Vroege Middeleeuwen, maakt de historische taalwetenschap gebruik van de ‘historisch-vergelijkende methode’. Deze methode vertoont sterke overeenkomsten met andere historische wetenschappen die reconstructies van eerdere situaties maken, zoals archeologie, geologie en paleontologie.".

Hier wordt dus toegegeven dat men niets heeft en dan gaat men 'hinein-interpretieren' zoals dat in Duitsland heet. En zoals iedere geschiedenisstudent behoort te weten, moet men nooit vanuit het heden gaan terugredeneren, maar met de oudste teksten beginnen en naar het heden werken. Anders komt men in een moeras van absurditeiten terecht, zoals in Nijmegen gebleken is. Daar ging men uit van een palts van Karel de Grote en de teksten werden daar naartoe geïnterpreteerd, met een blunder als de bisschop van Nijmegen tot gevolg, die van Noyon bleek te zijn.

De Graven van Holland worden in dit dubbelboek slechts enkele keren terloops genoemd, maar veel staat er niet vast. De geschiedenis van de Graven van Holland begint feitelijk pas in de 12de eeuw.
  • Wellicht functioneerde het erf op den duur als centrale hoeve binnen een grootgrondbezit, waarvan helaas onbekend is of dit tot bezit van de graven van Holland behoorde (p.172).
  • Uit historische bronnen blijkt dat de eerste graven van Holland uitgestrekte domeinen hadden in Callinge en dat zij daar vóór het jaar 1000 al grote delen van hadden geschonken aan het klooster van Egmond (p.192).
  • Deze landerijen kwamen pas na de schenking aan Willibrord definitief in bezit van de kerk in Utrecht. Een opvallende afwezige in de goederenlijst is Egmond en omgeving, terwijl juist in dit centrale deel van Kennemerland veel goederen van de graven van Holland lagen (p.648).
  • Net als de plaatsnaam Franeker (11e eeuw: Fronakre) in Friesland, kan de naam ‘Vronen’ op de aanwezigheid van een koninklijk domein wijzen. Het is in dit licht geen toeval dat de graven van Holland ook in Vronen grond in bezit hadden (p.648).
  • Domeingoederen kwamen oostelijk van het Vlie pas algemeen voor na de grootschalige bedijkingen, als eigendom van kloosters (vanaf de 12e eeuw). Verklaringen hiervoor zijn het ontbreken van een effectief centraal gezag in Friesland en Groningen na de Frankische veroveringen, vergelijkbaar met de graven van Holland, en wellicht het verschil in landschap: het door prielen versnipperde en voor overstromingen kwetsbare kwelderlandschap was minder geschikt voor exploitatie als grootgrond bezit dan de aaneengesloten en hoger gelegen duinen en strandwallen (zie ook De Langen & Mol 2020a, 40). (Noot 127 p.649)
  • Na de Frankische onderwerping in de 8e eeuw, en nogmaals na de definitieve onderwerping van de Westfriezen door de dan intussen al vernederlandste graven van Holland in 1297, verloor het Fries in Holland steeds verder terrein aan het (Middel) Nederlands. (p.751).
  • Naast Echternach en Utrecht zijn er dan ook kerken die in handen waren van de Gerulfingen, het huis van de graven van Holland. Gerulf (circa 850-898/914) was zijn carrière begonnen als graaf onder de Vikingenhertog Godfried, die was aangesteld om invallen van andere Vikingen af te slaan. Onder Gerulfs nakomelingen werd een flink grondgebied van West-Frisia als hoven door de graven georganiseerd, vaak op plaatsen waar ook kerken waren gesticht; al was het maar omdat daar de meeste mensen leefden. (p.851).

    Gerulf en Godfried worden in dit dubbelboek respectievelijk 11x en 12x genoemd, maar altijd in relatie met de Vikingen. Aangezien de Vikingen (moet zijn Noormannen) niets met Holland te maken hebben gehad (ze zijn er nooit geweest) vervalt ook deze geschiedenis voor Holland.
    De Lex Frisionum.
    De Lex Frisionum wordt in deel 1 zeven keer genoemd en in deel 2 dertig keer.
    Over de Lex Frisionum zijn verschillende opmerkingen te maken, zoals hoe men tot de traditionele plaatsbepaling van de kust van Holland, Zeeland en Friesland kwam.
    In de tekst van de wet worden slechts 4 geografische namen genoemd, waar deze wet zou gelden: Lavbaci, Wisar, Fli / Fle(h) en Sincfal. En daar gaat de discussie dan ook steeds over. De traditionele driedeling van Friesland, West-Friesland en Oost-Friesland, die men van deze namen afleidt, wordt in de wet niet genoemd. Over andere vragen gaat de discussie helemaal niet, zoals "zou Karel de Grote (ca.790) een aparte wet hebben laten maken voor een vrijwel onbewoond waddengebied?"

    Er wordt gesproken over de grenzen waar deze wet gold, waarbij de wet zich blijkbaar netjes aan de landsgrenzen uit 1839 houdt. Zouden de Friezen in Zeeuws Vlaanderen nooit de grens naar België overgestoken zijn of in Groningen doorgetrokken zijn naar Denemarken? Als je die wet langs de kust in Nederland wil plaatsen, kom je uiteraard tot wonderlijke grenzen. Zie het kaartje hieronder. Klik op het kaartje voor een vergroting.



    De tekst bij het kaartje (p.32) luidt: Volgens de Lex Frisionum strekte vroegmiddeleeuws Frisia zich uit tussen twee waterwegen: de Sincfal ter plekke van de Nederlands-Belgische grens in het zuiden, en de Wezer in het oosten. De kerngewesten binnen Noord-Holland zijn Kennemerland (Kinhem), Texel (Texla), Wieringen (Wiron) en Medemblik (vroegmiddeleeuwse naam onbekend. Is Medemblik -waar Redbad door St.Wulfram van Sens gedoopt zou worden- in dit boek plots niet meer Medemolaca wat de traditie toch was? Elders (p.10, 81, 205, 206 ) wordt toch weer de naam Medemolac(h)a genoemd.).

    Over de Sincfal kunnen we het eens zijn, al plaatsen we die niet op de huidge grens, maar aan het Zwin bij Brugge. En dan gaat de Nederlandse traditie naar het noorden, terwijl onze opvatting naar het zuiden gaat. Immers in de tekst staat Wiseria en dat is niet de Wezer, maar de Wimereux. Een tekst uit 553 na Chr. over een veldslag van Franken tegen Saksen maakt dat duidelijk.
    De Saksen kwamen in opstand tegen de Franken. Zij vielen talloze malen Francia binnen en werden geholpen door de Toringi (Doornik en niet Thüringen). De koning van Francia leverde slag tegen hen bij de rivier de Wisera. Hij keerde terug door het land van de Toringi (Doornik), dat ook Lorent werd genoemd. (Bron: Chroniques de St. Denis, HdF, VI, p. 197).
    De rivier de Wisera (witte=Aa) is de Wimereux ten noorden van Boulogne. Het ligt buiten elke rede, dat de Frankische koning in 553 een veldtocht op touw zette naar de Duitse Weser.
    Het genoemde Lorent is geen plaatsnaam, maar betekent 'het oosten' (l'orient).

    De andere plaatsen hier genoemd zijn:
  • Wiron, uit de goederenlijst van de St. Martinus-kerk van Trajectum, is Wierre-Effroy op 10 km noordoost van Boulogne.
  • Texla of Tecelia zoals Ptolemeus in de 2e eeuw schrijft, is Axles onder Coquelles, op 5 km zuidwest van Calais. Zij wordt in geen enkele bron als gouw vermeld. De naam Texel in Nederland is uit de 12e eeuw, directe vrucht van de grote namen-transplantatie vanaf het begin van de 11e eeuw.
  • De pagus Kinheim wordt door Theofried van Echternach in het Leven van St. Willibrord genoemd. Het is gewoon een plaats, die lag bij Adrichaim (Audrehem), op 5 km zuidwest van Tournehem (Trajectum). Een ander Kinhem, bij Obbinghem in de Batua gelegen, was Hinges, op 4 km noordwest van Béthune. Obbinghem is Obblinghem, vlak daarbij gelegen.

    De goederenlijst van Willibrord bevat 205 plaatsnamen, waarvan geen enkele in Nederland is aangewezen en dus niet in Nederland heeft bestaan. “Geen enkele” moet benadrukt worden, al heeft D.P.Blok uit deze lijst van 205 plaatsnamen welgeteld zes namen geplukt om die in Nederland te leggen, namelijk: Almere, Dorestad, Nifterlaca, Struona, Texla en Wiron, waarover niet meer gediscussieerd hoeft te worden, daar het determineren van zes namen en het overslaan van 199 rechttoe rechtaan een historische en geografische farce genoemd moet worden.

    Vergelijken we het gebied waar de Lex Frisionum gold, dan komt dat overeen met de andere bronnen: Frisia werd gevormd door het gebied ten noorden van de Leie (Frans Lys), vanaf St.-Omaars en het Almere tot aan Rijsel. De plaats waar Frisia lag is dus het fundament van dit misverstand. Was Frisia Nederland Friesland of lag het in Frans-Vlaanderen, waar de Fresones naar de Saksen (van de Litus Saxonicum) en de Bataven (van Béthune) woonden.

    Een meer bediscussieerde grens was de Laubacum of Laubachi. Volgens de traditionele opvattingen (die van Kees Nieuwenhuijsen) was het de Lauwers. Sinds wanneer vormt een waddengeul een belangrijke grens van een rechtsgebied? Nieuwenhuijsen beroept zich op de Von Richthofen (1866), die volgens hem een “coherent plaatje” had gegeven, met een beekje en een waddengeul als scheiding tussen rechtgebieden, terwijl Rijn, Maas en Schelde ongenoemd blijven. Het argument om voor Lauwers te kiezen is de gelijkenis tussen de namen en omdat anderen daar ook voor kiezen. Hoe bestaat het dat deze flut-argumenten van bestudeerde mensen komen?

    Naast de Lex Frisionum bestaan ook nog de Lex Saxonum en de Lex Francorm, ook wel de Lex Francorum Chamavorum genoemd en toen er nog een Lex Salica en een Lex Ripuaria werden ontdekt, had je de poppen helemaal aan het dansen. Juist over de niet overeenkomstige locaties ontstond de nodige discussie of werd het verzwegen. De Lex Frisionum maakt deel uit van een reeks van wetten waartoe ook die van de Saksen, Chamaven en Thüringers deel uitmaken. De wet van de Thüringers is afkomstig uit de Franse Abdij Corbie, die als Corvey verplaatst werd naar Duitsland en waarvan de oorspronkelijke streek van herkomst derhalve duidelijk is; de Warnen die in verband met de Thüringers worden genoemd zijn te vinden in Warneton (Nederlands Waasten, op de Belgisch-Franse grens). De Saksen zaten niet in het hoge noorden van Duitsland maar op de kanaalkust. De Chamaven bevonden zich niet in Oost-Nederland, maar tussen de Saksen en Bretagne. In het Duitse Sachsen, Thüringen is net als Nederland in de achtste en negende eeuw nog geen bevolking van enige betekenis te bespeuren waarvoor allerlei wetten buiten elke reden liggen. De genoemde streken lagen onwaarschijnlijk ver van het centrum van het Frankische Rijk in het noorden van Frankrijk en het zuiden van België en dat in Duitsland niet verder doorliep dan tot Keulen. Ten noordoosten daarvan is er nooit enige aanwezigheid van een Frankisch Rijk aangetoond, ook in Nederland niet. Die vermeende aanwezigheid van de Franken in Nederland is volledig gebaseerd op dat paleis van Karel de Grote in Nijmegen en de bisschopszetel van Willibrord in Utrecht, dat weer gebaseerd is op dat paleis in Nijmegen, zoals de oorkonde uit 777 en de goederenlijst uit 870 duidelijk maken.

    Het dubbelboek over de geschiedenis van Noord-Holland kan opzij gelegd worden. Er dienen eerst enkele problemen opgelost te worden (vrij naar K.IJpelaan), zoals:
  • Over de Noormannen (afgezien van de verwarring met de veel latere ‘Vikingen’) in Fresia (het gebied ten noorden van Artesië) : Frisi, Normanni, Saxoni;
  • in Holland is geen enkele Noormannen-burcht aangetroffen, resten van Noormannenschepen zijn er bijgevolg ook nooit gevonden, wat viel er te plunderen?
  • Is er enige bewijs van Noormannen in Heiloo?
  • De oorsprong van de graven van Holland : Burggraven van Gent, 962-1039; komen pas in de elfde eeuw nadat ze uit Gent verdreven zijn als ‘graven’ te avonturieren in de moerassen ten noorden van de grote rivieren.
  • Waar verbleven Gerulf II, graaf van de Fresonen, en Waltger Freso?
  • Wat weten we over Dirk III en Dirk IV en wat andere kandidaten, zie de Graven van Holland.
  • Over de conflicten tussen de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland (twaalfde eeuw) :
  • De naam Willibrord verschijnt pas in de 13de eeuw in Holland net als de naam “Hollant” voor het eerst in schrift; de naam “West-Frisia” nog veel later.
  • Over de slag bij Flaridingun (Phladirtinga?), 1018, die gaat over een schermutselinkje waarvan niemand meer weet waar dat zich afspeelde; het kan moeilijk Vlaardingen zijn geweest dat pas veel later ontstond (kunnen we hier zomaar afgaan op wat folkloroloog Kees Nieuwenhuijsen daarover schrijft?)

    Als je elke plaats uit dit dubbelboek en alle verwijzingen naloopt en zorgvuldig leest, kom je steeds terecht bij de ooit aangenomen traditionele opvattingen. We geven hiernaast in het groene kader als voorbeeld Werinon dat traditoneel voor Nederhorst den Berg gehouden werd "omdat Blok het zegt" Ander plaatsen komen aan hun geschiedenis "omdat Echternach het zegt" (op grond van valse akten).

    We kunnen ook
    Egmond noemen of Limmen.
    Limmen wordt in dit dubbelboek ruim 215 keer genoemd, dus zal wel een belangrijke plaats geweest zijn voor de geschiedenis van Noord-Holland. Limmen wordt pas in de 10de eeuw vermeldt als Limbon (p.169). Er is een graf van een vrouw gevonden uit de 7e of 8ste eeuw. Bewijs je daar omvangrijke bewoning mee? Van de Merovingische tijd springt men over naar de 14de eeuw en worden zelfs 16 of 20 fasen van bewoning genoemd. De Cock acht de kogge van Limmen te jong en meent dat in het toenmalige onderzoek weinig rekening gehouden is met het grote landverlies door kustafslag vanaf de 11e-12e eeuw. Juist rond Limmen zijn inmiddels vele vroegmiddeleeuwse nederzettingen bekend, zowel uit de Merovingische als uit de Karolingische periode (p.108) met als noot: zie het overzicht in hoofdstuk 4. In dat overzicht wordt voor Limmen verwezen naar Van Raaij 1992; 1993, Dijkstra et al. 2006 en Cordfunke 1969a; 1969b.

    Let vooral op de door mij onderstreepte woorden uit de letterlijke citaten uit deze verslagen.

  • Raaij, M. van, 1992: Limmen: Pagelaan en Zuidkerkelaan. Historisch Tijdschrift Holland 24/6 (Archeologische kroniek van Holland over 1991), 338-339.
    Daarin lezen we: Tot een van de oudste Vroeg-Middeleeuwse sporen in het opgegraven gedeelte kan een georiënteerde begraving van een mens worden gerekend. In de opvulling van de grafkuil zijn enige kleine fragmenten van kogelpotaardewerk aangetroffen. Opmerkelijk is het feit dat het hier een losse begraving betreft. Aanwijzingen voor bewoning in de Karolingische Tijd zijn er nauwelijks. Uit de Karolingische Tijd dateert een huiserf waarvan de begrenzing werd gevomd door sloten. In deze sloten bevond zich zeer veel hutteleem en kogelpot- en import-aardewerk. Een van de oudste sporen met kogelpotaardewerk. Slechts één begraving! Wat bewijs je daarmee? Import? Waar vandaan en wanneers werd dat geïmpoteerd? Nauwelijks aanwijzingen voor bewoning? Wat is nauwelijks? Geen? Kogelpotaardewerk heeft een ruime datering en wel van de 8ste tot de 14de eeuw.

  • Dijkstra, M.F.P., J. de Koning & S. Lange, 2006: Limmen-De Krocht. De opgraving van een middeleeuwse plattelandsnederzetting in Kennemerland (= AAC-rapport 41). Amsterdam.
    Hoewel de visserij aan de kust in het monster uit de laat-Karolingische waterput met huishoudelijk afval afwezig lijkt, moet dit toegeschreven worden aan de beperkte omvang van het vondstmateriaal. Vergelijkbare vroeg-middeleeuwse gegevens uit het Hollandse kustgebied zijn uitermate schaars. De belevingswaarde van de locatie ‘De Krocht’ is archeologisch vrij beperkt. Sporen en vondsten met hun onderlinge ruimtelijke relatie waren volop aanwezig, maar de gaafheid van met name de paalsporen van gebouwen was aangetast. Van de paalsporen van de dakdragende gebintstijlen resteerde doorgaans nog zo'n 20 à 30 cm, terwijl de ondiepere sporen van huiswanden meestal waren verdwenen. De conservering van het vondstmateriaal was, zolang het zich niet in diepere sporen als greppels of waterputten bevond, matig tot slecht. Het aardewerk en botmateriaal was sterk gefragmenteerd, wat deels het gevolg is van de eeuwenlange bewoningsduur op de vindplaats maar ook te wijten is aan de aantasting van de sporen door ploegen. Op basis van de ligging van overige middeleeuwse vindplaatsen en dat wat bekend is over de dorpsvorming in de West-Nederlandse kuststrook mag echter op meer plaatsen de aanwezigheid van langlopende middeleeuwse bewoning worden verwacht die in de Late-Middeleeuwen is verdwenen. Wanneer men de inventarisatie bekijkt van het archeologische onderzoek op de strandwallen, wordt duidelijk hoe weinig bekend is over de bewoningsgeschiedenis van de hoge geestgronden en over de landschappelijke ontwikkeling. Op grond van dit verhaal trekt men desondanks toch verregaande conclusies. Er is weinig bekend en feitelijk weinig tot niets gevonden en wat er gevonden is was in matige tot slechte staat. Let vooral op: wat bekend is! Bekend waarvan? Bekend vanuit de ooit aangenomen tradities?

  • Cordfunke, E.H.P., 1969a: Limmen, bijdrage tot de oudste geschiedenis van het dorp. Alkmaars Jaarboekje 5, 49-63.
    De karolingische tijden, als de historische overlevering begint, wordt uitvoerig ingegaan op de geschiedenis van en de opgravingen bij de kerk, die uit dezelfde tijd (12de eeuw) schijnt te dateren als die van Heilo en die van tufsteen was opgezet. Van een houten voorganger werd geen spoor gevonden. Voor de lezer zou het interessant zijn te weten of de oude naamvorm Limbon al of niet te verklaren is en of men het land van herkomst kent van de rode zandsteen, eerst als altaar, later als dorpel gebruikt. Hier schrijft Cordfunke toch wel enkele opvallende zaken: de historische overlevering begint voor Nederland pas in de 13de eeuw met Melis Stoke. Alles wat men daarvoor meent te weten staat in (voornamelijk) Franse bronnen. De kerk stamt uit de 12de eeuw; geen houten voorganger bekend; de oude naam Limbon; en de rode zandsteen die van elders komt. Het geeft precies aan dat men in 1969 weinig tot niets wist van het oude Limmen.

  • Cordfunke, E.H.P., 1969b: Roman and early-medieval pottery from Limmen, prov. North Holland. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 19, 291-298.
    Wat schrijft Cordfunke in dit ROB bericht: Het onderzoek in Limmen heeft een welkome aanvulling gevormd op onze kennis van de geschiedenis van dit dorp. Uit schriftelijke bronnen was bekend dat er al in de Karolingische tijd een kerkje stond in Limbon (Limmen). Een vermelding hiervan is te vinden in het eerste register van Sint-Maarten; de kerk was eigendom van de Sint-Maartenkerk in Utrecht. Inmiddels is echter vastgesteld dat de oude dorpskern al in de 6e en 7e eeuw bewoond was, op dezelfde plek als een eerdere nederzetting die dateerde uit het begin van de 1e eeuw na Chr. Opmerkelijk is de vondst van zoveel vroegmiddeleeuws aardewerk van elders (import). Het is zeer waarschijnlijk dat Limmen aan een gunstige handelsroute lag. In dit verband denkt men aan een kleine haven, mogelijk een inham, die nog tot in de 9e eeuw aan de kust ter hoogte van Egmond bestond, zoals onlangs is gepubliceerd. De aanwezigheid van dit water gaf betekenis aan de schenking van het gebied rond Egmond aan graaf Dirk I in 922. Aan dit water lagen ook drie heiligdommen, waarvan de Runxput in Heiloo – dat aan Limmen grenst – het meest zuidelijke was. Daarmee heeft het onderzoek in Limmen een bredere betekenis, doordat het een schakel vormt in de bewoningsgeschiedenis van dit deel van Kennemerland.
    Zeer waarschijnlijk, denkt men, mogelijk! Hierover kunnen we slechts opmerken dat zowel de schriftelijke bronnen en het genoemde register, als ook graaf Dirk I uit Noord-Frankrijk (via Gent) in Egmond en vervolgens in Utrecht terecht kwamen. De eerste monniken in Egmond werden vanuit Gent in Egmond geplaatst en namen oude documenten mee. Deze documenten waren afkomstig/geschreven in de abdij van St.Bertin in St.Omaars. Is het niet opmerkelijk dat in dit register van Utrecht St.Willibrord als eerst bisschop van Utrecht niet genoemd wordt? Het is archeologisch vastgesteld dat Utrecht in de 6e, 7e, 8ste en 9e eeuw nog niet bestond. De kerken van Willibrord die in dit register genoemd worden (Pethem, Heliglo, Felison) stonden in Frans-Vlaanderen, waar de zetel van Willibrord in Trajectum (=Tournehem) was en waren Feuchy, Helfaut en Piham.
    Over de Runxput in Heiloo is een heel verhaal te schrijven dat slechts terug te herleiden is tot 17de eeuwse mythologie en fabelogie. Met een verschijning van Maria "Sancta Maria Runxputensis, Hayloae. Ora pro nobis." of een putje van St.Willibrord heeft het niets te doen. Het zijn hardnekkige mythen, waarop deze geschiedschrijving is gebaseerd!


  • De archeologie in Noord-Holland toont dan wel op veel plaatsen oude grondverkleuringen aan, maar worden schromelijk overdreven om er belangwekkende conclusies uit te kunnen trekken. Er wordt ook helemaal niets nieuws aan de reeds lang ter discussie staande geschiedenis toegevoegd. Met een Lex Frisionum voor onbewoonbare wetlands bewijs je toch niets? Zou dat echt zo geweest zijn, dat de Franken in Neustrië en Austrasië zoveel overlast hadden van die verre Friezen in Noord-Holland, om er een aparte wet voor te maken? Of waren het toch de Fresones in Vlaanderen -die hun buren waren- en waarmee ze meerdere conflicten beslechtten?
    "Tussen het begin van de jaartelling en het jaar 1000 vonden in het gebied dat nu de provincie Noord-Holland is grote veranderingen plaats, stellen de auteurs van dit dubbelboek. Noord-Holland in het eerste millennium vertelt het verhaal van deze periode, waarin de Romeinen hun invloed in Europa verloren en het christendom de dominante culturele inspiratie werd. Het boek is een rijk geïllustreerde synthese van vele honderden wetenschappelijke publicaties over opgravingen en vondsten uit deze periode in de provincie, met de nadruk op de 3e-8e eeuw. De eerste hoofdstukken schetsen een beeld van de provincie in de genoemde periode: het landschap, de bestuurlijke indeling en de aard van de nederzettingen in de diverse regio’s. In de hoofdstukken daarna worden materiële resten van de bewoners behandeld: het aardewerk dat de mensen gebruikten, de huizen die ze bouwden, en de sieraden, gordels en wapens die ze droegen. De hoofdstukken daarop brengen de politieke, taalkundige en geestelijke wereld van de bewoners in beeld: de machtsstructuren en elitevorming, de omgang met overledenen, de gesproken en geschreven taal, en ook de godsverering. In het afsluitende hoofdstuk vormen al deze gegevens de basis voor een onderzoeksagenda waarin nieuwe inzichten worden gekoppeld aan nieuwe vragen die bij toekomstig archeologisch onderzoek centraal kunnen staan." Dat is zeker te hopen dat er eens onderzoek gedaan wordt, niet over de archeologie -wat gevonden is staat niet ter discussie-, maar daarna begint het speculeren met onzinnige aannames en belachelijke gevolgtrekkingen. Allereerst zal eens bewezen moeten worden dat 1.Frisia in Holland lag; 2.dat de graven van Holland in Holland resideerden; 3.dat het bisdom Utrecht al in de 7de eeuw bestond; 4.dat de Noormannen in Nederland geplunderd hebben.
    En zolang dat niet allemaal met feiten bewezen is, moet men ophouden met Felison, Heliglo en Pethem als Hollandse plaatsen op te vatten.


    Over de hiervoor genoemde tekst uit de inleiding kunnen meteen al enkele vragen gesteld worden. Het is toch knap van deze auteurs dat ze uit wat grondverkleuringen en zodenwanden politieke taalkundige en geestelijke machtsstructuren kunnen afleiden. Of is hier slechts sprake van traditioneel en folkloristisch geschrijf en heel veel whisful thinking! Het zijn ook allemaal geen historici deze auteurs, wat wel blijkt uit de historische dwalingen die regelmatig opduiken. Over welke grote veranderingen gaat het? Vanwege wat? Overstromingen? Hoe kan men een bestuurlijke indeling bepalen als er geen bewoning is aangetoond? En kan men de aard van nederzettingen bepalen als er slechts een grondverkleuring van een boerderij is aangetoond? Hoe kan men taalkundige en geestelijke ontwikkelingen in beeld brengen of welke taal er gesproken werd, aan de hand van wat runenschrift (sic)? Hoe wordt de aanwezigheid van eliten vastgesteld en wie waren dat? Het (sic) van 'hoe bestaat het?' zal regelmatig opduiken bij zoveel onbenullige kletspraat. Zouden deze auteurs wel de teksten van elkaar gelezen hebben?

    De eerste zinnen uit hoofdstuk 7.1 relativeert de zaak al behoorlijk: "De studie van het handgevormde aardewerk uit de Romeinse tijd, in het voorgaande hoofdstuk, toont dat er in Noord-Holland geen nederzettingen bekend zijn die na het midden van de 4e eeuw bewoond bleven. Daarna volgde een ‘lege’ periode".
    Het midden van de 4de eeuw dient gecorrigeerd te worden naar het midden van de 3de eeuw. De Romeinen vertrokken immers rond 260 uit Nederland en zijn er niet meer teruggekeerd, zoals elke historicus weet. Het is een voorbeeld van zo'n hiervoor genoemde historische dwaling. In de literatuurlijsten zijn wel meerdere dwalingen te vinden, wat uitaard te verwachten is als men slechts naar gelijkgestemden van de oude opvattingen verwijst. Een verwijzing naar Albert Delahaye vind je er niet. Dan is het nogal simpel je gelijk te vinden over Willibrord, Bonifatius of Adelbert. Met verwijzingen naar gelijkgestemden en zonder verdere toelichting bewijs je uiteraard niets. Het zijn steeds de traditionele opvattingen, maar juist de verschillen in opvatting tussen historici, maakt de discussie interessant. Maar hebben de auteurs al deze literatuur ook zelf wel allemaal zorgvuldig gelezen en/of bestudeerd? De publicatie van Numan uit 2005 die regelmatig genoemd wordt, in elk geval al niet. Numan houdt er toch enkele geheel andere opvattingen op na, dan in dit dubbelboek genoemd worden. Ook Halbertsma die ook regelmatig wordt genoemd, volgt men niet. Immers Herre Halbertsma (hoewel traditionalist, maar toch integer) schrijft toch heel duidelijk dat in Heiloo en Velsen niets te vinden van vóór de twaalfde eeuw. De eerste eigen vermelding van Heiloo bijvoorbeeld is uit 1254. Het enige 'bewoningssporen' in Heiloo zijn scherven uit de Karolingische periode, ter plekke van jongere woonerven uit de 13e eeuw (p.175). Dus niets uit 720! Ook uit artikelen van Johan de Koning in Academia.edu en zijn artikel : Vikingen in Kennemerland? (met vraagteken) blijkt wel het niet bestaan van deze hier steeds genoemde plaatsen. Daarover schrijft De Koning: "Een duidelijke Vikingvondst ontbreekt tot nu toe in Kennemerland, toch moeten ze hier geweest zijn." Dat 'moeten' is blijkbaar gebaseerd op de traditionele opvatting dat de teksten uit 850-855 over de Deense Viking Rorik over Holland gaan. Zie voor die teksten: De Ware Kijk op en andere boeken van Albert Delahaye. Om het toch nog maar weer eens heel duidelijk te stellen: het magische trio Willibrordus, Adelbertus en Engelmundus en de teksten over de Vikingen hebben voor Kennemerland afgedaan. Het kaartje hiernaast (afkomstig van Delahaye), bevestigd dat die hele geschiedenis in Holland helemaal niet past. Want behalve de drie plaatsen Velsen, Heiloo en Petten, dient men dan nog ruim 650 andere plaatsen in Holland, Friesland en Utrecht te localiseren. En zolang dat niet gebeurd is, en het zal ook nooit en kan ook nooit gebeuren, heeft die geschiedenis hier niet bestaan.Hieronder geven we het voorbeeld van Werinon, dat traditioneel -na wat traditionele discussies- voor Nederhorst den Berg gehouden wordt. Helaas past de geschiedenis daar niet.

    Hoe werkt de redenering van de auteurs van dit dubbelboek?
    Dat kunen we het beste duidelijk maken aan de hand van de plaats Werinon dat ik de tekst in dit dubbelboek slechts 3x genoemd wordt. Dit wordt hier wat uitvoerige toegelicht, maar geldt voor alle in dit dubbelboek genoemde plaatsen. Gaat men op zoek naar de gegeven bron, dan blijkt er geen enkel bewijs gegeven te worden, dan de overeenkomstige mening van een ander. Is die afwijkend zoals bij Numan of Halbertsma te constateren valt, dan wordt dat verzwegen!

    In de noten bij Werinon wordt verwezen naar 2 bronnen waarbij Werinon steeds de huidige plaats Nederhorst den Berg is. Hoe komt men op Nederhorst den Berg, waar andere historici en toponymisten er Loenen, Wierom, Kavelsberg of Wielandse Drie of wat nog meer van maken?

    In noot 72 (p.86) wordt als bron gegeven: Rooien van, E. & A. Cruysheer, 2018: Basisdocument Gooi en Vechtstreek, Steunpunt Monumenten en Archeologie Noord-Holland. Hier noemt men Wer(th)ina; Werinon = Nederhorst den Berg. Werinon is de naam van het huidige Nederhorst den Berg dat van oorsprong een belangrijk religieus centrum was. Er wordt geen verdere toelichting of enig bewijs gegeven. Het wordt slechts zo vermeld. Religieus centrum? Hoe en waarvan dan?

    In noot 206 (p.206) wordt verwezen naar: Cruysheer, A. & L. van der Tuuk, 2016: Het Gooi in de vroege middeleeuwen: geschiedenis, nederzettingen en vondsten. Archeologica Naerdincklant 2015/3, 2-20. Liudger had een eigen kerk gesticht op zijn familiegoed in Nederhorst den Berg, de plaats in de Vechtstreek die we in de bronnen als Werinon tegenkomen.(10)
    Hier wordt noot (10) gegeven, waar we lezen: "Dit godshuis dat vermoedelijk de voorloper van de huidige Willibrordkerk in Nederhorst den Berg is, was de moederkerk van de kerken in Naarden, Muiden, Weesp en Loenen".
    In noot (10) wordt ook verwezen naar: Van der Tuuk en Cruysheer, 'De Utrechtse Vecht', 114, 123. In die tekst lezen we ook: "de Utrechtse Heuvelrug in plaats van de veengebieden van de Vechtstreek, ging in de 10e eeuw een apart graafschap Nardincklant, het Naarderland, vormen en moet sindsdien los van Nifterlake worden gezien". (11). In noot 11 wordt vervolgens verwezen naar: Muller & Bouman, Oorkondenboek I, no. 126; zie ook Blok, 'De historische en geografische situatie, 16."

    De verwijzing naar Blok geeft: Blok (1984); 'De historische en geografische situatie van Liudgers geboortestreek Nifterlake', A. van Berkurn e.a. (reds.), Liudger 742-809. De confrontatie tussen heidendom en christendom in de Lage Landen, Muiderberg (9-19). Daar lezen we op p.16: Er is een theorie, die laatstelijk is uitgewerkt door de bodemkundige Pons, dat er een groot veengebied is geweest tussen de Vechtstreek en Waterland; en dat veengebied zou ook bij Nifterlake behoord hebben. Werinon plaatst hij daarom zelfs aan de uitmonding van de Waterlandse Die; het zou dan dus verdronken zijn. (In Nederland is dat zo prettig: we hebben altijd de mogelijkheid om plaatsen, die we niet kunnen thuisbrengen, als 'verdronken' aan te wijzen.) Deze theorie is zeker voor wat Waterland betreft wel juist: hier is een massa veen afgeslagen.

    Wat interessanter is, lezen we op p.98/99: Uit de Vita is bekend hoe Liudger een kerk had gesticht 'op voorouderlijke grond', in de buurt waarvan zijn zuster Heriburg ook woonde. Deze voorouderlijke bezittingen kennen wij als de erfgoederen, afkomstig van Wursing bijgenaamd Ado, Liudgers grootvader: het waren onder anderen Zwesen (= Zuilen), Attinghem (= Nederhorst den Berg) en Werinon of Werina. Op een lijst van landerijen bij de Zuiderzee, die omstreeks 900 toebehoorden aan de door Liudger gestichte abdij in Werden, vinden we Werinon in een geografisch van oost naar west opgestelde reeks tussen Naruthi (= Naarden) en Amuthon (= Muiden). Nader gespecificeerd bestond het bezit in Werinon uit 'thiu kirica endi al that gilendi' (de kerk en al het land). Lang heeft men bij Werinon gedacht aan het dorp Wierum (aan de waddenkust in Friesland) of aan Wieringen; gedacht is ook aan Loenen en aan Nederhorst den Berg. Deze eerste plaatsen liggen echter zeker àl te ver buiten de logische reeks, waarin de abdij bezittingen zijn opgesomd, waarschijnlijk na visitatie. Laatstgenoemde plaatsen bieden niet de mogelijkheid voor een visioen, waarin 'de zon vanuit het noorden over de zee' wegvlucht. De mogelijkheid om Werinon echter op te vatten als verloren gegane naam van het dorp bij de Kavelberg, oostelijk van Muiden, ligt veel duidelijker. Trouwens een nog gekend perceel weiland van name De Wernekant (nr 320 op het kadastraal minuutplan van 1832) mag men in dit verband ook noemen: het ligt zuidelijk van de Velzer Haar.

    We hebben hier dus verschillende opvattingen over Werinon: Nederhorst den Berg (maar dat kon Attingahem zijn), Waterlandse Die, dorp bij Kavelsberg, Wierum, Loenen (Blok, voordat hij er Nederhorst den Berg, zijn woonplaats van maakte) en welke opvattingen nog meer. Als we het hebben over Attingahem en Werinon kunnen we uit de uiteenlopende opvattingen slechts concluderen dat er geen enkele zekerheid over bestaat. Prof.dr.D.P.Blok heeft dan ook, zij het met reserve, voorgesteld Werinon te identificeren met Loenen en bovendien Attingahem met Nederhorst den Berg. In de "Franken in Nederland" suggereert Blok (1979, p. 45 en 51) Attingahem als Nederhorst den Berg (Noord holland) als mogelijke identificering. Het is ook interessant dat
    P.A.Henderikx als bron (en getuige) Blok noemt, maar het vervolgens niet met Blok eens is, zoals bij Attingahem, waarbij twijfel bestaat tussen Nederhorst den Berg (Blok?), Breukelen (Dekker?) of Loenen (Blok?) of Zwesen (Henderikx?). Henderikx stelt zelf ook nog dat Zwesen mogelijk een oudere naam is voor Zuilen.
    Keus genoeg dus ofwel geen enkele zekerheid! En op deze twijfel die bestaat uit gedachten, mogelijkheden, geen logische reeks, waarschijnlijk. zelfs een visioen, en een kadastrale naam uit 1832 is de geschiedenis van Nederland gebaseerd!

    Albert Delahaye merkte eens op over de toponymie van Blok: Als je toch wat oude namen aan het uitdelen bent, kun je je eigen dorp toch niet overslaan? Via Bonifatius kwam Blok voor Attingahem op Nederhorst den Berg. Echter, de kerk van Nederhorst den Berg is helemaal niet door Bonifatius gesticht, maar zou toch door Ludger gesticht zijn? Er is bovendien geen enkel archeologisch bewijs dat deze kerk teruggaat tot de 8ste eeuw.

    Uiteindelijk gaan titels en professoraten het verschil maken en volgen alle scribenten voortaan de opvatting dat Werinon toch wel Nederhorst den Berg was. Helaas zijn ook hier weer alle uitgangspunten onjuist. Liudger was nooit in Nederland. Zijn groorvader Wursing woonde aan de kust van het Kanaal in Weretha, dat Frétun was. Ludger (Liudger, Ludgerus) was geboren te Suabsna, waar zijn grootvader bezittingen had. Van St. Ludger wordt verhaald dat hij vele nachten in gebed doorbracht in de kerk van St. Salvator van Trajectum die St. Willibrord gesticht had. Dit bericht veronderstelt een korte afstand tussen Trajectum en Suabsna. Aan de overzijde van de Hem, de rivier die langs Tournehem stroomt, ligt op een afstand van ongeveer twee kilometer de plaats Zouafques en hier past het bericht over de nachtelijke bezoeken geheel. In Holland heeft men Suabsna met Zuilen willen identificeren, wat onmogelijk is omdat er een afstand van minstens vijf eeuwen ligt tussen Suabsna en Zuilen. De taalkundige gelijkstelling, die eveneens zonder met de ogen te knipperen werd geponeerd, is ronduit lachwekkend. Andere 'deskundigen'maakten van Suabsna Susteren, dat immers met dezelfde letter begint. Dat ene lettertjes dat het verschil kan maken, volgens prof.D.P.Blok. Lees meer over Liudger (die in Weretha aan de kust van Het Kanaal "in litus Saxonia" een klooster stichtte, dat wegens de vlucht voor de Noormannen hersticht werd in Duitsland onder de gelijke naam Werden in Saksen (SIC: om het helemaal ingewikkeld te maken), over Nifterlake, over D.P.Blok, over de Saksen en over Susteren dat als een klooster gesticht door St.Willibord wordt beschouwd (terwijl het een vrouwenklooster was) Lees ook meer over de fabelschrijver Luit van der Tuuk, die in dit dubbelboek zo'n 23 keer als bron opduikt, maar nog steeds niet weet waar Dorestad lag.


    Hoe werkt de cirkelredenering van de auteurs van dit dubbelboek?
    Dat kan aangetoond worden met het volgende tekstfragment: (p.10): "In Kinhem (1) werden in het begin van de 8e eeuw (2) de eerste kerken van Noord-Holland (3) gesticht, kort daarop (4) gevolgd door de bouw van kerken op Texla (5) en Wiron (6), van waaruit later dochterkerken werden opgericht. De spreiding van deze kerken (7) vormt een mooie afspiegeling van de omvang (8) van de oorspronkelijke kerkelijke parochies (oerparochies) (9), en daarbinnen van de belangrijkste nederzettingsterritoria (10). Kerkelijke instanties (11) speelden een belangrijke rol bij dorpsvorming (12) en later vermoedelijk ook bij de (13) grootschalige ontginning (14) van de veengebieden (15)".


    Verklaring van de noten: (1) (5) (6) zijn aangenomen opvattingen voor Kennemerland, waarbij het slechts om drie plaatsen zou gaan: Petten, Heiloo en Velsen; (2) zou het jaar 720 zijn op grond van een onjuist geplaatste oorkonde; (3) (7) van kerken is geen spoor gevonden (zie ook punt 3 over de 24 kerken) ; (4) Hoe kort daarop is dat? In het overzicht op p.111 staan ze niet, dus dan van ná (1063-vervalst?)? (8) in een onbewoond gebied? (9) Welke patronaten hadden deze kerken en parochies? (10) (12) Deze nederzettingen of dorpen zijn archeologisch nooit aangetoond. (11) Welke kerkelijke instanties waren dat? In Utrecht zetelde geen bisschop! (13) 'vermoedelijk', dus twijfel? (14) voor grootschalige ontginningen is een omvangrijke bevolking nodig, maar die wordt in Holland pas aangetoond in de 12de eeuw. Zie tabel op p.88. De tabel op p.753 is in die zin veelzeggend. Het gaat hier om doublurenamen vanuit Frans-Vlaanderen, waar men plaatsnamen aantreft met dezelfde grondwoorden, alleen eerder gedateerd dan de 9e tot 12e eeuw. Zie schema hiernaast van p.753. Klik op het schema voor een verdere toelichting. (15) Voor succesvolle ontginningen zijn dijken nodig. D.P.Blok stelt daarover dat er "vóór de 11de eeuw geen dijken van betekenis waren. Nu is het tegengaan van wateroverlast door het maken van dijken iets zo elementairs dat men daar vóór de 11de eeuw niet opgekomen zou zijn". Blijkbaar had men vóór de11de eeuw geen last van overstromingen, eenvoudig omdat er niemand woonde! De West-Friese omringdijk bijvoorbeeld wordt als geheel pas voor het eerst vermeld in 1320 en kan toen nog niet lang hebben bestaan. En zonder dijken stond volgens Rijkswaterstaat alles meters onder water. Het idee dat het maaiveld veel hoger moet hebben gelegen kan, vooropgesteld dat het juist zou zijn, alleen tot de gevolgtrekking leiden dat er slechts een voornamelijk onbewoonbaar moerasbos geweest zou zijn. Dat werd pas door afwatering en dijkenbouw ontgonnen en voor bewoning geschikt gemaakt, waardoor de bodem vervolgens inklonk (daalde), wat het er voor de langere termijn weinig beter op maakte (D.P.Blok). Dit beeld wordt bovendien door de archeologie volkomen bevestigd: de doorlopende Hollandse geschiedenis begint op zijn vroegst in de elfde eeuw, en dan nog alleen op de Zuid-Hollandse eilanden en er is geen duidelijke continuïteit met eerdere bewoning. Ontginning van veengebieden vond niet eerder plaats dan in de 13de eeuw (ná 1200: volgens p.57). Omstreeks 1250 n.Chr. was de Westfriese Omringdijk voltooid (p.89).

    Conclusie: op grond van 3 aangenomen plaatsnamen, worden kerkelijke instanties verondersteld, die in dorpen kerken bouwden voor een -niet aangetoonde- omvangrijke bevolking en in gezamenlijkheid veengebieden gingen ontginnen. Voordat er dijken waren had dat ontginnen geen enkele zin, dus dat is niet gebeurd vóór de 11de eeuw! De hier genoemde plaatsnamen konden in Holland niet bestaan hebben, voordat er dijken en dorpen waren en er predikers rondliepen om de bevolking te bekeren.
    Deze plaatsnamen bestonden wél, zelfs vóór de 8ste eeuw, echter niet in Holland, maar in Frans-Vlaanderen van waaruit ze met de immigranten in Nederland (net als de naam Holland) ingevoerd en gedoubleerd werden.

    De visie van Albert Delahaye. wordt in de literatuurlijst niet genoemd ofwel vermeden.
    De eerste wet der geschiedschrijving is, geen onwaarheid te zeggen, noch enige waarheid te verzwijgen. (Cicero, 'De oratore' 2, 15.)
    De Franse (sic) kronieken uit de jaren 850-860 (die steeds genoemd worden) gaan duidelijk over Frankrijk! Prudentius verhaalt in 850 dat de Noorman Roerik in dit jaar met een aantal schepen Frisia (Vlaanderen) en het Eiland van de Bataven binnenviel en verschillende plaatsen in de omgeving van de Renus en de Vahalis vernielde. Een kroniek uit 853 noemt een inval van de Noormannen in Frankrijk, en somt de streken en plaatsen op: de Seine, Rouaan, Orleans, Parijs, Nantes, Tours, de Loire, Neustrie, Beauvais, Noyon en andere, en de schrijver roept dan vertwijfeld uit: ”Wat gaat er gebeuren met deze steden, die eens de voortreffelijkste van Gallie waren?” Een tekst uit 857 en uit 859 van Prudentius verhaalt dat in beide jaren de Noormannen Dorestadum en het Eiland van de Bataven aanvielen. De tekst van 859 voegt daar nog aan toe: ”De Noormannen kwamen opnieuw naar het klooster van St. Valery-en-Somme en naar de stad Amiens en omstreken, waar zij plunderden en brand stichtten. Dit is toch niet in Kennemerland te plaatsen?
    Veel interpretaties van plaatsen die de toponymisten in Holland localiseren zijn niet te bestrijden, omdat het pure fabelogie is, die op geen enkele parallele tekst steunt. Fabelogie is ook niet te weerleggen met feiten. In het licht van de transgressies kunnen we stellen dat de 24 parochies en kerken in Noord-Holland en enkele in Zuid-Holland, diep tot zeer diep beneden het huidige zeeniveau lagen en nu nog liggen. In de tijd van St. Willibrord derhalve onder het water lagen vanwege de transgressies. Derhalve is het onmogelijk dat ze ten tijde van St. Willibrord in Holland hebben bestaan toen de transgressie op een van haar hoogtepunten was. Het blijkt ook dat de abdij van Echternach nooit enig document van het bisdom Traiectum in bezit heeft gehad, waarop die plaatsen genoemd werden. Zij beschikte alleen over akten van de abdij Aefternacum. De abdij van Egmond had die documentatie van Traiectum in huis in de vorm van het Cartularium van Radboud. Hierin staat geen letter over de 24 Hollandse kerken. Sterker nog: Sint Willibrord wordt er niet in genoemd als bisschop van Utrecht. Zie afbeelding hiernaast. Klik op de afbeelding voor een vergroting. We kunnen de hele periode tussen 260 en 950 al naar het rijk der fabelen verwijzen, zolang die 650 plaatsen uit de bronnen niet in Holland, Utrecht of Friesland aangetoond worden.

    Zoals hierboven al aangegeven missen we voor de aangenomen geschiedenis van Noord-Holland en Kennemerland, zowel tekstuele als ook archeologische bewijzen. De teksten van Jan de Koning spreken boekdelen: "Voor het kustgebied is bewoningscontinuïteit tot nu toe nog nauwelijks ergens aangetoond" en "Een duidelijke Vikingvondst ontbreekt tot nu toe in Kennemerland, toch moeten ze hier geweest zijn."
    Dat moeten is gebaseerd op de traditionele opvatting dat het klassieke Frisia toch Friesland of Noord-Holland was. Alleen over de provincie Friesland wordt in deze boeken nauwelijks genoemd. En sporen van Vikingen zijn ook daar nog niet gevonden. Hoewel het gebied van de huidige provincie Noord-Holland in de 9e eeuw tot het door de Frankische koning aan de Deense krijgsheer Rorik beleende gebied behoorde, zijn er maar weinig typisch ‘Deense’ voorwerpen gevonden. Van Scandinavische persoons- of plaatsnamen in de provincie is, mogelijk met uitzondering van Assendelft (Ascmannedelf (sic) *), helemaal geen sprake.(p.204). Dat is toch duidelijke taal als je een beetje begrijpend kunt lezen! Zou het dan toch waar zijn, wat prof.F.Hugenholtz en nadien prof.W.van Es beweerden, dat de Noormannen na het plunderen alles netjes hebben opgeruimd en alleen dingen hebben meegenomen en niets hebben achtergelaten.
    *) Assendelft noemt M.Gysseling Ascmannedilf (1063) en Ascmannedelf (ca. 1222 Echternach) en geeft als betekenis 'Germ. askmanna dilbka "gedolven waterloop van de askimannas=zeerovers". Cf. Engeld Ashmanhaugh, bij Oudengels 'aec-mann "a sailor, a pirate". Indien het Oudengels woord ontleend is aan het Oudnoord, dan geldt dat ook te onzent. D.P.Blok vermeldt de plaats Assendelft niet eens. Blijkbaar is hij het niet met Gysseling eens, dus laat het maar weg.
    Ook in dit dubbelboek wordt geen onderscheid gemaakt tussen Noormannen en Vikingen, waarmee de historische dwaling van de auteurs duidelijk geëtaleerd wordt. Over Noormannen gaat het ook niet in dit boek. Die worden in de tekst nergens genoemd. De laatste plundertocht van de Noormannen was in 925 en daarna verschenen de Vikingen, die door Alpertus Mettenis 'piratae' genoemd werden. Maar ook van Vikingen is in Holland niets gevonden, wat blijkt uit het volgende citaten: Er zijn maar weinig typisch ‘Deense’ voorwerpen gevonden. Van Scandinavische persoons- of plaatsnamen in de provincie is, mogelijk met uitzondering van Assendelft (zie hierboven), helemaal geen sprake. Zoals eerder vermeld kan de Deense heerschappij slechts hebben bestaan uit een dunne ‘elite’ met min of meer coöperatieve lokale leiders in dit deel van Frisia. (p.204) 'Of deze vermoedelijk Deense Vikingen werkelijk op Wieringen (of waar dan ook in Noord-Holland) woonden, is onbekend'.(p.205). Dat de Vikingen uit Denemarken kwamen is het gevolg van de dwaling van historici die van de Marck van de Danii onwetend Denemarken maakten en blijkbaar niet wisten dat het in Normandië was.
    Na deze dwaling houdt ook dit hele verhaal over Deense Vikingen op!


    Maar er is meer dat ontbreekt:
    1. Achtergrondkennis: wat uiteraard het gevolg is van het feit dat er geen historici onder de auteurs te vinden zijn. Daardoor ontstaan de meest elementaire dwalingen in de tekst en verzanden we al snel in 'hypothetische reconstructies' die moeilijk te weerleggen zijn. Met opmerkingen als 'wellicht wel' of 'wellicht ook niet' kun je niets beginnen. Ook verwijzingen naar de bronnen ontbreken te vaak, zoals wat bewijs je met een 'zodenwand', wat bewijs je met 'runen' voor het Nederland taalgebied? Wat weet men over Godenverering? Van een heiligdom of een tempel is toch niets gevonden? Wat schrijft men over beeldtaal, anders dan wat in een horoscoop te lezen is? Welk bewijs is er voor de aangenomen 'lokale elite'? Zijn er voorbeelden te geven van hun bestaan, hun aanwezigheid of hun invloed. In welke 'burchten' verbleven zij? Als die er niet geweest zijn, is toch ook dit verhaal klinkklare onzin? Weet men dat de Graven van Holland uit Frans-Vlaanderen kwamen? Het meest opmerkelijke bij het gemis aan achtergrondkennis is dat de naam Albert Delahaye ontbreekt. Zijn werk dat bestaat uit omvangrijke verwijzingen naar primaire en secundaire bronnen, wordt in het geheel niet genoemd. Daar had men toch heel veel informatie over Willibrord, Egmond, het Gouden Boek van Echternach en de oorkonden uit (1063-vervalst?) en 1156 kunnen vinden. Een vergelijking met de opvattingen in dit boek zou zeker een waardevolle aanvulling geweest zijn. Heeft men bijvoorbeeld onderzocht waar de naam 'Holland' oorspronkelijk vandaan komt?

    2. Bewijzen: er wordt van alles beweerd, maar niets bewezen met duidelijke bronnen. Het is opmerkelijk dat men na ruim 2 eeuwen onderzoek nog steeds niet verder komt dan wat in de 18de eeuw allemaal beweerd werd. Zolang de geschiedenis gebaseerd wordt op achterhaalde gegevens, zoals op de kaart hiernaast uit 1832, blijven de mythen de boventoon voeren. Let bijvoorbeeld op hoe Kennemerland weergegeven wordt. Klik de kaart voor een vergroting. Dateringen zijn steeds nogal ruim genomen van 'na de Romeinse tijd' waar Noord-Holland nooit bij gehoord heeft. Kom dan niet aan met Romeins Velsen (dat Felison zou zijn, hetwas echter Feuchy in Frans-Vlaanderen), want daar is geen echt overtuigend bewijs voor gevonden. Vervolgens heeft men het over laat 5de eeuw tot zelfs de 13de eeuw (zie: overzicht p.249). Tekstuele bewijzen voor enige continuïteit zijn er sowieso al niet. En de archeologie? Wordt dat opzettelijk zo vaag gehouden omdat men het niet weet? Of is er toch iets dat verborgen moet blijven?In de historische geografie zijn ook nauwelijks nog ter zake kundigen, laat staan historici die de bronnen kennen. Dus komen ook in dit boek vooral niet-deskundigen aan het woord, waar, (bij gebrek aan beter?) zelfs op folkloristen als Marco Mostert en Kees van Nieuwenhuijsen wordt teruggevallen. Maar ook zij roepen veel, maar bewijzen niets dan slechts achterhaalde traditionalistische naschrijverij. Te controleren bronnen geven ze niet, zoals "in welk document uit 885 heeft Kees Nieuwenhuijsen de naam ‘West-Frisia’ aangetroffen?" Ik heb het niet gevonden. De naam Hollant verschijnt ook pas in 1101 voor het eerst in schrift (gedoubleerd uit Frans-Vlaanderen), de naam “West-Frisia” nog veel later. In elk geval niet in 885.

    3. Deskundigheid: In de opgraafkunde werd in Holland weinig meer gevonden dan de gebruikelijke ‘paalgaten en wat losse potscherven’. Op de plaatjes zijn allerlei dingen te zien die juist niet zijn opgegraven, netzomin als bijvoorbeeld Romeinse munten. Van vier diepere paalgaten, maakt men dan meteen een Romeinse wachttoren. Wat moesten de Romeinen met een wachttoren in Krommenie? Waren ze bang voor agressieve Friezen uit Castricum (oudste plaatselijk document uit 1440) of Egmond (oudste - valse- document -afschrift- uit 1063 (vervalst?), oudste plaatselijke akte uit 1592)? Of was het om konijnen te vangen, zoals de Canninefates, die toch Konijnenvatters waren? Het kan zelfs nog absurder als men er een "vuurtoren" van maakt. Een Romeinse vuurtoren in Krommenie? Er wordt, zoals gebuikelijk, ook niet verwezen naar enig opgravingsverslag, maar de conclusies zijn al wel getrokken. Aan het eind van het artikel blijkt dat de archeologen helemaal niet zo zeker zijn van wat ze nu eigenlijk allemaal hebben opgegraven.
      Het is vergelijkbaar met die "Romeinse wachttoten" die archeologen in Leusden (bij Amersfoort) meenden gevonden te hebben, waar ze ook zo graag het Lisiduna uit de oorkonde uit 777 plaatsen. Wat moeten de Romeinen met een wachttoren in een gebied waar ze nooit geweest zijn? Wat het niet gewoon een kippenhok of schuurtje? Zo worden steeds nieuwe mythen aan de oude toegevoegd.
    Als je teksten mist, maar ook geen archeologische bewijzen hebt, dan blijft slechts één conclusie over: waar geen bewoning was en niets is gevonden, heeft geen geschiedenis bestaan (die beschreven is in Franse bronnen). De geschiedenis die men in Nederland gebruikt is afkomstig van elders en wel uit Frankrijk, met name uit Frans-Vlaanderen wat de plaatsnamen wel aantonen. We kunnen het niet duidelijk genoeg benadrukken: Nederland heeft geen snipper papier van vóór de 12de eeuw.

    Voor Noord-Holland (en Kennemerland) blijven we opgescheept met drie Angelsaksische predikers:
    Willibrordus van Heiloo, die via Echternach vanuit Utrecht werd ingevoerd, en wel heel vroeg en verdacht dicht bij de Egmondse abdij, met een putje uit de eerste helft van de veertiende eeuw ; Willibrord van Heiloo is pas in de veertiende eeuw met Heiloo in verband gebracht; hij werkte in het noorden van het huidige Frankrijk;
    Adelbertus van Egmond, een opvolger van Willibrord als abt van Eperlecques, zijn verhaal komt via Gent in Egmond terecht en wordt daar, in samenhang met de grafelijke aanspraken tegenover Utrecht, al vroeg verplaatstelijkt; Adelbert van Egmond werd niet eerder dan de dertiende eeuw aan Egmond toegeschreven; hij was een opvolger van Willibrord in het noorden van het huidige Frankrijk;
    Engelmundus van Velsen: deze verschijnt pas in 1468 in Haarlem, zijn Vita is uit 1570, geschreven door de pastoor van Velsen zonder enige bijzonderheid over zijn heiligheid; die vrome pastoor gaan we niet meer lastigvallen, die is erbarmelijk aan zijn eind gekomen in Alkmaar. Er is overigens geen enkele zekere aanwijzing dat hij echt zou hebben bestaan.

    Het zijn onbewezen mythen, gebaseerd op het niet begrijpen van teksten door de oude geschied-vorsers vanaf de 14de eeuw en tot in 20ste eeuw werden deze mythen gehandhaafd.
    De eerste twee hebben alleen met Kennemerland of Holland te maken in de verbeeldingskracht van traditionalisten en folklorologen; de laatste kwam pas tot leven 700 jaar na zijn verondersteld verscheiden. Willibrordus van Trajectum hoort thuis in Frans-Vlaanderen. Er in de bodem van Holland in het geheel niets, nichts, nada, rien du tout, gevonden dat zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van Willibrord of zelfs maar op enige bewoning sindsdien, noch is er enige plaatselijke documentatie uit die periode. De oudste documentatie van de abdij van Egmond is uit de twaalfde eeuw en uit Gent afkomstig. Voor het bestaan hebben van Engelmundus van Velsen bestaat er geen enkele aanwijzing en Adelbertus van Egmond hoort thuis in de Franse Pas-de-Calais.

    Ondertussen wordt er niets meer over deze drie heiligen in druk uitgebracht; het duurde enige tijd voordat ze werden afgeschreven, of liever opgegeven, en dat gebeurt in doodse stilte omdat niemand er zijn vingers meer aan durft te branden ; de ‘traditionalisten’ met nog enige kennis van zaken lijken uitgestorven en zijn opgevolgd door ‘folklorologen’. Ook de folkloristische clubs hielden op te bestaan, zoals die van Noord-Brabant (Arnoud-Jan Bijsterveld ; het onderzoek “is opnieuw ter hand genomen”, 2004), die van Egmond (Jurjen Vis, eindigend in 2008, Marco Mostert, 2009) en die van Utrecht (Luit van der Tuuk en Marietje van Winter, 2007), zijn ontbonden.


    Hoofdstukken en auteurs.
    1. Inleiding: Noord-Holland in het 1e millennium (Johan Nicolay en Rob van Eerden)
    2. De ontwikkeling van het landschap (Rob van Eerden en Peter Vos)
    3. Gouwen, oerparochies en nederzettingsterritoria (Jan de Koning)
    4. De nederzettingen (Rob van Eerden, Johan Nicolay, Menno Dijkstra en Jan de Koning)
    5. Boerderijen en schuren (Menno Dijkstra)
    6. Handgevormd aardewerk, 2e-4e eeuw (Annet Nieuwhof en Frans Diederik)
    7. Import- en handgevormd aardewerk, 5e-10e eeuw (Jan de Koning)
    8. Sieraden, gordels en wapens, 3e-8e eeuw (Johan Nicolay)
    9. Politieke netwerken en Noordzee-koninkrijken, 6e-7e eeuw (Johan Nicolay)
    10. Omgang met de doden, 2e-10e eeuw (Johan Nicolay)
    11. De taal in Noord-Holland, 3e-8e eeuw (Arjen Versloot, Kees Nieuwenhuijsen en Rob van Eerden)
    12. Voorchristelijke goden en diersymboliek, 5e-8e eeuw. (Rob van Eerden en Johan Nicolay)
    13. De kerstening van West-Frisia (Marco Mostert)
    14. Synthese: provinciale onderzoeksagenda (Rob van Eerden)
    Hoofdstukken en auteurs.
    Onder de auteurs die aan dit boek hebben meegewerkt bevinden zich enkele bij ons bekenden, zoals Marco Mostert, Kees Nieuwenhuijsen. Nou niet bepaald auteurs waarvan we de indruk hebben dat ze altijd kritisch met bronnen omgaan. Ook Menno Dijkstra, Jan de Koning en Johan Nicolay kennen we van enkele publicaties o.a. uit Academia.eu, Archeologie in Nederland en de Friezen in Vlaanderen, waarin ze laten zien dat ze soms best wel kritisch kunnen zijn. Zo gaf Jan de Koning in zijn artikel over De betekenis van Noord-Holland binnen vroegmiddeleeuws Frisia (Academia.edu), waarin hij stelde dat voor het kustgebied bewoningscontinuïteit tot nu toe nog nauwelijks ergens is aangetoond. Wat gaf hij hiermee Albert Delahaye volkomen gelijk. Waarom houden ze er in dit boek toch een bijgestelde opvatting op na?
    Het koppel Johan Nicolay en Rob van Eerden, beide archief-vermijders, zijn in 'dienst van' het zo ongeveer leegste 'archeologische museum' in een heel wijde omgeving. Ze komen dan weer wel met buitenissige aanmatigingen en 'verdieping' in pseudo-wetenschappen, bekend onder de naam Het Huis van Hilde in Castricum, waar tussen 100 en 350 en daarna tussen 675-800 bewoning zou zijn geweest. Hoewel bewoning? Er zijn vondsten die in die perioden gedateerd worden, maar zijn die ook in die perioden verloren gegaan? Zo wordt een skelet van een vrouw uit de 4de eeuw genoemd, maar of ze Hilde heette is van eenzelfde fabelogie.

      De bespreking van deze boeken over de geschiedenis van Noord-Holland. We bespreken de afzonderlijke hoofdstukken en geven onze opmerkingen in rood
      Bij de bespreking gaat het met name over de plaatsnamen. Immers de plaatsnamen zijn de kapstokken waaraan de hele geschiedenis is opgehangen. Verplaatst men een plaatsnaam naar de juiste streek, dan gaat de geschiedenis onherroepelijk mee.

    1. Hierboven hebben we al vier belangrijke aspecten aangegeven die onze speciale aandacht hebben: 1.het ontbreken van teksten, 2. het (on-)bewoond zijn en 3. het gebrek aan aansprekende archeologische vondsten en 4. de toponymie van plaatsnamen. Begrijpelijk dat juist deze aspecten onze aandacht hebben, wil men aannemen dat er langs de kust waar de Lex Frisionum gold, waar een omvangrijke Friese bevolking woonde waarvoor een aparte wet nodig was. De Friezen die het niet alleen de Romeinen lastig maakte, maar nadien ook de Frankische heersers. br>
      Voor punt 1 en 4 bekijken we uiteraard ook wat prof.dr.D.P.Blok die toch als deskundige te boek staat en waarnaar ruim 22 wordt verwezen, daarover schrijft. Wellicht aan deceptie, immers Blok schrijft zelf in "De Franken in Nederland" dat de schriftelijke bronnen waarop hij bouwt “wel erg schaars” zijn. Had hij zich daartoe beperkt – zo zegt hij – dan zou zijn boekje bij lange na niet eens het door de uitgever vereiste aantal bladzijden hebben gehaald! Maar geen nood: "Het gaat er om deze schaarse zekerheden aan elkaar te praten, dat wil zeggen ze te verbinden door uitweidingen die op zijn hoogst waarschijnlijkheden en mogelijkheden bieden". Eerlijk vertelt hij nog dat hij de archeologie “niet zelfstandig kan beoordelen” – maare erg veel is er nooit geweest schrijft Blok. Hij heeft zich kennelijk ook niet al te veel moeite getroost, en naar oordeelkundigen verwijst hij ook al niet –om zich te beperken tot louter de “nederzettingsgeschiedenis en de naamkunde, (zijn universitaire leeropdracht). Zet daar eens naast wat Annemarieke Willemsen van de RMO concludeerde: "Archeologisch zijn de Franken en Saksen in Nederland niet te duiden. De traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen". Dan houdt toch ook dit hele verhaal op?

      Prof.Blok heeft het in zijn boek "De Franken in Nederland" dus over "schaarse zekerheden". Die schaarse zekerheden spreken ook uit de tekst van deze boeken, waarin woorden als "mogelijk" (komt 346x voor in de tekst), "waarschijnlijk" (166x), "wellicht" (114x) en "misschien" (38x) te lezen zijn. Zet dit naast woorden als 'kunnen' (332x) en "verondersteld" (64x) worden (667x), dan blijft er weinig zekerheid over. En wat bedoelen de auteurs met "vrijwel"? Komt ruim 130x voor. Volgens Van Dale is vrijwel nagenoeg, zo goed als. 'Vrijwel afwezig' betekent dan gewoon dat het zo goed als afwezig is. Ben ik toch benieuw naar wat er dan wél aanwezig is. Conclusie? Dan houdt het gewoon op! Hoe kunnen de hierboven genoemde auteurs dan een boek met 888 pagina's vol schrijven?

    2. Punt 2 hierboven genoemd, is de vraag welke nederzettingen er waren; wordt bewoning aangetoond en is dat bewijsbaar, bijvoorbeeld met plaatsnamen? Als we de plaatsen bestuderen (zie ook punt 5 hierna) waar kerken van Willibrord zouden hebben bestaan, dan blijft er geen enkele bewijsbaar over. Uiteraard gaat het niet om wat in de 12de eeuw geschreven is, maar om de 8ste eeuw, of als U wilt zelfs de 9de eeuw zoals genoemd in de goederenlijst uit 870. Lees alles over die 24 kerken in Holland.

    3. De 24 kerken in Holland die genoemd worden (soms worden er 25 genoemd: dan verdwijnt er al één), waren: Flardinge (Vlaardingen), Kiericwerve (Oegstgeest?), Velsereburc (Velserbroek), Heliglo (Heiloo), Pethem (Petten), Harago (Hargen), Sche (Overschie), Rinesburc (Rijnsburg), Warmonde (Warmond), Letthemuton (Leimuiden), Rinsaterwalt (Rijnsaterwoud), Asclerewalt (Esselijkerwoude), Agathenkiricha (bij Beverwijk), Hemetenkyricha (Heemskerk), Ascmannedelf (Assendelft), Sprirnerawalt (Spieringhorn onder Sloten of Spaarnwoude), Sloten (Sloten), Ekmune (Egmond), Alcmere (Alkmaar), Skimere (Schermer), Misenen (Mijzen bij Avenhorn), Woggungen (Wognum), Aldendohorp (Oudorp) en Vronen (Vronnen bij St.-Pancras, verdwenen). In 1156 maakt de abdij van Echternach op grond van een valse of vervalste akte gedateerd 1063 (vervalst?) tegenover de graaf van Holland en de abdij van Egmond aanspraak op 24 kerken die 450 jaar eerder zouden hebben toebehoord aan Willibrord, een bezit dat de abdij al die tijd blijkbaar had laten verslonsen. Het bewijst wellicht het bestaan van deze plaatsen in 1156, maar allerminst dat ze ook al in de achtste eeuw bestonden. Zie verder bij punt 4.

      Op pagina 111 wordt een overzicht gegeven van de 37 moeder- en dochterkerken gesticht door Willibrord en in bezit van het klooster Echternach. (Zie hiernaast: klik op de afbeelding voor een vergroting) In deze opgave van 'moederkerken' missen we Flardinge (traditioneel Vlaardingen) en Kiericwerve (traditioneel Oegstgeest). Alleen Velsen, Heiloo en Petten zouden gesticht zijn in 720, wat dan de enige kerken geweest zouden kunnen zijn die door St.Willibrord werden gesticht. Limmen en Beverwijk ca.800, vervolgens de 12 dochterkerken (in de akte 'kapellen' genoemd) die uit 1063 (vervalst?) (die vervalste akte) zouden stammen, enkele nog later. Van 14 kerken is de stichtingsdatum onbekend, die kunnen we dan al sowieso afschrijven. Lees meer over de kerken in Holland die Echternach wilde claimen, maar waar graaf Dirk III van Holland niet in meeging. In het hoofdstuk over de kerken in Holland kunt U ook alles lezen over het boek van Numan (2005) waar zelfs 26 keer naar verwezen wordt. Maar Numan bewijst helemaal niets over de oudste kerken van Willibrord uit 720. Hebben die auteurs dat wel gelezen? Opvallend is ook dat de lijstjes van kerken in bezit van Echternach die zoal gehanteerd worden, op veel punten van elkaar verschillen. Vergelijk dit overzicht waarin 37 kerken genoemd worden, met de 24 kerken die in het begin van punt 3 genoemd worden. Dat is al een verschil van 13 (dertien!) kerken. Het gaat wat de mythen van St.Willibrord betreft slechts over de 3 (drie) 'moeder'-kerken: Velsen, Heiloo en Petten. Als deze weerlegd zijn, zijn ook alle dochterkerken weerlegd en kan het hele boek slechts als curiositeit in de kast gezet worden.

      Wat lezen we over Velsen, Heiloo en Petten als 'moederkerken' ?
      De plaatsen Velsen, Heiloo en Petten zijn interpretaties van de namen Felison Hleliglo en Petham uit de kopie van een oorkonde uit 1063 (vervalst?), die uit de 12de eeuw stamt. Ze worden in deze boeken dan wel veel genoemd, respectievelijk 101x, 187x en 23x, maar wat bewijs je met de herhaling van zo'n opsomming? Velsen wordt ook genoemd vanwege de Romeinse vondsten: zie onder 4.4. Belangrijker is wat er archeologisch gevonden is van deze kerken? Van de zogenaamde 'houten voorgangers' sowieso al helemaal niets anders dan veronderstellingen. Lees meer over de Kerken in Holland
      1. Zo zijn er vooral vanuit de moederkerken, zoals die te Heiloo en Velsen, dochterkerken tot ver in het oostelijke veengebied gesticht. Dochterkerken van Heiloo strekten zich bijvoorbeeld uit tot Spanbroek, Wadwaij en Wognum. De ontginningsas was hier waarschijnlijk een veenstroom (de Scirmere), die zich later verbreedde tot de Heerhugowaard en de Schermer en vanaf dat moment een duidelijke grens vormde met West-Friesland. De ontginning van de oostelijke veengebieden kwam aan het einde van het 1e millennium op gang (p.105). In deze ene alinea wordt gesproken over moederkerken uit 720 en ontginningen aan het eind van het eerste millennium. Hoe is dat met elkaar te rijmen? Daar zit wel ruim 250 jaar tussen!
      2. De kerklocatie van Heiloo (‘Heilig bos’) vormt hierop wellicht een uitzondering, omdat het aannemelijk is dat de kerk hier werd gesticht in of nabij een bos dat vermoedelijk als pre-christelijke cultusplaats werd gebruikt (p.108). Dat 'heilig bos' is een bedenksel van D.P.Blok, dat hij heeft nageschreven van M.Gysseling. Blok noemt bij Heilingloh als oudste attestatie een tekst uit de 11e eeuw. Gysseling begint pas met een attestatie uit 1222. De plaats Heliglo/Heligelo lag in Batua en was Helfaut in Frans-Vlaanderen. Ligt Heiloo in de Betuwe dat toch de Batua was? De oudste tufstenen delen van het kerkje van Heiloo worden gedateerd op de twaalfde eeuw en niet op de achtste eeuw.
      3. Als oerparochies zijn in Kinhem de gebieden rond de stichtingskerken van Willibrord aan te wijzen. Deze stonden in Velsen, Heiloo en Petten. De kerken van Limmen en Schoorl zijn vermoedelijk enkele decennia later gesticht vanuit één van deze moederkerken, waarna ze al snel in het bezit van het bisdom Utrecht kwamen. Deze vijf kerken dateren globaal uit de 8e-9e eeuw en waren de oudste van Kinhem. Vanuit deze kerken zijn de dochterkerken gesticht in het kerngebied van Kinhem, bestaande uit de zone met strandwallen en duinen (9e eeuw); pas na de ontginningen volgde de bouw van kerken in het oostelijk gelegen veengebied (10e eeuw en later) (fig. 3.2). De drie stadia van kerkstichtingen, moederkerken, een eerste groep dochterkerken op de strandwallen, en een tweede groep dochterkerken in het veengebied, zijn weergegeven in tabel 3.1. Vanuit Limmen werden op smalle strandwallen binnen het veengebied de kerken van Akersloot en Uitgeest gesticht. (p.110). Tabel 3.1. is hierboven afgebeeld. Het hele verhaal vervalt aangezien in de 8ste en 9de eeuw nog geen bisdom Utrecht bestond en de ontginningen in Holland begonnen pas in de 11de eeuw. Voor ontginningen moet er naast een omvangrijke bevolking ook een aansturende overheid zijn. En die ontbraken nog in de 10de eeuw. Zie ook het volgende punt.
      4. Besteman en Guiran hebben op basis van de verkaveling aangetoond dat de kavels in het vroegste ontginningsgebied op het Meer van Westerhoof afwaterden. Dit blijkt ook uit de daaropvolgende, 10e- en 11e-eeuwse ontginningsas die verder landinwaarts was verschoven. Deze ‘opschuivende verkaveling’ is goed terug te zien in het dichte netwerk van laatmiddeleeuwse kerken (p.123). Hier wordt een staaltje van cirkelredeneringen getoond. Vanuit laat-middeleeuwse kerken, wordt geredeneerd naar 10e -11e-eeuwse opschuivende verkaveling en verschoven ontginningen, die weer gebaseerd zijn op de kavels van de vroegste ontginningen. Is uit een verkaveling een datering af te leiden?
      5. Over de status van Petten als moederkerk bestaat discussie. In de kerkenlijstjes van Echternach, die D.P.Blok uitvoerig heeft besproken, staat in de ene versie Capella vermeld, maar in een andere versie Mater. Hierdoor kan betwijfeld worden of de kerk van Petten een van de oude moederkerken was, of, zoals Blok suggereert, een iets latere stichting is (p.111-113). Discussie, betwijfeld en suggereert geven de aangenomen opvattingen aan.
      6. De locatie van het in een 8e-eeuwse bron vermelde parochiegebied van Pethem (het latere Petten), dat als voormalige woonplaats volledig is verdwenen (p.81). De oerparochie van Petten zal het in zee verdwenen strandwallengebied bij Petten (onder andere de latere Pettemerpolder) beslagen hebben (p.113). In zee verdwenen? Er is dus niets gevonden. Overigens worden op p79 ook de transgressie en regressie genoemd waar de kop van Noord-Holland aan onderhevig is geweest. Van bewoning zal toen daar geen sprake zijn geweest.
      7. Archeologisch is voor dit gebied alleen de tweede generatie nederzettingen in het veengebied van de Geestmerambacht overgeleverd. Gezien het grote aantal nederzettingen dat hier bekend is, moet er sprake zijn geweest van bevolkingsdruk vanuit het kerngebied rond het verdwenen Pethem, westelijk van het huidige Petten, waar de moederkerk lag (p.117). Het staat dus vast dat de eerste generatie nederzettingen niet overgeleverd is. Niet overgeleverd betekent niets van bekend of van gevonden, waarmee het hele betoog in feite hiermee al kan stoppen. De tweede generatie zijn wellicht de plaatsen die in de tabel hierboven de 1e en 2e groep dochterkerken wordt genoemd, allemaal (op Beverwijk na) stichtingen van na het jaar 1000? Welke bevolkingsdruk wordt hier bedoeld? In een 'vrijwel' onbewoond gebied (zie p.79,115, 121, 161,175, 198, 207) zal er van bevolkingsdruk geen sprake geweest zijn? Die bevolkingsdruk wordt verondersteld door de vele plaatsnamen die men voor Holland aangenomen heeft. Het waren (bijna) allemaal plaatsnamen die genoemd worden in de oorkonde van 1063, plaatsen die in Frans-Vlaanderen lagen en gedoubleerd zijn door enkele toponymisten (Blok, Koch, Gysseling) en onjuist in Holland terecht kwamen.
      8. De kern van deze koggen laat De Cock grotendeels samenvallen met de dorpen waar de drie oudste kerken of ‘moederkerken’ staan: Velsen, Heiloo en Petten (p.107). Kogge is een oer-parochie bij Cock, elders een districtseenheid. Cock, J.K. de, 1965: Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in demiddeleeuwen op fysisch-geografische grondslag (= dissertatie Universiteit van Amsterdam). p.63.
      9. Inherent aan een indeling in oerparochies is de veronderstelling dat de moederkerken binnen Noord-Holland niet op willekeurige locaties zijn gesticht, maar juist op die locaties waar leden van de regionale en lokale elite woonden. Juist hier begon het missiewerk van de geestelijken, dat zich aanvankelijk richtte op de bovenlaag van de samenleving (p.108). Het blijkt dus slechts een veronderstelling te zijn. Wie waren die regionale of lokale elite en waar woonden ze? In het kasteel van Medemblik misschien? De geschiedenis van de Graven van Holland begint voor Holland pas in de 12de eeuw. Maar ja, als je Gent nergens noemt in de tekst (slechts één keer in de iteratuurlijst bij W.de Clercq, 2017) weet je ook niet dat de Graven van Holland via Gent uit Artois kwamen.
      10. Tegelijk meent De Cock dat de oudste kerk van Egmond vanuit de moederkerk in Heiloo gesticht moet zijn, en dat de kerk van Limmen niet goed in dit rijtje past, aangezien het een bisschoppelijke eigenkerk is (p.109). Voor De Cock, zie punt 6. Steeds opnieuw blijkt het verschil van mening tussen de diverse 'geleerden'.
      11. Met het onderscheid tussen de Echternachse kerken en bisschoppelijke eigenkerken wist De Cock niet altijd raad; aan het bestaan van een vroegmiddeleeuws dorp Heiloo twijfelt hij zelfs, waarmee in feite de kern van zijn reconstructie wordt geraakt: archeologisch gezien is het maar de vraag of de tufstenen kerk van Egmond, opgegraven op de Adelbertusakker, veel ouder is dan bijvoorbeeld de tufstenen kerk van Castricum. Bovendien kunnen we vanuit een archeologische invalshoek geen duidelijk onderscheid maken tussen oude en jongere nederzettingsterritoria (p.109-110). Nog een duidelijk voorbeeld dat er NIETS gevonden is van oude of minder oude kerken. De tufstenen kerk van Egmond is niet ouder dan de 12de eeuw, waarvan aangenomen wordt dat die gesticht is door Dirk VI. Binnen Kinhem liggen nederzettingen uit de 5e tot 9e eeuw bijvoorbeeld verspreid over het hele strandwallengebied.
      12. Alle stichtingen vanuit de kerk van Medemblik, in het uitgestrekte veengebied waarin de moederkerk zelf ook staat, zijn laatmiddeleeuws (p.116). Dit zet het hele verhaal wel in een geheel ander kader! Van vroege stichtingen is dus geen enkele sprake geweest!
      13. Voor Petten veronderstelt Blok dat de hier gestichte moederkerk iets jonger is dan de ‘echte’ moederkerken te Velsen en Heiloo (p.117). Ook deze veronderstelling is een aanname.
      14. Ondanks de beperkingen van kerkelijke bronnen en de invloed van adellijke families op de (her)bouw van kerken, lijken de kerkstichtingen uit de 8e en 9e eeuw een goed beeld te geven van de territoria die door de moederkerken werden bestreken. Bemoeienissen van adellijke families met de bouw van een kerk, of met de herbouw in tufsteen, gingen in Kennemerland opvallend genoeg uit naar Castricum én naar de voormalige moederkerken van Velsen en Heiloo. (p.117). Deze bemoeienissen vonden doorgaans plaats in de 12e eeuw (noot 77). Die beperkingen van kerkelijke bronnen en 'lijken' geven juist helemaal geen goed beeld, zeker als bekeken wordt waar die kerkelijke bronnen uit bestaan en vandaan kwamen. Die kwamen via Gent uit Noord-Frankrijk. Lees daar meer over bij Egmond. De bemoeienissen van de adelijke families vonden dus pas plaats in de 12de eeuw. Ook dit zet het hele verhaal weer in een ander kader!
      15. Binnen Kinhem zijn al vanaf de 8e eeuw moederkerken aanwezig in Velsen, Heiloo en vermoedelijk Petten, korte tijd later gevolgd door de moederkerken van Limmen en Schoorl (p.122). Over de nederzettingsterritoria van Egmond, Bergen en Schoorl bezitten we maar fragmentarische archeologische kennis, want grote opgravingen hebben er nauwelijks plaatsgevonden (p.178). Over de laatmiddeleeuwse buurschappen van Schoorl is iets meer bekend.(noot 136 - p.181) Deze kerken worden genoemd in het overzicht hiernaast, waarvan Petten blijkbaar al kan vervallen. Over Schoorl hoeven we het ook al niet meer te hebben, met een stichting ca.1094. Schoorl wordt dan wel 70 keer genoemd in de tekst, maar voornamelijk op kaartjes, soms in de literatuur en bij begrenzingen van territoria. Schoorl zou een stichting zijn vanuit de moederkerken Velsen, Heiloo of Petten en zelf weer dochterkerken hebben gesticht. Schriftelijke bewijzen voor deze aangenomen opvattingen ontbreken volledig! De oude schriftelijke vermelding als Scoronlo (circa 960) gaat over Les Cottes Penches, voorheen bekend als Scorepanche, wat op te maken is uit de oorkonden waarin deze plaatsnamen staan en die afkomstig zijn uit Frankrijk, zoals de goederenlijst uit 870. In noot 136 wordt verwezen naar Van Berkel 2017. Maar dan gaat het om laat-midddeleeuws ofwel de 14de eeuw, dus daar bewijs je niets mee over de 11e eeuw.
      16. Hetzelfde geldt voor het zuidelijke deel van Texla, met moederkerken in Callinge en Husidina. Op Texel en Wieringen is de situatie anders, met zowel de moederkerken als de oudste dochterkerken op de pleistocene hoogtes (p.122). Texel en Wieringen zijn aangenomen interpretaties van Tecelia en Wiron. Zie de linker kolom voor de juiste plaatsen.
      17. Afwijkend is ook Medemblik, waar zowel de moederkerk als de dochterkerken in het veengebied liggen. De gepresenteerde oerparochies zijn verschillend van grootte, maar in alle gevallen haaks op de kust georiënteerd, met de moederkerken langs de kust (p.122). Zie voor Medemblik ook punt 4.44-45 hierna.
      18. Archeologisch was over de bewoningsgeschiedenis van Heiloo lange tijd niets bekend, zodat werd aangenomen dat de 8e-eeuwse kerkgangers uit het gebied van het destijds zuidelijk gelegen Oesdom (Osdem) kwamen. Het ontbreken van bewoningssporen ter plekke van Heiloo zelf werd in verband gebracht met de naam van deze plaats, in de 10e eeuw vermeld als Heilingloh en een eeuw later als Heilegelo (p.175). Nu de sporen niet zijn weggespoeld of verwaaid, liggen ze onder het bos. En dit wordt serieus bedoeld door bestudeerde archeologen? Er is dus niet gevonden in Heiloo dat wijst op bewoning, laat staan een kerk van Willibrord en zelfs niet van eeuwen later!
      19. Het feit dat in Petten (in de 10e eeuw Pathem), op relatief korte afstand van Heiloo, een kerk uit de tijd van Willibrord heeft gestaan, is een aanwijzing dat deze streek voor de missionarissen kennelijk belangrijk genoeg was om hier ook een godshuis op te richten (p.178).
      20. Het huidige Petten, waar onder Willibrord een van de vroegste kerken van Noord-Holland is gesticht, ligt op een smalle duinstrook die door de mens als een zee-kerende ‘zanddijk’ is aangelegd. Het oorspronkelijke dorp moet veel westelijker hebben gelegen, op een plek waar nu de zee is (p.186). Geen wonder dat er archeoilogisch NIETS van gevonden is: het lag in zee (sic)!
      21. Mogelijk vielen de nederzettingen rond Camperduin en Hargen (vermeld vanaf de 10e eeuw) onder de parochie van Petten, en dit geldt ongetwijfeld ook voor allerlei andere nederzettingen die overstoven zijn of in zee zijn verdwenen (p.187). Zie vorige opmerking!
      22. Archeologische sporen die de aanwezigheid van vroegmiddeleeuwse of oudere nederzettingen rond Petten en Sint Maarten kunnen bevestigen, ontbreken tot op heden (p.187). Zowel deze nederzettingen als de geestgronden dateert Dijkstra vanaf de 9e eeuw (p.216) Vanaf de 9e eeuw betekent dus dat het op zijn vroegst in de 10e eeuw begint. Nu hoef je het niet met Menno Dijkstra eens te zijn, maar dat verklaart dan wel enige uitleg.Soms heb je uit een heel lang verhaal slechts één zin nodig die de onjuistheid van het hele betoog aangeven!
      23. In Noord-Holland begon met de Hollandse graven de tijd waarin ‘Holland’ vorm kreeg. Onder deze graven zie we de opkomst van plaatsvaste dorpen rond kerken en knooppunten van wegen, van kastelen als onderkomen van de heersende elite, en van bestuurlijke- en schriftcentra zoals de abdij van Egmond. En daarmee belanden we van archeologische gegevens steeds meer in de historische gegevens (p.223). Hier wordt het begin van Holland gelegd bij de Hollandse graven wat geheel juist is. Maar die Hollandse graven die ia Gent uit Noord-Frankrijk kwamen komen pas in de 10de eeuw in Holland terecht, aanvankelijk in het Merwede-gebied, pas in het jaar 1100 in Noord-Holland. Lees alles over de Hollandse Graven. Dit sluit ook precies aan bij het volgende punt.
      24. Pas vanaf de Karolingische periode is de vorming van grotere nederzettingen zichtbaar en wordt het landschap steeds strakker ingedeeld, met centrale akkercomplexen die we later kennen als geestgronden. Het is ook uit deze periode dat de voorlopers van de huidige dorpen, zoals deels vermeld in de Goederenlijst van Sint Maarten, dateren. Gecombineerd met de inrichting van parochies, het opschuiven van dorpen door erosie en stuivend zand, en de grootschalige ontginning van het veen zijn hier de bouwstenen gelegd voor de inrichting van het huidige Noord-Holland (p.223). In deze conclusie worden drie facetten genoemd 1.vanaf de Karolingische periode (die begon in 751 en eindigde in 987) betekent dus vanaf 987; 2.ontstaan de voorlopers van de huidige dorpen en 3.grootschalige ontginningen. Dit geeft als begin van de nederzetting de 10de eeuw aan, zeker als die goederenlijst uit 870 geschrapt kan worden voor Holland.Die lijst was immers van de bisschopzetel in Trajectum, dat in Frans-Vlaanderen lag. Gekombineerd met het vorige punt over de Graven van Holland, plaats het begin van de ontwikkeling van Holland ná de 10e eeuw ofwel in de 11e eeuw (1063-vervalst?).
      25. De kerken van Willibrord in West-Frisia blijken rond het jaar 1000 geworden te zijn tot ‘moederkerken’ van een aantal kerken en kapellen, en ook elders zijn vanaf dat moment flink wat nederzettingen met kerken te vinden. (p.853). Rond het jaar 1000 is er dus pas sprake van 'moederkerken' en zijn er vanaf dat moment pas andere kerken gesticht!

      De ware geschiedenis van de kerken in Holland en de claims van Echernach.
      In 1156 en 1157 legde Echternach een claim in Holland en beriep zich daarbij op een oorkonde uit 1063(vervalst?) (klik op deze link en lees er alles over), waarin 25 Hollandse namen stonden, die sinds de studie van Albert Delahaye blijkt, geen enkel verband hebben met de documentatle van het oude bisdom Trajectum. Deze vervalste namen komen slechts voor bij Theofried van Echternach. Van de meeste plaatsen wordt ook niet eens vermeld dat het om een kerk zou gaan: slechts grondbezit. De graaf van Holland en de abt van Egmond, wiens kerk ook op het lijstje stond, togen naar Echternach om de abdij aan het verstand te brengen, dat zij hiervan nooit eerder gehoord hadden, er geen enkele documentatie over bestond en dat dit dus niet waar kon zijn. De claim werd door hen afgewezen, wat vooral voor de abdij van Egmond zeer opmerkelijk was, want zij ontkende hiermee enige relatie met Willibrord te hebben gehad. Feitelijk is deze ontkenning al voldoende om de hele Willibrordtraditie van Holland en Utrecht te weerleggen! Het waren al echte Hollanders, die graaf en die abt, die zich niet zomaar een poot lieten uitdraaien.
      Echternach kreeg 'om dat verlies te compenseren (sic) land op Schouwen aangeboden, dat toen juist in bedijking en cultivatie werd gebracht. Daaruit kunnen we ook vaststellen dat dit pas in de 12de eeuw gebeurde! Blijkbaar wist Echternach dat hun claim vals was en accepteerde ze dit zilte soppige waddenland, dat slechts bruikbaar was voor het houden van schapen.


      Enkele decennia later is men er in Brabant wel ingetrapt, al claimde Echternach slechts vier plaatsen: Baclaos, Durninum, Dissena en Waderlo en werd de oudste St.Willibrordkerk van Nederland 'over het hoofd gezien'. Blijkaar stond er in de stukken geen naam die enigszins op Sunderde leek. De overige plaatsen van 'Echternachse' kerken in Brabant zijn er later, soms véél later, door onbevoegde historici aan toegevoegd.
      In 1157 kreeg Holland (en Utrecht!) zo wel de opvatting opgedrongen dat St.Willibrord de eerste bisschop van Utrecht was geweest. Die opvatting werd eerst in de kast gelegd en is pas in de 14e eeuw wat algemener geworden toen de verering van St. Willibrord begon door te dringen, met name door de aanwezigheid van enkele Willibrordkerken in Brabant. Nadien ging het Oud-Munster van Utrecht zich met verbazing afvragen waarom Utrecht en Holland geen enkele reliek van St.Willibrord hadden. In 1301 werden de eerste relieken aan Echternach gevraagd, die zonder bezwaar en zelfs met enige voldoening werden afgegeven, immers de missie van de abdij om grondbezit te verwerven was geslaagd. Dat deze relieken prullaria uit de 12de eeuw waren, geeft aan de historische mythen van Nederland zelfs de bijsmaak van een lugubere grap.


      De eis van Echternach was een vijfvoudig vervalsing omdat nergens uit blijkt dat deze kerken ooit aan Willibrord hadden toebehoord :
      1. nóch in de documenten van zijn bisdom Traiectum, nóch in die van zijn abdij te Aefternacum worden deze kerken eerder genoemd;
      2. evenmin komen ze voor in de Vitae van Willibrord die door Alcuinus en door Theofried van Echternach werden geschreven;
      3. de plaatsen die daarin wél worden genoemd kunnen niet met Kennemerland in verband worden gebracht;
      4. ook in de plaatselijke bronnen van Kennemerland komen ze niet voor als kerken van Willibrord;
      5. er bestaat geen pauselijke bul ter bevestiging van deze bezittingen van vóór 1063 (vervalst?) en aan de bul van Eugenius III uit 1148 zijn de namen van de kerken later toegevoegd.


      Waren de kerken van Willibrord geweest dan behoorden ze aan het bisdom Trajectum, en als het bisdom Trajectum Utrecht was, dan had Utrecht Echternach niet nodig om die kerken in bezit te krijgen. Maar Utrecht beschikte over geen enkel bewijs dat de kerken van Willibrord waren geweest en bijgevolg zag het de aanspraken van Echternach als een steun voor haar eigen politiek. Vandaar dat Utrecht en Echternach besloten om de buit, die nog moest worden binnengehaald, te delen. Zo kreeg Utrecht in 1156 aangepraat dat Utrecht het Trajectum van Willibrord zou zijn geweest, hoewel Utrecht over geen enkel document beschikte waaruit dát, of enig voormalig bezit in Holland, viel af te leiden. Van een overeenkomst tussen de graaf van Holland en de abdij van Echternach is in 1156 geen enkele sprake geweest. De graaf en het gezag in Holland doorzagen blijkbaar de valsheid van de pretenties van Echternach en Utrecht. Men wist ook dat de plaatsen in Holland geen enkele relatie hadden of ooit hebben gehad met het nieuwe bisdom Utrecht.

    4. De nederzettingen: patronen in tijd en ruimte (3e-8e eeuw) Hoewel rijk aan drasland beschikte het Noord-Hollands kustgebied ook over omvangrijke hoge en droge gronden: de oude duinen en de door landijs afgezette bodems van Texel en Wieringen, die alle redelijk dicht bevolkt waren. De meeste boerderijen stonden op verspreid gelegen woonerven, vaak langs onverharde paden of waterwegen. De kern van dit hoofdstuk is een bespreking van de vijftig in onze ogen belangrijkste archeologische onderzoeken in de provincie. Er zijn maar weinig nederzettingen uit het 1e millennium grootschalig, over een oppervlak van meerdere hectaren, onderzocht en dus is het beeld dat we van de woonplaatsen hebben, in de zin van de ruimtelijke inrichting ervan, verre van compleet (p.129) (hoofdstuk 4).Slechts met nederzettingen (steden en dorpen kwamen nog niet voor (p.134), dus blijft het beperkt tot gehuchten en boerderijen) is bewoning aan te tonen. De bewoningsperiode van de vijftig nederzettingen wordt in een schema weergegeven, waaruit duidelijk blijkt dat er een (nagenoeg) absoluut bewoningshiaat tussen circa 300/350 en 450/475 n.Chr. moet zijn geweest (p.11). Dit staat toch in schril contrast met het beweerde op p.134. Volgens het schema op p.130 en 131 gaat het niet om vijftig nederzettingen, maar om een overzicht van de vijftig belangrijkste archeologische onderzoeken in Noord-Holland, met archeologische resten uit de Romeinse tijd en/of de Vroege Middeleeuwen. Nu gaat het ons niet om "Wie er onderzoek heeft gedaan en wanneer?" (in 1863?) maar om wat er precies gevonden is en welke betekenis eraan wordt gegeven? Klik op de link van de plaatsnaam voor de verwijzing naar verdere informatie op deze website.

      1-2. Bloemendaal; 3. Velsen-Engelmunduskerk; 4.Velsen I en II; 5-6. Velserbroek en Velsen; 7 Wijk aan Zee; 8-10. Heemskerk; 11-13 Uitgeest; 14-17. Castricum ; 18. Bakkum; 19-21 Limmen (zie linker kolom); 22-23. Heiloo; 24-26.Egmond; 27. Schoorl; zie hierboven onder 15; 28-29. Alkmaar; 30. Langedijk; 31. Warmenhuizen; 32. Blokhuizen; 33-37. Schagen; 38-39. Den Helder; 40-41. Den Burg; 42-43. Wieringen;
      De traditie over Medemblik verhaalt het volgende:
      Toen de bisschop van Utrecht zijn Goederenlijst in de 10e eeuw opstelde om zijn verloren bezit terug te krijgen, waren deze inkomsten uit de handel nog steeds van belang. Dat blijkt eveneens uit de schenking van het koninklijk deel van deze inkomsten in 985. Met deze 10e eeuwse vermeldingen van Medemblik hebben we de karolingische periode allang achter ons gelaten. Doelgerichte Noormanneninvasies hebben het centrum van de Friese handel, Dorestad, mede ten gronde gericht. Ook andere vroeg-middeleeuwse handelscentra zoals Domburg (Walacria?) en Witla aan de Maasmond zijn geplunderd. Toch blijkt de Friese handel na de Vikingperiode niet gebroken, wel gedecentraliseerd. De functie van Dorestad wordt overgenomen door plaatsen als Utrecht, Tiel, Deventer, Staveren en Emden.
      Helaas is dit hele verhaal een achterhaalde traditie. Ven Noormannen-invasies ontbreekt in Nederland elk spoor of bewijs. De hier genoemde Goederenlijst is afkomstig uit Noord-Frankrijk en stamt uit het jaar 870.
      44-45. Over Medemblik wordt geschreven dat de vroegmiddeleeuwse naam onbekend is (p.32). Medemblik zou de plaats zijn waar Redbad door St.Wulfram van Sens gedoopt zou worden, wat jammerlijk mislukte. Elders (p.10, 81, 205, 206 ) wordt toch weer de naam Medemolac(h)a genoemd en wordt vermeldt dat we er archeologisch meer over weten, maar dat het officieel geen echte ‘gouw’ was (p.10). Op p. 32 lezen we dan toch weer dat van Medemblik de oorspronkelijke naam onbekend is. Voor de archeologie van Medemblik wordt verwezen naar Besteman 1977; 1979 en Van Leeuwen 2014.
      D.P.Blok vermeldt als eerste jaartal 918-948 cop. eind 11e e.: 'in Medemolaca regalis decima' met verwijzing naar Gysseling: Dipl.Belg. die slechts vermeldt: Medemolaca 9e kop. 103e kop. eid 11e en Medenblec 1118 kop. 12e) cop. 2e helft 12e e.: Medemelake (OBUtr I 49) 11 985 cop. voor of in 1559. Gysseling vermeldt over Medemolacha: waterloop die Medemblik bespoelde. Blok maakt ervan Medemelacha (985) waterloop, ligging onbekend, in de omgeving van Medemblik. De naam Medemolacha wijst dan niet op de nederzetting, maar op een water. verder heeft men niets van vóór 1559!

      Leest men de opgravingsverslagen door (zie bij Medemblik), dan leest men er doorgaans toch dat het uitgangspunt de traditionele opvattingen is (zie kader hiernaast).
      46. Andijk; 48. Muiderberg;

      Ad 4.4. In Velsen I en II laat men graag de Romeinen verblijven en zijn de speculaties steeds wilder, vooral met de opstand tegen of van de Friezen. Wat er in Velsen I gevonden is bestaat uit paalgaten van een houten hekwerk (?), wat flonders en tentharingen, verder slingerkogels en een waterput met daarin de overblijfselen van een Romeinse soldaat uit de periode 15-30 na Chr. In Velsen II, op enige afstand, dateren de vondsten uit de eerste helft van de eerste eeuw en beiden kennen geen opvolging. Er is geen enkele inscriptie gevonden, laat staan een naam. Er is zelfs geen ‘spoor’ van aanvallers gevonden, en daardoor was een gebeurlijk bestaand hebbende verdediging tamelijk nutteloos. Daarna is er voor vele honderden jaren een archeologische leegte zodat de naam ter plekke niet kan hebben voortbestaan, terwijl Flevum, zuiver ‘toponymisch’, toch al niets met Velsen te maken had. Het castellum Flevum dat er wel eens gedacht is en waarvan men in Nederland meerdere locaties kent, lag aan het Flevum, wat de naam al zegt, en was het Fle, later Fle-landria, de naamgever van Vlaanderen.

      Ad.4.14-17. Bij opgraving in Castricum is het skelet gevonden van een jonge vrouw. Uit een datering van de skeletresten blijkt dat de vrouw in de 4e eeuw moet hebben geleefd, in een periode waarin in Noord-Holland nog maar beperkt mensen woonden. Dit skelet is opmerkelijk. Niet alleen werden er in Noord-Holland tussen de Midden-Bronstijd en Volle Middeleeuwen (een periode van bijna 2500 jaar) voor zover archeologisch bekend nauwelijks overleden mensen begraven, maar ook is er lang gedacht dat het gehele Nederlandse kustgebied tussen pakweg 250 en 500 leeg of hooguit schaars bevolkt was (p.31). Van even grote betekenis voor het huidige beeld van de (Laat-)Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen zijn de recente publicaties over oud, lange tijd ongepubliceerd onderzoek, zoals Uitgeest-Dorregeest en Texel-Den Burg, evenals een herbestudering van het inheemse aardewerk van Castricum-Oosterbuurt. Deze drie ‘sleutelsites’, waar een geringe restbewoning in de 4e en mogelijk ook een deel van de 5e eeuw wordt (of: werd) verondersteld, hebben met name ons archeologisch zicht op het weerbarstige midden van het 1e millennium vergroot (p.34-35). Met slechts één vondst van skeletresten (in een greppel! (p.45) en een geringe restbewoning, bewijs je toch precies niets?

      47-50. Over Beemster, Hilversum en Amsterdam valt weinig belangwekkends te vertellen. Het gaat om vindplaatsen in 'lege gebieden', zoals de kop van het artikel ook luidt. Eén in de Beemsterpolder en één nabij de monding van de Amstel bij het IJ, de tweede in latere tijden bekend als Aemstelredam. Het veen rond Hilversum werd pas tussen 1450 en 1850 afgegraven. Amsterdam bestond in 2015 pas 750 jaar. De eerste huizen werden er rond 1300 gebouwd. Ofwel: niet van belang voor onze studie.

      Wat weten we over de door Willibrord gestichte kerken, die later aan Echternach of Utrecht toekwamen?
      Bij het kaartje op p.852 (zie afbeelding hiernaast: klik op het kaartje voor een vergroting) wordt vermeld: "Vroegste parochies met hun moederkerken en de oudste dochterkerken in het westen van Frisia rond 1000. Per kerk is met een kleurtje aangegeven of deze door Willibrord (later eigendom van de door hem gestichte abdij in Echternach), door de bisschop van Utrecht of door de graaf van Holland zijn gesticht. Over de geologie van Noord-Holland in die tijd bestaan inmiddels nieuwe inzichten, (zie hoofdstuk 2), en voor Noord-Holland is een nieuwe kaart van de vroegste kerken en hun afsplitsingen gemaakt". Door Willibrord blijken alleen Petten, Heiloo, Velsen, Oegstgeest en Vlaardingen gesticht te zijn (groene stip), wat al niet overeenkomt met bovenstaand overzicht, waar alleen Velsen, Heiloo en Petten genoemd worden.
      Het blijken opvattingen te zijn, uitgaande van de cirkelredenering dat Utrecht de bisschopszetel van Willibrord was. Men heeft uit die oude akten plaatsnamen gezocht in Holland die er op leken of zelfs gelijk waren. Het zijn doublurenamen meegekomen met de immigranten. Bestonden deze plaatsen wel in de 8ste eeuw? Wellicht danken deze plaatsen hun naam juist aan de opvattingen over die oude oorkonden. Wat meteen opvalt dat er geen enkele plaats in de provincies Utrecht of Friesland bij is. Hoezo Willibrord 'bisschop van Utrecht' en 'apostel van Friesland'?

      Het pionierswerk van Willibrord in West-Frisia kan worden gedocumenteerd met behulp van enkele oorkonden die werden uitgevaardigd voor Echternach, het later door de Friezenbisschop gestichte klooster. De vroegste stukken stellen dat hij te Vlaardingen, Oegstgeest, Velsen en Heiloo kerken in zijn bezit had. Volgens de Utrechtse traditie bouwde Bonifatius op de plaatsen waarvan hij de heidense ‘ijdelheden’ verdreven had ‘kloosters en kleine kerkjes, en ook altaren, geschikt voor offers aan God, en daar beval hij de naam van de levende God aan te roepen, waar tot dan toe dode afgoden door de inboorlingen werden vereerd’. Willibrord kan iets vergelijkbaars hebben gedaan. In ieder geval hoorde het tot de taken van de missionaris kerken te bouwen, gebruikmakend van ‘giften van bescheiden plaatsen en stukken land’, afkomstig van de recentelijk bekeerde bevolking. De kerkjes, die vooralsnog in handen van de stichter bleven, waren eenvoudige bouwsels uit hout en leem, voor archeologen vrijwel niet te onderscheiden van woonhuizen. Van stenen kerken wat traditionalisten wel eens noemen, is dus helemaal geen enkel sprake geweest.

      1. In de goederenlijst van het bisdom Traiectum wordt Pathem genoemd, dat gewoonlijk als Petten wordt opgevat, maar dat Pitgam is, op acht kilometer ten zuidwesten van Winoksbergen, of Pihen, in de goederenlijst ook Pischem genaamd, dat in de achtste eeuw al bekend al was als Pithem, zes kilometer van Guînes. Over Petten schrijft D.P.Blok: Petten gem. Zijpe (Noord holland) 918-948 cop. eind 11e e.: in Pathem (met een verwijzing naar Dipl.Belg. van M.Gysseling, waarvan Blok het overgenomen heeft) 1e helft 11e e. aut.: Petheim capella - ecclesie quas Theodericus habet: nomina ecclesiarum de Fresia. M.Gysseling verklaardt het Puthem als 'putje bij een woning'. En dan schrijft Gysseling nog doodleuk: Geen enkele identificatie van Delahaye is juist! De eerste vermelding is dus uit de 10de eeuw, dus niet uit 720 de tijd van Willibrord. Een kapel wordt in Petten (als het wel Petten is?) pas in de 11de eeuw voor het eerst vermeld. Deze kapel heeft dan ook niets te maken gehad met een stichting door St.Willibrord.

      2. Voor Heiloo zie de kerken in Holland. Op p.844 lezen we 'Men zou met reden een stichting door Willibrord kunnen vermoeden in het geval van Heiloo op grond van de naam ('heilig, dus heidens, bos') bevond zich daar immers mogelijk een voorchristelijk heiligdom. Dat 'heiligdom' wordt ook door Kees Nieuwenhuijsen genoemd, maar in Holland is niets gevonden van een heiligdom of een tempel, zelfs geen enkele kerk. Restanten van tempels en heiligdommen uit het 1e millennium zijn in Noord-Holland niet bekend. Sporen van een voorchristelijk geloof in de grafcultuur zijn hier nagenoeg afwezig. (p.785). 'Nagenoeg' betekent hier gewoon 'niet' aanwezig. Dat de naam Heiloo zou afgeleid zijn van 'heilig', beweren daarvoor doorgeleerde personen op grond van eigen fabelogie! Hoe bestaat het? Ik dacht dat we geschiedenis op basis van volksverhalen, legenden en fabels toch wel achter ons gelaten hebben! Wat ook geschreven wordt over Hargen/Horgana (‘heiligdom’) (p.754) is eenzelfde onzin.

      3. De kerk van Velsen, ooit een belangrijke Romeinse vestiging die zich mogelijk nog steeds in de belangstelling van de Frankische vorsten mocht verheugen, kan in Willibrords bezit zijn gekomen door een schenking van Karel Martel (p.844). Romeins Velsen heeft nooit iets voorgesteld (zie hierboven bij punt 4) en waarna een groot gat zonder bewoning aanbreekt. D.P.Blok vermeldt als eerste de Vita Ludgeri: de 8ste eeuw in 786 cop. 16e e. (ad begin 8e e.): tertius (seil. locus) ... appellatur Felisa (Liudger, VitaGreg c. 20) en 918-948 cop. eind 11e e.: in Uelesan II (seil. mansa) - sunt maneipia que iure debentur propria fore almi Martini iuxta Felisun (DiplBelg 195). Het verhaal van Ludger heeft zich niet in Nederland voorgedaan en al helemaal niet in Holland. Waarom zou Willibrord een kerk hebben gesticht in een "vrijwel" (zie bij punt 1) onbewoond gebied en niet vlak bij huis in Utrecht of in zijn missiegebied in Friesland? De "villa Felison, in de pagus Kinnahem gelegen" uit een oorkonden uit 719 is Feuchy. Kinnahem is ook niet Kennemerland, maar Quingoie, een gehucht van Audrehem, waar in 884 de Noormannen, gekomen vanuit Normandië een versterking bouwden. Van de aanwezigheid van de Noormannen is in Nederland nooit enig bewijs gevonden. Lees er meer over de Kerken in Holland, over Ludger en over de Noormannen.

      4. Over Kiericwerve (Oegstgeest) hoeven we het niet te hebben. Dat wordt in de tekst in dit boek nergens genoemd en in de opsomming hierboven bij Kiericwerve staat ook al een vraagteken. Hoe dat etymologisch in elkaar zit wordt ook al niet vermeld. M.Gysseling kent de plaats al helemaal niet. D.P.Blok noemt de plaats Kerkwerve, oude dubbelnaam voor de parochie Oegstgeest (Zuidholland). Over Oegstgeest lezen we nog op p.747 dat het mogelijk Osgerestgeest heette, waarbij het element os-Germ. *ansuz ‘god’ (bekend uit de Noorse mythologie als de Asen) zit in de naam Oegstgeest. Noorse mythologie? Deze naam wordt voor het eerst vermeld in de 10e eeuw: Osgeresgeest, bestaande uit *Ansgar-s (persoonsnaam: goddelijke speer’) en ‘geest’ (= ‘hoge zandgrond’). Als je dit leest blijkt deze 'uitleg' op los zand gebouwd! In Oegstgeest werden enkele skeletdelen in losse begravingen en paalgaten (van schuren?) gevonden en gedateerd op 550-700. (p.703). Andere paalgaten werden vervolgens gedateerd naar "type Oegstgeest", dus ook 550-700. Waarop die datering gebaseerd is zou blijken uit "J. de Bruin, C. Bakels & F.Theuws (red.), Oegstgeest. A riverine settlement in the early medieval world system (= Medieval Archaeology in the Low Countries 7). Bonn, 218-235.". In de hier aangegeven pagina's gaat het over 'Mediterranean Bowls' (kommen). Wat bewijzen die voor Oegstgeest? Verder wordt vermeld dat: The total estimated number of houses is thus 29+5+2 is 36. The settlement existed between ca.550 ± 15 and 725 ±15; let’s for the moment accept that it existed some 175 years, maar dat kan ook 145 jaar zijn bij aftrek van de marges. De datering van 550-700 is dan toch het gevolg van slecht rekenen. Van een (stenen) kerk is er in elk geval niets gevonden. Over datering lezen we nog: Kennelijk vond er in het jaar 602 een zware overstroming van de Rijn plaats. Mogelijk leidde deze overstroming tot een onderbreking van de bewoning op de vindplaats in Oegstgeest. Dit beeld komt tot op zekere hoogte naar voren uit de dendrochronologische dateringen van de vindplaats, waarvan er voor het begin van de zevende eeuw niet veel beschikbaar zijn. De tweede helft van de zevende eeuw vormde wellicht de bloeiperiode van de nederzetting, aangezien het merendeel van de dendrochronologische dateringen na 650 valt. Veel van de onderzochte structuren in en langs de geulen werden in deze periode opgericht. De bewoning concentreerde zich waarschijnlijk in de clusters A en D, al moet er ook sprake zijn geweest van enige bewoning in cluster B en, naar vermoeden, cluster C. Munten zoals sceatta’s, die dateren van 680/690 en later, werden voornamelijk aangetroffen in de nederzettings-clusters A en D; dit versterkt het idee van een verschuiving van de bewoning naar de meer westelijke delen van de vindplaats, in de richting van de rivierloop. De jongste dendrochronologische datering is het jaar 700, wat erop wijst dat er na dat jaar geen vers gekapt hout meer werd gebruikt. Deze datering is gekozen door de algemene datering van de site te combineren op basis van de momenteel beschikbare dendrochronologische data, de datering van het aardewerk en de datering van metaalvondsten. Hoeveel zekerheid -let op de door mij- onderstreepte woorden- spreekt hieruit? Blijft onvermeld of er in Oegstgeest een door Willibrord gestichte kerk heeft bestaan?

      5. Vlaardingen zou Flardinge zijn, maar wordt in deze boeken nergens meer genoemd, dan in de opsomming hierboven. Blijkbaar geloven deze auteur hun eigen opvatting niet. Ze schrijven er immers verder helemaal niets over. Met Vlaardingen wordt traditionalistisch de omgeving Dordrecht / Vlaardingen aangeduid ofwel historisch “Maasland” en niet “Rijnland”.D.P.Blok geeft voor Vlaardingen: ca. 1018 cop. midden 14e e. (ad 1018): occisio in Flardingis (Ann.Elmar, p. 88); 1021-1024 cop. eind 11e e. (ad 1018): cum ... aceesserunt ad Flartdingun (Alpertus Mettensis) 1ste helft 11e eeuw.. In zijn artikel over de Echternachse lijst noemt Blok de kerken van Vlaardingen en Heilo, die door een Hollandse graaf aan Egmond gegeven waren. Van die van Vlaardingen wordt in de Egmondse Evangelie aantekeningen en in het tussen 1125 en 1150 geschreven falsum op 1083 als Egmonds bezit vermeld. Dr. A.F.C. Koch noemt het document uit het jaar (1063-vervalst?) ook vervalst, waarvan geen oorspronkelijk bestaat, er zijn alleen Utrechtse en Echternachse “afschriften”. Ook de hele serie oorkonden tussen 993 en 1101 blijken vervalsingen te zijn. Er wordt daarin naar eerdere gegevens verwezen die in de 8ste eeuw nog niet bestonden. M.Gysseling verklaart het als volgt: Flaridingun • (1021-24) kop. 4e kwart 11e eeuw en Alpertus Mettensis en Flardinge •(1063-vervalst?) kopie midden 12e •. Met de verwijzing naar valse kopieën en naar Alpertus Mettensis gaat het over de 11de tot 14de eeuw en daarmee vervalt elk bewijs voor de aanwezigheid van Willibrord en Bonifatius in Holland. Merk ook op dat Blok en Gysseling het hier niet geheel met elkaar eens zijn.

    5. We kijken in dit hoofdstuk naar de nederzettingen binnen de gouwen Kennemerland (Kinhem), Texel (Texla) en Wieringen (Wiron), binnen de regio Medemblik (waarvan geen gouwnaam bekend is) en in mindere mate binnen de Gooi- en Vechtstreek (Nifterlake). Deze 4 hier genoemde locaties lagen niet in Nederland (Holland), maar in Frans-Vlaanderen: zie de linker kolom voor de juiste determinaties. Opmerkelijk dat hier niet de naam Medemolaca voor Medemblik genoemd wordt, wat overigens helemaal juist is. Medemolaca was Meldick in Frans-Vlaanderen, waar men al dijken aanlegde, lang voordat het in Holland bekend werd. De eerste dijken werden aangelegd in Zeeland, door Monniken van de St.Bertijns-abdij in St.Omaars, die ook de windmolen inroduceerden. Lees er meer over bij Opkomst van Holland.

    6. Dat ook de veengebieden intensief werden bewoond, weten we onder meer door de vele verdwenen of niet meer identificeerbare plaatsnamen in dit gebied. Het algemene beeld is dat het gebied tussen ruwweg de huidige duinen van Kennemerland en de hoge gronden van Texel en Wieringen een getijdegebied was dat in het tweede deel van het 1e millennium in hoog tempo bewoonbaar land verloor, maar dat in de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen een groot aantal nederzettingen kende waarvan we archeologisch nagenoeg niets meer terugvinden (p.187). De auteurs zijn wel eerlijk: er wordt nagenoeg niets, beter is helemaal niets gevonden, maar het moet er wel geweest zijn. Die verdwenen en niet meer identificeerbare plaatsnamen hebben deze auteurs op het onjuiste spoor gezet. Deze plaatsnamen die D.P.Blok en M.Gysseling ook niet konden vinden en in Nederland onvindbaar zijn, hebben wel degelijk bestaan, bestaan zelfs nog, maar liggen in Frans-Vlaanderen. Ook hier wordt weer het getijdegebied genoemd, dat het toch onbewoonbaar maakte. Het onbewoonbaar worden van dit gebied door vernatting vanaf de 3e eeuw n.Chr. was zeker van invloed op de afname van het aantal Noord-Hollandse vindplaatsen gedurende deze eeuw (p.211). Dat is toch duidelijke taal!

    7. De auteurs noemen drie redenen van het beperktheid van de archeologische waarnemingen: 1. veel sporen zijn verdwenen door erosie; 2. door later bodemgebruik zijn bovengrondse structuren verdwenen; 3. noodgedwongen is meestal een (klein) deel van de nederztting onderzocht (p.136-138). Het ontstaan van nieuwe getijdensystemen kon bewoning door erosie onmogelijk maken, maar ook verbeteren, doordat de bereikbaarheid tussen de woongebieden toenam (p.71).Erosie wordt 40 x genoemd: door werking van de zee, doordat de zee als gevolg van een steeds grotere eb- en vloedwerking om zich heen greep (p.10). Dus toch transgressies?

    8. Uit het geschreven recht van de vroegmiddeleeuwse Friezen (Lex Frisionum) is met enige voorzichtigheid op te maken dat er in elk geval vanaf de 9e eeuw een samenleving bestond van ‘rangen en standen’, naar Frankisch voorbeeld aangeduid met de termen edelen, vrijen, half-vrijen en slaven. Het is onzeker of het bestaan van een zekere elite, die in de 6e-7e eeuw aan hun gouden sieraden herkenbaar is en vanaf de late 7e eeuw ook historisch wordt vermeld, al voorafgaand aan de Frankische veroveringen een vorm van ‘bestuur’ vormde die tot het niveau van individuele nederzettingen doorwerkte (p.136). Terecht hanteren de auteurs hier de nodige voorzichtigheid.

    9. Wat ook een opvallend gegeven is, dat in de klassiek teksten steeds wordt gesproken over Noormannen of Danii, terwijl het in dit boek steeds over Vikingen gaat. De Noormannen worden slechts 5x genoemd, maar alleen in titels van boeken in de literatuurlijsten: dus niet in de tekst. Wanneer begrijpen historici en archeologen eens dat het verschillende volkeren waren. De Noormannen of Danii kwamen uit het zuiden (Normandië), terwijl de Vikingen uit het noorden kwamen (Scandinavië) en niet Denemarken. De Geograaf van Ravenna schrijft het vaderland van de Noormannen, dat vanouds ook Dania werd genoemd. Denemarken dankt haar onjuiste naam dus aan het fundamentele misverstand dat het de mark van de Denen was. Zo kwam St.Willibrord ook in Denemarken terecht, waar hij predikte samen met St.Wulfram. Met dit gegeven over St.Wulfram die predikte in Denemarken (sic) hebben de historici nooit raad geweest, dus werd het verzwegen. St.Willibrord liet men tot in Helgoland komen, wat wel het Forsitesland zou zijn geweest. Het was echter Le Fossé op 39 km ten noordoost van Rouaan Het is ook wonderlijk hoe de schrijvers van dit boek zich eruit draaien om de Deense Vikingen in Zweden te krijgen door Jutland gewoon bij Zweden te rekenen (kaartje p.40). Immers in Zweden zijn runenstenen gevonden, waarmee men zich schriftelijk kon uiten. Men wil zo graag de taalkundige ontwikkelingen koppelen aan die runenstenen (hoofdstuk 11). Maar in Holland zijn tot heden geen runenstenen gevonden (p.39). De Noormannen plunderden in Fresia (het gebied ten noorden van Artesië) in zuidelijke streken en niet in Holland waar ook geen enkele Noormannen-burcht is aangetroffen of resten van Noormannenschepen zijn er bijgevolg erg onwaarschijnlijk te vinden. Wat viel er te halen in dit onbewoonde gebied? Op zoek naar teksten waarin overduidelijk staat dat de Vikingen in Holland plunderden, stelt ook dit boek weer teleur. Je vind er geen. Het is zoals hierboven al aangegeven: "Een duidelijke Vikingvondst ontbreekt tot nu toe in Kennemerland, toch moeten ze hier geweest zijn." Let vooral op dat moeten, al zijn ze nooit gevonden!

    10. Aardewerk (hoofdstuk 6 en 7) is voor de meeste archeologen een hulpmiddel voor het dateren van de sporen waarin het is aangetroffen, en daarmee voor het opstellen van een periodisering van de nederzetting waartoe deze sporen behoren. Zeker zo interessant is het bepalen van de verhouding tussen lokaal vervaardigd, handgevormd en geïmporteerd, gedraaid aardewerk. Dit geeft een beeld van de mate waarin handelscontacten met gebieden elders bestonden. Tot slot vormt het aardewerk als sociaal-cultureel element een afspiegeling van de regionale identiteit van de bewoners, en in het geval van importen soms ook van de herkomst van nieuwkomers. Hierna wordt respectievelijk voor het draaischijfaardewerk en het handgevormde aardewerk ingegaan op de herkomst en dateringswijze, voordat de verschillende aardewerkvormen in de volgende paragraaf chronologisch worden gepresenteerd (p.458). In dit dubbelboek wordt aardewerk in zij algemeenheid liefst 1161 keer genoemd. De overzicht op p.359 t/m 362 en op p.457 zijn een welkome en duidelijke aanvullingen. Bekijkt men de afzonderlijke typen, dan is dat erg beperkt: Badorf (wordt 42x genoemd), Kogelpot (64x), Pingsdorf (13x), Mayen (35x), Paffrat (0x) en Reliëfbandamfoor (0x). Ten aanzien de datering van aardewerk en de relatie met hier genoemde opvattingen zijn discutabel. Zie daarvoor het hoofdstuk over aardewerk op deze website. We moeten nog eens wijzen op de uitspraak van W.A.van Es die stelde "Dateringen op grond van aardewerkvondsten zijn allerminst zeker". Annemarieke Willemsen merkte over aardewerk het volgende op: "de traditionele etnische indeling in Friezen, Franken en Saksen in Nederland is archeologisch niet te bewijzen".

    11. In de meeste hoofdstukken van dit boek staan de bewoners van Noord-Holland tijdens hun leven in het eerste millennium centraal. Hoofdstuk 10 richt zich op de doden en specifiek op de handelingen die als onderdeel van het ‘grafritueel’ volgden op iemands overlijden. Bij het uitvoeren van dit ritueel was de omgang met een dode van belang voor twee partijen: de familie van de overledene en de personen waarmee deze familie relaties onderhield. Centraal in het ritueel stond de overledene zelf, maar dit betekent niet dat de uitvoering en inrichting van een graf of een andere vorm van bijzetting automatisch een afspiegeling vormden van de status en identiteit van deze persoon tijdens het leven. Juist de omgang met de doden bood nabestaanden de kans om een boodschap over te brengen, over hun eigen positie en over hun relaties met anderen. (p.661)
      De omgang met de doden in Noord-Holland vertoonde gedurende de 2e tot 10e eeuw n.Chr. een grote variatie, met begravingen binnen grafclusters of grotere, reguliere grafvelden nabij gelijktijdige woonplaatsen, met geïsoleerde begravingen op of nabij woonerven, en met losse menselijke botten die ook op of nabij woonerven zijn gedeponeerd. Daarnaast kunnen menselijke resten in een bewust hiervoor gegraven grafkuil zijn geplaatst, maar ook in bestaande kuilen of greppels. Uit een geografisch overzicht van vondstlocaties met menselijke resten blijkt dat deze, met uitzondering van reguliere grafvelden, verspreid over Noord-Holland voorkomen (tabel 10.1; fig. 10.1). In onderstaande tekst worden de menselijke resten uit grafvelden, evenals geïsoleerde graven en los gevonden botten, zoveel mogelijk in chronologische volgorde besproken. (p.662).
      De omgang met de doden gaat met name over de vondst van skeletten dat in beide boeken samen ruim 82 keer wordt genoemd, waarbij ook van dubbelingen sprake is. Hetzelfde skelet van een vrouw wordt in deel 1 en in deel 2 genoemd. Een mooi overzicht vinden we in de hiervoor genoemde tabel (p.664-665) en op de pagina's 732 t/m 735. Toch gaat het daarbij om een beperkt aantal begravingen en uit de ruime dateringen blijkt dat er toch enkele hiaten in te zitten. In tabel 10.1 tellen we dat het om de vondst van totaal 172 skeltten (of delen ervan) gaat. Over een periode van 16 eeuwen (van de 4e vóór Chr. tot 12e eeuw na Chr.; Uitgeest) betekent dat 10,75 begravingen per eeuw ofwel (globaal) één overledene per 10 jaar! Daarmee kun je toch ook geen omvangrijke bevolking aantonen! We zien daarbij ook een duidelijke scheiding in de dateringen tussen 3e/4e eeuw en daarna enkele in de 5e/6e en meer in de eeuwen daarna, hoewel de dateringen soms nogal ruim zijn. Tellen we alleen de overledenen in de ter discussie staande periode (8e, 9e en 10e eeuw), dan gaat het in Kinhem (Kennemerland?) met de plaatsen Velsen, Heiloo en Petten, om 54 overledenen ofwel (globaal) 5½ begrafenissen per eeuw. Zou men voor die ene begrafenis per ca.20 jaar een hele kerk gebouwd hebben? Daar valt nog wel het nodige op af te dingen (sic)! Uit de vele losse botten en delen van skeletten of de vondsten in een greppel, blijkt niet meteen de hiervoor genoemde zorgvuldige omgang van een 'grafritueel' en respect voor de overlenene. Tel je alle 172 gevonden skeletten en deel je dat op 37 hiervoor genoemde plaatsen, dan is dat 4½ overlijdens per plaats in 10 eeuwen. Blijft de vraag: Wat bewijs je met één begrafenis per plaats per ca.2½ eeuw? Bewijs je daar een omvangrijke bevolking mee in de hier genoemde plaatsen? Dit gaat toch helemaal nergens over!

    12. Wat ook interessant is blijkt het aantal huisplattegronden en nederzettingen te zijn. Een overzicht is daarbij nuttig. Het gaat er immers om of alle in de oorkonden genoemd plaatsen in Noord-Holland bestaan hebben in het eerste millennium. Dat er soms wat mensen hebben rondgezworven op de droge stukken staat niet ter discussie. Maar waren de bevolkingsaantallen dusdanig dat er ruim 37 plaatsen hebben bestaan, plaatsen die zo bekend en belangrijk waren, dat ze in Franse kronieken zijn genoemd. Over bevolkingsomvang lezen we op p.88 t/tm 89 hoe men tot die aantallen komt. Voor de Merovingische periode (5e-7e eeuw) stelt men het aantal op maximaal 2400 personen en rond maximaal 3100 personen in de Karolingische periode (8e tot 10e eeuw). Voor de berekeningen wordt verwezen naar Dijkstra 2011, wat een proefschrift van Menno Dijkstra blijkt te zijn (Rondom de mondingen van Rijn en Maas, Landschap en bewoning tussen de 3e en 9e eeuw in Zuid-Holland, in het bijzonder de Oude Rijnstreek (= dissertatie Universiteit van Amsterdam). Aan de hand van het toenmalige landschap, archeologische vindplaatsen, nederzettingen, huisbouwtraditie en handelscontacten, is gekeken welke plaats Zuid-Holland innam ten opzichte van de omliggende gebieden. Daarbij wordt ook ingegaan op de vraag naar de tribale verhoudingen langs de Hollandse kust en wat het etiket ‘Fries’ daarbij voorstelt. Dit heeft ook gevolgen voor onze kijk op het Friese koninkrijk. De auteurs van het dubbelboek over Noord-Holland vergelijken de bewoningsomvang van Noord-Holland met de berekeningen van Dijkstra van Zuid-Holland. Dat is "appels met peren" vergelijken en dat gaat dus niet op. Sowieso is het landschap in Zuid-Holland geheel anders dan in Noord-Holland waar meer kusterosie plaats vond en er (nadien) veel meer polders en droogmakerijen waren, dus minder bewoonbare grond: vergelijk eens oudere landkaarten! De berekingen van Dijkstra zijn schattingen op basis van onjuiste uitgangspunten, wat al blijkt uit de naam van Frisia Project. Ook bij Dijkstra is dus onbekend dat het klassieke Frisia in Frans-Vlaanderen lag, waar de Fresones naast de Moriniërs woonden. Als veld-archeoloog (geen historicus!) gaat Dijkstra uit van de aangenomen opvattingen dat de Bataven in de Betuwe en de Canninefaten in Zuid-Holland verbleven. Een Fries Koninkrijk heeft ook nooit bestaan. Tabel 2.1. laat de Geschatte bevolkingsaantallen voor Noord-Holland in de Merovingische en Karolingische periode, op basis van de omvang van bewoonbare gronden en een aantal inwoners per vierkante kilometer. Ter vergelijking zijn ook de geschatte aantallen voor Zuid-Holland weergegeven (Dijkstra 2011, tabel 3.7). Het gaat bij deze schattingen om het aantal inwoners dat er mogelijk had kunnen wonen. Waarom is het aantal bewoners niet berekend op basis van het aantal boerderijen (in deel 1 en 2 samen 113, inclusief de Romeinse tijd), het aantal huisplattegronden (totaal samen 73), het totale aantal plattegronden (totaal samen 177) of het aantal woonerven (in deel 1 en 2 samen 126)? Dat zijn (zonder 'overlap') gemiddeld zo'n 122 archeologisch vastgestelde locaties. Waarom geen berekening op grond van of het aantal grafvondsten (172 -zie vorige punt) of het aantal van 37 plaatsen waar een kerk stond? Dat waren er in Noord-Holland van die 24 door Echternach geclaimde 16 plaatsen, toch meer dan de 8 plaatsenin Zuid-Holland (volgens huidige provinciegrenzen)?
      Vergelijk je het maximale aantal inwoners over 3 eeuwen, dan betekent dat voor Kennemerland, waar toch de plaatsen Velsen, Heiloo en Petten lagen, in de Merovingische periode zo'n 426 inwoners per 100 jaar. Voor de Karolingische periode betekent het gemiddels 530 inwoners per 100 jaar. Jammer dat er geen doopregisters bestaan uit de tijd van Willibrord en Bonifatius! Het zijn uiteraard geschatte maximale aantallen. Het zijn zeker interessant gegevens, zeker als je het vergelijkt met andere gegevens, zoals bijvoorbeeld in Archeologie in Nederland (febr.2019) gegeven worden. Zo bleek onlangs (studie van Stijn Heeren) dat de Betuwe nooit het aantal Bataafse legionairs aan het Romeinse leger heeft kunnen leveren. Daarvoor was de Betuwe en het aantal nederzettingen gewoonweg te klein, waarmee al aangetoond is dat de Betuwe niet het land van de Bataven geweest kan zijn.

    Lees meer over achtergronden om een goed begrip te krijgen over de werkwijze in de historische wetenschap.

    Citaten van Historici


    wetenschap is twijfel


    ongelooflijk


    onnozelheid


    Heiligenlevens


    Kletspraat



    Lees meer over het ontstaan van de traditionele opvattingen in de loop der eeuwen en vooral sinds de 17de eeuw.
    11de en 12de eeuw
    13de en 14de eeuw
    Opvattingen in de 15de, 16de en 17de eeuw
    18de eeuw
    19de eeuw
    20ste eeuw




    Lees het boek "De Ware Kijk Op" voor al deze en andere teksten en oordeel zelf!

    Terug naar de beginpagina.
    Het Bronnenboek van Nijmegen weerlegt de Karolingische geschiedenis van Nederland.
    Naar het overzicht in het kort.